Beveiligd: Jona op uitzending

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Om deze te kunnen bekijken, vul het wachtwoord hieronder in:

Advertenties

God straft onmiddellijk

Preek over 2 Kronieken 26

Rembrandt – Koning Uzzia geslagen met melaatsheid (1635)

Gemeente van Jezus Christus,

Heb je weleens straf gehad? Dat was dan vast nodig 😊. Mijn kleine kinderen staan nog weleens in de hoek of zitten op de trap omdat ze elkaar slaan, krabben of knijpen bijvoorbeeld. Dat mag niet. Dat zal bij jullie thuis vast ook de regel zijn. Papa of mama geeft dan straf om je duidelijk te maken: Dit mag je niet meer doen! Hier ligt een echte grens. Maar laten ze je dan op de trap zitten, op je kamer of in de hoek staan? Nee, een poosje later mag je weer terugkomen. Misschien moet je dan nog sorry zeggen en het weer goed maken. En je hebt er hopelijk iets van geleerd. En dan is het ook weer goed. Je straf is beperkt.

Uzzia krijgt ook straf lazen we. Straf van God. Hij mag nooit meer bij God thuiskomen in de tempel. Nooit meer. En hij kan zijn werk als koning niet meer doen. Arbeidsongeschikt. Zijn straf is levenslang. Ja, zelfs meer als levenslang. Helemaal aan het einde van het hoofdstuk lezen we dat Uzzia op een apart veldje bij de koningsgraven begraven wordt. Eerherstel is er voor hem zelfs dan niet bij. Voor altijd blijft het zichtbaar. Zoals het zichtbaar was tijdens zijn leven aan zijn huidziekte in zijn gezicht. Zo zichtbaar is het aan zijn graf: Deze koning is door God “ge-excommuniceerd”, uit de gemeenschap gestoten.

Dat is nogal wat. Heftig, vind u niet? Een drama voor die man. Het roept vragen op over hoe God naar ons kijkt, ons leven beoordeelt, zegent en straft. Want als Uzzia nou iets heel ergs had gedaan, denken wij dan, ja, dan verdien je levenslang. Zo mild zijn wij tegenwoordig ook niet voor wat wij tegenwoordig terroristen noemen. ‘Laat die Syrie-gangers die zich bij IS hebben aangesloten, maar doodgaan daar. Die hoeven niet meer terug te komen.’ Maar wat heeft Uzzia nou helemaal gedaan? Hij deed juist zo verschrikkelijk veel goed!

Ga d’r maar aanstaan: op je 16e koning worden over Juda, een stad, een land regeren. Trouwens: dat houdt ook in dat hij op zijn 16e zijn vader verloor, koning Amazia. En dan toch die verantwoordelijkheid op je nemen. Zacharia (niet de profeet van het bijbelboek, maar waarschijnlijk iemand uit de priesterlijke kringen) stond hem bij als leraar, adviseur, geestelijk leidsman. En staat er dan zo mooi: “Hij deed wat juist was in de ogen van HEERE”. Hij leerde op God te zien en God te zoeken. En dat werd rijk gezegend.

En dan toch dat scherpe oordeel: midden in de tempel wordt hij “melaats”. Heel duidelijk staat daar in vers 20: ‘hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.’

Is dat niet onrechtvaardig van God? Uzzia bedoelde het zo goed…

Wíj bedoelen het toch ook vaak zo goed in ons leven. Er zullen hier weinig mensen in de kerk zijn, die bewust, willens en wetens slechte dingen doen. Je probeert zo eerlijk mogelijk zijn, al glipt er weleens een leugentje om bestwil doorheen… Je weet wel dat je beter fair-trade spullen kunt kopen, maar als je die goedkope kleding van H&M laat liggen, ben je toch een dief van je eigen portemonnee… Je slaat af en toe eens een kerkdienst over, tijd voor het gezin is ook belangrijk… Vliegvakantie is slecht voor het milieu, maar ja, dan kom je nergens… Je sluit niemand buiten in de klas, in de kerk, in je buurt, zeker niet, maar sommige mensen passen je gewoon niet zo… En toch: We proberen toch meestal het goede te doen. We proberen goed te leven. Proberen. In alle gebrokenheid, met vallen en opstaan. En in grote lijnen lukt dat ook best aardig.

Hebben wij dan een God die dat niet ziet, die dat niet waarderen kan. Een God met de botte bijl?

Let goed op, dat het hier ook nog niet zomaar om iets gaat, maar dat Uzzia probeert om de HEERE te dienen. Je krijgt bijna het gevoel dat Uzzia zoiets heeft van: ‘Nu ben ik succesvol als koning in het bestuur van het land, het leger staat weer goed op poten, de economie draait op volle toeren. Dat dank ik aan de HEERE. God heeft mij geweldig geholpen. Nu wil ik Hem een offer brengen. Nu wil ik Hem hoogstpersoonlijk bedanken.’ Als God je immers zo welgezind is, als je zo’n geweldige relatie met God hebt, dan kun je toch best zo bij Hem binnenlopen.

Fijn is dat toch? Ik kan daarin nog van Uzzia leren. Als het ons goed gaat, gaat het bij mij vaak omgekeerd, dan vergeet ik de HEERE te bedanken. De intense en levenslange betrokkenheid op de dienst van de HEERE uit zich bij Uzzia op een goede manier. Als je ongeveer na probeert te gaan op welk moment in het leven van Uzzia dit heeft plaatsgevonden, levert een beetje rekenen met de leeftijd van zijn zoon Jotam op – die 25 was toen hij koning werd – dat het toch maximaal 5 tot 10 jaar voor het levenseinde van Uzzia moet zijn geweest. En dat het dus minimaal 40 jaar lang gewoon heel erg goed is gegaan tijdens zijn regering.

Waar het bij Uzzia fout gaat, is vers 16: ‘Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig’.

Let op: de fout ligt niet bij het ‘sterk=machtig worden’. Sterk zijn is prima! Van zoon Jotam lezen we in hoofdstuk 27 ook dat hij ‘sterk werd, maar wandelde in de wegen van de HEERE’. Dat kan dus ook prima.  Nee, het gaat mis bij die hoogmoed, letterlijk staat er ‘zijn hart verhief zich’. Wij zouden zeggen: Hij krijgt het hoog in zijn bol. Niet eens bewust waarschijnlijk. Maar hij gaat denken dat hij wel héél erg speciaal moet zijn. Hij wist natuurlijk echt wel dat het offeren in de tempel voorbehouden was aan de priesters, de zonen van Aäron. Misschien heeft hij het verhaal over die eerste koning van Israël, Saul, gekend, die een brandoffer bracht voor de strijd, maar door Samuel werd terechtgewezen. Maar híj, Uzzia, híj is toch echt wel een uitzondering op die regel!

Zo denken wij al heel snel, toch? In feite zijn wij als het over geloofszaken gaat in onze moderne tijd allemaal van die kleine koninkjes. Stelregel is immers dat het enige criterium bij de dienst aan God is dat het ‘goed moet voelen’ en ‘bij je moet passen’. Als jij zin hebt om naar de kerk te gaan: prima! Als jij geen zin hebt om naar de kerk te gaan: evengoed prima, niemand zal je ertoe dwingen. Hoe kan iemand anders nou voor jou bepalen hoe jij moet geloven, wat jij moet denken, hoe jij moet handelen? Dat bepaal je toch zelf wel? Natuurlijk de ouderling of de dominee op huisbezoek mag je best advies geven… als hij het netjes brengt… En je vindt het prima om gevraagd te worden voor een ambt of een taak in de gemeente… daar beslis je toch zelf over. En in de preek mag een dominee best op grond van de Bijbel zeggen dat je fair-trade-producten moet kopen en milieubewust moet leven of dat we vluchtelingen uit Noord-Afrika en Syrië met open armen moeten ontvangen. Maar hé: daar ga ik zelf over. Want ik heb daar ook zo zelf mijn eigen mening over.

Uzzia wordt zelfs woedend als de priesters hem in de tempel regelrecht blokkeren… Zouden wij ook niet boos worden? Zitten we op die manier net niet zo potdicht met onze hoogmoed als Uzzia? Kunnen we nog toegeven dat wij zelf niet bepalen hoe we God moeten dienen, maar dat God dat toch echt zelf bepaalt? En dat sluit soms wel, maar soms ook niet op elkaar aan. Dat was in de tijd van het Oude Testament al zo met beelden bijvoorbeeld: wij hebben graag iets zichtbaars en iets tastbaars, maar God niet. Dat is in het Nieuwe Testament zo: de eerste gemeenten stappen al snel in de valkuil van de nieuwe regels: wel blijven besnijden en spijswetten houden, wel in tongen kunnen spreken, minimaal door Apollos gedoopt zijn, toch wel rekenen op een mooi leven in het Koninkrijk. Nee, zegt Jezus: ‘wie de meeste wil zijn, moet de anderen dienen, wie zijn leven wil behouden, moet het verliezen. Geen heerlijkheid en schittering, maar de weg van het kruis. God wil niet gediend worden op de manier die óns het beste past…

En ja, zoals we hier merken bij Uzzia, hebben we dus te maken met een Levende en Heilige God, die dus niet alles maar prima vindt en over Zijn kant laat gaan wat wij doen. Hij vindt iets van u, van uw leven, van uw geloofsleven ook. En Hij is gerechtigd daar consequenties aan te verbinden. Dat recht mogen wij ons als mensen niet toe-eigenen, maar wij moeten het God ook niet ontzeggen. Hoe vervelend wij het als moderne mensen ook vinden: Uzzia krijgt wat hem toekomt. En dat is vervelend, omdat dat dan ook akelig dichtbij mij komt… Dat is confronterend en radicaal. Laat het dat maar zijn. Denk er maar over na.

Wat ging er nu precies mis bij Uzzia? Het ging mis zodra Uzzia taken op zich ging nemen, die hem gewoonweg als koning niet toe kwamen. Je zou kunnen zeggen dat Israël zelfs in de Oudheid al een soort scheiding tussen kerk en staat kende: een scheiding der machten. De koning ging over de veiligheid, de politiek, justitie en economie, de tempel ging over sociale zaken, volksgezondheid, onderwijs en godsdienst. In alle landen om Israël waren de koningen dictators, alleenheersers, die als godenzonen te boek stonden en ook de tempel onder controle hadden, maar in Israël mocht het niet zo zijn. Alleen priesters, afstammelingen van Aäron doen dienst in de tempel, waardoor de macht van de koning beperkt wordt en in toom gehouden. De koning is geen godenzoon, maar een functionaris, een ambtsdrager zoals de anderen. Heel modern eigenlijk. Maar de HEERE, de God van Israël, is ook altijd bij de tijd.

Wat ging er nu precies mis bij Uzzia? Dat is de keerzijde van de vraag: Wat ging er nu precies goed bij Uzzia? Want dat is minstens zo belangrijk. Aan beide keerzijden van de medaille schenkt de schrijver van Kronieken namelijk aandacht, en nog wel meer aan wat goed ging. Zoals ik al zei, was dat ook het grootste deel van zijn leven. Dat waren de jaren dat hij zich gewoon beperkte tot zijn eigen werk, zijn eigen taak, zijn eigen ambt. Gewoonweg zijn werk als koning goed doen. Dat werd gezegend.

Leerzaam: we hoeven niet allemaal priester te willen worden als we God willen dienen. Het reukoffer in de tempel is niet het summum. Sterker nog: God vraagt juist van ons dat we God dienen, Zijn wil zoeken, op de plek waar God ons gesteld heeft.

Op welke manier vervult Uzzia dan Gods wil? Op het eerste gezicht met dingen die niet zoveel met godsdienst te maken hebben, vers 6 t/m 14:

Uzzia voert oorlog tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren en de Meünieten. Volken ten westen, zuiden en oosten. Behalve dus tegen het noorden, waar het 10-stammenrijk lag, het broedervolk, voerde hij oorlog aan alle grenzen. Hij bouwde versterkingen, torens, in Jeruzalem en aan die grenzen in de woestijn. Hij reorganiseerde het leger. En daarbij ging hij grondig en innovatief te werk.

In het oude Midden-Oosten was het zo’n beetje gebruik dat als je als koning oorlog wilde voeren, je dat deed in het voorjaar: dan riep je een groot gedeelte van de “dienstplichtigen” onder de wapens, die liet je hun eigen wapens en eten meenemen, ondernam je een veldtocht, waarbij velen sneuvelden, omdat ze slecht getraind en slecht bewapend waren, als je won had je mazzel.

Dat doet Uzzia dan heel anders: hij kiest voor een staand beroepsleger, zoals we dat in Nederland ook hebben. Goed georganiseerd met officieren die de leiding hebben en de training verzorgen. En Uzzia voorziet iedereen van de benodigde wapens. Niet alleen aanvalswapens: zwaarden, speren, bogen, maar ook bescherming: schilden, helmen, maliënkolders. Daarnaast zorgt hij voor vuursteun vanaf de muren, met nieuwe uitvindingen: katapulten en blijden die grote pijlen en stenen kunnen werpen.

Wat heeft dit alles met de dienst aan God te maken? Alles. Uzzia wil met dit leger geen wereldveroveraar worden als Nebukadnezar of Alexander de Grote, maar lijkt het vooral te gebruiken als verdediging en om de vrede in en om zijn land te handhaven. En als je dat doet, als je die taak serieus neemt: doe het dan goed. En dat is Gods werk blijkbaar. Wij, Nederlanders, laten daar wel de nodige steken vallen: onze krijgsmacht is op dit moment totaal ondergefinancierd en uitgeput. Veel materieel is kapot, reserveonderdelen zijn op, munitie is er bijna niet, personeel wordt er gillend gek van, het plan is zelfs om in de toekomst één helm per twee militairen aan te schaffen… Dan verwaarloos je je taak als overheid ter handhaving van de vrede in je eigen land en de wereld om je heen. Defensie is geen luxe, maar noodzaak in een gebroken wereld. Als legerpredikant gaat het mij aan mijn hart dat we jonge mensen, die hun leven voor ons allen riskeren, naar Afghanistan, Mali, Irak sturen zonder deugdelijke spullen.

Bij Uzzia ging dat dus wel goed. Zó mooi vind ik het dat daar dan bij staat in vers 10 ‘maar hij was een liefhebber van de landbouw’. Ondanks dat prachtige leger was hij geen vechtersbaas: liever ploegscharen dan zwaarden. Uzzia heeft daarin iets van een vredevorst. Maar hij verwaarloosde zijn taak en verantwoordelijkheid niet. Hij had het beste voor met zijn land, zijn mensen, ja zelfs dus met zijn dieren en velden. Want dat had hij lief.

Als wij God zoeken, ontvangen wij liefde voor de wereld, voor de mensen om ons heen, voor het werk wat we mogen doen. Het leven met God werkt door in je dagelijks leven, dat kan niet anders, dat wordt zichtbaar. Dat wordt namelijk gezegend. Dat mogen we ook volhouden: Als we volhouden dat God straft en oordeelt, en daar het recht toe heeft, dan mogen we ook zegen verwachten en zegen zien als we werkelijk God op het oog hebben, Hem zoeken.

Heeft God dan geen medelijden, geen genade voor deze Uzzia? Voor ons in onze gebreken? Zeker wel. Het is niet voor het eerst dat er iemand probeert op een verkeerde manier een reukoffer te brengen. Blader mee naar Leviticus 10:

‘De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had. Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.’

Dit gebeurt echt vlak na de bouw van de tabernakel. En dan blijkt zelfs voor priesters het allemaal zéér nauw te luisteren. God woont dan wel te midden van Zijn volk, maar Hij blijft de Heilige, die op geen enkele manier gemanipuleerd kan worden… Blader maar verder naar Numeri 16 waar we lezen over Korach, Dathan en Abiram en 250 anderen die opstaan tegen Mozes en Aäron als leider en priester. Dan staat er in vers 5-7:

‘En hij sprak tot Korach en tot heel diens aanhang: Morgenochtend zal de HEERE bekendmaken wie van Hem is, en wie de heilige is die Hij in Zijn nabijheid zal laten komen. Wie Hij kiest, zal Hij in Zijn nabijheid laten komen. Korach en heel uw aanhang, doe dit: neem voor uzelf vuurschalen, doe er morgen vuur in en leg er reukwerk op voor het aangezicht van de HEERE. En het zal gebeuren dat de man die de HEERE kiest, die zal de heilige zijn. U trekt te veel naar u toe, zonen van Levi!’

Die komen dus allemaal met hun reukwerk bij de tabernakel. Hoe loopt dat af? Korach, Dathan en Abiram worden door de aarde verzwolgen mét hun gezinnen en, vers 35:

‘En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.’

Hoe je het ook wendt of keert (en deze heftige verhalen roepen ongetwijfeld ook hun eigen vragen op), als je het hiermee vergelijkt, dan komt Uzzia er goed van af! Bewust en gewaarschuwd overtrad hij Gods uitdrukkelijke wensen, maar hij mag blijven leven. Hij moet de consequenties van zijn hoogmoed dragen en moet zich terugtrekken uit het openbare leven. Maar de positieve evaluatie van zijn leven en regering blijft toch staan: ‘Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE’. In de boeken van Koningen en Kronieken is dit namelijk een waardering achteraf. Per saldo, zegt de geïnspireerde schrijver, was Uzzia oprecht en goed bezig.

Dat is wat! Dan is er voor jou en mij ook nog hoop toch? Als God blijkbaar zó is. Dat wij ondanks onze zonden en gebrokenheid, ons falen en blunderen, tóch ‘rechtvaardig’ kunnen zijn. Dat is voluit evangelie natuurlijk. Dat is precies wat Paulus en Luther ontdekten in het licht van Jezus Christus: God is niet uit op onze ondergang en verdoemenis, daar zou reden genoeg voor zijn – oja! – maar het blote feit dat wij nog dóórleven, is een teken van Zijn liefde en genade. God laat aan de ene kant niet zijn volle toorn voelen, maar neemt aan de andere kant de consequenties van onze zonden niet allemaal weg. Hij neemt ons serieus, maar wil bovenal dat wij van Zijn genade leren leven in het leven dat Hij ons gegeven heeft. Niet meer niet minder.

Het blijft staan dat die 16-jarige koning Uzzia ons voorbeeld is: Hij zocht de HEERE. Ik hoop dat jullie dat ook doen, kinderen en jongeren, en volwassenen. Zeker in de vakantie, wanneer je iets ruimer in je tijd zit. Lees eens een goed boek, kijk een goede film. Zing eens samen met het gezin. Bezoek een mooie christelijke conferentie. Maar vooral ook: zoek ernaar wat God voor jou betekent in je dagelijks leven. Hoe daar iets zichtbaar kan worden van je toewijding en trouw aan de Heere Jezus.

Stel jezelf daarin gerust hoge doelen! Hoe hoger hoe beter! Wordt groot en sterk als Uzzia! Maar vermijd daarbij de valkuil van Uzzia: dat hij niet meer wilde luisteren naar de ambtsdragers, naar zijn medegelovigen, maar het zelf allemaal wel dacht te weten. Zoeken naar de HEERE, vragen naar Zijn wil en weg, dat betekent per definitie dat je jezelf openstelt, dat je wilt leren en groeien in het midden van de gemeente. Dat houdt jezelf ook klein. Maar het mag niet bij zoeken en vragen blijven. Wie zoekt zal vinden. Wie vraagt, moet ook willen luisteren. En God de Levende, zal spreken. Tot u en jou, misschien wel door de mens naast u. Ook al komt dat misschien niet altijd zo goed uit.

En struikel je? Ben je gevallen? Dat doet serieus pijn, daar weet Uzzia alles van…draag die gevolgen, maar zie ook, ervaar en verwonder dat we een genadig God hebben.

Amen

Leeservaring: Paul – Oorspronkelijk: Overwegingen bij schepping en evolutie

N.a.v. M.J. Paul, Oorspronkelijk: Overwegingen bij schepping en evolutie, Apeldoorn: Labarum Academic, 2017.

Dit boek zou je de tegenhanger kunnen noemen van het bijna gelijktijdig geschreven boek van Van de Brink, ‘En de aarde bracht voort’. Terwijl Van de Brink de verenigbaarheid van orthodox-christelijk geloof met evolutie verdedigt, ontkent Paul die op de meeste punten. Tenminste is dat echt zo?
Paul beschrijft bijna encyclopedisch de klassieke bijbeluitleg en kerkelijke traditie hierover. Hij geeft een wetenschapshistorisch overzicht over oorsprongstheorieën vanaf de klassieke oudheid en veel wetenschapsfilosofische kanttekeningen. Hij toont genoegzaam aan dat de evolutietheorie niet eenduidig is, en nooit eenduidig is geweest. Oorsprongsvragen hangen per definitie samen met levensbeschouwelijke achtergronden van wetenschappers. Deze complexe nuancering noopt tot zorgvuldigheid en een kritische benadering van wetenschap. Als zodanig is dit een goed pleidooi.
Maar… zijn zorgvuldigheid en een kritische habitus niet ook juist onderdeel van goede wetenschap? Wetenschap wordt toch niet gediskwalificeerd door de constatering dat wetenschappers ook niet altijd objectief zijn geweest? Het vraagt alleen om nog méér wetenschap. Paul’s strategie lijkt om de vinger te leggen bij alle onzekerheden en fouten in het verleden om daarmee de geloofwaardigheid van de evolutietheorie te ondermijnen. Na het hele boek gelezen te hebben, kreeg ik eerder het idee dat het om speldenprikken gaat. Ik ben geen doorslaggevende argumenten tegengekomen, alleen nuanceringen en aanzetten tot verder onderzoek en discussie.
Als mede-oudtestamenticus heb ik vooral zijn exegese van Genesis 1-3 (en verder) met belangstelling gelezen, maar Paul komt niet verder dan het herhalen van een klassieke hertelling. Op geen enkele manier heeft hij moderne inzichten positief verwerkt. Bijvoorbeeld dat de schepping en het tuinverhaal veel relaties lijken te hebben met de priesterlijke theologie en de tempelcultus wijst hij vooral af (in gesprek met Walton), terwijl dit de exegese toch enorm verrijkt. Paul houdt vol dat de Bijbel een traditie kent onafhankelijk van de Umwelt, wat me moeilijk vol te houden lijkt na lezing van bijvoorbeeld Korpel/De Moor, ‘Adam, Eve, and the Devil’ (2015), waarin allerlei kanaanitische literaire verbanden worden aangewezen. Ik vind het vreemd als een oudtestamenticus zich afsluit voor de mogelijkheid van nieuwe/andere inzichten in de tekst van het Oude Testament. Volgens mij hangt dit samen met een gebrekkige doordenking van hermeneutische vragen, want dit boek kent helaas geen hoofdstuk dat daaraan expliciet gewijd is.
Interessant genoeg eindigt het boek van Paul met veel meer ruimte dan je zou denken: hij roept op tot verdere discussie en trekt alleen een streep bij de historiciteit van Adam en Eva en de zondeval. Dat zijn kernzaken, waarmee het christelijk geloof staat of valt, maar de rest (incl. deep time en evolutietheorie!) valt onder de adiaphora waarover het niet erg is als christenen van mening verschillen! Als dat de conclusie is, dan is dat winst en is het verschil tussen Paul en Van de Brink helemaal niet zo groot als gedacht.

(Overigens zou het boek een stuk leesbaarder zijn geworden als het redactieproces scherper was verlopen. Verschillende hoofdstukken en paragrafen dragen nauwelijks bij tot de discussie. Zie een paragraaf van 1 zin over de kosmologie van de Hethieten :-). En vaak wordt voor argumenten verwezen naar literatuur, zonder het argument ook daadwerkelijk uit te werken, waardoor het een soort ‘gezagsargumenten’ worden, die moeilijk voor de lezer te controleren zijn. Hiermee samen hangt onduidelijkheid over de ‘status’ van dit boek: is het geschreven voor leken, theologen of natuurwetenschappers? Veel informatie mag bij wetenschappers al bekend verondersteld worden, terwijl veel voor leken niet op waarde geschat kan worden.)

Demonologie in de dop

Recensie van: G.C. Vreugdenhil, Geestelijke strijd in de kracht van Jezus: Gelovig weerstand bieden aan de boze, Artios-reeks, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2017, 214 pag.

Fascinerend en soms bevreemdend is het nieuwe deel in de Artios-reeks van de hand van dr. G.C. Vreugdenhil over geestelijke strijd. In drie delen bespreekt de auteur zijn thema. Allereerst schetst hij dat het in de Bijbel gaat over een strijd tussen goed en kwaad op aarde. Natuurlijk is God koning over de aarde, maar de duivel heeft de schepping ‘bezet’ (36), omdat wij mensen de deur voor hem opengezet hebben bij de zondeval. ‘Eeuwenlang heeft hij ‘ongestoord’ zijn heerschappij over deze wereld kunnen uitoefenen en waren de koninkrijken van deze wereld in zijn macht.’ (47) Tot Jezus aan het kruis de definitieve overwinning bepaalde en de claim van de kwade machten over ons leven tenietdeed. Vreugdenhil noemt dit D-Day, en nog geen V-Day, want de duivel heeft het niet opgegeven om Christus en zijn volgelingen dwars te zitten. In het tweede deel bespreekt hij de strategie en listen van de duivel om op allerlei manieren opnieuw voet tussen de deur te krijgen in ons leven. Vreugdenhil neemt de verzoeking van Jezus in de woestijn als blauwdruk voor het verleidingswerk van satan bij de gelovige. Zo komt hij op thema’s als zwakke plekken, geloofstwijfel, (seks)verslavingen, onmin in de gemeente, dwaalleer, maar ook wetticisme en regelrecht occultisme bij ons of vorige generaties (generatievloek, 134). De duivel stimuleert en gebruikt deze dingen als toegangspoort tot ons leven. Tot slot bespreekt de auteur de middelen die we hebben om weerstand te bieden aan de boze. Allereerst moet het de gelovige dan duidelijk zijn dat hij in Christus veilig is. Ten tweede moet de gelovige zich bewust zijn van de geestelijke strijd in zijn eigen hart en denken en daar actief in participeren. Ten derde neem je deel aan de strijd in de wereld door de geestelijke wapenrusting te gebruiken, waarvan het gebed het belangrijkste is.

Waardering verdient Vreugdenhil voor zijn passie en inzet om bij ons tussen de oren te krijgen dat de navolging van Christus met strijd gepaard gaat. Deze metafoor van de strijd heeft absoluut bijbelse papieren, zoals ruimschoots duidelijk wordt uit dit boek. Hoewel, zoals de auteur schrijft (p. 15), bijbelgetrouwe christenen het bestaan van de duivel daarbij niet zullen ontkennen, speelde hij echter hoogstens een bijrol. Klassiek hebben wij immers de strijd tegen ‘duivel, wereld en ons eigen vlees’ (HC ant. 127), maar de duivel was daarbij wel (terecht?) de minste van onze zorgen. Pas de laatste jaren is voor ‘demonologie’ (de leer omtrent demonen/duivel) meer aandacht door publicaties uit evangelisch-charismatische kring en ten onzent o.a. dr. M.J. Paul en de praktijk van het ‘bevrijdingspastoraat’. Voor Vreugdenhil zelf was er ook de bijzondere zendingservaring van Chili nodig om hiervoor meer oog te krijgen.

Het gebodene in het dit boek is dus (nog) geen gemeengoed en daarom had een hoofdstuk over bijvoorbeeld verschillende wereldbeelden en in hoeverre spreken over demonen cultuurbepaald is, niet misstaan om een gemeenschappelijk vertrekpunt te creëren. Verder komen veel opmerkingen in het boek als kort door de bocht over. Bijvoorbeeld dat loskomen uit de macht van de duisternis een levenslang proces kan zijn (p. 34). Of zelfs te maken kan hebben met generaties voor ons (p. 134). En wie zegt eigenlijk dat de duivel gedachten van gelovigen kan lezen en dingen in kan fluisteren? (pp. 68, 113, 114, 127, etc.). Ik heb daar bijbels en theologisch grote vraagtekens bij. Problematisch is verder dat veel van de ‘bewijsteksten’ die Vreugdenhil gebruikt, op zijn minst voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

De gedachte bijvoorbeeld dat achter de goden van het heidendom demonen schuilgaan, zou je af kunnen leiden uit Ps 82, zoals hij doet, maar veel waarschijnlijker is het een oud-oosterse voorstelling van zaken. Het bewustzijn dat de HEERE de énige God is, is namelijk pas langzaam doorgedrongen. Zeker in de tijd van Mozes t/m de ballingschap was het grootste deel van Israël ervan overtuigd dat de HEERE wel hún God was die ze moesten dienen, maar dat er ook andere goden bestonden. Zuiver monotheïsme vinden we pas laat in het Oude Testament. In Jesaja 44 vinden we dan zelfs de voorstelling dat afgoden daadwerkelijk nietsen zijn. Ook Paulus’ spreken over de kwade machten is voor meerdere uitleg vatbaar, want die zijn niet per se ‘persoonlijk’, maar omvatten ook de macht van de zonde, de dood, dwaalleer, vervolging, etc.. Wat aan de afgoden geofferd is, kan hij daarom beschrijven als ‘geofferd aan de demonen’, maar aan de andere kant ook verklaren dat dat allemaal niet meer relevant is voor de gelovige.

Persoonlijk zie ik dan ook veel meer in de houding van Van de Brink & Van de Kooi (Christelijke Dogmatiek, pp. 303-307) die stellen dat we vanuit de Bijbel niet zoveel over de duivel weten, en dat dat ook precies de plek is die de duivel toekomt als onpersoon. Over het geheel genomen lijkt Vreugdenhil nu in de valkuil getrapt te zijn, die hij wilde vermijden, namelijk het overschatten van de macht van de boze (15). ‘De figuur van de duivel speelt feitelijk de rol van tegenmacht, waarmee men in het geloof voortdurend in de weer is. Daartegenover stellen we dat dit niet de houding is van het geloof.’ (VdB & VdK, 305).

Het zou fijn zijn geweest als Vreugdenhil meer ruimte had besteed aan het bespreken van andere interpretaties. Een waakzame houding tegenover occultisme is op zijn plek, maar de toerusting over de geestelijke strijd tegen de duivel vergt meer nuance dan de auteur ons biedt in dit boek. Het lijkt mij dan ook goed als een open gesprek over deze thematiek op gang komt binnen onze kring.

(Verscheen eerst in: De Waarheidsvriend, 35/2017)

Jezus als haatprediker?

Homilie bij de herdenking van de Bevrijding van Beringen (6 september 1944) in de bevrijdingsmis. Over Mattheus 10:34-39.

Herdenking bevrijding Beringen - Beringen

Gemeente van Jezus Christus,

We zijn hier bij elkaar om de vrede te vieren. Al 73 jaar wordt er niet meer gevochten in de straten van Beringen, wordt er niet meer schoten, leven de mensen niet meer in angst. Aan die vrede heeft ook de Nederlandse Prinses Irene Brigade bij mogen dragen. Irene betekent ‘zij die vrede brengt’.

Het is dan even slikken bij de woorden van Jezus. ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ En dan die woorden over het breken met je familie, haat zelfs. Niet echt een geschikte tekst om te lezen in een ‘vredesdienst’, denk je misschien. Jezus was blijkbaar ook onder de ‘haatpredikers’, de ‘religieus extremisten’. Daar hebben we onze buik wel vol van, tegenwoordig. Het is de reden dat de straten van Brussel weer door militairen beveiligd moeten worden.

Toch moeten we niet te snel afhaken bij de woorden van Jezus. Jezus preekte wel degelijk liefde en vrede. Radicaal zelfs. Zo radicaal, dat hij wist dat het weerstand op zou roepen. Want als je benoemt wat er scheef zit in deze wereld, als je gaat voor verandering, vernieuwing, bevrijding. Dan kun je rekenen op het zwaard: op weerstand. Niet alleen van een overheid, maar waarschijnlijk ook in je eigen familie en vriendenkring. En daarom doet hij in dit gedeelte aan verwachtingsmanagement. Hij zet zijn volgelingen met beide benen op de grond: Verwacht niet dat je jezelf geliefd zult maken in deze wereld als je helemaal gaat voor het goede, voor God, voor vergeving, genade, verzoening en heelheid. Want daarmee loop je machthebbers en de gevestigde orde voor de voeten.

Jezus roept niet op tot religieus geweld, maar waarschuwt ons dat deze wereld geen speeltuin of paradijs is. Er waren mensen die over Jezus zeiden: Als Hij werkelijk de messias is, de redder van de wereld, dan zorgt Hij wel eventjes dat de wereldvrede uitbreekt, dat alles pais en vree wordt. Maar zo werkt dat niet, zegt Jezus, vrede komt niet zonder slag of stoot tot stand. Zelfs bij God werkt dat niet zo.

Juist in deze bevrijdingsmis kunnen wij denk ik goed aanvoelen wat Jezus bedoelt. Hier in Beringen hebben geallieerde militairen hun leven gegeven voor onze vrijheid. Zij hebben Jezus’ woorden in de praktijk gebracht. Zij hebben letterlijk gebroken met hun familie, huis en haard verlaten. Soms tegen wil en dank misschien, gedwongen door de nood van de tijd. Ze deden het toch maar. In Jezus’ woorden: ‘Ze hebben hun kruis opgenomen’, ‘ze hebben hun leven verloren’. Waarom? Omdat in een tijd van oorlog alles op scherp komt te staan. Omdat het dan niet de tijd is om te praten over vrede en liefde, maar verder thuis te blijven zitten.

Jezus brengt bij ons onder de aandacht wat waar is: Dat sommige dingen in deze wereld, méér waard zijn dan de band met je eigen familie, méér waard zijn dan je eigen leven zelf… Sommige dingen zijn het waard om je leven voor te geven. De bevrijding van West-Europa van het nazisme, van bovenal de Holocaust, de systematische vernietiging van het Joodse volk, Roma, homo’s, en gehandicapten. Dat was het waard om voor te sterven. Na 73 jaar, zijn wij hen nog steeds intens dankbaar die daarvoor stierven, en hen die zich daarvoor ingezet hebben.

Zo gek zijn Jezus’ woorden dus niet. Hij benoemt alleen maar wat we allemaal ten diepste wel weten. Al willen we het vaak niet waar hebben. Omdat we er liever niet aan denken dat het leven soms om confronterende en radicale keuzes vraagt. Wanneer ben ik nu daadwerkelijk bereid mijzelf in de strijd te gooien, mij ergens hard voor te maken, mijzelf niet buiten schot te houden?

Jezus heeft ons wat dat betreft natuurlijk wel het goede voorbeeld gegeven. Als er iemand daadwerkelijk zijn kruis opgenomen heeft, dan is het Jezus zelf geweest, die letterlijk aan het kruis gehangen werd. Omdat Zijn spreken over een nieuwe wereld, Gods wereld, als bedreigend ervaren werd voor de stabiliteit door de Joodse leiders en de Romeinse overheid. Maar juist door die zelfovergave heeft Jezus eens en voor al duidelijk gemaakt dat radicale liefde, hoop, geloof sterker is dan welke macht ook. Jezus heeft een beweging in gang gezet, die niet meer te stoppen is. Daar staat God zelf garant voor, dat geloof ik.

Onze vrede is betaald met bloed, zweet en tranen. Van de militairen en hun geliefden, die hier gevochten hebben in Beringen. Maar verder terug ook met het bloed van Jezus, van God zelf.

Jezus bedoelt met de woorden die we gelezen hebben dus niet een oproep tot religieus geweld, tot haat in de familiekring. Integendeel. We mogen het een ander niet moeilijk maken, maar ook u krijgt het moeilijk als u uw hoofd boven het maaiveld durft te steken. Jezus roept ons op onze ogen te sluiten voor de armen, de verdrukten, de vreemdelingen, de honger, de oorlog, waar onze wereld vol van is. Onze moderne tijd kenmerkt zich door individualisme, door het terugtrekken in eigen kring, in eigen land. Populisme en nationalisme hebben nog steeds, ook na 73 jaar, een grote aantrekkingskracht. Jezus wijst ons erop dat elke tijd vraagt om mensen die óp durven te staan voor een ander, die zichzelf op het spel durven te zetten. En als we dat niet doen, waarschuwt hij, loop je juist het risico jezelf kwijt te raken.

Laat ieder van ons dat overdenken, en doen wat nodig is. Want de vrede is het waard.

Amen

Reality

Bezinningsdienst te velde.

Afbeeldingsresultaat voor casper hobbes fatalism

1. Koffie en cake (Muziek: Clocks – Coldplay)
2. Welkom

Goed dat jullie hier zijn. Ik wens jullie in Gods naam een mooie dienst. Ik steek de kaars aan als symbool van de stille kracht van het licht, van al het goede, het ware, het mooie in ons leven. Voor mij als gelovige bij uitstek daarom ook symbool van de aanwezigheid van Jezus Christus.

3. Binnenkomer

Het leven is een feest. Maar je moet wel zelf de slingers ophangen. Zo’n mooie tegeltjes wijsheid. Die heel veel zegt over hoe je in het leven staat. Het leven is soms hard. Reality. Je hebt er maar mee te dealen. Bijvoorbeeld of je wel of niet aangewezen wordt voor uitzending. En of je wel of niet je ware liefde tegenkomt. De één lijkt alles mee te zitten, de ander alles tegen. Hoe zit dat? Hoe zie jij dat?

4. Muziek Reality – Lost Frequencies

We luisteren naar Reality, waar vooral gezegd wordt: zo is het nu eenmaal, geniet nou maar van wat je vandaag hebt. ‘Today I got a million. Tomorrow, I don’t know.’

Decisions as I go, to anywhere I flow

Sometimes I believe, at times I’m rational

I can fly high, I can go low

Today I got a million. Tomorrow, I don’t know (2x)

Stop claiming what you own, don’t think about the show

We’re all playing the same game, waiting on our loan

We’re unknown and known, special and a clone

Hate will make you cautious, love will make you glow

Make me feel the warmth, make me feel the cold

It’s written in our stories, it’s written on the walls

This is our call, we rise and we fall

Dancing in the moonlight, don’t we have it all?

Decisions …

Make me feel…

5. Kaarsjes (Muziek: Schindler’s List Theme – Williams)

Het is knap om zo bij de dag te leven. Dat houd je niet altijd vol. Hier en nu gaan onze gedachten ook naar gisteren, naar morgen, naar de mensen die ons lief zijn. We steken daarom een kaarsje aan voor onze collega’s op uitzending, met het gebed dat zij goed werk mogen doen en veilig thuis komen. Ik geef jullie ook de gelegenheid aan kaars aan te steken met een wens of gebed voor degenen die jou lief zijn, gisteren, vandaag en morgen.

6. Spiegel — Benjamin Button

Is het leven inderdaad een ‘noodlot’ wat je maar over je heen moet laten komen? Misschien heb je de film ‘The Curious Case of Benjamin Button’ wel eens gezien, gebaseerd op een boek van Scott Fitzgerald, over een man die oud geboren wordt en als baby sterft. Hij leeft achterstevoren, zeg maar. Dat vreemde lot vind hij maar moeilijk te dragen. Helemaal aan het einde schrijft die Benjamin:

‘Voor wat het waard is: het is nooit te laat of, zoals in mijn geval, te vroeg om te zijn wie je wilt zijn. Er is geen deadline, stop wanneer je wilt. Je kunt veranderen of hetzelfde blijven, daar zijn geen regels voor. We kunnen er het beste of het slechtste van maken. Ik hoop dat je er het beste van maakt. En ik hoop dat je dingen zult zien die je verrassen. Ik hoop dat je zult voelen wat je nooit eerder voelde. Ik hoop dat je mensen ontmoet met een andere kijk. Ik hoop dat je een leven leeft waar je trots op bent. Als je vindt van niet, hoop ik dat je de kracht hebt opnieuw te beginnen.’

(F. Scott Fitzgerald – The Curious Case of Benjamin Button)

7. Muziek Liefde, leven, geven – André Hazes

André Hazes was iemand die vorm gaf aan zijn eigen leven. En die ons bewust maakt dat wij ervoor kunnen kiezen te leven in een wereld van liefde, leven en geven. Neem het leven niet alleen zoals het komt, maar maak er iets van:

Liefde, wanneer heb jij gezegd ik hou van jou

Liefde, wanneer heb jij gezegd ik blijf je trouw

Liefde, ik hoor er toch zo weinig over praten

Liefde, het lijkt wel of dat woord niet meer bestaat

 

Leven, het kan zo mooi zijn, waarom is er haat

Leven, in een wereld die naar de knoppe gaat

Leven, dat kan je niet alleen, dat moet je delen

Leven, je weet toch dat dat weer over gaat

 

refr.:

Een vriendelijk woord, een lach, een warme lentedag

Ik ben zo blij dat ik die dagen beleven mag

Geef eens een roos aan haar

Sta voor een ander klaar

Het moet toch kunnen, zo te leven met elkaar

 

Geven, dat doe je als er iemand van je houdt

Geven, dat doe je als je iemand echt vertrouwt

Geven, het hoeft niet duur te zijn, het kan zelfs met woorden

Geven, het hoeft niet veel te zijn als je het maar meent

refr.(2x)

8. Bijbelverhaal Jeremia 29:1-7

Hoe zit onze reality in elkaar? Sommige dingen overkomen je. Goede en slechte. De liefde van je leven. Geschenk uit de hemel. Verlies van geliefden, ziekte, tegenslag. Daarnaast heb je je eigen keuzes, je eigen verantwoordelijkheid. Je briljante ideeën en stommiteiten. Iedereen zoekt de balans tussen dat buiten en je eigen plek. Een mooi stukje uit de Bijbel leert ons iets daarover. Een verhaal dat speelt in het jaar 587 voor Christus, het jaar dat de Babyloniërs het land Israël veroverden en velen deporteerden naar Babel:

‘Koning Nebukadnessar had veel mensen uit Jeruzalem als gevangenen meegenomen naar Babel. … De profeet Jeremia schreef hun een brief… In de brief stond het volgende: ‘Luister, Judeeërs in Babel. Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël: ‘Ik heb jullie als gevangenen naar Babel laten brengen. Ik wil dat jullie daar huizen bouwen om in te wonen. En dat jullie daar het land gaan bewerken, zodat jullie van de opbrengst kunnen leven. Ik wil dat jullie trouwen en kinderen krijgen. En zorg ervoor dat ook je kinderen trouwen, zodat ook zij weer kinderen krijgen. Laat jullie groep niet kleiner worden, maar juist groter. Bid tot de Heer voor Babel, de stad waar jullie naartoe gebracht zijn. Doe er je best voor dat het goed gaat met die stad. Want als het goed gaat met Babel, dan gaat het ook goed met jullie!’

9. Mijmering “Maak er het beste van”

Je kunt je zo’n beetje voorstellen hoe die gedeporteerde joden zich in Babel gevoeld moeten hebben: alsof er een orkaan over hen heen is geraasd, die alles wat hun lief is verwoest heeft, en hen volledig ontworteld en ontheemd heeft achter gelaten. Verdriet. Verlies. Ontgoocheld. En dan iemand die tegen je zegt ‘joh, kop op, maak er het beste van’. Komt dat dan binnen? Zo gemakkelijk gaat dat dan niet…

Niemand zegt ook dat het leven gemakkelijk is. Wie zijn opgegroeid in een vrij, welvarend en vredig land. Daardoor kan dat idee soms bij ons opkomen. Maar leven is niet gemakkelijk. Het vraagt moed, toewijding en veerkracht. Die gedeporteerde joden in Babel bleven teveel hangen in een soort slachtofferschap. Ze voelden zich sip, zielig. En dat is nooit zo. Ook daar in Babel zijn er dingen te doen. Mooie dingen: huisje, werk, vrouwtje, gezinnetje. Niet in hun eigen land, niet op de plek die ze zelf gekozen hebben, maar toch. Mooie dingen.

Tussen de regels door hoor je hier dat die hele deportatie een straf van God was. Zo wordt dat in de Bijbel ook verteld. Omdat het volk Israël leefde in decadentie, het met recht en eerlijkheid niet meer zo nauw nam, armen en vreemdelingen onderdrukte. Zo hadden ze dit over zichzelf afgeroepen. Het kan voor ons ook geen kwaad altijd te bedenken dat slechte keuzes ook gevolgen hebben. Veel rottigheid in de wereld, in je eigen leven, roepen we over onszelf af.

‘Maak er het beste van.’ Dan moet je wel over een drempel heen. Één hele grote drempel: ‘bidden voor Babel’, zegt Jeremia. Bidden voor je vijand dus. Dat is niet niks. Waar haal je die kracht vandaan? Ik put die, net als Jeremia, uit het geloof in God. Het geloof dat wij ondanks alles nooit uit Zijn hand vallen. Waar haal jij het uit? Als je van je leven iets wilt maken, zul je over dat soort drempels heen moeten. Over je wrok, je gekwetstheid, je teleurstelling, héén.

Belangrijk hierbij is dat Jeremia erop wijst dat je je dan in ieder geval niet blind moet staren op jezelf. ‘Doe er je best voor dat het goed gaat met die stad, Babel.’ De wereld draait niet om jou, en die vergaat ook niet zomaar. Dus ga niet zitten navelstaren, maar heb oog voor anderen. Durf te leven, te geven, lief te hebben. Als het jou niet mee zit, wil dat niet zeggen dat je een ander niet meer kan helpen. En zit daarin niet veel meer de zin van ons leven, dan in ons eigen succes?

10. Muziek Zingen in de storm – Alex Roeka

Gezegend zij die zingen in de storm

Zij die niet wijken voor gevaar

Zij die als nederige worm

Durven zweven als een adelaar

 

Gezegend zij die blijven hopen

Ook als er geen hoop meer is

Voor wie alleen al verder lopen

Voelt als een verrijzenis

 

Laat niet los

Geef niet op

Blijf erbij

Zolang je leeuwenhart nog klopt

 

Gezegend zij die helpen in de nood

Wars van bewondering en eer

Onzichtbaar in het kleine groot

Zonder te zaniken om meer

 

Gezegend zij die niet vergeten

Die leven met het woord misschien

Die in de rafels van het weten

De poëzie kunnen blijven zien

 

Laat niet los…

11. Gebed

Stilte

Onze Vader

12. Muziek I Won’t Back Down – Johny Cash

De realiteit is hard. Maar wij kunnen ook hard zijn. Hard in onze keuze: I’ll keep this world from draggin’ me down / Gonna stand my ground and I won’t back down.

Well I won’t back down, no I won’t back down

You can stand me up at the gates of hell

But I won’t back down

Gonna stand my ground, won’t be turned around

And I’ll keep this world from draggin’ me down

Gonna stand my ground and I won’t back down

Hey baby, there ain’t no easy way out

Hey I will stand my ground and I won’t back down

Well I know what’s right, I got just one life

In a world that keeps on pushin’ me around

But I stand my ground and I won’t back down

Hey baby…

13. Zegen

Laten Gods vrede en de rust van dit moment je lang bij mogen blijven.

Offers brengen

(Blog verscheen 20-7-17 op PThu.nl/Bijbelblog)

Bijbellezen met militairen

De dwaze meisjes in de gelijkenis van Jezus (Mattheus 25:1-13), die hun olie vergeten zijn, “dat waren zeker domme blondjes”, want een beetje militair vergeet nóóit zijn olie om zijn wapen te onderhouden. Koning Uzzia die zijn leger goed organiseert, en ál zijn soldaten voorziet van de benodigde uitrusting, tot de slingerstenen toe (2 Kronieken 26:14), staat in schril contrast met de huidige staat van de Nederlandse krijgsmacht, waar de munitie regelmatig gewoon op is. Jakob die zich ergens in the middle of nowhere te ruste legt, onder een open hemel (Genesis 28:11), “die lijkt wel wat op ons infanteristen die in het pikkedonker vaak ook geen idee hebben waar we vandaan komen en waar we heengaan”.

Toen ik als krijgsmachtpredikant enkele jaren terug begon, had ik niet gedacht dat Defensie mij met nieuwe ogen zou leren bijbellezen. Maar dat gebeurde wel, zoals blijkt uit de paar voorbeelden die ik zonet gaf. Je denkt aanvankelijk dat een universitaire opleiding en promotieonderzoek in Bijbelwetenschappen het juiste zicht verschaft op de oude teksten van het jodendom en christendom, maar je hoeft maar even in een andere cultuur te stappen en er gaan allerlei nieuwe luikjes open. Die oude teksten blijken hele nieuwe betekenislagen te krijgen en natuurlijke verbindingen aan te gaan met ervaringen van nu. Dit prachtige verschijnsel heet “intercultureel bijbellezen” en daarvoor hoef je dus niet per se naar een ver land, maar soms alleen maar even buiten je eigen bubbel te stappen…

Pitchen en valoriseren

Niet alleen ontdek je dan dat je eigen manier van lezen ook maar zeer beperkt is, daarnaast confronteerde het mij ook met de vraag naar de relevantie van mijn onderzoek. Op dit moment ben ik mijn proefschrift aan het schrijven over “de betekenis en functie van de offerwetten in Leviticus 1-7 in het geheel van het Sinaï-verhaal”. Zie dat maar eens uitgelegd te krijgen in een volledig geseculariseerde context, waar de gemiddelde soldaat vooral bezig is met bierdrinken, sporten en vrouwen (in willekeurige volgorde). Binnen de wetenschappelijke wereld heet dat “valoriseren”: het benoemen van de relevantie van je onderzoek voor de wetenschap of de maatschappij in het algemeen.

Ik leer en geniet van hun manier van spontane bijbeluitleg, maar heeft mijn manier ook nog zeggingskracht voor hen? Gek genoeg ontmoet ik nergens zoveel begrip voor mijn onderzoek naar de “offers” als onder militairen. Daarom raad ik het iedereen aan om zijn of haar onderzoek te gaan pitchen in een hem volledig vreemde omgeving.

Het hoogste offer brengen

Militairen zijn één van de weinige bevolkingsgroepen in Nederland die nog echte offers brengen. Nee, geen dierenoffers, zoals ze in Leviticus 1-7 ter sprake komen, waar koeien, schapen, geiten en gevogelte bij het altaar geslacht werden, en delen daarvan verbrand. Militairen brengen echte mensenoffers. Tijdens de missie in Uruzgan van 2006-2010 sneuvelden 24 Nederlandse militairen. Over hen wordt met ere gesproken en gezegd dat zij “het hoogste offer” hebben gebracht. Dat is geen holle retoriek, maar de manier waarop degenen die erbij waren, spreken over hun “maten en kameraden” die ze verloren hebben.

Als ik zeg dat ik bezig ben met “offers”, dan lichten hun ogen op: dit is taal die zij op één of andere manier verstaan. Voor militairen is het duidelijk dat vrede, vrijheid en verzoening nooit gratis zijn, maar met bloed betaald moet worden. Dat is voor hun geen theologie, maar de harde werkelijkheid die zij voelen bij de jaarlijkse dodenherdenkingen, en bij de monumentjes die her en der op de kazerne verspreid liggen. Dat je daarbij op heilige grond komt. En dat hierbij de grootste zorgvuldigheid, waardige rituelen en de noodzaak om te blijven herinneren op hun plek zijn.

Offeren is breder dan religie

De bevreemding die wij als moderne mensen misschien ervaren bij het doorlezen van Leviticus met zijn eindeloze details, ongelooflijke casuïstiek, en bloederige rituelen, krijgt op die manier een hele actuele klankbodem. Op het eerste gezicht staat het brengen van dieroffers immers ver af van de moderne christelijke spiritualiteit en zingeving. Tenminste, als wij religie vernauwen tot een beperkt domein van individuele ethiek en beleving van de werkelijkheid van God. Zo is feitelijk voor de meeste moderne mensen religie en levensbeschouwing een losstaand onderdeeltje van het leven, naast economie, politiek, werk, vrienden en familie.

Dat is in het oude Midden-Oosten van Leviticus anders. Daar komen we religie tegen die alle domeinen van het leven doortrekt. De tempel in Jeruzalem was volgens deze teksten niet alleen het religieuze centrum, maar ook het sociale centrum waar de grote nationale feesten gevierd werden. Tempels waren de slachthuizen, de ziekenhuizen, de onderwijsinstellingen, de discotheken en soms ook de bordelen van de oudheid. Oftewel, ze stonden midden in het leven en vormden het middelpunt van het leven.

Wat is je heilig?

Met dat alles heeft God te maken volgens de auteurs van Leviticus. Met veehouderij en akkerbouw, met oogsten en eten, met gender en seksualiteit, met recht en economie. Daar waar geleefd wordt, is God aanwezig, en daar past heilig ontzag. Het is aan de enorme creativiteit en inspiratie van de schrijvers van al die “saaie wetten” in de Thora te danken dat het hele leven van Israël doortrokken werd van dat gevoel. En het is die begeestering die ik probeer over te dragen aan de militairen die ik tegenkom. Al zijn zij volgens eigen zeggen “niet gelovig”, dan wijs ik er hen graag op dat hun taal anders verraadt. Dat zij terugvallen op een oud woord als “offer” voor het drama van het verlies van een vriend en collega, laat immers zien dat ze intuïtief aanvoelen dat het leven zich afspeelt onder een open hemel. Voor hen is het vaak een eye-openerom te horen dat het in de Bijbel en in het geloof in God niet gaat om lid worden van de kerk en je op een bepaalde manier leren gedragen, maar om die allerdiepste vragen van ons mens-zijn, om de vraag wat ons heilig is. En dat als je over díe vraag na gaat denken, je heel dichtbij Leviticus komt, en dichtbij God.