Leeservaring: Den Admirant: Hij is niet ver

Het thema van Gods aan- of afwezigheid is een hot issue binnen en buiten de kerk. De auteur bedoelt ook op die vragen in te gaan. Maar door de opzet van het boek, waarin niet gestart wordt vanuit onze vragen, maar massief vanuit de openbaring en theologie, lijken juist die vragen niet echt serieus genomen te worden.
Natuurlijk kun je vanuit de Bijbel stellen dat God zich openbaart en van zich laat horen, theologisch is dat juist, maar het rare is dat dat voor moderne mensen nauwelijks nog geloofwaardig is. Als antwoord op de secularisatie en onze moeite met geloven wijst Den Admirant op de opwekkingsbewegingen van de 18e en 19e eeuw met de conclusie dat de Heilige Geest uiteindelijk degene is die onze geestelijke luiheid moet doorbreken. Ook dat is theologisch correct, maar geeft geen dieper inzicht in waar onze geestelijke luiheid in onze postmoderne tijd nu eigenlijk vandaan komt. Het boek spoort aan om Gods aanwezigheid te zoeken in kerkdienst, gebed en bijbellezen, en dat is te prijzen, maar als niet een spa dieper gekeken wordt naar de oorzaken van het betekenisverlies (zie: Wisse – Zo zou je kunnen geloven) van juist die traditionele heilsmiddelen, helpt dit niet veel verder.
Omdat er commentaar kwam op de eerste druk, heeft de auteur in deze tweede druk een hoofdstuk toegevoegd waarin hij meer ingaat op het gevoel van de afwezigheid van God. Echter, dit is meer een pastoraal hoofdstuk, dan een theologische verdieping. Daarvoor kun je beter terecht bij Plaisier – Overvloed en overgave.
De indeling van het boek in ultrakorte hoofdstukjes en kleine verdiepingen maakt dat je er niet echt lekker in komt en dat geen enkel thema echt de ruimte krijgt die het nodig heeft. De schrijfstijl is verder wel erg afstandelijk en prekerig. De tweede ster krijgt de auteur van mij dan ook alleen cadeau omdat ik wel zijn positieve intentie proef om met deze thema’s bezig te zijn, en zijn verlangen naar meer aanwezigheid van God.

Transpiratie en inspiratie

Pinksterbezinningsmoment voor militairen te velde in Normandië.

  1. Koffie en cake

Muziek: Simon & Garfunkel – The Sound of Silence

  1. Welkom

Goed dat jullie hier zijn. Ik wens jullie in Gods naam een mooie dienst. Ik steek de kaars aan als symbool van de stille kracht van het licht, van al het goede, het ware, het mooie in ons leven. Voor mij als gelovige bij uitstek daarom ook symbool van de aanwezigheid van Jezus Christus.

  1. Binnenkomer

Afbeeldingsresultaat voor army chaplain 1944De foto hierbij is genomen op de stranden van Normandië in juni 1944. Na de transpiratie van de landing en de vorming van het bruggehoofd moest er bevoorraad worden. Niet alleen met eten, munitie en andere zaken, maar ook met spiritueel voedsel, inspiratie. Deze aalmoezenier deelt de eucharistie uit. Want niet alleen je lichaam moet herstellen na inspanning, je geest heeft ook iets nodig: troost vanwege gevallen kameraden, moed om door te vechten, hoop op de overwinning die allerminst zeker is. Zo zijn ook wij hier bij elkaar om inspiratie op te doen. Zodat we weer op kunnen staan of onze mond open kunnen doen.

     4. Muziek Janne Schra – Speak Up

Don’t hide your mouth behind your hand

Say it now, you’re allowed, I’m waiting

Don’t pretend you know it all, I’m waiting

Don’t be scared to fall

  1. Kaarsjes

Muziek: Salvador Sobral – Amar pelos Dois

‘Ik weet dat je niet in je eentje van elkaar kan houden’

  1. Bijbelverhaal Handelingen 2:1-13 (Bijbel in Gewone Taal)

‘Toen het Joodse Pinksterfeest begon, waren alle gelovigen bij elkaar in een huis. Opeens kwam er uit de hemel een vreemd geluid. Het klonk alsof het hard begon te waaien. Het was overal in het huis te horen. Ook zagen de gelovigen iets dat op vuur leek. Dat vuur verdeelde zich in vlammen, en op iedereen kwam een vlam neer. Zo kwam de heilige Geest in alle gelovigen. Daardoor begonnen ze te spreken in vreemde talen.

Op dat moment waren er in Jeruzalem veel Joden uit alle delen van de wereld. Ze waren gekomen om het Pinksterfeest te vieren. Toen het geluid uit de hemel klonk, kwamen ze er allemaal op af. Ze begrepen er niets van. Want iedereen hoorde de gelovigen spreken in zijn eigen taal. Iedereen was erg verbaasd en zei: ‘De mensen die daar praten, komen allemaal uit Galilea. Hoe kan het dan dat we ze allemaal horen spreken in onze eigen taal? Wij komen allemaal ergens anders vandaan….’

De mensen snapten er helemaal niets van, en ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. Ze vroegen aan elkaar: ‘Wat betekent dit toch allemaal?’ Maar anderen lachten om de gelovigen en zeigen: ‘Die mensen zijn gewoon dronken!’’

  1. Mijmering Transpiratie en inspiratie

Als infanteristen vertrouwen we op onze fysieke kracht. De groepen hebben dat karakter getoond afgelopen dagen in Strong Fusilier. En we denken hier natuurlijk terug aan de enorme krachtsinspanning van de lui die hier op D-Day zijn geland. Dat was niet misselijk. Toch is fysieke kracht niet alles. Met transpiratie alleen redt je het niet. Je hebt ook inspiratie nodig: mentale kracht. Maar ook die mentale kracht is niet onuitputtelijk. Het zou fijn zijn als je in zou kunnen pluggen op een soort mega-batterij zodat je nooit kracht te kort komt.

Vandaag is het Pinksteren, een feest dat daarover gaat. Pinksteren is één van de grote christelijke feesten, waarvan we gelezen hebben in de Bijbel. Even kort: Nadat Jezus gestorven was aan het kruis (Goede Vrijdag) is Hij opgestaan uit de dood (Pasen), meerdere keren verschenen aan zijn leerlingen, maar uiteindelijk definitief naar God de Vader gegaan (Hemelvaartsdag). Dat betekende dat de club van gelovigen in Jeruzalem een beetje beteuterd achterbleven: wat moesten ze nu? Ze hadden gedacht dat Jezus de wereld zou veranderen in een paradijs, maar nu is Hij weg… Dan op het Pinksterfeest zijn ze dus in Jeruzalem bij elkaar en ontvangen ze de Heilige Geest. Dat betekent dat God zelf ín hen kwam, hen van binnen veranderde, bekrachtigde, herschiep.

Wat hebben jij en ik hier nu aan? Het idee van Pinksteren, van deze uitstorting van de Heilige Geest, is dat deze krachtbron, dit lijntje met God voor iedereen beschikbaar is. In de Bijbel lees je van vóór de tijd van Jezus dat alleen bijzondere mensen een lijntje met God konden hebben. Alleen koningen, profeten, priesters. Hier wordt dat doorbroken. Een soort democratisering van het geloof. Nu hebben niet meer alleen de BC’n of de CC’n verbinding met de grote Romeo, maar iedereen. Voor God is iedereen gelijk. Dat zit ook achter dat talenwonder in dit gedeelte: God spreekt nu ieders persoonlijke taal.

Misschien zeg je: mooi idee, maar ik heb geen behoefte aan een speciaal lijntje met God. Ik zou zeggen: misschien niet in die woorden. Misschien is dat niet de taal die je van huis uit hebt meegekregen. Het woord ‘God’ zegt je misschien niet zoveel. Het is de taal die ik als dominee wel spreek in de kerk. We zitten soms zo vast in onze gewoonten, we hebben soms zo oogkleppen op (zoals die lui die suggereren dat de volgelingen van Jezus dronken zijn…), dat we geen verandermogelijkheden zien. Toch hebben we allemaal wel de ervaring dat er wonderen gebeuren in deze wereld, dat het leven een wonder is, dat we soms boven onszelf uitgetild worden, dat er soms dingen gebeuren die “toevallig” perfect zijn, dat er liefde in je leven komt. Waar het dan vandaan komt? Soms van de woorden van je maten, van thuis, of dit moment van bezinning, maar je vat weer moed, je ziet het weer zitten, je zet die stap waar je zolang tegen aan hikte, je spreekt de woorden die gesproken moeten worden. Hoe jij die inspiratie noemt, maakt mij niet uit. Ik noem het ‘Heilige Geest’.

Pinksteren is het feest waarop gezegd wordt, wat er gezegd moet worden, verstaanbaar voor ieder. Daarin zit ook iets van een wensdroom, van een toekomstvisie: openheid en eerlijkheid, de ruimte en vrijheid van meningsuiting. Zo is de wereld nog niet. Maar laat het jou er niet van weerhouden alvast zó te leven.

  1. Muziek Stef Bos – Lied van Petrus: Vlees en bloed

Ik heb mijn huis en mijn haard verlaten

Wie ik liefhad nog één keer gekust

De veilige haven verlaten

En ik wist ik kom hier nooit meer terug

Want beter een  oorlog

Dan gewapende vrede

Beter opzoek gaan

Dan altijd gewacht

Beter gevallen

Dan nooit gesprongen

En beter de liefde verloren

Dan nooit liefgehad

  1. Gebed (Onze Vader)
  1. Muziek Ramses Shaffy – Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
  1. Zegen

Laten Gods vrede en de rust van dit moment je lang bij mogen blijven.

Ruïne of bouwplaats?

Preek over Haggai 2,1b-10 gehouden op de 2e zondag na Pasen.

Afbeeldingsresultaat voor second temple haggai

Ruin or Work in progress?

Gemeente van Jezus Christus,

1. Generatiekloof

Heb je dat ook wel eens gehad? Dat je kleren kapot waren? Of je schoenen? Een gat op in je broek, een versleten zool. Misschien ook gewoon te klein geworden. Want jullie groeien zo hard! Jou maakt het niet zoveel uit, je vindt met misschien wel prima: nu heb je nieuwe kleren nodig, nieuwe schoenen. Altijd leuk om weer iets nieuws aan te hebben! Die oude was je eerlijk gezegd ook wel een beetje zat. Papa en mama denken daar vast anders over: die vinden het zonde van die schoenen, die hadden best wel wat gekost. Nieuwe schoenen moeten ook betaald worden…

Jullie zien allebei hetzelfde: versleten kleding, een kapotte schoen, maar je kijkt er heel anders tegenaan: verdrietig of … blij.

Zo was het ook in de tijd van Haggai. Toen het volk Israel terugkwam uit de ballingschap in Babel en terugkwamen in Jeruzalem, lag daar alles in puin. Alles stuk. Muren, huizen en de tempel. Dat laatste vond men wel het ergst, maar men kon de moed niet opbrengen aan de herbouw te beginnen. Want waar moet je beginnen? 18 jaar lang laat men het maar zo. Maar dan, in het jaar 520 voor Christus, op 29 augustus (alle profetien in dit boek zijn exact gedateerd!), is daar in één keer Haggai, een profeet.

Iemand met een boodschap van God, die zegt: ‘en nu, nu, is het toch echt de hoogste tijd om aan de slag te gaan met die tempel: dit kan toch zo niet! Je hebt allemaal wel je eigen huis gebouwt, je eigen zaakjes voor elkaar, maar daar rust geen zegen op, zolang je niet aan het huis van God begint te bouwen. Want zeg nou zelf: Als je overal in je leven aandacht aan besteed, behalve aan God, dan blijft het leeg en zinloos…’

Over Haggai zelf weten we niets, maar wel dat zijn boodschap doel trof: men begint te bouwen aan de tempel. Zo staat er in hoofdstuk 1 van Haggai. Maar dan komt hoofdstuk 2. (In de hoofdstukken 1-6 van Ezra kun over deze geschiedenis trouwens meer lezen.) En dat is een heel ander verhaal. Na 7 weken komt de bouw stil te liggen, lijkt het. 29-aug begon de bouw, op 17-okt, 7 weken later, spreekt Haggai opnieuw. Waarom? De jongeren zijn wel blij, maar de oude mensen staan erbij te janken. Vers 4:

Wie is er onder u overgebleven die dit huis gezien heeft in zijn eerste heerlijkheid? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?

In Ezra 3 kun je nalezen hoe de jongeren staan te juichen als het fundament gelegd is, een nieuw huis voor God! Geweldig! Maar de ouderen vergelijken dit nieuwe gebouw met het oude, met de prachtige tempel van Salomo, die hier eerst stond. Het is niets! roepen ze. Dit wordt niks! Het is dan 67 jaar geleden dat die tempel verwoest is. Deze ouderen moeten dan ook 70+ en 80+ zijn om zich daar nog iets van te herinneren.

Nu zou je kunnen denken: Die oude mensen ook altijd, met hun ‘vroeger was alles beter’, die staan altijd op de rem, daar moet je niet bij stilstaan. Hun herinnering van 70 jaar terug is ook erg gekleurd. Als uzelf oud bent, dan kent u dat misschien wel: Ergens hem je heimwee naar de wereld van je jeugd. Naar je geliefden van toen, het huis waar je opgroeide, het eenvoudige leven, de winkeltjes en gezelligheid in het dorp, het spelen op straat. Maar dan zullen we het niet hebben over het eentonige menu, de slechte gezondheidszorg, het ontbreken van wasmachines, cv-ketels en auto’s. Sommige dingen waren vroeger zeker beter, maar niet alles…

2. Hoe kan dit nu? – Voelen wij ook de spanning?

Voor jongeren is het toch goed naar de ouderen te luisteren, want deze ouderen in Jeruzalem hebben toch wel een punt. Het gaat hier niet zomaar om een generatiekloof. De bouw van deze tempel stelt echt niet zoveel voor. En dat is iets anders dan God had beloofd, dan waar ze als gelovigen op vertrouwden en naar uitkeken.

De profeet Ezechiël had in de tijd van de ballingschap geprofeteerd over de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land en hoe dan een geweldige tijd aan zou breken, een geweldige nieuwe tempel gebouwd zou worden. Veel mooier en groter dan de oude van Salomo! Werkelijk een wereldwonder! Je leest het hele bouwplan in Ezechiel 40-43. En Ezechiël was niet de enige, ook Jeremia en Jesaja konden er wat van. Met andere woorden: De mensen die terugkeerden uit de ballingschap verwachten een nieuwe tijd, iets wat in ieder geval beter, mooier, grootser, heerlijker zou zijn dan voorheen. Echt een diepgaande verandering.

Iets daarvan proef je na Pasen ook bij de discipelen van Jezus. Ze vragen in Handelingen 1 aan Hem: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Nu Jezus uit de dood is opgestaan, nu vang het nieuwe leven aan. Zo zongen we ook aan het begin van de dienst.  ‘Een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.’

Ziet u, het was niet enkel een kwestie van wat stenen met die tempel.

Van iets dat stuk was, en dat gerepareerd moet worden. Waarmee de ouderen verdrietig zijn en de jongeren blij. Het gaat veel dieper. Misschien voelen wij die spanning ook wel. Ik wel. Eigenlijk altijd als ik hier kom, vallen mijn ogen op de grafstenen rond de kerk. We vieren de opstandingsdag van Jezus, de zondag, de dag dat het leven het wint van de dood, op een kerkhof. En dat zijn geen 2000 jaar oude graven, van vóór Pasen, maar dat zijn ook graven van kort geleden. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan’, zongen we. O nee?

En dat bepaalt ons bij de hele diepe vraag: Is het er sinds Pasen nu echt beter op geworden in de wereld? En in mijn eigen leven? Pasen 2000 jaar geleden, maar ook Pasen 2 weken geleden. Wat valt er te merken van die opstandingskracht van Jezus Christus? Wat valt er van te zien? De ouderen in de tijd van Haggaï zien er niets van. Het is ‘als niets in hun ogen’, die nieuwe tempel. De jongeren zijn enthousiast, maar ja, die zijn altijd enthousiast, die hebben nog geen vergelijkingsmateriaal, geen levenswijsheid. Het is niet zo, dat als je maar lekker aan het metselen gaat, dan dat alles vanzelf goed komt.

De ouderen kijken niet alleen terug, ze verlangen naar meer. De dag van deze profetie, de 21e dag van de 7e maand, is de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het is het oogstfeest in het najaar, het feest van de overvloed, het feest van de uittocht uit Egypte, van het begin in een nieuw land, vloeiend van melk en honing, maar in dit 2e jaar van Darius, is het een jaar van economische en politieke crisis, weten we uit buitenbijbelse bronnen.

Momenteel moeten we het in de wereld doen met leiders als Poetin, Trump, Erdogan, Xi en dergelijke. Spanningen lopen wereldwijd op rond Syrie, Noord-Korea, Rusland. Het klimaatverdrag van Parijs lijkt alweer vergeten te zijn. (huh, klimaatverdrag van Parijs, wat is dat? Precies). Europese landen, de NAVO, China, verhogen hun defensiebudgetten en verlagen hun ontwikkelingswerk. De grootste humanitaire crisis ooit dreigt momenteel in Afrika en Jemen waar dagelijks duizenden kinderen sterven van de honger. De vluchtelingen verdrinken nog steeds in de Middellandse Zee.

Je wilde dat het een keer anders kon.

3. De HEERE is er weer – Onbevreesd: het gaat om Hem!

Niet zomaar nieuwe schoenen als de oude versleten zijn. Dat is gewoon doorgaan op dezelfde weg met ups en downs. Doormodderen. Ook nieuwe schoenen verslijten immers weer. Hoe blij je kan zijn met je nieuwe auto, die eerste kras of deuk komt veel te snel! Ze verlangen naar meer in de tijd van Haggai. En ik hoop dat u dat verlangen ook deelt. Niet meer van hetzelfde in de wereld, in je leven, maar meer van God.

Vandaar de fantastische bemoediging die Haggai toen en nu mag geven, die die kern helemaal raakt, de kern van onze ziel, vers 5:

‘Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE, wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, heel de bevolking van het land, spreekt de HEERE. Werk door, want Ik ben met u, spreekt de HEERE van de legermachten.’

Zerubbabel is de joodse gouverneur van Judea namens de Perzen op dat moment, de burgemeester van Jeruzalem, zoiets. En Jozua is de hogepriester, de paus van het Jodendom, zoiets. En heel het volk, een ‘rest’ wordt het in vers 3 genoemd, qua aantallen niet echt groot.

Ik ben met u. God is bij jullie, Zerubbabel, Jozua, heel het volk. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Driemaal herhaalt Haggai het. Om te benadrukken: dit zijn niet mijn woorden, dit is echt. Dit is Gods woord: God Zelf is met jullie. Ik ben met u.

Wees sterk: dat is niet lichamelijk bedoelt. Ze hadden echt wel de kracht om die stenen van de tempel op te tillen en te metselen tot een mooi gebouw. Uiteindelijk zal deze 2e tempel ook groter worden dan die van Salomo was. Nee, wees sterk: dat gaat over de innerlijke kracht, over moed, geloof, vertrouwen. Om verder te kijken dan die stenen. Om te zien waar het echt op aan komt.

‘Ik ben met u’. Dat betekent: Ik sta aan jullie kant. Ik help jullie. Ik zorg voor jullie. Ik zorg dat jullie krijgen wat jullie nodig hebben. Ik zorg dat er iets van terecht komt. Sterker nog: In de allerdiepste betekenis ís het project van die tempelbouw al geslaagd, want God is er al. En daar gaat het toch om bij een tempel. Een huis van God. Hij komt niet pas als de tempel af is, maar is nu al present.

In vers 6 wordt verwezen naar de Geest van God die er al was toen Israël uit Egypte trok. God was daar in een wolk- en vuurkolom. Hij kwam niet pas toen de tabernakel er stond, of later de tempel in Jeruzalem, maar Hij was er vanaf het begin al bij. Daar moeten we het van hebben. Daarom hoeven de ouderen toch niet verdrietig te zijn. Daarom hoeven we niet bang te zijn.

‘Wees niet bevreesd.’ ‘Ik ben met u.’

Het is niet toevallig, denk ik, dat Mattheus als laatste woorden van Jezus optekent aan het einde van zijn evangelie: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’

In alles is dat ons houvast. Dat kan alleen dankzij Goede Vrijdag en Pasen. In de tijd van Haggai lag de periode van Gods oordeel en toorn en afwezigheid achter hen. De straf was geweest, een nieuwe periode van genade en Gods nabijheid brak aan. Dat is het diepste en mooiste om te weten en te geloven. Dat u en ik ook in zo’n tijd mogen leven. Pasen is het bewijs dat Jezus leeft, maar bovenal dat de straf gedragen is, mijn zonden verzoend, dat God weer bij mij kan zijn, bij jou, bij u. Dat Hij niet bij u komt met straf en oordeel, maar met Zijn liefde, met Zijn hulp.

Al heeft je leven soms wel wat weg van een ruïne, al zijn er nog genoeg ruïnes in de wereld (kijk maar eens op YouTube naar beelden van Aleppo), God voelt zich niet te goed om in die ruïnes te komen wonen. Zo spreekt Paulus over het werk van God in zijn leven, zo lazen we in 2 Korinthe 4-5. God ontleent niet zijn heerlijkheid aan de pracht en praal van ons leven en werk, wij ontlenen de heerlijkheid aan Zijn leven, Zijn werk, Zijn aanwezigheid. De tempel in Jeruzalem is maar steen en hout en goud en zilver, waardeloos, in zichzelf, maar is waardevol omdat God er is. Ons leven is waardeloos in zichzelf, maar ontzettend waardevol omdat God bij je wil zijn. Dán krijgt het leven glans. Glans zoals nooit tevoren.

4. Geen zilver en goud, maar wel vrede

Met God is immers alles mogelijk. Als Hij de Levende bij je is, dan verslijten zelfs je schoenen niet. Dat staat in Deuteronomium 29:5. Aan het einde van 40 jaar in de woestijn, merkt Mozes op dat ‘uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten.’ Alles is dan mogelijk, als de HEERE bij je is. Wordt alles dan een succesverhaal? Wordt die nieuwe tempel een pronkpaleis? De verzen 7-10 lijken daar wel op te duiden.

Net als andere profeten spreekt Haggaï erover dat in de nabije toekomst alle volken ter wereld zullen ‘beven’ en zullen komen naar Jeruzalem met hun schatten, zilver en goud. En ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste’ (vers 10).

Nu was dat iets wat Haggai deels al zag gebeuren: de heidense koning Cyrus had de Joden toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Cyrus had daarbij al de kostbaarheden van de oude tempel, de gouden en zilveren schalen, bekers en offergerei teruggegeven. Koning Darius financierde de bouwmaterialen, het hout van de Libanon, later aangevuld door koning Arthasasta. In de ogen van Haggai en zijn tijdgenoten regelrechte wonderen en bewijs van Gods macht en zegen dat heidense koningen dit deden. Zo concreet werd het gewoon!

Haggai’s woorden hadden dan ook effect: Nu hij de gebeurtenissen van zijn tijd zó duidt, nu ziet het volk het ook. Ze vatten moed en bouwen door. Het hele boekje Haggai beslaat een periode van 4 maanden. Een scharniermoment in het bestaan van het volk Israël, een kantelpunt. De volgende 600 jaar zal deze 2e tempel er staan als centrum van het Jodendom, als centrum van de wereld, als woonplaats van God, als bewijs van Gods verbond en trouw en liefde.

Dat succes zat niet in het vele goud en zilver. Vers 9 luidt ‘Van Mij is het zilver en van Mij is het goud’. Dat kan claimend klinken: ieder moet z’n geld en goed aan Mij afstaan, ter meerdere eer en glorie van Mijn huis. Toch was dát niet de bedoeling. Elders in het OT worden dergelijke dingen gezegd om het geloof in de de wereldheerschappij en soevereiniteit van de HEERE te benadrukken. God is per definitie Heer over alles en iedereen. We hebben daarom sowieso alles te leen, ons huis, ons leven, onze tijd, we ontvangen het van God in beheer. God heeft overal recht op, maar laat dat recht niet altijd gelden. Hij stelt niet per se prijs op tempels of kerken die met goud overtrokken zijn, de hele wereld is immers al van Hem.

Waarin zit dan toch die ‘grotere heerlijkheid’ van de nieuwe tempel die Haggai voor ogen krijgt? ‘In deze plaats zal ik vrede geven.’

Het is niet dat dat huis er niet toe doet. Goud en zilver zijn prachtig en nodig. Het Jodendom kon niet zonder tempel. Wij kunnen niet zonder kerk. Niet zonder het gebouw. Niet zonder de gemeenschap. De dienst aan God moet vaste vorm aannemen. In woorden, in zang, in rituelen. In onze levensstijl. In catechisatie en kring. Er moet diaconie zijn en kerkrentmeesters. We moeten allemaal daaraan onze steentje bijdragen, zoals ook Zerubbabel en Jozua en de rest van het volk heel letterlijk met stenen moesten sjouwen. Dat doet er allemaal toe bij God. Omdat het middelen zijn die God gebruikt.

Omdat God op die manier ons vrede kan geven. De tempel is niet alleen een plek waar we allemaal onze offers voor moeten brengen. Het geloof in God is niet alleen veeleisend, dat is het soms ook. Maar het is vooral een plaats van uitdeling. Van vrede. Voor iedereen. Voor die hooggeplaatsten, Zerubbabel en Jozua, maar ook voor de eenvoudige plattelanders én voor de heidenvolken. Uitdeelplaats van vrede. Dat is pas heerlijkheid.

Ik geef jou vrede, zegt God, vandaag ook tegen u en jou. Nieuwe kleren en nieuwe schoenen, ook heel belangrijk. Die krijg je wel van je ouders. Of van de diaconie. Belangrijk! Maar ik heb ook iets voor jullie: Vrede.

Dat is méér dan de afwezigheid van oorlog en ruzie. Het is een soort compleet pakket. Dat het goed is. Goed tussen God en jou.

En dat daarom het leven goed is, zoals het is. Tevreden. En dat het met de wereld de goede kant op gaat. Als een olievlek breidt het zich uit via de tempel in Jeruzalem, naar Jezus Christus, naar de kerk wereldwijd, overal waar de Geest werkt, waar God is. Dat is heerlijk. Zo in de wereld kunnen staan, zo kunnen leven! Dat is wat God je geeft.

5. Aan de slag met het oog op de toekomst

‘Werk door’, zegt Haggai namens God, vers 5. ‘Aan de slag nu!’

Mooi, vindt u niet? Voor ons als doeners. Na Pasen is niet alles af en klaar. Er valt nog genoeg te doen. Te bouwen aan de tempel, in het Nieuwe Testament beeld voor de gemeente van Christus, voor het samen leven met God. Er valt nog genoeg te zorgen voor elkaar. Te zorgen voor de wereld. Toen Jezus riep aan het kruis ‘Het is volbracht.!’ betekende dat niet dat wij nu bij de pakken neer mogen zitten, maar zoals je moeder roept: ‘Het eten is klaar!’ Dan begint het pas.

De ouderen hebben gelijk met hun verdriet, want ze verlangen naar meer, naar de vervulling van Gods beloften. Haggai leert hen en ons zien vanmorgen dat we daarvoor niet moeten kijken naar stenen of goud en zilver, maar naar de Levende God, Jezus Christus, die ons bijstaat en ons vrede biedt. De jongeren leert Haggai zo zien dat ze niet hoeven te bouwen alsof hun leven ervan afhangt, dat het niet aankomt op hun prestatie, maar dat God gewoonweg Zijn vrede biedt. Dat daarin de heerlijkheid van het leven gelegen is.

Samen mogen wij zo leven. Met het oog op de toekomst. Terwijl we doen wat er gedaan moet worden in Gods naam.

Amen

Dominee bij Defensie

Bijdrage aan het symposium “Stroom en bedding” over de Protestantse Geestelijke Verzorging bij de Krijgsmacht (19 april 2017) met alle krijgsmachtpredikanten en genodigden uit de kerken. Met als hoofdvraag: ‘Hoe verhouden we ons als krijgsmachtpredikanten tot onze bronnen (500 jaar Reformatie)? Hoe ziet het landschap eruit? Hoe stroomt het water van de traditie van de Reformatie in de bedding van onze wereld en in het bijzonder in de dynamische en seculiere wereld van Defensie? Hoe blijft het voor onszelf stromen? Waar blijkt voor onszelf de kern te zitten?



Stroom en bedding: laat het evangelie maar stromen!

Lezing als respons op dr. Theo Pleizier & trendwatcher Jeanneke Scholtens

Vooraf

Het is mij een eer voor jullie te mogen spreken. Ik ben de jongste krijgsmachtpredikant. En heb dan ook zeker niet de wijsheid in pacht. Mijn ervaring met de protestantse geestelijke verzorging bij Defensie beperkt zich tot de Koninklijke Landmacht, en dan nog alleen 17 Pantserinfanteriebataljon, waar ik nu twee jaar werk in Oirschot. Ik heb bovendien nog geen uitzendervaring, dus dr. Theo Pleizier is al meer op missie geweest dan ik. Mijn betoog is dan ook niet meer dan een hopelijke prikkelende, maar persoonlijke bijdrage als respons op Pleizier en Scholtens. Waarom ik dan toch deze lezing houdt? Om in de taal van dit symposium te blijven: ‘Ik ben net ingestroomd’ uit de kerk en heb daardoor wellicht een frisse en scherpe blik. En daarnaast ben ikzelf groot geworden met Luther en Calvijn in de reformatorische stroming van protestants Nederland, waar ik ook nog steeds vrolijk in zwem.

Wat is de opzet van mijn verhaal? Allereerst verbind ik de trends die Scholtens signaleert met de werkelijkheid van Defensie, waaruit duidelijk wordt dat Defensie zelf kerkachtige trekken heeft. Behalve dat het over God gaat, natuurlijk. En daar ligt voor mij een pijnpunt dat ik expliciet wil benoemen. De bedding ligt er, maar stroomt er nog iets? Kansen genoeg, hierbij sluit ik aan bij Pleizier. Zolang we maar mensen vrijmoedig een toegang tot God bieden via het evangelie van Jezus Christus. Grote woorden misschien, die ik nu zal verduidelijken.

  1. Alles stroomt bij Defensie

Defensie is een meerstromenland, een modern Mesopotamië. Constant in beweging. Enerzijds door bezuinigingen en bijbehorende constante reorganisaties, anderszijds door de naargeestige herleving van de geopolitiek waarvan we hoopten dat die dood was. Constant komt er nieuwe doctrine en nieuw materiaal: gemotoriseerd optreden, hybride oorlogvoering, cyber warfare, multinationale integratie. De hele 13 Lichte Brigade in Oirschot moet eigenlijk nog uitgevonden worden. Defensie is daarmee ook, zoals Scholtens voor de samenleving opmerkt: caleidoscopisch, onzeker, geïndividualiseerd. Al het personeel moet na 3 jaar op functie weer verder. Het vertrouwen in de legerleiding is ontzettend laag – was in februari nog in het nieuws.[1]

Veel militairen kiezen voor vervroegde uitstroom. Digitalisering maakt dat veel kazernewerk administratief computerwerk is geworden. En tijdens oefeningen zitten militairen met één oog gekluisterd aan de smartphone, waardoor onderlinge contacten en gesprekken soms minimaal zijn. Let wel: dit alles heeft werkelijk caleidoscopisch ook positieve kanten: contact met het thuisfront is niet meer wekenlang of maandenlang minimaal. Er zijn volop mogelijkheden voor interne carrière, voor inbreng van ideeën. Voor individualiteit in haardracht, baarddracht en tatoeages (belangrijker en veelzeggender dan je denkt!). De organisatie wordt ook informeler, meer of voornaambasis. Minder in de houding. Dit alles natuurlijk tegen de zin van sommige adjudanten… Niets ligt meer vast, in die zin is zelfs binnen een sterk hiërarchische organisatie als Defensie sprake van ‘de-institutionalisering’.

Eigenlijk niet verwonderlijk: Defensie maakt deel uit van onze maatschappij, net als de kerken. Interessanter is misschien dat Defensie niet alleen meedrijft met de trends, maar ook actief inspeelt op de menselijke behoeften die daardoor opgeroepen worden. Ga maar na. Safety is een kernwoord. Defensie gaat volgens de corporate story allang niet meer over bommen en tanks, maar over ‘vrede en veiligheid’: ‘Wij beschermen wat ons dierbaar is.’ Defensie biedt een community, de kracht van het team, de trots erbij te mogen horen wordt erin gegoten tijdens de initiële opleidingen. Groepsgevoel en kameraadschap behoren bij de mooiste ervaringen van veel militairen. In de behoefte aan herbronning, identiteit en rituelen wordt ruimschoots tegemoetgekomen in de ‘militaire erediensten’ rondom de talloze regimentsjaardagen, dodenherdenkingen, medaille-uitreikingen en beëdigingen: ‘Ik beloof trouw aan de Koning’. Het pastoraat bestaat uit een batterij psychologen, maatschappelijk werkers, coaches, vertrouwenspersonen, veteranenwerkers en geestelijk verzorgers… In dat veelstromenland vervul ik vraaggestuurd de multireligieuze en transcendente behoeften met emerging church op de heide. Letterlijk. Midden op de hei op de vroege zondagochtend steek ik een kaars aan, draai goede popmuziek, vertel een inspirerend verhaal uit de Bijbel, ruimte voor stilte, gebed en je eigen gedachten. En Defensie kent natuurlijk sinds jaar en dag al de casual dominee, ik draag hetzelfde pakkie als Jan Soldaat. Als je het daarin niet kunt vinden, kun je ook gaan voor de yogalessen of de mindfulness-training. En qua marketing pakt Defensie de zaken goed aan: Elk jaar melden zich weer duizenden mensen voor de keuring in de hoop een baan bij dit prachtige bedrijf te bemachtigen. Daar kan de kerk van leren… Misschien wel omdat Defensie dus méér is dan een bedrijf: het biedt safety, community, purpose, ritual, transcendence. Defensie heeft kerkachtige trekken.

Defensie is dan ook niet zomaar een neutrale bedding, waarin de protestantse GV of de christelijke traditie al dan niet stroomt of kan stromen. Er ligt al een bedding, er stroomt al van alles. Defensie vormt de visie van militairen op de wereld, hun normen en waarden, voor sommigen zelfs hun identiteit. GV’ers die FLO-conferenties draaien op Beukbergen kunnen daar meer over vertellen: ‘Is er een leven ná en búiten Defensie?’ Defensie is in zichzelf al een levensbeschouwelijke organisatie. De bedding ligt er al vóór de stroom uit. Heel gemakkelijk rolde ik er voor mijn gevoel ook in een paar jaar terug: er is gevoel voor traditie, voor ritueel, voor vorming, voor normen en waarden; men heeft oog voor goed en kwaad, voor de grote vragen van leven en dood.

  1. Een droge bedding

Is er dan nog eigenlijk wel behoefte aan dominees bij Defensie? Aan een specifiek protestantse stroom? Wat heb ik dan nog bij te dragen aan dit veelstromenland als alle trends en behoeften die mensen maar kunnen hebben al ondervangen worden? Ik heb theologie gestudeerd, ‘Godgeleerdheid’, maar aan God is niet zoveel behoefte. Als een kleine illustratie daarbij: Een paar weken terug heb ik een bijeenkomst georganiseerd tijdens een lunchpauze om te inventariseren of er op de legerplaats Oirschot belangstelling is voor een ontmoetingskring, waarop we samen lunchen, bidden, praten en bijbellezen. Van de 5000 militairen en burgers op mijn kazerne hadden 5 interesse. 0,1%. Er zijn natuurlijk meer gelovigen, sommigen zullen gewoon andere werkzaamheden hebben, anderen hoeven niet zo nodig hun geloof publiek te maken. En ik was blij met deze 5, die kring is er. Maar ondertussen toch: 0,1%. Dat doet mij persoonlijk als gelovige verdriet.

Secularisatie is een feit, daarover hoeven we niet te discussiëren. Ik ga nu ook niet in op allerlei definitiekwesties, maar vat het voor mijzelf altijd samen als: ‘God is tegenwoordig geen hoofdrolspeler om Wie alles draait, maar vervult al dan niet een bijrol in de samenleving en het persoonlijke leven.’ Dat doet mij verdriet. Net als het onze rooms-katholieke, joodse en islamitische broeders verdriet zal doen. De grote monotheïstische tradities hebben immers in de kern toch gemeen dat het leven draait om de Ene God. Zelf hoor en lees ik zondags in de erediensten in de kerk nog regelmatig de Tien Geboden, die beginnen met:

‘U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’[2] En volgens Jezus is het belangrijkste gebod dan ook: ‘U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.’[3] Prio 1.

Het verhaal van Scholtens steekt wat dat betreft denk ik niet diep genoeg. We redden het niet in de kerk als we alleen de vormen veranderen, terwijl de inhoud is weggevallen.

Toch deed deze secularisatie mij meer verdriet toen ik in de kerk werkte, dan nu, nu ik werk in een seculiere organisatie. In de kerk trof en tref ik namelijk nog weinig begrip aan voor deze vergaande verschuiving. Omdat men er gelooft in God, ter kerke gaat, de Bijbel leest en bidt, gaan veel gelovigen ervan uit dat er ‘toch niets aan de hand is’. Terwijl ten diepste ook de kerk geseculariseerd is als je deze spade dieper steekt. In die rare spanning vond ik het lastig en complex om gemeentepredikant te zijn. Daarom vind ik het gemakkelijker bij Defensie: In onze seculiere organisatie is het volstrekt gemeengoed dat God buiten beeld is. Hoewel net zo erg, geeft het een eerlijk speelveld. En kan ik ook eerlijk zijn. Als je als dominee in de kerk zegt dat je soms niet in God gelooft, dan schrikken de mensen terug. Daar moet je je imago als professionele gelovige hooghouden.

Gek genoeg lucht het mij daarom weleens op om in een volledige seculiere omgeving te verkeren, gewoonweg omdat ik merk dat de secularisatie ook helemaal door mij is heen gegaan. Hoezeer dat mij ook aangrijpt soms, het is heerlijk om daar eerlijk over te zijn. Niets erger, dan als het bij jezelf vanbinnen niet meer stroomt, als je eigen bronnen voor je gevoel droog staan, te blijven babbelen over God en lege stichtelijke teksten en clichés te berde te brengen. Het eindeloze geopen en gesluit met bijbellezen en gebed rond alle kerkelijke vergaderingen, diensten en pastorale bezoeken heeft soms meer van het ‘ijdel/leeg gebruik van de Naam des HEEREN’ dan het oprechte gevloek van militairen over de ellende in hun leven en wereld.

Door met militairen samen in deze woestijn van de secularisatie te zijn en sámen te zijn in deze droogte van het leven, samen constateren dat het niet meer stroomt, geeft dat meer herkenning en erkenning. Ik sta als GV’er in de militaire organisatie met lege handen, maar ik sta ook naast en bij mensen met lege handen. En juist op die manier zijn wij voluit protestants en reformatorisch:

Was het niet Martin Luther die op zijn sterfbed zijn hele theologie samenvatte in dat ene zinnetje: ‘Wir sind Bettler, das ist wahr.’[4]

Is er behoefte aan dominees bij Defensie? Aan dominees die zo eerlijk durven zijn, is altijd behoefte.

  1. Het evangelie vult de leegte

Paulus schrijft: ‘Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons. … wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld; … Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.’[5]

Wat maakt ons tot protestantse GV? Dat wij in de droogte, in het nulpunt van het leven, weten en ervaren dat de leegte niet leeg is en blijft. Dat we in de twijfel niet vertwijfeld raken. Dat er rotsen zijn waaruit waterstromen voortkomen. Dat er niet alleen sterven en verliezen is, maar ook opstaan en ontvangen. Niet automatisch, maar tot onze eigen verwondering. Als we in de ervaring van de dood van God, de dood van de kerk, de dood van ons eigen geloof, tot onze verwondering ervaren dat alleen maar ons godsbeeld in duigen gevallen is, de menselijke instituties een kaartenhuis vormen, ons eigen denk- en zelfbeelden sneuvelen, maar dat het leven doorgaat. Nieuw en fris, als op de Paasmorgen, wanneer de zon opgaat boven het lege graf.

Nu ik optrek met militairen en zo veel mogelijk hun leven deel, ga ik steeds meer zien dat God nooit ver weg is. Als militairen zeggen: ‘Ik heb niets met God’ of ‘Ik geloof niet’, dan geloof ik ze niet meer zo snel. Vaak bedoelen ze gewoonweg dat ze niets hebben met traditionele of geïnstitutionaliseerde vormen van kerk-zijn. De jonge militairen die ik spreek zeggen dat niet vanuit een anti-houding, maar zijn gewoonweg er nooit mee in aanraking geweest. De 10-ers en 20-ers die nu instromen bij mijn bataljon zijn tabula rasa, blanco in levensbeschouwelijk opzicht. Een tijdje terug had ik een gesprek met een 27-jarige fuselier die ‘gewoon niet lekker in zijn vel zat’, zoals hijzelf zei. En ik vroeg hem: ‘Waar wordt jij gelukkig van dan? Hoe zie jij je leven voor je? Heb je een doel?’ En hij zei: ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht, u bent de eerste die het mij vraagt.’ En zo tref ik hoopjes lui die met hun ziel onder de arm lopen. Maar met wie gesprekken over vertrouwen en houvast, toekomst en hoop, leven en dood, falen en genade, verzet en overgave, opmerkelijk overeenkomsten vertonen met het Psalmboek van Israël, met het leven van de patriarchen, de profeten en koningen. En zeker met het leven van Jezus, zijn oog voor mensen, zijn ruimte, scherpte en liefde, komen dichtbij.

Het gewone geleefde leven is de vindplaats van God. Dat is in ieder geval het typisch protestantse interpretatiekader dat ik opnieuw leer ontdekken. God is niet exclusief verkrijgbaar in kathedralen, sacramenten, door bemiddeling van priesters en kerkelijke instituties. Het was daartegen dat Luther en Calvijn zich 500 jaar geleden keerden. Zoiets bedoelt, denk ik, ook Pleizier als hij spreekt over de protestantse eigenheid die persoonlijk is en niet-institutioneel. De waardering voor het gezinsleven, voor het beroep als roeping, voor het ambt aller gelovigen, maakt dat ik als protestant niet hoef te vervallen in kerkelijke structuren en verwachtingen, om toch te kunnen benoemen en erkennen dat God werkt en leeft onder militairen.

Aan de ene kant zou je dat theologisch ‘algemene genade’ kunnen noemen: alles wat goed is in het leven van mensen, wat mensen ervaren aan liefde, aan vertrouwen, aan hoop. Aandacht en zorgzaamheid. Moed, toewijding en veerkracht. Het is geen menselijke prestatie, geen verdienste, maar het wordt in dankbaarheid ontvangen. Als gaven van God. Genade. Sola gratia. Natuurlijk is dat mijn gelovige interpretatie. Maar het is een heilrijke en bevrijdende interpretatie, merk ik in begeleidingsgesprekken. Soms helpt het mensen al enorm als ze het vele goede weer leren zien en waarderen. Protestantse GV hoeft dan denk ik ook niet in de spanning te zitten tussen transcendentie en betekenisgeving, zoals Pleizier die benoemd.

Aan de andere kant maakt het concept ‘algemene genade’ nog steeds een soort tweederangs gelovigen, want ‘de bijzondere genade’ die zich moet voltrekken in bekering en wedergeboorte is het eigenlijke en zaligmakende. Iemand die zijn hele leven van de algemene genade heeft geprofiteerd, gaat zonder een actief en persoonlijk geloof in Jezus Christus als Redder toch verloren. Nu hoeven we niet terug te schrikken voor die laatste ernst van het evangelie, maar zelf ervaar ik de bijbels-theologische lijnen die bijvoorbeeld de anglicaanse Tom Wright trekt als weldadiger en opbouwender.[6] Hij betoogt dat de 4 evangeliën getuigen van de climax van het geloof dat Israëls God mens is geworden in Jezus Christus om het koningschap over de aarde op zich te nemen. Via de weg van kruis en opstanding, via het werk van de Geest, is dat Koninkrijk gevestigd. Dat is de daadwerkelijke stand van zaken op dit moment.

Voor mijzelf is dat een vruchtbaar perspectief omdat dit grote verhaal, deze grote woorden daarmee over ons allen gaan, niemand heeft daar méér of minder recht op of afstand van dan een ander. Op één of andere manier leven wij allen van en in het licht van deze goede boodschap als onderdanen van Jezus Christus. Leer ermee leven. Laat je meedrijven op die stroom. En laat je erdoor veranderen.

  1. Vrije toegang tot God door Jezus Christus

Dit gelovig perspectief op de bedding van Defensie en de stroom van het evangelie, ligt heel dicht bij de kern van mijn geloof en bij de kern van het Anliegen van de Reformatie. Op de basisschool werd mij verteld hoe Maarten Luther in het klooster ergens in een hoekje een boek aantrof aan een ketting en onder het stof. Het bleek de Bijbel te zijn. Hij ging er stiekem in lezen en vond bij Paulus de sola’s: sola gratia, sola fide, sola scriptura. Luther vond God. Een genadige God in Jezus Christus. Later begreep ik dat dit een apocrief verhaal is. In werkelijkheid werd ook in de middeleeuwse Rooms-katholieke kerk natuurlijk dagelijks uit de Bijbel gelezen. Maar metaforisch is het wel kernachtig voor Luthers leven en voor waar de Reformatie voor staat.

Op één of andere manier was de stroom van het evangelie stil komen te liggen, de toegang tot God verhinderd. Allerlei kettingen en secundair stof waren aangeslibt. Theologisch: de idee dat goede werken voorwaardelijk zijn voor toegang tot de hemel. Sociologisch: Door de kerkelijke hierarchie, , en natuurlijk ook gewoonweg machtsmisbruik en corruptie binnen de clerus. Praktisch: het kerklatijn dat voor ongeschoolde burgers onverstaanbaar was. Luther vertaalde de Bijbel in het Duits, zijn volkstaal, brak met het gezag van traditie en clerus, niet als querulant, maar om het evangelie, en daarmee God zelf weer gemeengoed te maken, toegankelijk en vrij beschikbaar voor iedereen. Via de weg van verzoening door Jezus Christus en niet door eigen prestatie en kwalificatie. Onvoorwaardelijk.

Deze bevrijdende radicaliteit is lastig vol te houden. Ook voor mij als protestant. Het is een kern waarnaar ik elke keer weer terug moet keren. Terug naar de eenvoud van Jezus Christus, naar de verzoening door voldoening. Trots en ambitieus als ikzelf ben, ben ik tegelijk ook altijd onzeker over mijzelf. Of ik wel goed genoeg ben. Of ik mijn werk wel goed genoeg doe. Of ik het wel waard ben om van gehouden te worden. Door de mensen om mij heen. Die existentiële onzekerheid en aanvechting zorgt voor stremming van de stroom. Ik geloof dat het God zelf is, die door Zijn Geest, mij uit die verkokering haalt, weer in een stroomversnelling brengt. Mij terugbrengt bij deze kern:

Gods liefde wordt mij in Jezus Christus persoonlijk bewezen en geschonken. Hij heeft mij op het oog. Onvoorwaardelijk.

Het lijkt mij typisch reformatorisch en protestants als wij vandaag de dag juist op dit punt inhaken. Allereerst dat ook wij in ons ambt onvoorwaardelijk beschikbaar zijn, zoals Pleizier dat benoemde. Laat dat nu precies in onze grondwet zijn vastgelegd: Het hele bestaansrecht van geestelijke verzorging binnen justitie, zorg en Defensie hangt hieraan. Maar dat is enkel de formele kant van de zaak, enkel een passief recht. Het vergt actieve werkzaamheid om de vrije toegang tot God door Jezus Christus vrij te houden.

Theologisch vraagt dat werk. Hoe breken wij onderlinge muren weg, die ons als christenen gescheiden houden? Met zoveel verschillende protestantse kerken hier bijeen, benoem ik toch even de schande van onze verdeeldheid. En een stap verder: Ik zegen de dag waarop de RKGV en PGV één dienst kunnen vormen. Gisteren vierden we samen Pasen, dat smaakt naar méér. Maar dan begint het pas. Ik zoek naar een inclusieve en positieve theologie, die mij helpt om hermeneutische bruggen te slaan tussen het grote Verhaal van God en de levens van militairen. Omdat ik geloof dat God met iedereen te maken wil hebben, ja hééft. En dat het militairen helpt om zich bewust te zijn van een overkoepelend zingevend verhaal, waardoor ze zich kunnen laten inspireren, meeslepen of meedobberen. Dat ze zelfs zonder het te weten leven binnen de ruimte van Gods liefde. Onvoorwaardelijk.

Sociologisch blijven wij kritisch naar de bedding van Defensie: vanuit onze protestantse egalitaire genen hebben wij iets tegen hierarchie. Ik begin consequent te lachen als binnenstromers uit de AMO voor mij in de houding springen en zich met rang en achternaam voorstellen. ‘Hóe heet je?’ vraag ik dan. Rood wordend noemen ze nogmaals hun achternaam. ‘Van voren bedoel ik natuurlijk, doe maar normaal, je bent bij de GV.’ Solidair zijn wij juist met de manschappen, en dan nog juist met de soldaten die erbuiten vallen of geschorst worden. Als je je afvraagt hoe stroom en bedding elkaar beïnvloeden, heb je hier wel een heel mooie casus: zou het ‘calvinistische’ Nederland toevallig zo’n relatief informeel en ‘plat’ leger hebben? Ik denk dat de protestantse stroom, mede door ons werk daaraan bijdraagt: ‘Doe normaal, we zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd.’

Praktisch vergt ‘onvoorwaardelijke beschikbaarheid’ misschien wel de grootste inspanning. Zoals Paulus de ‘Joden een jood, de Grieken een Griek’ werd[7], zullen we de militairen een militair moeten zijn. Wat houdt dat in? Dat zit denk ik niet in meehuilen met de wolven, geaccepteerd willen worden als officier of het eet-, rook- en drinktempo op de BBQ’s bijhouden. Het gaat om liefde voor de militair en het militaire bestaan. Om solidariteit en loyaliteit. Dat zíj het gevoel hebben dat ik geen vreemde eend in de bijt ben, geen ‘gast’ die zo af en toe eens langs komt op oefeningen, maar die hun bestaan kent en deelt. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Ook mijn tenue is altijd correct, ik scheer me dagelijks al heb ik daar een hekel aan, ik sport mee, ik spreek hun taal. Niet omdat ik graag militair wil zijn – dat wil ik niet – maar omdat ik drempelloos wil zijn. Omdat ik geen verhindering wil zijn in de stroom van het evangelie, maar de toegang tot God.

  1. Blijven spreken over God is blijven stromen

Volgens Pleizier zit de specifiek protestantse heilsbemiddeling in de kracht van woorden, in het verwoorden van het transcendente. Ik zou zeggen: Laten wie die kracht dan ook vrijmoedig en maximaal gebruiken. Keer op keer ervaar ik het zelf als aanvechting om in algemeenheden te vervallen. Dat je denkt in je vertaalslag zover te moeten gaan dat het christelijk geloof alleen nog maar gaat om naastenliefde, een visioen van vrede, om licht in het donker van het leven, en dat soort vaagheden. Uiteindelijk heeft niemand daar iets aan. Ons handelsmerk en bestaansrecht ontlenen wij aan Jezus Christus, dus laat ik het ook maar over Hem hebben.

Soms stel ik het gewoon militairen voor, die bij mij op gesprek zijn. ‘Is het goed als ik voor je bid?’ Nooit zomaar uit das blaue hinein, natuurlijk, maar als ik daarvoor openheid proef, zonder dat ze zelf ‘gelovig’ zijn. Tot mijn verrassing vinden ze het vaak (aarzelend) goed. ‘God, help deze jongen, ga met hem mee.’ Meer niet. Vaker vertel ik een bijbelverhaal uit de losse pols dat als spiegelverhaal fungeert. Eye-openers. Ze hoeven van mij niet christelijk te worden, en toch is God er dan in hun leven.

Spreken over God, dat moeten we niet alleen op onze werkplek doen, maar ook met elkaar onderling als krijgsmachtpredikanten. Ik heb dat tot nu toe eerlijk gezegd een beetje gemist. Misschien omdat het ook wel gevoelig ligt. Maar als wij het niet samen over God hebben, dan droogt de stroom bij onszelf op.Ik zou graag de bemoediging ervaren van het van hart tot hart delen van onze zorgen, twijfels, ervaren zegen en inzicht, en het met elkaar hebben over God. Over Wie Hij is voor ons. Over wat Hij van ons verwacht en wat wij van Hem verwachten. Dat moet als dominees toch kunnen…

Dieper nog dan het spreken over God, gaat het spreken met God. Hij is geen grote onbekende, maar heeft Zijn liefde getoond in Jezus Christus.

Zo is Hij ook mijn leven binnen gekomen. Zo heeft Hij de liefde voor Hem in mijn hart gewekt. Zo is Hij een levende werkelijkheid en ervaar ik dat God mijn leven leidt en draagt. Deze diepe innerlijkheid heeft de Reformatie niet uitgevonden. De lijn van deze mystiek, bevindelijkheid of spiritualiteit, is hoogstens afgestofd in 1517. Deze gemeenschap met Christus, met Zijn kruis en opstanding, de inwoning van Zijn Geest, van een vrijmoedige, liefdevolle en vrolijke omgang met God is een onstuitbare stroom, binnen en buiten Defensie.

Tot zover.

 

[1] http://nos.nl/artikel/2159264-defensie-is-een-kille-werkgever-die-te-veel-let-op-cijfers.html

[2] Exodus 20,2 HSV

[3] Mattheus 22,

[4] WA 48, s. 421.

[5] 2 Korinthe 4,7-10

[6] O.a. in: N.T. Wright, Hoe God Koning werd: het vergeten verhaal van de evangeliën, Franeker: Van Wijnen, 2014.

[7] Geen letterlijk citaat, maar een gezegde als interpretatie van 1 Korinthe 9,20.

Over boosheid, o.a. van Wilders enz.

Preek gehouden in Hagestein, Lunteren en Poederoijen over Psalm 37.

Afbeeldingsresultaat voor Wilders boos

Foto ANP

Gemeente van Jezus Christus,

‘Wees niet boos op kwaaddoeners.’ Daarmee begint Psalm 37. Een rare zin. Onbegrijpelijk. Toch? Als iemand jou slaat, iets van je afpakt. Zelfs als je broertje of zusje dat doet. Dan wordt je boos toch? Ik heb zelf een paar kleintjes rondlopen van 2 en 3. En ze krijgen nu al wel eens slaande ruzie omdat de één het fietsje van de ander afpakt. En niet alleen bij kinderen gaat dat zo.

In de grote mensenwereld gaat het net zo. Daar is het geen kinderspel, maar serieus. Er lopen nogal wat kwaaddoeners rond in de wereld. Moordenaars, dieven, verkrachters, dictators, pesters, egoïsten, fraudeurs, corrupte politici. Genoeg om werkelijk, en écht serieus, kwaad over te worden en je kwaad over te maken. Terecht! Denk ik dan, en denken wij dan. Natuurlijk je moet je niet zomaar op je tenen laten trappen over peanuts. Een krasje op je auto omdat de buurkinderen onvoorzichtig waren met hun voetbal, dat is vervelend. Maar hopelijk hebben ze een WA-verzekering en het is opgelost. Daar hoef je niet over te ‘onsteken in woede’. Maar over écht onrecht, daar kun je niet, daar mág je toch niet zomaar aan voorbijgaan?

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Wat zit daar achter? Blijkbaar is deze psalm geschreven in een situatie waarin het de slechte mensen voor de wind gaat en de goede mensen het zwaar te verduren hebben. Boven de psalm staat als opschrift ‘Van David’, maar zoals bij veel psalmen zegt dat meer iets over de inhoud dan over de historische oorsprong. In de loop van de tijd begon men dit boven liederen te zetten die ‘davidische kwaliteit’ hadden, die zó goed waren dat ze in de tempel/synagoge gezongen mochten worden.

In de psalm zelf keert elke keer terug dat de vromen, de gelovigen, de rechtvaardigen het land niet meer in bezit hebben, niet meer vrij en in vrede kunnen wonen. Dat geldt voor een groot deel van Israëls geschiedenis. Dat gold in de tijd van de ballingschap in de 6e eeuw voor Christus wel het meest, maar eigenlijk is Israël sinds de tijd van Hizkia (8e eeuw voor Christus) constant schatplichtig geweest aan buitenlandse machten: Assyrië, Babylonië, Perzië, Griekenland, Rome. En in de binnenlandse politiek was het niet veel beter. De meeste koningen sinds Rehabeam waren corrupt en onrechtvaardig. De elite in Jeruzalem liet de armen in de stad en op het platteland creperen als het uit zo kwam. De boeken van de profeten staan vol met kritiek op de sociale ongelijkheid, hebzucht en hoogmoed.

Het was inderdaad voorstelbaar dat je als arme boer óf verschrikkelijk kwaad werd op deze hele bende óf jaloers keek naar degenen die wél in grote paleizen en in weelde konden leven…

En dan toch:

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Ik moest daarbij denken aan de aankomende Tweede Kamerverkiezingen. Geert Wilders van de PVV en andere populisten (50Plus, GeenPeil) léven juist van boosheid. Net als Trump in de VS, LePen in Frankrijk, Pegida in Duistland. Die melken dat uit en moedigen dat aan:

Boosheid tegen de zakkenvullers in Den Haag. Nu lijkt mij dat sowieso onterechte boosheid: onze regering is niet corrupt en onrechtvaardig. Maar zelfs als het terecht zou zijn, omdat er daadwerkelijke problemen zijn, zou de dichter van Psalm 37 zeggen: Op zulke partijen en politici die boosheid, verontwaardiging, woede vertegenwoordigen kun je als gelovige gewoonweg niet stemmen.

Maar waarom dan? Want u merkt wel, dit strijkt ons tegen de haren in. Zeker als het heel concreet wordt in een stemadvies, in een politieke werkelijkheid. Dat gaat in tegen waarden als zelfredzaamheid en assertiviteit die wij tegenwoordig van jongsaf aan aangeleerd krijgen. Als je ergens recht op hebt, moet je dat recht ook verdedigen, dat moet je erop af gaan. Voor jezelf opkomen. Op allerlei manieren leren we onze kinderen om ‘zelfstandig’ te zijn. Al op de basisschool leren ze te kiezen, te plannen, toch? Tot op zekere hoogte is dat goed, maar al heel snel gaan we oprecht denken dat ons leven maakbaar is en dat we er zélf iets van moeten maken. En frustreert het ons als het niet lukt. En worden we ontevreden. En boos.

Psalm 37 zegt dan: Dat is de weg van het ongeloof. Zulke boosheid is ongeloof. Zo’n levenshouding is wantrouwen. Wantrouwen in God, de HEERE. Dat gaat nog even een spa dieper. De dichter is geen moralist, die met een waarschuwend vingertje zegt dat je niet boos mag worden en dat je altijd lief voor elkaar moet zijn. Dat is te simpel. Het gaat veel meer over de onderliggende levenshouding, over je instelling, over je ‘hart’, zoals de Bijbel zo mooi kan zeggen. Het gaat er om of je met God rekent of buiten Hem om.

In vers 2 staat gelijk de reden waarom je niet boos of jaloers hoeft te worden:

Want als gras zullen zij snel verdorren, als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.

En vers 9 en 10 borduren daarop voort:

Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden, maar wie de HEERE verwachten, die zullen de aarde bezitten. Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn; u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.

Verderop in de psalm keert dezelfde gedachte steeds terug. In het kort: ‘boontje komt om zijn loontje’. De dichter die op leeftijd gekomen is – vers 25 ‘Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden’ – benadrukt dat dat zijn levenservaring is. Zo gaat dat in de wereld. Daar hoef je niets voor te doen, dat gaat vanzelf. Het kwaad heeft geen duur. Is zelfdestructief. Je ziet dat goed bij dictators als Napoleon en Hitler: ze liepen zichzelf kapot in hun oorlogen. Je ziet het bij populistische politieke partijen die voortkomen uit boosheid: de LPF, Trots op Nederland, de PVV, ze vallen uit elkaar, splinteren vanzelf weer af. Zo werkt ‘kwaad’, het is niet constructief, maar destructief.

Zo ziet deze dichter het. Als constatering niet eens moralistisch. Zoals ‘roken is dodelijk’: dat is gewoonweg een feit. Één op de twee mensen die roken, 50%, overlijdt er vroegtijdig. Negen van de 10 gevallen van longkanker komen door roken. 19.000 kankergevallen per jaar zijn aan roken te wijten in Nederland. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar zo werkt het. Wat slecht is voor een mens, wat slecht is voor een samenleving, heeft ook een slechte afloop.

Je hoeft het alleen maar uit te houden en geduld te hebben:

Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn;

Dat klinkt mooi en hoopvol, maar dat kun je niet bewijzen. Als je zelf onderdrukt wordt, lijdt, ziek bent, arm, vluchteling, dan is de werkelijkheid anders. In de praktijk gaat er toch een heleboel mis. En als het ene kwaad verdwenen is, steekt het andere wel weer de kop op. Assyrië werd afgelost door Babel, en die weer door de Perzen, en toen kwam Rome. Na Hitler had je Stalin, en toen Mao, en toen Saddam en Mugabe en Kim Jong Un en Assad. En wie weet scharen we over een aantal jaar ook Erdogan en Poetin of zelfs Trump in dat rijtje.

Daarom is alleen positivisme niet genoeg om het uit te houden, om geduld te hebben, maar komt het aan op geloof. Geloof in de HEERE, de God van Israël.

De dichter is namelijk niet iemand die gelooft dat het goede in deze wereld uiteindelijk zelf wel zal overwinnen. En dat de mens uiteindelijk toch ten dienste goed is, zodat  langzaam maar zeker deze aarde een fijne plek zal worden. Nee, vers 5 en 6:

Wentel uw weg op de HEERE en vertrouw op Hem: Híj zal het doen. Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het morgenlicht, uw recht doen stralen als de middagzon.

Zie je. Ook de dichter gelooft niet dat alles automatisch wel goed komt als je maar geduld hebt. ‘Wentel uw weg op de HEERE’, dat betekent zoveel als: leidt je leven in vertrouwen op de HEERE. Je levensweg, je doen en laten, je lot, alles wat je hebt en wat je overkomt, dat staat niet los van Hem, maar daar is Hij bij betrokken.

Tenminste, volgens de dichter is dat de keus die je moet maken. Zo te leven. Te leven in geloof. Geloof dat is in deze psalm, in heel de Bijbel trouwens, niet zomaar een theorie, een serie leerstellingen waarin je gelooft. Dat je gelooft dat Jezus de Zoon van God is, dat Hij is gekruisigd en opgestaan uit de dood. Dat zijn gewoonweg feiten. Geloof is, dat je jezelf daaraan toevertrouwd. Dat je leven in het teken van het kruis staat. Geloof is in die zin ook méér dan een persoonlijke relatie met God én meer dan een inspiratiebron voor je dagelijks leven.

Het woord voor vertrouwen dat in deze verzen gebruikt wordt, ‘vertrouw op de HEERE’, dat is geen gevoel, maar zekerheid. Zoals een kind op zijn ouders kan vertrouwen, er zeker van kan zijn dat zijn ouders ervoor zorgen. Je kunt erop rekenen dat je vader en moeder dat doen. Je kunt erop rekenen dat je droog zit in een huis. Je kunt erop rekenen dat je op school leert lezen en schrijven. Je kunt erop rekenen dat ze in het ziekenhuis álles doen om je behandelen voor je ziekte. Je kunt erop rekenen dat je geld bij de bank veilig is.

Zo kun je rekenen op de HEERE. Waarom? ‘Hij zal het doen.’ Alles waarop je rekent, kan soms tegenvallen. De bank let minder goed op je geld, dan je zou willen. Je dak kan lekken. Zelfs ouders laten steken vallen. Maar op de HEERE kun je rekenen. Hij staat garant voor het goede, voor je recht, voorje vrede, voor je toekomst, voor het land dat je toekomt, voor eeuwig.

Ik vind dat moeilijk, eerlijk gezegd. Om echt met de HEERE te rekenen. Op Hem te rekenen. In het leven van alledag. Niet voor niets staat deze psalm in de Bijbel. Niet voor niets is het een aansporing. Een wijze les. Blijkbaar vonden ze het toen ook al moeilijk. En ik denk dat het in onze tijd alleen maar moeilijker is geworden. Want we groeien op en leven in een tijd en in een land waar heel weinig met de HEERE gerekend wordt. Je hebt natuurlijk de vrijheid om te geloven wat je wilt, dat wel, maar de hele sfeer van onze tijd is toch ‘godloos’. En dat ademenen u en ik, en het laat mij niet koud.

Dan is deze psalm een verademing. Een realiteitscheck. O ja, ik sta er niet alleen voor. Wij staan er niet alleen voor. Alleen tegen het onrecht, tegen de ellende, tegen de zonde. We kunnen rekenen op God. Op Zijn doen. Zijn ingrijpen. Zijn handelen. Zijn optreden. Het slot van de psalm luidt, vers 40:

De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden; Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen, want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.

In Jezus Christus zijn deze woorden vervuld. God is zelf naar de aarde gekomen. Hij heeft ingegrepen. Hij is de dood ingegaan en heeft de dood overwonnen. Hij heeft het kwaad op zich genomen. Ook ons kwaad, onze zonden. Want niet automatisch kunnen wij ons identificeren met de ‘vromen’ in deze psalm. Misschien horen wij wel bij de ‘overtreders die weggevaagd worden’. Met de komst van Jezus Christus en in het geloof dat Hij regeert over de wereld in het groot, en dat Hij zich bemoeit met mijn kleine leven hier in Hagestein/Lunteren, daarin begint het morgenlicht te schijnen, dat eens zal stralen als de middagzon.

Daar staat de HEERE zelf garant voor. Zo is Hij. Zo doet Hij. Daar mag je op rekenen. Een verademing is dat. Weldadig.

Zo kun je vers 3 en 4 begrijpen:

Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met trouw. Schep vreugde in de HEERE, dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.

Dat betekent niet dat geloven in God als het ware een doekje voor het bloeden is, een soort terugtrekkende beweging. Alsof je denkt: ‘De wereld is slecht, ik trek me wel terug in mijn eigen huis en familiekring. Ik doe daar gewoon mijn best en over de rest bekommer ik me niet. En mijn geloof geeft mij een fijn gevoel.’

Nee, integendeel. Het is juist met beide benen in de modder staan, vechten tegen de bierkaai. Gekkenwerk van het geloof. Niet kwaad worden op de kwaden, maar kwaad met goed vergelden. Je vijand liefhebben. Als iemand je dwingt je jas af te staan, je trui erbijgeven. Het goede doen op een aarde die vergeven is van het kwaad. Gewoon omdat het kan.

Het is de weg van Jezus Christus. De theologie van het kruis. Totaal af kunnen zien van jezelf, omdat je rekent op de HEERE. Dat Hij alleen van doorslaggevende betekenis is. Omdat je met Hem alleen tevreden hebt leren zijn. Hij, God van hemel en aarde, legt méér gewicht in schaal dan al het andere samen.

‘Schep vreugde in de HEERE’, m.a.w. ‘geniet geweldig, met volle teugen van Hem’. Omdat onze God zo geweldig is: Zo geweldig goed. Zo’n bron van liefde. Onmetelijk wijs. Heerlijk. Onuitputtelijk in schoonheid. Onvoorstelbaar rechtvaardig, trouw, eerlijk. Hij is alles wat je nodig hebt. En je zit nooit meer om iets verlegen.

Dat vandaag de dag het populisme hoogtij viert – Wilders staat in de peilingen aan kop op bijna 30 zetels – dat komt door een diepliggende ontevredenheid. Een leegte van het hart. In die leegte groeit boosheid en jaloersheid welig. In die leegte is het ik alleen met zichzelf. En daarom alleen met zichzelf bezig. En dan wordt je bang voor een ander. Bang voor de islam. Omdat je er voor je gevoel alleen voor staat.

De HEERE vult de leegte in je hart. Hij vervult de verlangens van je hart, zegt de dichter zelf. Wees tevreden met Hem. Wees blij met de HEERE. Dat je Hem mag kennen. Dat je bij Hem mag horen. En dat Hij daadwerkelijk betrokken is op jou en op u. Dan ben je goed af, nu en voor eeuwig!

We mogen de rijkdom hiervan van onszelf herontdekken. De rijkdom van het geloof in Jezus Christus. Het is het beste, en enige echte, medicijn tegen. Omdat Jezus Christus echt is. Omdat Zijn kruis werkelijk in de wereld stond. Omdat Hij leeft.

‘Schep vreugde in de HEERE’, dat zijn woorden om mee te dragen, te overpeinzen. Uit te leven. Uit te stralen. Dat kan alleen als je Hem kent. Als je Hem hebt leren kennen. Dan wil je niet meer anders.

Heel deze psalm, heel het bijbelse geloof, heel de geschiedenis van Israël, heel het evangelie van Jezus Christus is hierin samen te vatten: ‘Schep vreugde in de HEERE’. Volhouden en volharden in het geloof dat deze wereld uiteindelijk om Hem draait, dat wij ten diepste op Hem aangelegd zijn, dat wij daarom alleen ten diepste gelukkig kunnen zijn als Hij in het middelpunt staat van ons leven. De HEERE, de Almachtige, die het in deze wereld niet uit de hand loopt. Omdat Hij goed is en het recht liefheeft. Omdat Hij woord houdt en trouw blijft.

Op Hem lopen daarom al ons kwaad en onze zonden stuk, ja de dood zelf heeft Hem niet stuk gekregen. Hij is de rots waarop je bouwt of de rots waarop je uiteindelijk stuk loopt. Om de HEERE heen kan uiteindelijk niemand. Je kunt maar beter op Hem rekenen en mét Hem rekenen dus…

Deze psalm heeft de toon van het evangelie van Jezus Christus. Bijna letterlijk keren teksten uit deze psalm terug in de bergrede, in het evangelie van Mattheus 5:1-12.

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

Let wel: dit alles, dit leven met God, dit genieten van HEERE om Wie Hij is, dat blijft onlosmakelijk verbonden met de aarde, met het land, met het concrete leven, met het wonen en werken. En het blijft daarom ook aangevochten. Stukwerk. Het is een pijnlijk contrast met de wereld die we om ons heen zien, en met de gebroken werkelijkheid die we soms aan den lijve ervaren.

De zaligsprekingen zijn geen echter geen wensdromen, geen opium voor het volk, maar een concrete verwachting. Zó zal de aarde eruit zien als het Koninkrijk van Jezus Christus in al zijn volheid gekomen is. En omdat alleen ‘nog maar even’ duurt, beginnen wij als gelovigen alvast te leven alsof het zover is. Verblijden en verheugen we ons. Of zwijgen we en verwachten we. Want ondertussen kan het best lang duren. Vers 7 ‘Zwijg voor de HEERE en verwacht Hem;’

Die zachtmoedigheid heeft alles met dat zwijgen te maken. Ze kenmerken de gelovige levenshouding. Het besef dat het leven ingewikkeld is, gecompliceerd. Goed en kwaad liggen soms heel dichtbij elkaar, vaak moeten we kiezen uit twee kwaden. Zeker in de politiek is dat zichtbaar: wat precies goed is voor de economie, of hoe de zorg georganiseerd moet worden, of hoe we omgaan met immigratie van vluchtelingen en asielzoekers en hoe inburgering dan plaats vindt, en of we nu méér of mínder Europa moeten hebben, daar heeft niemand het gouden recept voor.

Dat moeten we van politici dus ook niet verwachten. Zoals we dat ook van onszelf niet moeten verwachten. Soms past het ons onze mond te houden. Alleen maar te luisteren. Te zoeken. Te proberen. Te tasten. Samen. Daarin past niet het bouwen van muren of hekken en het slopen van moskees of het verbieden van de Koran, zoals Wilders wil. ‘Laat uw woede bedaren en laat uw grimmigheid varen; ontsteek niet in woede – het brengt slechts kwaad.’ Vers 8. In het politieke leven, maar zeker ook in het persoonlijk leven, in het gelovig leven, zoeken we de rust, de vrede.

We leven in het geloof dat we de echte tevredenheid, de vrede van ons hart, vinden bij de HEERE, en dat Hij zal zorgen dat eens de wereld vol is van die vrede. Ondertussen oefenen we ons in het geloofswerk van het zachtmoedig zijn: tegen de klippen op genadig zijn, gunnen, geven, lenen en ontfermen. Want alleen dat heeft de toekomst. Want de toekomst is van Jezus Christus.

Amen

Grace Changes Everything

Bezinningsdienst te velde tijdens Bison Draswsko 2017

2017-01-23-20-23-30

Defilé begin oefening.

  1. Koffie en cake

Muziek: Dire Straits – Sultans of Swing

  1. Welkom

Goed dat jullie hier zijn. Ik wens jullie in Gods naam een mooie dienst. Ik steek de kaars aan als symbool van de stille kracht van het licht, van al het goede, het ware, het mooie in ons leven. Voor mij als gelovige bij uitstek daarom ook symbool van de aanwezigheid van Jezus Christus.

  1. Binnenkomer

De overste roept elke keer dat fouten maken mag, maar dat je niet twee keer dezelfde fout moet maken. Omdat je dan jezelf de kans ontneemt te groeien. Prachtig. En in het werk ‘werkt’  dat goed. Maar niet altijd is het zo gemakkelijk over je fouten heen te stappen, zeker privé. Voor jezelf en anderen. Soms maken fouten echt iets kapot. Of blijf je dezelfde fouten maken… Wat moet je dan?

  1. Muziek The Common Linnets – Calm After The Storm
  1. Kaarsjes en muziek Band of Brothers – Main title
  2. Bijbelverhaal (Johannes 8:3-11)

‘Toen brachten de wetsleraren en de farizeeën een vrouw bij Jezus. Ze had met een andere man geslapen, en dat was ontdekt. De wetsleraren en de farizeeën zetten de vrouw in het midden neer. Ze zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw heeft met een andere man geslapen, en dat is ontdekt. Volgens de wet van Mozes moet zo’n vrouw gedood worden. Wat is uw oordeel?’ De wetsleraren en de farizeeën hoopten dat Jezus iets strafbaars zou zeggen. Want dan konden ze hem aanklagen. Maar Jezus boog zich voorover en schreef met zijn vinger in het zand. De wetleraren en de farizeeën bleven hun vraag herhalen. Toen keek Jezus op en zei: ‘Wie van jullie heeft nooit iets verkeerds gedaan? Die moet als eerste een steen naar de vrouw gooien.’ Daarna boog Jezus zich opnieuw voorover en schreef weer met zijn vinger in het zand. Toen liepen de mensen één voor één weg, de leiders van het volk het eerst. Jezus bleef alleen achter met de vrouw die bij hem gebracht was. Hij kwam overeind en zei tegen haar: ‘Waar is iedereen gebleven? Heeft niemand je veroordeeld’ De vrouw zei: ‘Nee, Heer, niemand.’ Toen zei Jezus: ‘Ik veroordeel je ook niet. Ga naar huis, en doe vanaf nu geen verkeerde dingen meer.’

  1. Muziek Johny Cash – Amazing Grace
  1. Mijmering

Op het eerste gezicht worden in dit verhaal alle stereotypes van religie bevestigd: Het gaat over schijnheilige geestelijken die zich bemoeien met gedrag en regeltjes. De doodstraf door steniging doet denken aan de praktijken van de taliban, IS en Saudie-Arabie. Inderdaad kent het Oude Testament ook de regel dat op overspel de doodstraf staat. Maar ik denk dat we dit niet aan religie moeten ophangen. Mensen zijn over het algemeen hard voor elkaar. We hebben allemaal onze oordelen snel klaar.

Waar leidt tot toe? Dat je klem komt te zitten. Dat je leven vastloopt. In dit verhaal geldt dat zeker voor de vrouw. Ze is ‘gearresteerd’, ze vreest voor haar leven. En als er daadwerkelijk sprake is van overspel, dan zit haar privéleven ook klem: zie dat maar eens recht te brijen. De leiders van het volk zitten ook klem in hun schijnheiligheid. Jezus stelt het aan de kaak: ‘wie zonder zonde is werpe de eerste steen’, een bekend spreekwoord. Ze proberen Jezus ook nog klem te zetten: Als Jezus de wet tegenspreekt, hebben ze hem ook te pakken.

Jezus laat volgens mij zien waar geloven over gaat. Niet over regels, maar over genade. Vastzitten en klemlopen doen we allemaal, maar de vraag is hoe je weer loskomt. Hoe je de weg omhoog weer vindt met jezelf en anderen. Alle religies bieden daar hun antwoord op, elk mens moet dat leren. Het woord ‘God’ komt in dit verhaal daarom niet voor. ‘Genade’  is algemeen menselijk, een 1e levensbehoefte. Jezus laat voor mij zien dat hij mensen ‘redt’ die klem zitten. En ik geloof dat hij daarin laat zien hoe God is: Eropuit om mensen genade, vergeving, een nieuwe start te geven.

Hoe doe je dat dan, genadig zijn? Jezus doet een stapje terug. Hij neemt de tijd. Let wel: Hij praat dus niet goed wat er gebeurt, van de vrouw niet en van de leiders niet. Maar hij oordeelt ook niet. Hij schrijft in het zand (onbekend wat…). Hij legt de vinger op de zere plek, en spreekt vrij. Dat is een bewuste keus. Genade is een keuze.

Het komt hierop aan dat we geloven dat genade bestaat. Omdat God bestaat, en omdat wij ervoor kiezen om genadig/mild te zijn. Wees in deze oefening mild voor jezelf. Je bent niet meer of minder dan een ander. Daar gaat het leven toch ook niet over. Wees ook mild voor elkaar, niet alleen bij het eerste foutje, maar ook bij het 2e en 3e.

  1. Muziek Coldplay – Fix you
  1. Gebed

Stilte

Onze Vader

  1. Muziek Nielson – Zo kan het dus ook
  1. Zegen

Laten Gods vrede en de rust van dit moment je lang bij mogen blijven.

To be or not to be

Toespraak regimentsjaardag 2017.

15894679_1292038034191751_4448806954469301301_n

Genm b.d. Hemmes (WOII-veteraan) en de regimentscommandant leggen krans.

To be or not to be, that’s the question. In het ruime jaar dat ik hier bij Prinses Irene rond heb gelopen, is me dit het meest bijgebleven: je moet er zijn. Ik bedoel niet alleen als GV’er, maar ook als militair in het algemeen: je moet er zijn. En dat moet je maar kunnen… In vredestijd valt er voor militairen niet altijd veel eer te behalen. Dat is soms vervelend en frustrerend. We houden onszelf wel bezig met oefeningen, maar zolang er geen daadwerkelijke inzet, missie of oorlog is, gaat het er vooral om dat we in vorm blijven. Dat we er zijn en blijven. Daar zijn natuurlijk materiële middelen voor nodig, waar altijd tekort aan is, maar veel belangrijker: daar is een soort innerlijke mentale kracht voor nodig. Om je bestaansrecht niet te ontlenen aan de vele medailles op je borst, niet aan de heroïsche avonturen die je hebt meegemaakt, maar puur aan je aanwezigheid. Dat het goed is, dat je er bent. En dat je er staat als het nodig is. Stevig en zelfbewust.

Jezus vertelt (zo kun je lezen in de Bijbel[1]) over dat ‘klaar staan’, ‘er zijn’ in een voorbeeld over een Oosterse bruiloft:

‘Tien meisjes gaan op weg naar een bruiloft. Ze moeten wachten op de bruidegom. Ze hebben allemaal een lamp meegenomen. Vijf meisjes zijn dom. Ze hebben wel een lamp bij zich, maar geen olie om de lamp te laten branden. De vijf andere meisjes zijn verstandig. Zij hebben een lamp bij zich en ook olie om de lamp te laten branden. Het wachten op de bruidegom duurt lang. De meisjes worden moe en vallen in slaap. Midden in de nacht wordt er geroepen: ‘Daar komt de bruidegom! Vooruit, ga naar hem toe!’ De meisjes worden wakker en doen hun lampen aan. Dan zeggen de domme meisjes tegen de verstandige meisjes: ‘Mogen wij wat van jullie olie gebruiken? Onze lampen willen niet branden.’ Maar de verstandige meisjes zeggen: ‘Nee, we hebben alleen genoeg voor onszelf. Ga maar ergens olie kopen voor je lampen.’ De vijf meisjes gaan op weg om olie te kopen. Intussen komt de bruidegom. De vijf meisjes die klaarstaan, gaan met hem mee. Zij mogen naar binnen op het feest. Daarna gaat de deur dicht. Later komen ook de andere meisjes. Ze zeggen: ‘Heer, heer, laat ons toch binnen!’ Maar de bruidegom antwoordt: ‘Luister goed naar mijn woorden: Ik ken jullie niet.’

To be or not to be, that’s the question. Die vijf domme meisjes waren er niet, niet toen ze er moesten zijn. Toen ze er moesten staan. En daarom gaat het feest aan hun neus voorbij. Dat feest staat symbolisch voor het geloof in een goede toekomst ook als de wereld donker is. De olie in dit verhaal is dan ook geen letterlijke olie, maar staat voor geloof in God, als een vorm van vertrouwen, van mentale kracht. Het gaat niet over materiële gereedheid, maar personele gereedheid.

Militair-zijn wil niet alleen zeggen dat je bepaalde militaire basisvaardigheden beheerst, maar vooral dat je er bent. Dat je ervoor kiest er te zijn als het nodig is. Dat je er dan staat. Dat gaat heel ver. Zeker als we zo de namen horen van de gevallenen van ons regiment en een minuut stil zijn. Dan beseffen we: To be or not to be, de keuze om er te zijn op het cruciale moment, dat houdt in het uiterste geval ook in dat je eigen bestaan, je eigen zijn op het spel staat. Dat is een keus die moed vraagt, geloof, vertrouwen.

Onze keus om militair te zijn, of het nu oorlog is of niet, werpt ons terug op onze innerlijke mentale kracht. Voor mij als dominee is dát geloof, het basisvertrouwen in God, om ons leven bewust in de waagschaal te leggen. Omdat het het waard is. Ten bate van de bruiloft: het visioen van het vrederijk zoals Jezus dat voor ogen staat, een visioen dat ons allemaal kan inspireren.

Ik heb gezegd.

[1] Matteüs 25 vers 1-12 (Bijbel in Gewone Taal).