Hoop voor Afghanistan…

Omdat ik op mijn vorige bericht (De val van Afghanistan) veel reactie kreeg, deel ik mijn gelovige perspectief als krijgsmachtpredikant. Ik ging voor in de Bethelkerk in Ede, speciaal in uniform om ook in de kerk iets binnen te brengen van de betrokkenheid van vele militairen en veteranen. De preek gaat over het bijbelboek Jona. Het betreft een update van een preek die ik ook vóór mijn vertrek al hield…

Hier ook de uitgeschreven tekst:

Gemeente van Jezus Christus,

Afghanistan is weer in handen van de Taliban gevallen. Het land waar Osama bin Laden de aanslagen van 11 september kon voorbereiden. Het land van eindeloze stammenstrijd en opiumproductie. Sinds 2001 heeft Nederland totaal zo’n 30.000 militairen naar Afghanistan gestuurd samen met miljoenen andere NAVO-militairen. 3.502 gesneuveld, waaronder 25 NLD’ers[1].

Was het wel een goed idee om daarheen te gaan? Hadden we niet beter thuis kunnen blijven? De militairen met wie ik op missie ging, hadden 4 jaar geleden al een beetje een cynische houding: ‘We moeten niet denken dat ons werk ook maar iets uithaalt.’ ‘Het is allemaal politiek.’ ‘Wat wij opbouwen, wordt weer afgebroken als wij weg zijn.’ ‘Maak er vooral voor jezelf een mooie tijd van.’

Dat hoorde ik jaren geleden al. Hebben ze gelijk gekregen?

Ja, waarom zou je je bemoeien met die mensen ver weg. Laat ze maar in hun sop gaar koken. Zoiets heeft Jona misschien ook wel gedacht. Op een dag krijgt Jona van God de opdracht om ook naar een ver land te trekken, naar de hoofdstad van het Assyrische rijk, de machtige stad Nineve.

Al duizend jaar lang de grootste stad ter wereld. Maar ook de slechtste stad ter wereld. Een stad vol afgoderij. De hoofdstad van een wreed en afgodisch oorlogsvolk. Een stad die symbool staat voor het kwaad. Een soort combinatie van Egypte, Babel, Sodom en Gomorra. Een stad waar je niet heen wilt.

‘Daar moet je heen.’ Zegt de HEERE tegen Jona. ‘Predik tegen haar.’ Want God heeft ook gezien hoe slecht die stad is: ‘hun kwaad is opgestegen voor Mijn aangezicht’.

Hier wordt nog niet genoemd wat Jona dan moet preken, maar dat is wel duidelijk uit vergelijkbare profetieën in Jesaja en Jeremia geadresseerd aan andere volken: Jona moet namens God Nineve het oordeel aanzeggen, de aankomende straf, het ingrijpen van God.

‘Ik ga dat niet doen’, denkt Jona. ‘Mij krijg je daar niet heen. Nineve is een wespennest, daar moet je niet met een stok in gaan roeren. Dat lijkt mij niet verstandig.’

En hij gaat niet….Tja. Wat zou jij doen? Wat zou u doen?

We hebben het nu over grote reizen naar verre landen. Maar gaat het in het kleine niet net zo. Je bemoeien met je eigen buren is al not done in onze tijd toch? Zelf proberen we zo goed mogelijk te leven. Ons beste beentje voor te zetten. Te leren op school voor je toekomst. Je werk goed te doen. Te zorgen voor je familie. Je bemoeit je met je eigen zaken.

Maar stel nou dat God van je vraagt úit die bubbel te stappen? Uit je comfortzone. Je liefde niet alleen maar te beperken tot je eigen kringetje? Jezelf op het spel te zetten zelfs?

God vraagt niet van ons allemaal dat we naar Nineve reizen, naar Afghanistan of welk ver oord dan ook. Maar wel dat je bereidt bent over de heg te kijken. Je in woord, en daad, en gebed bemoeit met het leven van mensen om je heen.

Is dat niet wat je van Jezus kunt leren, van God zelf: Hij bemoeit zich met deze wereld, met ónze wereld, ja zelfs met jou. Hij daalde af uit Zijn comfortzone, de hemel, bereidt om te sterven aan het kruis. Voor jou.

Jona loopt weg van zijn opdracht. ‘Hij stond op om naar Tarsis te vluchten’, vluchten staat er zelfs. Hij komt wel in beweging, maar totaal de verkeerde kant op. Nineve ligt vanuit Jeruzalem gezien naar het oosten, een lange route over land. Je moet óver de grote rivier de Eufraat, óver de Tigris, naar de huidige stad Mosul in Noord-Irak. Daar liggen de ruïnes van Nineve.

Jona kiest exact de tegenovergestelde richting: naar de havenstad Jafo (nu Tel Aviv) en de zee op. Naar Tarsis. Welke stad daarmee bedoeld is, is onduidelijk, gedacht wordt aan Tunesië, Sicilië of Spanje, vér weg aan de andere kant van de Middellandse Zee in ieder geval. Maar het is niet zozeer de concrete afstand in kilometers die Jona voor ogen heeft. Het gaat Jona ingrijpend genoeg om een geestelijke afstand, een innerlijke afstand. Want:

‘Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van het aangezicht van de HEERE

en opnieuw:

‘Hij betaalde de prijs voor de overtocht en daalde af in het schip om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van de HEERE.’

‘Weg van het aangezicht van de HEERE’. Ja, Jona vlucht voor zijn opdracht. Maar ten diepste vlucht hij voor God. Hij wil zich God van het lijf houden. God komt hem te dichtbij.

Ik denk wel eens: dat zoveel mensen in onze tijd moeite hebben met geloven of zo weinig van God merken of horen, komt dat ook niet doordat wij moderne mensen er ook helemaal niet op zitten te wachten dat God dichtbij komt. Ik houd mij God soms ook liever van het lijf, hoor. Toen ik uitgezonden werd als dominee naar Afghanistan, dacht ik: ‘Waar begin ik aan, het is toch veel gezelliger om bij Vera en de kinderen thuis te blijven en gewoon Sinterklaas en de Kerstdagen in de kring van familie te vieren, dan ergens op een stoffig legerkamp in de middle of nowhere …’

Het kan ook lastig zijn om te geloven, dus. Lastig, omdat God dingen van ons vraagt. Vraagt dat u en ik uit onze comfortzone komen. Terwijl jij en ik daar uit onszelf niet zo’n zin in hebben. Op z’n zachtst gezegd. Herken je die spanning? Liefst zou je dicht bij God leven, maar tegelijk: je helemaal aan Hem toevertrouwen, overgeven, jezelf aan Hem verliezen. Dat blijft elke keer weer een gevecht.

En waarvoor doe je het? Waarvoor zou je je beste beentje voor zetten in een verdorven, gebroken wereld, die toch niet te redden is. Dat soort vragen spelen rondom mensen die wij bij voorbaat afschrijven. Landen. Volken. Maar misschien ook dat irritante klasgenootje of die lastige collega.

Maar hé, is dat echt een gelovige, een christelijke manier om in de wereld te staan? Volgens mij is dat puur heidendom. Dat gedachte dat het noodlot toch onontkoombaar is. Dat werkelijke verandering niet te verwachten is. Jona is gelukkig niet zó sceptisch als ons moderne mensen. Want waarom wil Jona niet naar Ninevé? Die aap komt pas in hoofstuk 4,2 uit de mouw:

‘Daarom ben ik het voor geweest door naar Tarsis te vluchten! Want ik wist dat U een genadig en barmhartig God bent, geduldig en rijk aan goedertierenheid, Die berouw heeft over het kwaad.’

Hij wilde vooral niet dat de oordeelsprofetie die hij uit gaat spreken voor de inwoners een waarschuwing is die hen tot bekering brengt en waardoor de straf van God niet doorgaat. Jona is wat dat betreft een vrome en gelovige Jood, een werkelijke profeet, die weet wat God kán en wat de kracht is van de verkondiging van Gods woorden. Jona gunt het Ninevé helemaal niet om gered te worden. Dat is er vooral aan de hand. Hij vindt het een veels te groot risico dat zijn woorden wel degelijk effect hebben.

Ja, dat is een risico. Onze woorden en daden zijn nooit druppels op een gloeiende plaat. Één woord, één daad, van één mens, kan verschil maken. Maakt verschil. Zo werkt God zelf meestal. Door één mens, door één woord, door één daad. Zo in het klein, in het verborgene, in het hart. Maar zelfs de hardste steen holt uit door die enkele druppel.

Onder dat sceptische van ons, de vraag naar het nut, het effect, zit de vraag hoe groot en ruim jouw hart is? Hoeveel liefde is daarin voor die ander, voor de wereld, ook voor de vijand?

Hoe vroom en gelovig Jona ook is, hoe overtuigd van de macht van God, zijn eigen hart is maar heel klein. En is dat niet heel herkenbaar? Gaat het daar eigenlijk niet over in het boek Jona? Dat je niet alleen nadenkt over het kwaad buiten je, in de grote stad Ninevé, waar je je verre van wilt houden, maar ook over het kwaad, het kleingeestige, enghartige, het zelfbehoud, van je eigen leven?

En als Ninevé kan veranderen, tot bekering en aanbidding kan komen. Kan Jona dan ook niet veranderen? Als er hoop is voor Ninevé, dan is er toch ook hoop voor Jona! En dan is er ook hoop voor jou!

Waarom staat dat boekje Jona in onze Bijbel? Als het alleen om Ninevé ging, dan zou het er niet in hoeven staan. Nadat Ninevé gespaard was, was die klus immers geklaard. Het staat in de Bijbel, omdat niet alleen Nineve gewaarschuwd moet worden, maar Jona, Israel en wij ook.

We hebben uit Jona 4 ook gelezen wat Jona zegt over God: ‘Want ik wist dat U een  genadig en barmhartig God bent, geduldig en rijk aan goedertierenheid, Die berouw heeft over het kwaad.’

Jaja, ‘ik wist het’! Maar… Jona vergeet dat dat niet alleen over Ninevé gaat, niet alleen over de missie waarop God hem stuurt, maar ook over hemzelf, over Jona. Over zíjn kwaad, over zijn woede, zijn egoïsme.

Je God van het lijf houden, kan de beste en veiligste optie lijken. Doe normaal, dan doe je al gek genoeg. Blijf lekker in je eigen bubbel. Kies voor jezelf. Doe de luiken dicht. Maar weet dat je vooral jezelf daarmee hebt. Dat je je vergist.

God heeft hoop. Hoop voor Nineve. Want waarom moet Jona anders daarheen? Terwijl wij Nineve, Afghanistan, misschien afschrijven, en misschien ook wel niet denken dat onze buren of overburen ooit over de drempel van de kerk zullen komen. Dat dat zonnepaneel of dat vriendelijk woord, die kliko aan de weg gezet, niet zoveel zoden aan de dijk zet. Daar denkt God anders over. Geweldig is dat! Want God heeft gelijk.

En Jona? Is er hoop voor hém? Die vraag staat helemaal aan het einde nog open. Een open einde, omdat die vraag uiteindelijk aan ons gesteld wordt: krijgt God ook gelijk in jouw leven, van jou? Mag Hij dichtbij jou komen? Durf jij het met Hem te wagen?

God heeft hoop voor Nineve. God heeft hoop voor Jona. God heeft hoop voor jou en u en mij.

Ten diepste is dat geloof: het vertrouwen dat God het allemaal wel voor elkaar krijgt, heel in het groot, en heel in het klein, bij jou, bij mij. Omdat Hij goed is, echt goed, totaal, altijd, overal. Daarom kwam God zelf naar deze wereld. Jezus is God, in Hem zien wij die goedheid die gaat tot het uiterste én verder geopenbaard.

Maar dat God zo geweldig is, dat merk je niet als je het niet met Hem waagt in je leven, als je Hem je van je lijf houdt, als je Zijn woorden voor het gemak maar naast je neerlegt. Pas als je echt onderweg gaat met Jezus, op pad met Hem, dan ontdek je al gaande Zijn liefde.

Gooi dus die scepsis, het wantrouwen, de negativiteit, de onzekerheid, de achterdocht, het pessismisme van je af. Dat past je niet als christen. Natuurlijk kun je weerstand verwachten en zul je op je hart getrapt worden als je jezelf open en kwetsbaar opstelt. Het wordt niet per se een succesverhaal in wereldse zin. Afghanistan is dat ook niet geworden. We hebben de wanhoop en pijn van de Afghanen gezien deze week op het vliegveld. Ik heb de tranen gezien van veteranen met wie ik deze week sprak. Oude wonden en trauma’s zijn opengetrokken.

Daar weet God alles van. Daar weet Jezus alles van. Zijn liefde bracht hem aan een kruis. Hij stierf. En toch was dat het einde niet. Ook voor Afghanistan is dit nog niet het einde. God gaat door.

Welke weg wil God met jou gaan? Hoe roept God jou uit je comfortzone? Waarschijnlijk heb je daar zelf best een idee bij. Iets wat je ‘eigenlijk’ zou moeten doen, willen doen, kunnen doen, maar waar het niet van komt. Zet dan gewoon die eerste stap.

Misschien doe je die dingen al wel allemaal, ben je voor je gevoel echt onderweg met God, vertrouw je op Hem, maar zie je soms zo weinig resultaat. Bedenk dan: God roept je echt niet op een doodlopende weg, blijf gewoon rustig met Hem voortgaan. Echt. Niets is tevergeefs.

En zit je voor je gevoel echt op de verkeerde weg, ook dat kan, hè, net als Jona, dat krijg je van onze eigenwijsheid…, ook dat is het einde niet. Zeg het Hem maar. Jona komt uiteindelijk echt wel in Nineve. Daar zorgt God zelf voor. God zorgt voor Zijn wereld, Zijn kerk, voor u, voor jou, voor mij. Ga gerust met Hem op pad!

Amen


[1] https://en.wikipedia.org/wiki/Coalition_casualties_in_Afghanistan

De val van Afghanistan

Na 20 jaar westerse militaire en civiele aanwezigheid in Afghanistan was het verleidelijk om te denken: ‘ze zoeken het nu zelf maar uit’. Duizenden NAVO-militairen hebben het leven gelaten bij het vechten tegen de Taliban, waaronder ook 25 Nederlanders. Langer blijven, betekent nog meer offers brengen, zonder zicht op een eindstreep. Het is gemakkelijk om dan te denken: ‘het is toch hun eigen land, ze moeten er ook zélf voor willen vechten’. Toen Biden deze gedachten in april uiteenzette bij zijn besluit om de Amerikaanse troepen snel terug te trekken, leverde dat geen rel op in de media. Integendeel, met een zekere opluchting werd erop gereageerd: de knoop was doorgehakt.

De snelle terugkomst van de Taliban heeft velen verrast. Mij niet. En ik geloof er niks van dat inlichtingendiensten het niet wisten. Bij mijn werk als krijgsmachtpredikant in Afghanistan (2017-2018) kreeg ik zicht op de bult geld aan contracten en subsidies die het Westen meenam. Onze ‘bondgenoten’ werkten veelal vooral met ons samen vanwege de inkomsten. In een straatarm land is dat geen schande, de Afghanen valt daarin niets te verwijten. Maar wij verwarden ‘wie betaalt bepaalt’ met ‘vooruitgang’.

Werkelijke interesse voor de Afghaan en haar/zijn leven was zeldzaam. We probeerden vooral veiligheid óp te leggen, infrastructuur aan te leggen en praktische vaardigheden over te brengen, maar deden niet aan ‘waardenoverdracht’ of ‘waardencommunicatie’. Er werd niet met elkaar gepraat. In 4 maanden Afghanistan heb ik zelf geen Afghaan gesproken, behalve onze schoonmaker (die nu niet welkom is). Het was een complete tunnelvisie. Terwijl: iedereen die er geweest is, weet van de vergaande corruptie, de persoonlijke belangen, de complexe samenleving, het drugsgebruik, maar we wilden het niet zien. We zagen het door de vingers en zeiden: ‘maar de meisjes gaan nu wel naar school!’ Alles voor de bühne van de media en het politiek draagvlak.

Zeker als je hoort dat er in Kabul nauwelijks een schot gelost is, en dat de president in aller ijl de benen heeft genomen, denk je: ‘dit zijn geen herders, maar huurlingen’. Misschien wel, maar wat zou jij doen? We moeten dan vooral ook heel goed naar onszelf kijken. Naar onze zelfgenoegzaamheid, wat verhinderde om te erkennen wat de werkelijke problemen waren. Een groot probleem dat we zelf gecreëerd hebben, een waarden-vacuüm rond westers geld. De implosie van de Afghaanse regering en het veiligheidsapparaat is een drama, maar het kon nu niet anders meer. Het was een zeepbel, een illusie. Je kunt veel tegen de Taliban hebben, maar ze weten waarvoor ze vechten: hún land, hún cultuur, hún geloof. Dat wint het altijd van opportunisme. Het werpt je terug op vragen als: Waar zou ik dan voor willen vechten? Hoe sterk zijn mijn waarden verankerd? Waar ligt mijn houvast? Waar doe ik het voor?

Ontzettend pijnlijk is dit hele verhaal ook voor de Nederlandse veteranen, voor gewonden, voor nabestaanden. Wat is de zin van ons optreden geweest? Al dit nieuws opent weer die oude littekens, het verdriet is eindeloos. Nu zit je hier in Nederland, machteloos en gefrustreerd. Het is inderdaad pijnlijk, maar ook belangrijk om te erkennen dat er blijkbaar grenzen zijn aan wat wij mensen gedaan krijgen. Het is vaak too little too late, of in dit geval too much too long. Als militair kun je gelukkig je toevlucht nemen tot een plichtsethiek (‘ik heb gedaan wat ik moest doen’) en een deugdethiek (‘ik heb mijn best gedaan’). Daar moet je niet min over doen. Dat is al heel wat. Is dat voldoende? Zelf ben ik blij dat ik de oordelen over wat ieder van ons wel of niet gedaan heeft over mag laten aan God.

Ondertussen rest ons om ruimhartig verantwoordelijkheid te nemen voor de brokstukken van ons handelen. Voor alle vluchtelingen uit Afghanistan zou nu snel een verblijfsvergunning moeten komen. Want leven onder de Taliban, dat is een hel. Alle berichten dat ze nu ‘gematigd’ zouden zijn, kun je in de prullenbak gooien: ook een ‘gematigde duivel’ is nog steeds een ‘duivel’. Voor vrouwen, voor minderheden, voor andersdenkenden breekt een duistere tijd aan.

Ikzelf (links) op Kabul Airport, kerst 2017.

Maranatha

Preek voor Advent 2020 over 1 Korinthe 16,21-24 en Hooglied 3:1-5

Fra Angelico – De annunciatie (ca. 1440)

Gemeente van Jezus Christus,

1.

We verlangen naar een einde aan die coronacrisis. We verlangen naar verlossing. Ergens komt advent dit jaar daardoor heel dichtbij. Advent, de 4 weken voor kerst, die zijn bedoeld om dáár over te gaan. Over het gevoel dat je in een wereld leeft die nog niet af is, niet klopt, die zelfs gebroken is. Een wereld waarin we dromen over vrede, hopen dat het beter wordt. Voor de wereld. En voor jezelf.

Nu dit jaar kunnen we de adventsperiode wel overslaan, dacht ik eerst. Dat verlangen hoeven we dit jaar niet te wekken. Dat verlangen heeft dit hele jaar doortrokken en gekleurd. We beseften opeens weer heel goed dat wij mensen wel veel kunnen, maar dat we niet alles kunnen. Natuurlijk was het altijd al zo. Maar nu weten we het weer: we zijn kwetsbaar en sterfelijk.

Laten we gelijk maar naar de kribbe in Bethlehem gaan om de Messias te verwelkomen. Want de Bijbel vertelt ons dat er maar één iemand is, die niet alleen corona, maar álle ziekten de wereld uit helpt. Tegelijk met alle oorlog, honger, zonde en dood. En dat is God. Als Hij komt, dan zal alles goed zijn.

Maranatha! Kom, onze Heer!

Misschien waren wij dat wat verleerd. Misschien hebben we dat weer leren roepen. Maranatha!

Het is opvallend dat Paulus in het slotwoord van de eerste Brief aan Korinthe dit aramese woord gebruikt. Een woord uit de spreektaal van de Joodse bevolking in Israel in Jezus’ dagen. In Korinthe woonden vooral Grieken, die die taal helemaal niet machtig waren. Vanaf de eerste joods-christelijke gemeenten zijn er echter sommige woorden uit het hebreeuws en aramees zo veel gebruikt in gebeden en liederen dat ze bewaard zijn gebleven. Denk aan woorden als amen, halleluja, hosanna, abba. Allemaal hebreeuwse en aramese woorden, die Jezus zelf gebruikte, en die in de kerkdiensten al 2000 jaar gebruikt worden.

‘Maranatha’ dus ook. Het betekent letterlijk ‘kom, onze Heer!’ of ‘de Heer komt’. Blijkbaar had het een vaste plek in de gebeden en liederen en verspreidde het zich overal. Blijkbaar raakte die roep een snaar en verlangde men naar Jezus’ wederkomst, de doorbraak van Zijn koninkrijk. Ook in Korinthe kenden ze het dus.

Ja, wie zou daar niet naar verlangen. Naar de Heer die al onze problemen komt oplossen. De grote vijanden de wereld uit: De zonde, de duivel, de dood. En daarmee ook alle pijn, verdriet, gebrokenheid, honger en armoede. Al die dingen die ons zo dwars zitten. En ook die vervelende corona. Met advent zijn we dit jaar snel klaar: Één woord slechts hebben we nodig. Maranatha!

2.

Prachtig! Jammer van dat vervelende zinnetje ervoor, he.

‘Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat die vervloekt zijn.’

Dat klinkt wel bikkelhart. Het is een zinnetje waar ik van schrik. Paulus, wat zeg je daar nu? Moet dat nou? Even aan het einde van je brief er nog een vervloeking aan vast plakken?

Want de brief was eigenlijk al af. Het slot staat in vers 20. De hartelijke groeten. Brieven werden in de oudheid vaak door secretarissen geschreven. Schrijven kon niet iedereen even goed. Paulus heeft zijn brieven ook allemaal gedicteerd. Maar als hij klaar is, voegt Paulus niet alleen een handtekening toe, maar ook nog enkele slotwoorden. Voor een persoonlijke touch. Een uitsmijter. Alsof Paulus dacht: O ja, dit moet ik nog zeggen. Of zelfs: Dít is de kern van mijn brief. En dan volgt er dus een vervloeking.

In de brief zelf was het er ook al heet aan toe gegaan af en toe. In die jonge christelijke gemeente van Korinthe, waar Paulus zelf een paar jaar was geweest, daar was na zijn vertrek van allerlei dingen aan de hand: er is onenigheid, ruzie, verdeeldheid, met christelijk leven nemen ze het niet zo nauw, terwijl de één zich wel een betere christen vindt dan een ander. De opstanding van Christus wordt in twijfel getrokken en aan het Avondmaal wordt gezopen. Het is allemaal niet niks.

In het Oude Testament wordt ook regelmatig gezegd dat iemand die afgoden dient of God regelrecht ongehoorzaam is, dat die afgesneden moet worden, er niet meer bij hoort. Niet meer bij het volk Israel mag horen. In het ergste geval betekent dat zelfs: ter dood gebracht, zoals Achan die na de door God gegeven val van Jericho toch even een prachtige mantel, wat zilver en een goudstaaf voor zichzelf achterover drukt.

Niet anders is dat in de christelijke gemeente, zegt Paulus: Degene die de Heer niet liefheeft, dus niet naar Hem wil luisteren, Hem niet wilt dienen, die hoort er niet bij. Die mag niet meer in de kerk komen. Maranatha! Dat klinkt dan niet zozeer als een verwachting, maar als een waarschuwing, een dreigement bijna: ‘Kijk maar uit. Onze Heer, komt! Je zal je voor Hem moeten verantwoorden. En Hij zal met je afrekenen.’

Ja, ook dat hoort bij advent. Bij de verwachting van de komst van Christus. Ja, dat is wellicht schrikken. Hij komt om te oordelen. Om recht te doen. En zoals in elke rechtspraak, hoort daarbij dat slachtoffers geholpen worden, maar ook: daders gestraft. Daar hoef je niet bang voor te zijn…behalve als je een slecht geweten hebt.

3.

Maar is dit dan een super streng einde van de brief? En moeten we met het zweet in de handen richting Kerst? Ik zou zeggen: er zit inderdaad iets ernstigs in deze slotregels. Maar het is de ernst van de liefde.

Want het is toch opvallend dat Paulus niet zegt: ‘Onthoud goed welke regels er allemaal gelden in de kerk. Denk er aan dat je naar me luistert!’ Nee, in één keer heeft hij het over de liefde tot de Heere Jezus. Het is alsof hij alle discussies uit de gemeente in Korinthe die in de brief aan de orde zijn geweest in één keer naar een hoger niveau tilt.  Zoals ook Jezus dat ooit deed door, toen Hem gevraagd werd naar het belangrijkste gebod, te zeggen: ‘Heb God lief boven alles’.

Dít is waar het in de kerk om gaat, zegt Paulus. Om de liefde tot de Heer. (Let op: Je ziet hier, hoe Paulus de Heer Jezus op het niveau van God zet!). Als je niks met Jezus hebt, dan heb je in de kerk niks te zoeken. Alles draait om Hem! En Híj is het die komen zal. De Heer zelf.

Je kunt je zó voorstellen dat de discipelen van Jezus en de wijde kring daaromheen, en ook Paulus, die Jezus in een verschijning gezien heeft, niet alleen ‘Maranatha’ ‘Onze Heer, kom!’ roepen omdat ze nu eindelijk wel eens dat Koninkrijk willen meemaken. Dat was óók een roep omdat zij Jezus misten. Omdat zij hun Heer misten. Natuurlijk merkten ze dat Hij door Zijn Geest aanwezig was. En aan het Avondmaal proefden ze het in brood en wijn. En ze merkten het aan dat de gemeenten groeiden, en het evangelie de wereld over ging, dat Hij regeerde. Maar, zoals wij dat in deze coronatijd ook diep – diep voelen: niets, echt niets, vervangt de lijfelijke ontmoeting, het concrete samenzijn. ‘Kom, onze Heer’ – we missen u.

Raakt u dat ook? Voelt u dat verlangen in deze adventstijd?

U voelt wel dat dat nog dieper gaat dan verlangen naar verlossing, verlangen naar een einde aan de crisis, verlangen naar een oplossing voor al onze problemen. Dat is enkel een verlangen dat God alles en iedereen búiten mij, wat en wie míj dwars zit, opruimt. Maar misschien moet er ook wel ín mij iets opgeruimd worden. Als er geen liefde is tot de Heer, dan is er niets. Op die liefde komt het aan.

Adventstijd, dat mag ook een tijd zijn dat we onze liefde voor God herontdekken. Dat we gaan smachten naar de Geliefde. Dat we iets gaan begrijpen van het Hooglied. Die liefdesliederen in de Bijbel, die vanouds zijn toegepast op de band tussen God en Zijn volk Israel, tussen Christus en de kerk.

4.

Ik weet niet hoe u dit nu hoort en beleeft. Dat je kunt houden van onze Heer Jezus. Geen romantische liefde. Nee, dat is het verwrongen beeld van liefde dat we in onze maatschappij voorgeschoteld krijgen. Liefde waarin alles emotie is. En alles vanzelf gaat. Nee, zeker niet. Liefde lijkt in de Bijbel meer op onvoorwaardelijke trouw, respect, en bereidheid jezelf te geven vóór die ander. Liefde, dat is in de Bijbel een woord dat hoort bij het verbond, bij onverbrekelijke wederzijdse loyaliteit.

Ja, je kunt houden van de Heer Jezus. Met heel je hart. We hebben het hier misschien te weinig over in de kerk. Gewoon met elkaar. Ik ook. Het voelt intiem en kwetsbaar, en dat is het ook, om te zeggen dat geloof voor mij inderdaad een kwestie van liefde is. Dat ik van de Heer Jezus ben gaan houden. Van God, zoals ik Hem in de Bijbel heb leren kennen. Misschien zit dat ook wel in die uitroep van Paulus:

‘Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat die vervloekt zijn. Maranatha!’

Alsof hij wil zeggen: Hoe zou je de Heer níet kunnen liefhebben. Onmogelijk! Want zegt, hij vervolgens:

‘De genade van de Heere Jezus Christus is met u.’

Paulus zelf is Jezus tegengekomen op de weg naar Damascus. Dat was geen romantische ontmoeting. Maar met al Zijn majesteit én genade heeft Jezus daarmee in één keer Paulus’ hart veroverd. En nu roept hij het uit: ‘Hoe zou je deze Jezus van Nazareth, die onze Heer is, onze God, niét liefhebben!’ Dat is gewoonweg onmogelijk!

Je zou je immers af kunnen vragen: Hoe kan God ons nu gebíeden Hem lief te hebben? Je kunt iemand toch niet verplichten tot liefde? Dat is toch strijdig met elkaar? In theorie misschien wel. Zoals je in theorie een machtige zonsondergang – u weet wel als die wolken in vuur en vlam lijken te staan, in goud, oranje, roze en paars – in theorie kun je dat lelijk vinden. Maar in de praktijk. Als je dát ziet. Dan sta je toch met open mond te kijken. En vind je het prachtig. Ik ben nog nooit iemand tegen gekomen die zo’n zonsondergang lelijk vond.

Dat herkent u toch, als het over God en over de Heer Jezus gaat? Ik wel. Hoe zou je niet van Hem houden. Als je hier over Hem hoort in de kerk, als je leest in je Bijbel. Die grandioze verhalen over hoe God zijn volk Israel bevrijd uit Egypte. Hoe ongelooflijk geduldig Hij met die hardleerse mensen op stap gaat. Ja, hoe Hij ook u en mij alle dagen het leven geeft. Ons en de wereld elke keer weer een kans geeft. Hoe Hijzelf misschien nog wel het meest verdriet heeft over alles wat er verkeerd is gegaan en gaat. Maar dat Hij Zich niet te groot voelde om als mens te komen in deze wereld. Uit liefde gaf Hij Zijn leven aan het kruis in onze plaats. Als je zo’n God aan het werk ziet. Zo vol liefde bewogen over mensen, door generaties heen. Tot vandaag. Over mij en over u.

Ja, dan kun je toch niet anders, dan Hem liefhebben. Dan met Paulus en die gemeente in Korinthe, meezeggen, meebidden, meezingen, meezuchten: ‘Maranatha’ ‘Onze Heer, kom!’

5.

En ik mag het u verkondigen: Hij, die u zo liefheeft, komt! U hebt Hem lief? Hij u nog meer. Híj komt! Het is geen onbekende, die naar ons onderweg is. Voor wie wij vrezen zouden. Híj, de Heer zelf, komt!

Natuurlijk. Het duurt lang. Je kunt jezelf zelfs afvragen, waaróm het zolang duurt. Het kan zelfs een aanvechting worden, in de nood van de wereld. Een bange vraag. Maar weet u hoe de kerk het al 2000 jaar volgehouden heeft. De hoop niet opgegeven heeft. Het geloof behouden heeft? Omdat een kwestie van liefde is. En de liefde kan wachten, verlangen, smachten! ‘Kom! Heere Jezus! Kom snel!’

‘ik vond Hem Die ik innig liefheb. / Ik greep Hem vast, liet Hem niet meer los.’

Onze Heer komt! Hij is onderweg. Maranatha.

Amen

Geen fijne feestdagen

Kersttoespraak voor militairen in 2020

‘Ik wens jullie geen fijne feestdagen. Erg fijn is het namelijk niet. Corona gooit dit jaar roet in het kerstdiner. We kunnen niet doen wat we normaal doen. Familie en vrienden ontmoeten. Ontspannen. Naar de kerk gaan. Dit soort beperkingen kennen we als militairen alleen uit de inzetgebieden, waar je je ook moet behelpen met de feestdagen. Waar je ver bent van je geliefden. Laten we dit jaar in het bijzonder ook stil staan bij onze collega’s die in deze wereldwijde crisis óók nog eens ver van huis zijn.’

‘Geen fijne feestdagen dus. Het doet me denken aan het bijbelverhaal waar het kerstfeest om gaat: die eerste kerst, toen het kind Jezus geboren werd in een stal. Toen was de horeca ook gesloten. Bevallen van haar eerste moest Maria in diepe armoede en eenzaamheid. Kerst was ook toen op geen enkele manier gezellig. Het is een pijnlijk realistisch verhaal, toen en nu.’

‘De kracht van kerst vind ik dus we dat ook niet weg hoeven te poetsen. In het bijbelverhaal wordt het niet geromantiseerd. We overschreeuwen onszelf als we zeggen: we máken er tóch wat van. Dat doet geen recht aan wat we beleven. Waarom niet gewoon toegeven: dit wordt geen fijne kerst. We zitten nu eenmaal in de grootste crisis van ons leven. En een crisis ga je niet fluitend door. Daarom noemen we het een crisis.’

‘Waarom noemen we kerst dan toch feest? Het christelijk verhaal is dat God zelf in Jezus mens werd. Hij wilde ons leven delen. In die crisis. Hij hield het bij ons uit. Als militairen kennen we de waarde daarvan: van kameraadschap, dat er iemand is op wie je kan rekenen op momenten dat het er om spant. Dat is geen oplossing, maar wel licht in het donker.’

‘Zo’n kerst kan het wel worden. Niet met de grootsheid en overvloedige consumptie van weleer. Misschien moeten we dat ook wel afleren. Echt gelukkig worden we er niet van. Maar kerst kan het wel worden. Zo’n kleine kerst van een beetje licht in het donker. Jij en ik kunnen dat zijn voor een paar anderen. God is het voor ons allen.’

Muren en bubbels

Preek over Efeze 2,11-22

Kasteel Bourscheid in Luxemburg

Gemeente van Jezus Christus,

1.

Ben je wel eens in een kasteel geweest? Met van die geweldige stenen muren. Afgelopen zomer kon ik met mijn gezin gelukkig nog op vakantie. We bezochten kasteel Bourscheid, het grootste kasteel van Luxemburg. Sinds de Romeinse tijd al een vesting, steeds uitgebouwd tot het einde van de Middeleeuwen. Als je daarbinnen was, was je veilig.

De enorme stenen muren zijn nog steeds imponerend. Toch is het een ruïne, er woont niemand meer. Waarom niet? Je hebt er niets meer aan. Sinds de uitvinding van het kanon, waarmee je ook stenen muren eenvoudig in puin schiet, biedt een kasteel geen veiligheid meer. Stenen muren, en dus ook kastelen, zijn overbodig.

Niet dat wij mensen opgehouden zijn met muren bouwen. Om onszelf te beschermen. Voor vrede en veiligheid. Dat is helaas niet iets van het verleden. Trump bouwde een muur met Mexico om de immigranten buiten te houden. In Israel loopt een muur tussen het Joodse en Palestijnse deel. En in Europa kunnen we er ook wat van: wij bouwen muren van regels om vluchtelingen en gelukszoekers buiten Europa te houden. De drama’s hebben we kunnen zien rondom Moria op Lesbos. Wij hebben het hier in Europa goed, en dat willen we zo houden ook. Stel je voor dat we dat moeten delen met vreemdelingen van ver…

En niet alleen op politiek vlak zijn er muren: denk aan de Black Lives Matter-beweging, die ook in Nederland de vinger legt bij de zere plek van de discriminatie en ongelijkheid die er bestaat in onze eigen samenleving. Nee, in je eigen veilige wereldje, als je daarmee niet in aanraking komt, merk je er niet veel van. Maar zo werkt dat: dan zit jij dus veilig, hoog en droog binnen. Nee, jij hebt nergens last van. De mensen die búiten staan. Ja, die lopen met hun neus tegen de muur.

In Efeze lijkt zoiets ook aan de hand te zijn in de kerk. In hoofdstuk 1 en begin hoofdstuk 2 schrijft Paulus in zijn brief hoe de christenen hebben ervaren door God gered te zijn. God heeft het initiatief genomen om Zijn Zoon te sturen naar deze wereld, die voor ons de weg opent naar de hemel. We mogen uitzien naar Zijn Koninkrijk dat komt, en in die eeuwige rijkdom mogen wij delen. Je zou dan kunnen denken, en dat denken wij mensen dus al snel: Heerlijk, dan zit ik hier dus goed. Ik zit veilig. Niets meer aan doen. En voor je het weet is dat het nieuwe normaal. Je zit comfortabel in de kerk. Het is er gezellig. En dat er ook nog mensen búiten deze muren zijn. Ach…

Je kunt zo ook comfortabel in je bubbel van familie of vrienden zitten, of in je werk, of gewoon in je huis in Zeist. Af en toe denk je wel eens aan hen die het minder getroffen hebben dan jij. Maar ze verdwijnen ook snel weer uit beeld. Uit de media, maar ook uit onze gedachten.

2.

‘Nee’, zegt Paulus dan tegen Efeze, en vanmiddag tegen ons, ‘nee, dat kan niet waar zijn!’ Als je zo in het leven staat, dan ben je vergeten waar je zelf vandaan komt. Vers 11-12

‘Bedenk daarom dat u die voorheen heidenen was in het vlees en die onbesnedenen genoemd werd , dat u in die tijd zonder Christus was, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen wat betreft de verbonden van de belofte. U had geen hoop en was zonder God in de wereld.’

Paulus drukt de gemeente van Efeze met de neus op de feiten: Bedenk waar je vandaan komt. Waar je eerst zelf stond. Voor deze mensen, 1e of 2e generatie christenen, was dit heel concreet. Ga nou niet denken dat je beter bent dan de rest omdat jij nu toevallig gelovig bent. Je geloof dank je aan God, zonder Hem ben je niets.

Voor ons is dit minder goed aan te voelen. In onze samenleving is het christendom al 1500 jaar aanwezig. En we leven ruim 75 jaar na de laatste oorlog. Alleen de alleroudsten in de gemeente hebben daar nog actieve herinnering aan. Voor de rest moeten we het doen met verhalen. Wat het is om in een wereld te leven die verscheurd wordt door vijandschap, oorlog, een wereld die is zonder God en zonder hoop. Dat is pure ellende.

Een paar jaar terug was ik als legerpredikant met Nederlandse militairen mee op uitzending naar Afghanistan. Dan wordt je dus opgepakt en in één keer neergezet in een kapotgeschoten land, waar de haat en het geweld tegen de plinten klotst. Waar je geen stap veilig buiten de deur kan doen. Waar mensen elkaar terroriseren. Waar elk moment bommen kunnen ontploffen. Waar mensen alleen maar zeggen: Ik wil hier weg. Hier is geen leven. Hier is geen toekomst voor mij of mijn kinderen. Totale wanhoop. Totale ontluistering.

Voor veel Nederlandse militairen – jongens van nog geen twintig-dertig – is dat een schokkende ervaring. Dit is dus oorlog. Het is smerig. Het is grof. Het is angst. Altijd die angst. Je hele wereldbeeld gaat op zijn kop. Als je dacht dat de mens over het algemeen wel deugt. En dat wij wel even vrede brengen daar. Dan kom je een stuk cynischer terug. Angela Merkel riep in een toespraak een paar weken terug op, vooral niet te vergeten waar wij na de Tweede Wereldoorlog zélf vandaan zijn gekomen. En dat we onze vrede vooral niet vanzelfsprekend moeten gaan vinden.

3.

Nu is de Tweede Wereldoorlog erg, en Afghanistan een ontluisterend conflict in ónze tijd. Maar Paulus wijst verder terug. Hij wijst naar het kruis van Christus. Naar de dood van Jezus. Als je arrogant dreigt te worden. Als je je dreigt op te sluiten in je eigen gelijk. Als je je eigen verworvenheden niet kwijt wilt. Als je denkt beter te zijn dan de rest. Als je denkt toch weer muurtjes te moeten gaan bouwen. Dan is er maar één oplossing. Kijk naar dat kruis.

Als er één Iemand slachtoffer werd van wij-zij denken, van de arrogantie van de macht, van de vijandschap, dan is het Jezus Christus, onze Heer. Hij werd onschuldig gekruisigd. Omdat men niet accepteerde wat Hij zei, niet accepteerde wie Hij was. Joden en heidenen werkten samen in het wegwerken van de Zoon van God. De Joden riepen om Zijn dood. De Romeinen kruisigden hem. Om maar van Hem af te zijn.

Ze verkeken zich erop. Jezus was een slachtoffer ja. Maar Hij was dat heel bewust. Paulus zegt: Zo (vers 15) heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, [v16] opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. Alsof Jezus ons zegt: ‘Als jullie niet bereid zijn iets voor elkaar over te hebben. Dan zie ik maar één oplossing: Dat is, dat ik mijzelf voor jullie over heb.’

Soms laat de brandweer een huis dat niet meer te redden is, gecontroleerd uit branden, terwijl aanpalende panden worden nat gehouden en gered. Zo laat Christus het vuur van de vijandschap over zich heen komen om ons te redden. Radicale overgave, tot in de dood. Uit liefde.

Wij staan erbij en kijken ernaar. Maar als dít is waar ons gedrag, ons egoïsme toe leidt. Dat we onze goede God, de barmhartige en rechtvaardige vermoorden aan een kruis. Kunnen wij niet anders dan door de bliksem getroffen stil staan. Dan wordt mij alles uit handen geslagen. Alle zelfhandhaving. Alle hoogmoed. Al mijn eigen gelijk. Alle vijandschap.

Mijn hart, mijn mens-zijn, wordt beschenen door hemels licht. En daarin blijken jood en heiden, Afghaan en Nederlander, gelovige en ongelovige, geen haar verschillend. Bij het kruis eindigen al die verschillen, al die muurtjes, in ontzetting, in schuld. Als mensen zijn wij niet gelijk in onze ‘waardigheid’. Het is niet in onze ‘waardigheid’ dat wij beseffen dat alle mensen gelijk zijn. Het is in onze ‘onwaardigheid’. Wij beginnen allen bij nul. We zijn niet allemaal pareltjes, maar allemaal zondaren. Het kruis prikt al onze bubbels door, en daar staan wij met lege handen. Voor God. Met lege handen voor God. Dat is het diepste.

En dan zegt God: ‘Hehe, nu komen we ergens. Nu wil ik die lege handen van jou vullen met mijn vrede. Dit is verzoening. Dat Ik je eindelijk in de ogen kan kijken. Dat jullie elkaar in de ogen kijken.’

4.

‘En bij Zijn komst heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd aan u die veraf was, en aan hen die dichtbij waren.’ (17)

Dat is revolutionair. Het christendom is geen politieke partij. We zijn geen anarchisten die de hele wereld op zijn kop willen zetten. We hoeven helemaal niet alles af te breken. Dat kasteel in Luxemburg hoeft niet afgebroken te worden. Maar het is wel overbodig sinds de kanonnen bestaan.

Met die ‘tussenmuur, die scheiding maakte’ in vers 14 wordt waarschijnlijk verwezen naar de muur die in de tempel scheiding maakte tussen het voorhof van de heidenen en de eigenlijke tempel, waarin alleen de Joden mochten komen. Jezus hoefde die tempel niet werkelijk af te breken. Al hebben de Romeinen dat later ook gedaan. Maar door Zijn kruisdood is de tempel niet meer dé weg tot de Vader. Dat is Hij nu zelf. God is nu toegankelijk voor ieder die bij het kruis van Christus zijn failliet erkent en zich door de Geest laat vullen met Gods vrede.

Die tempel in Jeruzalem mocht best blijven bestaan. Ook de leerlingen van Jezus, zelfs Paulus, ging na Pinksteren nog naar de tempel. Als centrum van gebed en aanbidding kon het best blijven functioneren. God was er nog steeds te vinden Maar fundamenteel was er iets veranderd. Zoals je nog steeds in sommige Middeleeuwse kastelen kunt wonen of logeren. Iets kunt ervaren van die tijd. Maar je bent er niet meer van afhankelijk voor je vrede en veiligheid.

Jood en heiden mogen nu sámen bij God horen. Israel behoorde al bij God met alle rechten en plichten, nu mogen ook wij heidenen horen bij Gods gezin. Nu zijn wij geen vreemden meer, maar broeders en zusters. En dat is niet alleen een uitbreiding van Israel, ook voor Israel zelf is er iets wezenlijk verandert. ‘De wet van de geboden, die uit bepalingen bestond’, die is teniet gedaan. Het is nu één en al evangelie: ‘vrede voor die veraf waren en voor hen die dichtbij waren’.

Dít is dus Gods doel. Gods doel is niet alleen dat jij en ik gered worden. Dat onze zonden vergeven worden. Maar dít is het doel: dat wij leven in vrede als mensheid, in de grootst mogelijke breedte. Ja, dat de wereldvrede uitbreekt. Dat alle menselijke muren hoogstens nog toerististische attracties zijn.

Geloven, ja, dat is dus nooit individueel. Dat doe je niet in je eentje. Je gaat horen bij een gezin, bij ons, bij de gemeente, bij de kerk, en dat houdt niet op bij de kerkmuren. In die nieuwe gemeenschap van vrede, dáár wil God wonen als in een tempel. En dat kan alleen als wij bijeengehouden worden door de hoeksteen, die zorgt voor het vaste verband, voor de verbinding. Waar mensen zijn, daar is gebrokenheid, daar zijn vooroordelen, daar zijn bubbels. Maar Jezus Christus brengt ons bij elkaar en houdt ons bij elkaar door Zijn Geest. Dat is Gods doel.

5.

Hier in de kerk hoor je: Elk snippertje vrede wat jij in je leven ervaart. Elk sprankje daarvan dat dank je aan Jezus. Vrede, dat is alles wat het leven heel maakt, goed, echt goed. Heil, heet dat ouderwets. En dat smaakt naar meer.

Het was één van de redenen dat ik mij geroepen voelde tot dominee bij Defensie. Om als dominee de kerkmuren achter mij te laten. Alleen in daadwerkelijke ontmoeting met anderen, kun je muren afbreken. Ook omdat ik geloof dat Nederlandse militairen hun leven in de waagschaal stellen om iets van vrede in de wereld te bevorderen. Die visie op het militair zijn lijkt mij voortkomen uit onze christelijke traditie.

Stel jij jezelf die vraag wel eens? Hoe draag ik bij aan vrede? Welke muren staan er tussen mij en anderen? Hoe vinden we elkaar?

Zo zijn wij allen geroepen vrede te zoeken. Ín de kerk allereerst. Hier oefenen wij ons in broeder- en zusterschap met alle gelovigen. Je zit hier niet alleen voor jezelf, je hoort je in te zetten voor de gemeente hier, voor onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland. En dat is met alle diversiteit al ingewikkeld genoeg.

Maar alleen mét alle heiligen kunnen we iets proeven van de reikwijdte van de liefde van God. Hier in de kerk mag vrede groeien. Dát is Gods doel. Zo zijn we geroepen vrede te zoeken. De kerk open te stellen voor ieder die de drempel misschien niet over durft. Zijn we werkelijk ‘toegankelijk’? Onze huizen en tafels te openen voor mensen die vastlopen in onze samenleving. Zijn we werkelijk ‘gastvrij’? Ons land te openen voor ‘vreemdelingen en bijwoners’. Zijn we werkelijk bewogen met de wereld? Maar bovenal: onze harten te openen voor Christus die onze vrede is.

Als het over vrede gaat, dan lijkt me dat er nog genoeg te doen valt in de wereld.

Amen

God is de baas

Preek over 1 Samuel 19,18-24

Saul en David – Rembrandt (ca. 1651)

Gemeente van Jezus Christus,

1.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Saul ligt daar naakt en uitzinnig midden in een groep profeten die in extase zijn. Het moet een bijzonder raar gezicht geweest zijn. Het is ook wel een vreemde geschiedenis, vindt u niet? Het is aardig uit de hand gelopen met Saul.

Ja, niet alles gaat altijd zoals je zelf wil. Wereldwijd maken we dat mee met de coronacrisis. We hadden het allemaal zo goed geregeld met elkaar, maar ineens komt daar een nieuw virus dat alles op zijn kop zet. Misschien heb je zelf met het virus te maken gehad. Als je ziek wordt dan merk je het aan den lijve: je leven staat ineens op de kop. Je plannen vallen in duigen. Het loopt je uit de hand. Je raakt de controle kwijt.

Zo denkt Saul dat hij stevig als koning in het zadel zit in Israel, 3000 jaar geleden. Hij is eerst een beetje beduusd als Samuel hem tot koning zalft. Maar al snel blijkt hij een goede keus: hij voert het leger van Israel aan in de strijd tegen de vijanden. Met zijn enorme lengte boezemt hij al snel ontzag in. En Saul went aan die macht; en zijn zelfvertrouwen groeit. Zó dat hij het na verloop van tijd niet zo nauw neemt met Gods opdrachten. Ze in ieder geval een beetje aanpast naar eigen inzicht. ‘Wie is hier nu de koning, ík ben de koning!’

Ja, zo gaat dat, hè. Al snel denk je: het is míjn leven, ík moet weten wat ik ermee doe. Ze kunnen allemaal wel zeggen dat vliegen slecht is voor het milieu, maar wie houdt me tegen? Het is m’n eigen zuurverdiende geld. Hoezo, die nieuwe auto is niet nodig? Het oog wil ook wat. Hoezo, anderhalve meter? Dat bepaal ik zelf wel… We zijn, ik ook, erg gesteld op onze autonomie, ‘ik ben mijn eigen baas’. Jaja. Denk je echt? Je eigen baas?

Saul denkt van wel. Als Samuel hem komt vertellen dat het afgelopen is met zijn koningschap – en David zich aandient als troonopvolger – laat hij het er niet bij zitten. Keer op keer probeert hij David te vermoorden. En David moet vluchten.

Saul handhaaft zich. Met geweld. En het lijkt nog te werken ook… David vlucht in paniek naar Samuel: ‘Samuel, help! Je hebt me toch tot koning gezalfd? Ik ben m’n leven niet zeker! Wat is dit nu? Loopt het God nu uit de hand?’ Ja, dat kun je soms denken, dan. Als vreselijke dingen je overkomen. Loopt het God niet uit de hand?

2.

Erg ver weg is David niet gevlucht. Saul regeerde vanuit zijn familiestad Gibea. David vlucht naar Rama, de stad waar Samuel woont, dat is hemelsbreed maar 4 kilometer. Saul denkt: ‘Ik stuur wat manschappen, die vatten David wel bij de kraag.’ Dan heb ik de touwtjes weer in handen.

Maar dan gebeurt er iets onverwachts. Samuel heeft iets slims bedacht. Hij gaat met David naar een soort eenvoudig klooster van profeten, een profetenhuis, zo kun je Najoth vertalen. Daar moet je je niet veel van voorstellen: een verzameling eenvoudige hutjes net buiten het dorp. Daar wonen ‘profeten’, je moet daarbij denken aan een groep mensen, een leefgemeenschap die zich toewijdt aan God door gebed en zingen.

Een bijzonder fenomeen, waar we af en toe in het Oude Testament van horen. Hun samenkomsten zijn uitbundig en mensen raken er in extase bij deze vorm van aanbidding. Dat wordt hier ‘profeteren’ genoemd.  Ze ontvangen niet zozeer een openbaring van God, maar de praktijk staat eigenlijk meer in de lijn van wat Paulus in 1 Korinthe 14 schrijft over ‘het spreken van andere talen’, de tongentaal. Een extatische vorm van bidden onder begeleiding van muziek, die dus ook in de eerste christelijke gemeenten beoefend werd.

Blijkbaar is die dienst, waarin Samuel voorgaat, zó aanstekelijk – werkt de Geest van God zó aanstekelijk – dat die boden niet meer denken aan hun opdracht maar méé gaan doen.

Geeft Saul het dan op? Nee, Saul is niet voor één gat te vangen: hij is een koning! Hij heeft toch de macht! Als hij hiervan hoort, stuurt hij gewoon de 2e groep, en de 3e… En als dat niet helpt, denkt Saul: ‘Dan doe ik het zelf wel.’  En zo gaat hij er ten slotte zelf op uit. Koste wat kost zal hij eens laten zien wie hier de baas is.

Ja, toch? Je kunt wel snel opgeven als iets niet lukt, maar daar kom je niet ver mee. Volhouden. Vasthouden. Bij Defensie zeggen militairen vaak: ‘willen is kunnen’, en ‘wij gaan door waar anderen stoppen’. Opgeven is voor losers. Herkent u dat? Ik wel. Toegeven dat ik iets niet kan, dat iets niet lukt. Dat ik fouten hebt gemaakt, die ik niet meer rechtgebreid krijgt… Oe, er moet heel wat gebeuren voor het zover komt bij mij… bij jou?

3.

Ontluisterend hoe het afloopt. Tragisch ook. Daar gaat de koning! Hij die denkt de touwtjes in handen te hebben! Zelfs al vóór hij bij de profetengemeenschap aangekomen is, krijgt de Geest van God vat op hem. Onderweg al! Al profeterend gaat hij verder tot hij er is, zo staat in vers 23. Hij wordt overmeesterd door de Geest. Wie is hier nu de baas?

Saul trekt zijn kleren uit en ligt daar een hele dag en nacht lamgeslagen, machteloos en krachteloos. Als je dat zo hoort, denk je misschien – tenminste dat dacht ik wel – hè, dit gaat wel heel ver. Doet God iemand zoiets aan? Toch, ik denk niet dat dat het idee is. De schrijver steekt niet de draak met Saul. Ook in deze tragische verhalen over de ondergang van Saul blijft de schrijver altijd respectvol tegenover deze gezalfde van God. Zoals ook David nooit de gelegenheid grijpt om Saul te doden.

De schrijver gebruikt hier voor het woord ‘zonder kleren’ in vers 24 letterlijk het woord ‘bloot’ en niet ‘naakt’. Dat lijkt een detail, maar naaktheid wordt in de Bijbel geassocieerd met schaamte, zoals Adam en Eva die na hun zonde ontdekken dat ze naakt zijn. En Noach die naakt ligt in zijn dronkenschap. Maar ‘bloot’ is het woord dat in het Hebreeuws wordt gebruikt voor baby’s die geboren worden en voor Adam en Eva in Genesis 2, toen alles nog goed was. ‘Bloot’ wijst op je menszijn, op je kwetsbaarheid.

Dus, zeker, Saul wordt ontdaan van al zijn koninklijke waardigheid. Zoals er later van David ook staat dat hij zijn kleren uitdoet en in zijn hemd danst voor de ark van God. Saul wordt door de Geest van God klein gemaakt, hij krijgt te voelen dat hij uiteindelijk ook maar een klein machteloos mensje is. Een stofje voor Gods aangezicht.

Dat neerliggen, dat doen denken aan al die Godsontmoetingen in het Oude en Nieuwe Testament. Waarbij we horen dat als je God tegenkomt, dat je dan niet anders meer kunt dan knielen, dan plat neervallen. Denk aan Mozes bij de brandende braamstruik, aan de discipelen van Jezus als ze hun opgestane Heer ontmoeten en zij hem aanbidden, aan natuurlijk aan Sauls naamgenoot Saulus die op de grond valt op de weg naar Damascus.

Dan wordt je als mens niet vernietigd. Nee, je wordt eraan herinnerd hoe de machtsverhoudingen werkelijk zijn. Wie je bent als mens tegenover God. En dat het volledig genade is, dat je dan nog mag blijven leven! Saul wordt niet te schande gemaakt door God, maar in de confrontatie met Gods Geest brengt God Saul terug tot zichzelf, tot zijn mens-zijn, genadig en geduldig.

4.

Als je God ontmoet, ontdek je als mens dat je eigenlijk maar weinig macht hebt. Dat niet ik, maar God de touwtjes in handen heeft. Jij hoort dat hier vanavond ook. Je kunt denken dat jezelf heel wat voorstelt, zoals Saul. Of je kunt het niet meer zien zitten, zoals David. En dan ontdek je: De mooiste dingen van je leven zijn niet maakbaar. Liefde. Succes. Vrede. Welvaart. Gezondheid. Je kunt het niet vasthouden. Het is kwetsbaar: je relatie kan uit gaan, een beroepskeuze verkeerd uitpakken, een economische crisis kan uitbreken of zelfs een oorlog. Of een pandemie door een nieuw virus.

Om maar even te benadrukken: denk niet dat je als mens eigen baas bent: je bent ontzettend afhankelijk. Maar omdat wij afhankelijk zijn van déze God, die Saul terugbrengt tot mens, is het goed. Wat heerlijk om dan te horen: we hebben een God die het niet uit de hand loopt. Deze God van Israel heeft het ook in jouw leven voor het zeggen! …

Dat kan wel pijnlijk zijn. Het is goed om dat te benoemen. De extatische vervulling met de Geest, die hier beschreven wordt, dat is geen feel good christendom. Geen happy clappy. Nee, met deze God, de heilige Geest, valt niet te spotten. Het christelijk geloof is niet zomaar een warm bad van liefde en acceptatie. Saul moet van zijn voetstuk af. Zijn koninklijke luister wordt hem ontnomen.

Met God omgaan, of dat nu in de kerk is, thuis, als je bidt en bijbel leest. Dat is niet vrijblijvend. Je kunt dan niet blijven zoals je bent. In het nieuwe testament gebruikt Paulus ook dat beeld van je kleren uitdoen, je oude bestaan afleggen. Letterlijk paste de vroegchristelijke kerk dat ook toe bij de doop van bekeerlingen: je deed je oude kleren uit, je ging bloot het doopwater in, en als je daaruit kwam kreeg je je witte doopkleed om. Dat symboliseert het afsterven van je oude mens. Die mens die zich zo graag zélf wil handhaven, de touwtjes zélf in handen houdt. Die mens, die moet veranderen, tot dienst aan God, tot geloof in Jezus Christus.

Je weet vast wel, uit eigen ervaring, dat dit een levenslang proces is. Een pijnlijk proces van soms weer dezelfde fouten maken. Maar ook een bevrijdend proces, omdat de Geest je hoe langer hoe meer aan het herscheppen is tot het beeld van onze Heer, Jezus Christus.

5.

Het helpt dan om je af en toe onder te dompelen in die ‘sfeer van de Geest’, je te oefenen in die overgave aan God, zoals dat gebeurde in dat profetenhuis. Om Hem Zijn pijnlijke en bevrijdende werk te kunnen laten doen. Wat is dat dan die overgave? In al onze nuchterheid laten we daarin soms iets liggen denk ik. Iets kostbaars.

Waarschijnlijk was die profetencommune heel arm. Ze hadden weinig anders dan hun samenkomsten en muziek. Daarin vonden ze vrede en vreugde, werden ze uitgetild boven het harde leven. Zo zijn ook de psalmen geboren als gebeden uit de diepte en de nood. Het is muziek die je boven jezelf uit tilt, die je richt op God en God dichtbij brengt.

Ik vind dat wel herkenbaar. Muziek speelt ook vandaag de dag nog die rol. Voor sommigen is een festival een ontsnapping uit de sleur. Uit je eigen leven. Even helemaal los te gaan, soms met hulp van alcohol of een pilletje. Maar daarin is geen houvast te vinden. Je hebt de kick, maar ook de kater.

Muziek in de kerk, het samen zingen, ook dat kan je boven jezelf uittillen. Dat is wat velen, ik ook, zo geweldig missen in deze coronatijd. Dat de hemel open lijkt te gaan. Dat je losraakt van je sores en dichtbij God bent. Je leven komt ook in nieuw licht te staan, je eigen problemen soms wat gerelativeerd. Niet zozeer een vlucht, als wel vernieuwing. Als je ze maar zingt uit volle borst, met heel je wezen. Je zingt het geloof dan in. Dat kan met Psalm 68 ‘Geloofd zij God met diepst ontzag’, maar net zo goed met Opwekking 789 ‘Lopen op het water’.

Dat mag extatisch zijn. Dat mogen mensen om je heen maar raar vinden. Werelds noemen ze dat een kick, wij mogen het zien als een gave van de Geest. Als de Geest zelf, die ons vult mét Zichzelf. Wij hebben de kick, zonder de kater, zeg maar. Daarin hebben we als kerk ook goud in handen. Er valt hier iets te beleven. Je hóórt in de kerk niet alleen over vrijheid, en liefde, en vrede, óver God. Maar we beléven het met elkaar.

Dat moet je dan wel durven. Durven jezelf over te geven. Aan God. Je te laten gaan voor Gods aangezicht. In het vertrouwen dat het de Geest niet uit de hand loopt. Hij weet wel raad met mensen die in Zijn invloedsfeer komen. Doe het maar.

Ergens verlangen we daar ook allemaal wel naar, toch? Dat je je restloos in Gods hand mag geven. Dat je jezelf niet groot hoeft te houden. Maar ook: Dat Hij je vult met enthousiasme, met Zijn Geest, en dat je daardoor ook een weg ziet om te gaan. De Geest wist wat David nodig had. Hij wist wat Saul nodig had. Hij weet wat jij nodig hebt.

Amen

Overpoten

Preek over Efeze 2,4-7

Gemeente van Jezus Christus,

1.

Diep in een Pools bos zat ik een paar jaar geleden. Met militairen op oefening midden in de winterse vrieskou. Zelf zit ik als dominee bij de infanterie, de voetsoldaten aan het front. En we simuleerden een grote oorlog. Ik ging zelf mee met de soldaten in bootjes bij een rivieroversteek naar vijandelijk gebied. En dat liep niet goed af.

Ten eerste omdat we onder artillerievuur kwamen te liggen, waardoor ‘zogenaamd’ velen omkwamen. Maar het tweede en venijnigste: de overgebleven militairen waren door die rivier afgesneden van hun uitrusting. Die nacht moesten we doorkomen zonder slaapzak en met weinig eten. Nou, ik kan u vertellen, we hebben afgezien!

Dat is de militaire les: logistiek is alles! Zonder aanvoer van eten, munitie, brandstof, zit je vast en ben je machteloos. Je leeft nog wel, maar je bent ten dode opgeschreven. Zoals een plant zonder wortels, zonder water.

Misschien is dat wel wat we voelen in deze tijd van crisis. We zijn afgesneden van elkaar. We hebben behoefte aan contact, aan mensen om ons heen, maar ook letterlijk aan aanraking. Je mist je klasgenoten, je kinderen, je vrienden, je collega’s. Als mens verlep je een beetje zonder hen. Dat merk ik ook aan mezelf, en ik mis ook erg gewoon de echte ontmoeting met elkaar, in de kerk met u, met de gemeente.

Misschien begrijpen we nu goed wat Paulus bedoelt in Efeze 2. Je kunt als mens lichamelijk springlevend zijn, en toch dood. Zo staat het geschreven er, in de verzen die we lazen:

‘toen wij dood waren door de overtredingen [heeft God ons] met Christus levend gemaakt’ (v.5).

Paulus kende zelf die scherpe overgang van dood naar levend.

Hij was als joodse geleerde ontzettend druk geweest met het houden van de wet, had die nieuwe sekte van volgelingen van Jezus actief vervolgd. Maar was door een verschijning van Jezus op een andere weg gezet, een nieuw leven begonnen.

En achteraf, zegt hij, was ik eerst dood. Door overtredingen: door mijn gedrag, mijn hele gerichtheid, was ik losgeraakt van God en de mensen om mij heen. Het ging eigenlijk vooral om mijzelf, mijn prestatie, mijn eigen wil en verlangens. Daar ben ik van gered, schrijft Paulus, door ‘God, Die rijk is in barmhartigheid, die mij liefgehad heeft door Zijn grote liefde in Christus Jezus’.

Wij hebben niet allemaal zo’n heftige bekering, zo’n ‘van dood naar leven’ ervaring, zoals Paulus. – Gelukkig maar, zou ik zeggen. – Maar ondertussen staat het er wel zo voor met ons, omdat wij nu eenmaal zo in elkaar zitten, zo op onszelf gericht, zo in de macht van de tijdgeest: als mens ben je van nature afgesneden van je aanvoerlijnen, van je wortels, van God. Zoals de verloren zoon ooit ‘dood’ was, zo staat het in Lukas 15, nadat hij alle banden met thuis had doorgesneden.

Dat wij ons wat verloren en ontheemd voelen, dat is niet alleen in coronatijden zo, dat is altijd al zo geweest. En dat kan dus fundamenteel, radicaal, tot in de wortel, veranderen door het geloof in Jezus Christus.

Hij brengt je weer in contact met God, maar ook weer met mensen om je heen, met de kerk, een belangrijk thema in deze brief. Christus brengt je weer thuis. Je vind jezelf als nieuw weer terug in de relatie met Jezus. Je begint een nieuw leven.

Nu klinkt dat prachtig. ‘We waren dood, we zijn met Christus opgewekt tot een nieuw leven!’ Vers 6:

‘en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus.’

Maar ik vind dat altijd wel zweverig klinken. Want wat merk je daar van? Wat zie je daar van? Het klinkt allemaal juichend en prachtig, maar om me heen kijkend in deze wereld, ziet het er allemaal niet zo gered en verlost en vernieuwd, niet zo hemels uit. Bij mezelf ook niet trouwens. De vraag is: wat moet je je daarbij dan voorstellen? Hoe ziet dat er concreet uit?

2.

Denk dan nog eens aan dat beeld van die plant met die wortels. Die wortels zitten verstopt onder de grond. Die zie je normaal gesproken niet. Maar ze zijn er wel. En ze zijn van levensbelang! Zo krijgt de plant water en kan hij leven, groeien en bloeien. Het effect daarvan zie je dus wel: je ziet het als een plant slap gaat hangen, de bladeren krullen, de bloemen vallen uit.

Pas hadden wij een bos tulpen die droog kwamen te staan in de vaas, je weet niet wat je ziet: ze verleppen waar je bijstaat. Zo was de wereld, waren de mensen aan het verleppen. (Onze eigen schuld, benadrukt Paulus steeds, wij dachten onze eigen zaakjes te regelen, God niet nodig te hebben). Máár God! Máár God, schrijft hij dan in vers 5:

‘Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons opgewekt en in de hemelse gewesten gezet’.

Gelukkig deed God er iets aan. Zág God naar ons om. Naar u, naar mij.

Ik zie dan God bijna als een tuinman voor me, die met liefde van die verdroogde potplantjes, in de volle grond zet en er gieter water over doet. En met voldoening kijkt hoe die kopjes van die bloemen zich weer oprichten, open vouwen. Dat is wat God met ons doet. Hij poot ons over in de hemel. Hij laat ons wortelen in de rijkdom van Zijn liefde en genade. Dat is wat Jezus is komen doen. ‘Uit genade bent u zalig geworden.’ We danken het volledig aan Hem dat wij gered zijn.

(Overigens gebruikt Jezus dat beeld van de tuinman en de wijngaardenier ook in Zijn gelijkenissen. En het zat in Psalm 1, waaruit we ook gezongen hebben. En dat beeld van dorst hebben en gevoed worden, dat zat ook in psalm 23. Niet voor niets een geliefde psalm. Een voluit Bijbels beeld, dus.)

Maar ja, een mens is geen plant met wortels, zul je zeggen. Nee, zo letterlijk niet. Maar het gaat hier om de verbondenheid met Jezus Christus, de band met Hem. In deze tijd rondom Hemelvaart kom ik veel mensen tegen die denken dat Jezus nu ver van ons weg is. Want Hij is in de hemel, en in hun gedachten is dat ergens ver boven ons hoofd. Dan kan het beeld ontstaan: Wij zijn nu hier, en Hij is dáár. En daar zit afstand tussen.

Ik denk dat de Efezebrief u en mij uitdaagt om dat anders te gaan zien: De hemel als dichtbij. Weliswaar voor ons onzichtbaar, achter de schermen, maar net zo reëel. De hemel komt zelfs op aarde, schrijft Paulus aan het einde van het hoofdstuk, want de gemeente wordt gebouwd tot een tempel, tot een woning van God in de Geest. Waar God is, is de hemel. Is het hemels.

God heeft ons weer in contact gebracht met Hemzelf. Hij geeft ons toegang tot de eeuwige rijkdom van Zijn liefde en genade. Ziet u, dat is méér dan alleen dat Hij ons een nieuw leven geeft. Het betekent dat Hij ons nieuwe leven ook garandeert, dat Hij het blijft voeden en onderhouden.

3.

Ja, zo is God met ons, met de kerk en met de wereld bezig dus. We krijgen hier een kijkje achter de schermen. Niet wat er in de hemel ver weg gebeurt, maar in die hemel dichtbij. God is mensen aan het redden, de wereld aan het redden. Uit Zijn grote liefde. Omdat Hij ons en de wereld, ‘in de komende eeuwen de allesovertreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen’.

Dat is wel belangrijk om te zien. Zo regeert God dus in Christus door Zijn Geest. Dáár is Hij druk mee.

In deze coronacrisis verwachten we van onze aardse overheid dat ze zorgt voor onze gezondheid, onze veiligheid, voor ziekenhuisbedden en maatregelen. Voor de rest hebben wij niks met het verre Den Haag, maar we verwachten wel dat ze de crisis goed managen. En soms verwachten wij zoiets ook van God, van de Hemelse regering: dat God ons van Boven voorziet in wat wij nodig hebben, gezondheid, geluk, succes, een lang leven. En wij leggen al onze verzoeken daartoe netjes bij Hem neer in onze gebeden. Maar dat is niet hoe het werkt.

Natuurlijk is God betrokken op alles en iedereen en mag je al je zorgen bij Hem brengen. Maar God zorgt voor ons, zoals Hij voor de planten en de dieren zorgt, zegt Jezus in de bergrede. En in al hun kwetsbaarheid bloeien planten en leven dieren, tot ze sterven. Ze zijn in leven en sterven in Zijn hand. En zo zijn jij en ik in leven en gezondheid, maar ook in al onze kwetsbaarheid, ook als je moet sterven, in Zijn hand.

God is niet druk deze wereld en ons leven te repareren, maar te herscheppen, dat gaat dieper, verder. God is druk Zijn liefde en genade uit te delen. God is bezig met vrede en gerechtigheid. Zo ontstond er in Efeze een nieuwe gemeenschap, een kerk, waar mensen elkaar accepteerden, elkaar leerden liefhebben. Zo ontstond de kerk in Europa en wereldwijd. Zo ontstonden daaruit scholen en ziekenhuizen. Zo groeiden de mensenrechten, recht en stabiliteit op aarde. Geworteld in de hemel, mag de gemeente een plek zijn waarvandaan genade en liefde handen en voeten krijgen. Waar we een nieuwe wandel leren, een ander gedrag laten zien, omdat God in ons werkt, ons herschept door genade en liefde.

4.

Nu kan het nog steeds zijn dat je zegt: dit klinkt allemaal prachtig. Maar het blijft voor mij ver weg. Ik ervaar toch echt niet dat ik aangesloten ben op de grootste bron van liefde en genade, op God zelf. Ik heb niet het gevoel dat mijn wortels in de hemel zitten.

Ja, dat kan. Dat zou kunnen betekenen dat je nog niet overgepoot bent. Dat je nog dat vroegere leven leidt, waar Paulus het over had. Dat oude leven, dat eigenlijk geen leven was. Vers 2 ‘Overeenkomstig de leefwijze van deze wereld, …, in de begeerten van ons vlees’. Dat kan, dat je daar nog in zit.

Máár God! Dat zijn dan de woorden die ik u verkondig. Máár God! Die redt. Paulus zat daar ooit, ik ook, wij allen. Maar er is hoop. Dus ook voor jou. Het is geen toeval dat je dit hoort vandaag. Geef je over aan Hem. Leg je leven in Jezus’ handen. Die genade is er ook voor jou.

Het kan ook dat je zegt: Ik heb toch ook het gevoel dat ik droog sta. Ik ben gedoopt, ik heb zelfs belijdenis gedaan. Bij momenten heb ik me heel dichtbij God gevoeld, was het inderdaad de hemel op aarde, maar eerlijk gezegd kan ik daar nu zo lastig bij.

Dan verzeker ik je: Dáár hebben we allemaal last van. Ik ook. Bij vlagen schrik je van je eigen dorheid en hardleersheid. In je geloof, in je gedrag. En van de weersomstuit denk je: Ik doe het niet goed, ik moet het anders doen, ik moet beter mijn best doen.

Maar dan blijft de les: je bent gered uit genade, je wordt gevoed uit genade. God heeft je gered in Jezus Christus. Hij heeft je in de hemelse gewesten gezet, gepoot. Als God je soms droog laat staan, dan is dat alleen om je weer te bepalen bij Wie Hij is, bij Zijn beloften en goedheid.

En met jou en mij hóeft het dus ook niet altijd geweldig te gaan. Juist in onze zwakheid wordt iets zichtbaar van Gods kracht. Ik mag falen. Ik mag het moeilijk vinden in deze tijd. Juist in die kwetsbare menselijkheid en gebrokenheid van de christelijke gemeente, mag toch Gods aanwezigheid zichtbaar zijn. Want het gaat niet om ons, ons mensen, maar om God. En Hij garandeert u: Ik bewijs jullie Mijn liefde.

Dat is in het begin even slikken. Te horen dat het niet om jou gaat. Maar het resultaat is enorme ontspanning: die druk ligt er dus ook niet op. Je kunt ergens op terug vallen. Op God terugvallen. Het gaat om Hem! En op Hem kun je rekenen. Dank zij Jezus Christus, onze Heere. We zijn gezet in de hemelse gewesten, we hebben onze wortels in de hemel, in de rijkdom van Gods liefde.

Amen

Licht in de tunnel

Paasbezinningsdienst voor militairen

Mijmering bij Markus 16:1-8

Dit is het oudste paasverhaal wat er is. En opvallend hè, dat het eindigt met vluchtende vrouwen, angst en stilzwijgen. Niet echt een paasfeest. Wat we in de kerk geloven, ik ook, dat Jezus op Goede Vrijdag stierf aan het kruis voor de zonden van de wereld en op de zondagmorgen opstond uit het graf. Dat gaat er dus niet zomaar in. Dat is niet zomaar eventjes doodgaan en weer levend worden alsof het niets is. Integendeel. Dat gaat er níet zomaar in. Bij mij ook niet.

Waarom niet? Ik denk, omdat wij mensen enorme gewoontedieren zijn. We zitten meestal hartstikke vast in wat wij denken wat wel kan en wat niet kan, wat wel waar is en wat niet waar is. Jullie merken waarschijnlijk hoeveel energie het kost om volledig uit je gewone leven en ritme te zijn. We zitten zo vaak allemaal in ons eigen tunneltje. Als daar zomaar een jongeman beweert dat die dode Jezus opgestaan is, past dat van geen kant in hun hoofd.

Voor mij betekent geloven, dan ook niet zomaar klakkeloos alles aannemen, maar wel proberen open te staan voor de mogelijkheid dat er meer is dan ik kan zien en bedenken. Het Paasverhaal nodigt denk ik iedereen uit om in het midden van crisis en dood – de locatie is hier de begraafplaats hè, die vrouwen zijn in rouw over hun overleden vriend en rabbi – goed te luisteren en te kijken naar berichten van hoop en liefde. Je tunnelvisie op te geven. ‘Jullie hoeven niet bang te zijn.’

Ze zijn dat wel. Ik soms ook, jullie ook denk ik. Mij zegt dit verhaal: Dat is prima. Het is logisch om onder druk en stress en verdriet ook bang te zijn. Integendeel, dat lijkt me gewoon menselijk. We hoeven onszelf niet uit onze haren uit het moeras te trekken. Het goede nieuws komt hier van een engel, van God, van búiten dus. Er valt in één keer licht ín de tunnel.

En het is prima om dat af en toe aan jezelf toe te geven: Ik red het niet alleen. Gelukkig zijn er anderen met hun liefde waarop je dan terug kunt vallen. En als gelovige zeg ik: Gelukkig is God er met zijn liefde. Er is meer mogelijk dan ik in mijn angst en kortzichtigheid vaak denk.

Review: Gedoofd licht…

Gedoofd licht: Christenen tussen schepping en secularisatieGedoofd licht: Christenen tussen schepping en secularisatie by Ad Prosman

My rating: 2 of 5 stars

Volgens de auteur is de schepping een manifestatie van God (p. 12), waarin Hij zich aan ons openbaart. Door de secularisatie zijn wij dit perspectief verleerd geraakt en dit is een belangrijke verschuiving die uiteindelijk ook ons dagelijks doen en denken raakt (p. 41). Prosman heeft hiermee een belangrijk en urgent thema te pakken. Helaas komt de analyse hiervan in dit boek niet uit de verf.

Allereerst bevat het boek onnodig veel taalfouten, en is het moeilijk de lijn van het boek te volgen omdat hoofdstukken niet beginnen met een duidelijke vraag (zie bijv. H12), of afgesloten met een weging en conclusie. (zie bijv. H13). Na een heldere start, raakte ik de draad snel kwijt. Regelmatig worden ook grote uitspraken gedaan zonder verantwoording (‘Het lijkt me niet teveel gezegd dat Berkhofs openbaringsbegrip de secularisatie bevorderd heeft.’, p. 193). En het is niet altijd duidelijk waarom bepaalde auteurs wel/niet besproken worden: Prosman bespreekt de oude dogmatiek van Berkhof, maar laat het actuele Van den Brink/Van der Kooi liggen.

Verder mis ik argumentatieve scherpte. Bijvoorbeeld. H1 start met een fundamenteel argument dat God de schepping niet goed nóemt, maar zíet dat zij goed is (p. 21). Een exegese van Genesis 1 op dit punt mis ik vervolgens. Wat wordt hier bedoeld met ‘goed’? In de theologie van P lijkt dit geen moreel of kwalitatief oordeel, maar eerder functioneel (‘geschikt’) of esthetisch (‘mooi’; Ex 2:2; Pr 11:7). ‘Zien dat iets goed is’ lijkt in het hebreeuws vaker semantisch synoniem met ‘ergens van genieten’ (Ps 34:8; 128:5; Pr 2:1). Hoewel het vroeger veel gebeurd is, lijkt het me onverstandig hier theologisch veel aan op te hangen zónder hier breder exegetisch en bijbels-theologisch over na te denken. Filosofisch is het hier verder van belang of het een analytisch of synthetisch oordeel betreft, maar dat laat ik maar even voor wat het is.

Prosmans belangrijkste systematische en filosofische stelling is dat we via Luther het nominalisme en dualisme en uiteindelijk de secularisatie de theologie in hebben gehaald. De scheppingsopenbaring wordt gaandeweg ondergeschikt aan de bijzondere openbaring (de Bijbel). Prosman gaat echter niet in op de historische en theologische problematische gevolgen van het alternatief (‘natuurlijke theologie’). Hij werkt ook nergens concreet uit hoe en wat we dan van God geopenbaard zien in de schepping.

Vanuit dat laatste verder gedacht: Ik miste de concreetheid van de schepping in heel het boek. Heftig dat klimaatverandering bijvoorbeeld totaal niet aan bod komt. Maar ook de verworteling van het gewone leven niet: vriendschap, eten en drinken, geboorte en dood, komen niet expliciet aan bod. Dit boek lijdt daarmee zelf nog het meest onder de secularisatie die Prosman wil bestrijden.

Dit pamflet met voetnoten (p. 13) had kritische meelezers en redactie nodig gehad.

View all my reviews

Klimaat-alarmisme is terecht

Als je niet meedoet in de strijd tegen klimaatverandering heb je nu al dagelijks 410 doden op je geweten, oplopend tot 685 onschuldige slachtoffers per dag in 2030, en daarna nog meer…

Na weer een paar vruchteloze discussies op Linkin en Facebook, waarin ik voor doemdenker werd uitgemaakt, zet ik hier voor jullie maar even op een rij waarom het ‘klimaat-alarmisme’ terecht is en ik graag klimaatdrammer ben.

Waarom moeten we in Europa nu héél snel € 1.000.000.000.000 uitgeven (= duizend miljard)?

We naderen de grens dat de uitstoot van broeikasgassen ervoor zorgt dat de gemiddelde wereldtemperatuur méér dan 1.5’C stijgt (in 2040!).

Long-term Global Warming Trend

Daarom moet de uitstoot in zeer korte tijd (lees a.s. 20 jaar!) de uitstoot van CO2 tot nul worden teruggebracht (en daarna massaal worden afgevangen en opgeslagen). Hoe langer we wachten hoe moeilijker deze omkering te realiseren wordt:

Afbeelding

 

 

Waarom is beperking tot liefst 1.5 ‘C (max. 2’C) belangrijk?

Omdat er anders een heleboel mensen doodgaan. Dat lijkt me de kern. Elk jaar sterven er nu al 150.000 mensen extra door de klimaatverandering. Als we niets doen loopt dat in 2030 al naar 250.000! Om een indruk te geven van de wereldwijde effecten (gebaseerd op dit artikel, op deze factsheet):

Opwarming 2’C:

  • ijsplaten smelten met overstroomde wereldsteden tot gevolg (getroffenen: 30 miljoen mensen/j in 2050, oplopend tot 75 m/m/j in 2100; kosten: $11.000 miljard…)
  • wereldeconomie krimpt met 13%
  • +27% malariagebieden
  • 400 miljoen mensen lijden onder waterschaarste
  • Steden in o.a. India worden onleefbaar door de hitte (32x meer hittegolven)
  • Duizenden sterven door hittegolven in onze streken

Opwarming 3’C:

  • Zuid-Europa verwoestijnt
  • Bosbranden verwoesten grote delen van Middelandse Zeegebied, Australie en USA
  • Miami en Jakarta (o.a.) verdwijnen door zeespiegelstijging van de kaart
  • Overstromingen veroorzaken 30x meer schade in Bangladesh, 20x in India, 60x in de UK.

Opwarming 4’C:

  • 8 miljoen gevallen van Dengue extra alleen al in Latijns-Amerika
  • Graanoogsten wereldwijd -50%
  • Wereldeconomie -30%
  • Conflicten en oorlogen x2, misschien meer…

Met de huidige maatregelen (‘Parijs’ halen we al niet meer!) komen we ergens tussen de 3-4’C uit…:

Is er dan een oorzakelijk verband tussen CO2 en de temperatuur?

Ja, de afgelopen 800.000 jaar helaas wel, dus dat zal nu niet anders zijn:

Afbeeldingsresultaat voor temperature carbon dioxide atmosphere

Is de stijging van CO2 (‘broeikasgassen’) wel aan mensen te wijten?

Het bizarre einde van deze grafiek spreekt voor zich, er zijn geen andere natuurlijke processen die dit kunnen hebben veroorzaakt. Daarover zijn alle wetenschappers het eens:

Gerelateerde afbeelding

ALARM DUS!!! ALLE HENS AAN DEK!!!

Gaat het ons nog lukken om de wereld te redden?

Nee, dat denk ik niet. Maar dat maakt niet uit. Dat leg ik uit in deze preek. En waarom we als christenen juist betrokken moeten zijn op deze problematiek, dat lees je hier.