De macht van het geld

Preek in de Bergrede-serie over Mattheus 6,19-24, gehouden in Everdingen op Dankdag voor Gewas en Arbeid, 2011.

Afbeeldingsresultaat voor dagobert duck

Gemeente van Jezus Christus,

Het geld regeert. Dat kun je van onze tijd wel zeggen. Je hoeft het Journaal maar aan te zetten en je krijgt weer nieuws over de schuldencrisis in Griekenland, de eurocrisis in Europa. We horen over landen die bijna failliet gaan, banken die op omvallen staan. En regeringsleiders, inclusief onze minister-president Rutte, overleggen koortsachtig om het financiële systeem overeind te houden. Lukt dat niet, dan dreigt een terugval in ons welvaartsniveau tot misschien wel de jaren 50 of 60 van de vorige eeuw. En dat boezemt de nodige angst in.

Het geld regeert. Zo kun je dat wel noemen. Op deze dankdag voor gewas en arbeid. We zijn hier in de kerk gekomen om God te danken voor alles wat wij van Hem gekregen hebben. De oogsten van het land zijn grotendeels binnen gehaald. De meesten van ons hebben werk. We hebben een goed leven, zo zeiden de kinderen het vanmiddag.

En toch, toch, heerst er in ons land, en misschien ook wel in uw hart, een zekere angst voor wat komen gaat. Het consumentenvertrouwen noemen ze dat. Het consumentenvertrouwen heeft een dieptepunt bereid. Mensen houden de hand op de knip. Zetten hun salaris weg op de bank als appeltje voor de dorst.

Het geld regeert. Want wij kunnen ons bijna niet meer voorstellen dat geld helemaal niet belangrijk is. Dat bezit helemaal niet belangrijk is. Dat je daar ook maling aan kunt hebben. Aan hoe het gaat met de economie. Met de werkgelegenheid. Met salaris en koopkracht. Het rare is dat wij in de enorme welvaart en voorspoed die ons gegeven is verstrikt zijn geraakt. Gods goede gaven hebben ons God doen vergeten.

Vanavond lezen we met elkaar uit de Bergrede van Jezus dat wij als Zijn volgelingen op een hele andere manier met de gaven van God om moeten gaan dan in onze tijd gebruikelijk is. Jezus wil ons bevrijden uit de greep van het geld en goed. En hoe doet Hij dat? Door ons te laten zien wat echte dankbaarheid is.

Want bij danken denken wij aan ‘dankjewel’ zeggen. Als iemand jou iets geeft, dan zeg je ‘dankuwel’. Het is een soort rituele overhandigingszin. Als iemand mij iets geeft, en ik zeg dankuwel, dan is het vervolgens van mij. Dan is de deal gesloten. Dan is het kassabonnetje betaald. De autosleutels van mijn nieuw auto in mijn bezit. Het pakketje van het postorderbedrijf afgeleverd. En wat je dan vervolgens met die spullen doet, dat mag je dan zelf weten. Dat is danken als stopwoord. Iemand bedanken en vervolgens je eigen weg gaan.

Vandaag zijn we hopelijk niet in de kerk gekomen om tegen God alleen: ‘dankuwel’ te zeggen. Dankuwel voor de welvaart, de overvloed die U ons geeft, dankuwel voor eten en drinken, voor werk en vakantie. God als Sinterklaas die onze wensen vervuld heeft en dan weer mag vertrekken naar Spanje. God die we alleen nodig zouden hebben om goed voor ons te zorgen en ons alles te geven wat wij graag willen, maar die verder geen rol meer speelt in ons leven. Als we zo danken dan is God onze mammon. Daarmee bedoel ik dat wij dan uiteindelijk gericht zijn op het aardse, wat we hier hebben en zijn en krijgen, en niet op God zelf.

En dan slaat de schrik je misschien wel om het hart: Want waar is jouw hart op gericht? Die vraag stelt Jezus ons vanavond drie keer. Daar gaat het blijkbaar om. Jezus vertelt over twee schatten, twee ogen, twee heren. Op welke schat zijn wij gericht? Waar valt jouw oog op? En welke heer dien je?

Allereerst: verzamel je schatten op de aarde of schatten in de hemel? Waar bent u mee bezig? U zegt misschien: ‘Nou, schatten op aarde, zoals Jezus die noemt, die heb ik niet.’ Jezus noemt inderdaad schatten die door ‘mot en roest’ verdorven kunnen worden. We kunnen ons daar allemaal wel iets bij voorstellen: Motten hebben het vaak op onze wollen kleding voorzien. Daartegen hang je mottenballen in je kledingkast. En roest, ja, roest kennen we wel op onze auto. Vroeg of laat is er een kras die gaat roesten. Maar als beeldspraak bedoelt Jezus het voor alle rijkdom en bezittingen op de aarde: het is niet blijvend, het vergaat.

Zo lazen we in de brief van Jakobus dat hij in een tirade tegen de rijken zegt: ‘uw goud en zilver is verroest’. Als je een beetje verstand van metaal hebt, dan weet je dat goud helemaal niet kan roesten. Dat is het bijzondere van goud. Maar dat legt juist de nadruk op de dieperliggende geestelijke betekenis: Ook goud is uiteindelijk waardeloos op deze wereld. Goud kan je niet redden. Integendeel. Goud is vaak een reden voor je ondergang. Want als je veel goud in je kluis hebt, dan heb je grote kans dat er rovers of dieven op af komen. Die je huis op de kop zetten en met jou ook niet zachtzinnig omgaan.

De rijken komen er bij Jakobus niet zo goed van af. Niet alleen omdat hun aardse bezittingen uiteindelijk te gronde gaan, maar omdat ze ook nog eens onder het oordeel van God vallen.

‘Gelukkig’,  zegt u, ‘ik heb thuis geen kluis vol met goud. Ik heb geen schatten op de aarde. Dan doe ik het dus goed’.

Zo gemakkelijk komt u niet van Jezus af. Het is namelijk opvallend dat Jezus niet negatief doet over rijkdom op zichzelf. Jezus zegt nergens: Je mag niet rijk zijn. Of: Je mag geen aardse schat hebben. Bij Jakobus is het trouwens ook zo. Hij neemt het de rijken niet kwalijk dat zij rijk zijn, maar dat ze op een onrechtvaardige manier met hun rijkdom om zijn gegaan. En dat weegt héél zwaar in Gods oordeel.

Zo zegt Jezus het ook: ‘Verzamel geen schatten op de aarde.’ Wees daar niet mee bezig, niet op gericht. En is het niet vaak zo dat de mensen die géén schatten hebben, wel hun best doen die te verzamelen? Daar wel naar streven? Als ik die nieuwe auto kan kopen! Als ik die vakantie kan boeken! Misschien kunnen we binnenkort wel iets groter gaan wonen! Het wordt tijd het huis weer gezellig te maken voor Kerst. Wat geld op de bank zetten voor de studie van de kinderen. Een inboedel-, opstal- en brandverzekering afsluiten voor de zekerheid, je weet maar nooit. Waar bent u mee bezig? Met dat soort dingen? Dat is ‘schatten verzamelen op de aarde’.

Wat stelt Jezus daar tegenover? ‘Schatten verzamelen in de hemel’. Wij snappen wel wat Jezus bedoelt. Je moet in deze dagen niet gaan beleggen in Griekse staatsobligaties. Daar je vermogen op vastzetten, dat is onverstandig, want Griekenland zou zomaar failliet kunnen zijn na het referendum wat ze daar willen houden over het noodplan van de Europese Unie. Niet op Griekenland dus, maar op Duitsland. Die hebben hun zaken goed geregeld. Daar krijg je gegarandeerd je geld terug. Zo geldt dat ook voor schatten in de hemel: Dat is een betrouwbare locatie. De hemel is eeuwig, onveranderlijk, onvergankelijk. Een betere locatie voor je schat is niet denkbaar.

Maar wat is die schat dan? Die is inderdaad anders dan de aardse schatten. Aardse schatten zijn bezittingen, rijkdom, hobby’s, status, aanzien. Hemelse schatten dat zijn geestelijke zaken die Jezus noemt in de Bergrede. Aan het begin van hoofdstuk 6 noemt Jezus de ‘liefdegaven’, die je in het verborgen geeft, zodat je loon hebt in de hemel. Hetzelfde zegt Jezus van het gebed in vers 6: in het verborgene bidden tot God. En opnieuw in vers 18 van het vasten. Schatten in de hemel vergaren we dus volgens Jezus als we: 1. onze liefdegaven geven in het verborgene; 2. bidden in het verborgene; en 3. vasten in het verborgene.

En dat rijtje kunnen we nog wel uitbreiden, met andere dingen die we met of voor God doen. En dan ligt dus hier eenvoudigweg de vraag op tafel: Heeft u al veel van die hemelse schatten verzameld? Of bent u vanavond hier gekomen om God te danken voor uw aardse schatten? Ik denk dat het niet de bedoeling is dat wij God vandaag danken voor de schatten die wij op aarde verzameld hebben… maar om de schatten die wij in de hemel hebben. Die schatten zijn Gods beloning voor u als u op aarde God gediend hebt en niet het geld.

Waar ligt dus uw hart? Want waar uw schat is, dáár is uw hart. Een hele eenvoudige manier reikt Jezus ons aan om te zien wie we dienen: Gewoonweg waar je mee bezig bent doordeweeks. Hoeveel tijd besteed je aan vooruitkomen in deze wereld, het aardse, en hoeveel tijd besteed je aan God in persoonlijk gebed, in goede werken, in kerkgang? Waar is uw hart?

 

Je gedrag, je leven, heeft dus alles te maken met je innerlijk, met je hart, met je geestelijke gesteldheid. Om dat te verduidelijken gebruikt Jezus het beeld van het oog. ‘De lamp van het lichaam is het oog’, zegt Hij. Dat komt ons een beetje vreemd voor: voor ons is het oog vooral een soort raam naar de wereld: het licht komt er doorheen, valt op je netvlies en zo maken je hersenen een plaatje van de wereld. In het oude oosten wisten ze dat nog niet en hadden ze een andere theorie, die Jezus hier aanhaalt. Men dacht aan het oog als een lamp, een lichtje binnenin je oog. Daar zat wel een logische gedachte achter. Als je iets wilt zien in het donker, dan pakken wij een zaklantaarn, en waar dat licht dan op schijnt, dát zie je. Men dacht dus aan je ogen als een zaklantaarn: waar je met je ogen op schijnt, dat is zichtbaar.

Om te zien, moest je dus licht hebben vanbinnen. En dat licht ging uit als je stierf. Zo lees je het soms nog als iemand sterft: ‘Het licht in zijn ogen is gedoofd’. Je kunt dus die woorden van Jezus zó vertalen: Je oog is als een lamp. Als je een goed oog hebt, heb je blijkbaar veel licht van binnen! Maar als je een slecht oog hebt, heb je blijkbaar geen licht van binnen.

Dat begreep iedereen in die tijd. En wij nu ook. Maar Jezus vertelt dit niet als dokter, maar als Zoon van God. Er zit dus een dubbele bodem in: Een slecht of boos oog was in die tijd niet alleen een uitdrukking voor blindheid of slecht kunnen zien, maar ook voor gierigheid en jaloersheid. Jezus lijkt dus te willen zeggen dat gierigheid, bekrompenheid, karigheid alles voor jezelf willen houden, met jezelf bezig zijn, schatten vergaderen op de aarde, schrapen, verlangen naar meer en beter, dat dat voortkomt uit innerlijke duisternis. Als je zó leeft, dan is het blijkbaar heel donker vanbinnen. Want duisternis, dat is de afwezigheid van licht.

Daartegenover stelt Jezus het goede oog, het heldere oog. Dat mogen zijn leerlingen hebben. Die mogen vrijgevig zijn van wat ze hebben, die mogen liefde hebben voor hun naaste. Die kan het niet schelen of ze veel of weinig hebben op deze aarde, dat doet er wezenlijk niet toe. Als je innerlijk verlicht bent door Gods liefde en genade, door het geloof in Jezus Christus, dan gebruik je een dikke bankrekening alleen maar om heel veel weg te kunnen geven, bedoelt Jezus.

Een boos oog is de mensen om je heen tekort doen en jezelf te goed doen. Een goed oog komt voort uit innerlijke verlichting, het leven met God in het verborgene, een intens gebedsleven en omgang met de Gods Woord, en uit zich in het goed doen voor je naaste. Zo hebben innerlijk en uiterlijk met elkaar te maken.

Als Jezus zo absoluut onderscheid maakt, dan komen er allerlei vragen opborrelen. ‘Zo zwart wit is het toch allemaal niet? Zo kun je dat toch niet zeggen? Hoe komt Jezus daarbij? Je mag toch ook wel wat voor jezelf hebben en doen? We vieren toch ook dankdag voor alle aardse zegeningen die we hebben? We mogen toch ook genieten van alles wat we van God krijgen?’

Ja, dat zijn dingen die denken en horen wij graag, want dat geeft ons een vrijbrief om het ons lekker behaaglijk te maken in ons huis met de spullen die ons omringen en het op deze wereld goed naar onze zin te hebben. Maar dat is niet christelijk. Volgens Jezus kan dat niet. Want als conclusie voegt Jezus ons toe: Niemand kan twee heren dienen, want of hij zal de één haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de één hechten en de ander minachten.

Nou, denken wij dan, Jezus is wel ouderwets hoor. Twee heren dienen, dat kan toch best in onze tijd. Jezus heeft zeker nooit van zzp’ers gehoord die eigen baas zijn en zich verhuren aan bedrijven. Je kunt ook best verschillende baantjes naast elkaar hebben. Maar Jezus was niet ouderwets. In zijn tijd hadden ze ook dagloners, die dan eens hier, dan eens daar werkten. Jezus punt is dat je niet twee heren góed kunt dienen. En iemand met liefde dienen, met trouw en toewijding houdt in dat je altijd beschikbaar bent. Zoals in die tijd rijke mensen een persoonlijke dienaar hadden, die hen altijd vergezelde en verzorgde.

Zo’n dienaar heeft Jezus op het oog. En zo iemand kán niet twee heren tegelijkertijd dienen. Dat is onmogelijk. Dat gaat botsen, dat wordt tegenstrijdig. Zoals je in een oorlog niet twee verschillende generaals kunt gehoorzaam als de ene tegen jou als soldaat zegt: ‘Ga links’ en de ander: ‘ga rechts’. Je kunt dat onmogelijk beide doen. En zo stelt Jezus ons twee heren voor en dwingt u en jou tot een keuze, een radicale keuze, een levensbepalende keuze, die met je innerlijk, met je hart te maken heeft, net zo goed als met je gedrag. Welke heer wil je dienen? God of de mammon?

Die mammon heeft wat verduidelijking nodig. Mammon is een Aramees woord voor vertrouwen, vastheid, bezit. De mammon wordt daarom wel eens de geldgod genoemd. Maar het is breder dan geld: het is alles waar je hier op aarde op kunt vertrouwen, je zekerheid op stelt, je van afhankelijk maakt, waar je op gericht bent. En dat alles stelt Jezus tegenover God de Vader, de God van Israël. Het is of of. En en is niet mogelijk.

De apostel Johannes schrijft dat later ook in zijn eerste brief, hoofdstuk 2 vers 15-17. Lees maar:

Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.

Dat is precies wat Jezus hier bedoelt: Waar zit uw hart, waar zit uw liefde, waar is uw leven op gericht? In deze wereld gaat het tegenwoordig alleen maar om economie, geld, koopkracht, consumeren. En waar gaat het u om? Is er in uw leven iets van zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht? Dan is deze dankdag ervoor om dat af te leren. Jezus wil ons daarvan bevrijden. Hij wil u innerlijk licht maken, de duisternis uit je hart bevrijden. En het is heerlijk om vrij te zijn van aardse beslommeringen en je in je binnenkamer één met God te weten en te voelen.

Te weten dat alles om je heen ooit zal vergaan en daarom niet belangrijk is. Het is gewoonweg niet belangrijk. En wat is wél belangrijk? Gods wil. God liefhebben boven alles en je naaste ook.

Vandaag leren wij hier wat dankbaarheid dus is: Dankbaarheid is dus niet: Hier met elkaar tegen God dankuwel zeggen voor alle aardse goederen die wij van Hem gekregen hebben, ons weer van hier verwijderen en er de rest van het jaar eens lekker met elkaar van genieten. Nee, integendeel, wáre dankbaarheid is al die gaven van God, want dat zijn het wel, zien als middelen om het leven in stand te houden. Niet meer en niet minder. En alles wat we méér hebben dan dat, niet te gebruiken voor eigen gewin en genot, maar het weg te geven aan hen die minder hebben dan wij.

De kerkvader Augustinus maakte lang geleden het onderscheid tussen genieten en gebruiken. Daar kunnen wij wat van leren. Genieten, zei Augustinus, dat doen wij als volgelingen van Jezus alleen van God. Van God zelf genieten wij. Van zijn goedheid. Zijn liefde. Zijn trouw. Zijn grote daden. God is het alleen waard om van te houden en ons in te verheugen. Wij mogen ook van de schepping genieten, van het leven, maar alleen als dat genieten uiteindelijk op God gericht is. Als we uiteindelijk bij Hem daarmee uitkomen. Wij mogen niet genieten van eten en drinken alleen om het eten en drinken zelf, of om de rijkdom zelf, alsof dat iets zou zijn. Nee, dat is niets, dat is aards, dat is werelds. Het moet ons heenleiden naar God. Terugbrengen bij Hem. Wij moeten het leren loslaten en terugleggen in Zijn handen.

Wij mogen best rijk zijn. Wij mogen geld best gebruiken. Maar dan ook alleen gebruiken. Als gebruiksvoorwerp en niet iets waar je van houdt.

Dus waar bent u blij mee in het leven? Met alles wat je van God krijgt óf met God zelf? Ware dankbaarheid richt zich op God en uit zich niet in simpel ‘dankjewel’ zeggen, maar in het dienen van God. Het alles weg willen doen en aan de kant willen zetten om God te behagen, Jezus te volgen in leven en sterven. Vrijgevig door het leven te gaan in plaats van te verlangen naar meer. Hemelse schatten te verzamelen in plaats van aardse.

Zo bevrijdt Jezus ons uit de macht van de mammon. Zo verbreekt hij de regering van het geld. Hij roept ons vandaag achter zich aan. De weg van het kruis. De weg van de wereldvreemdheid en de Godliefde. De weg van de ware dankbaarheid in dienst aan de ene ware God, Vader, Zoon en heilige Geest.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s