Hij komt, hij komt!

Preek voor 1e Advent over Psalm 96, gehouden in Everdingen.

Begin van ‘Cantate Domino’ (= Psalm 96) uit het getijdenboek voor Maria van Bourgondië (1477)

 

Gemeente van Jezus Christus,

Hebt u ook al zo’n zin in Kerst? Kerst is voor veel mensen het hoogtepunt van het jaar. Gezellig met de familie bij elkaar rond een rijk gevulde tafel. Sinterklaas is net geweest, en de supermarkten liggen gelijk vol met ideeën voor recepten. De tuincentra adverteren voor kerstbomen en je kunt geen folder opslaan of je komt wel kerstverlichting, kerststerren en dat soort spul tegen. Kerst, hét hoogtepunt van het jaar.

Tenminste… voor mensen die eenzaam zijn, die geen familie om zich heen hebben, kunnen het ook verdrietige dagen zijn. Laten we dat niet vergeten. Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend om ‘zin in Kerst’ te hebben. Ja, als je aan gezelligheid en warmte en lichtjes denkt, ja dan wel. Maar als dat er niet is. Dan blijft alleen het Kerstkind, Jezus Christus over. En kunnen we dáár blij mee zijn? Hebben we daar al zin in, om Hem in ons leven te ontvangen? Daar gaat het over nu de Adventstijd begonnen is. De tijd van verwachting. De tijd van wachten op de komst van God in deze wereld.

Hoe is dát voor u? Ik kan me voorstellen dat u zoiets heeft van: ‘Wéér die bekende verhalen’. In de kerk gaat het altijd maar over hetzelfde. Élk jaar maken we hetzelfde rondje van advent naar kerst, van kerst naar de lijdenstijd, van goede vrijdag naar pasen, van pasen naar hemelvaart, van hemelvaart naar pinksteren en dan beginnen we weer opnieuw bij Advent. Origineel en verrassend is het niet meer.

Ik hoorde van een meisje dat boos uit school thuis kwam. Moeder vroeg wat er aan de hand was, en het meisje zei: ‘De juf vertelt precies dezelfde verhalen als vorig jaar in de klas. Kan ze niet eens iets nieuws vertellen!’ Misschien vind jij dat ook wel. Het gaat altijd maar over hetzelfde in de kerk. Moet je daar blij van worden? Ja, dat is wel de bedoeling. Maar hoe dan? Hoe kunnen wij nu weer blij zijn dat het Advent is? Hoe krijgen wij dat verlangen naar kerst, het verlangen naar het Kerstkínd in ons hart?

Wij gaan maar eens op school bij de psalmen. En waar kunnen we dan beter beginnen dan bij psalm 96. ‘Zingt voor de HEERE een níeuw lied!’ Dat belooft wat, niet het oude liedje, maar een nieuw lied.

Wat mag daar wel in staan? Het is een loflied op de komst van de HEERE. De zangers van Israël die dit lied in de tempel zingen kunnen niet wachten op die komst van de HEERE. Want zingen ze in vers 6 ‘Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht, macht en luister in Zijn heiligdom’. Ze verlangen naar God, omdat God majesteitelijk is, krachtig, prachtig en een schoonheid.

Zo denken wij vaak niet over God. God is voor ons iets vaags, moeilijk een beeld bij te maken. We mogen er niet eens een beeld van maken. Maar de Bijbel is er dus duidelijk over dat de komst van de HEERE, Zijn aanwezigheid iets geweldigs moet zijn. Van de uiterste schoonheid en indrukwekkendheid. Iets zó moois als je nog nooit ervaren hebt. Een beetje alsof je de allermooiste zonsondergang ziet, tegelijk met dat je het allermooiste muzieknummer hoort wat je kent, en het allerlekkerste wat je ooit geproefd hebt, tegelijk met de allermooiste herinnering die je hebt en het allergelukkigste gevoel van binnen. Dat alles samen en dan x 1000. Zo geweldig majesteitelijk, krachtig, vol glorie en luister is God.

In de psalm wordt zelfs nog gezegd dat alles wat wij mensen bedacht hebben over goden, dat dat nog helemaal niets is met de werkelijkheid van onze God. In vers 5 staat dat alle menselijke goden, afgoden zijn. Letterlijk: nietsen. Die verbleken, verpulveren als de HEERE die hemel en aarde heeft gemaakt kómt.

Nou vraag je je misschien af. Hoe weten zij dat dan? Als God er nog niet is? Hoe weten ze dan dat het zo mooi zal zijn allemaal? Hoe weten ze dat Kerst zo geweldig zal zijn?

Dat legt precies de vinger op de zere plek. Deze psalm is een loflied op de komst van de HEERE, want de climax is vers 13: ‘want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen’. Nu, dat is fijn, maar dat betekent toch dat Hij er nú dan nog niet is… Dat is logisch. Op het station sta je te wachten op een trein. En die mag best snel komen, want het is koud. Dan heb je er zin in dat die trein komt. Op een gegeven moment roept iemand dan: Hij komt eraan. En ja hoor, in de verte zie je hem. Maar hij is er dan nog niet. Je kijkt er met verlangen naar uit, omdat hij er aan komt.

Zo is het ook hier in deze psalm: Er wordt gezongen: Hij komt, Hij komt! Maar houdt dat niet de ervaring van Gods áfwezigheid in? En wat dáár allemaal achter zit? Inderdaad, dat ís de zwarte achtergrond van deze psalm. Dit is een psalm die gedicht is en gezongen in de tempel ná de terugkomst uit de ballingschap. Uit het verleden heeft het volk Israël prachtige verhalen geërfd over een aanwezige God. Een God die gewoonweg sprak met de aartvaders Abraham, Izaak en Jakob. Een God die machtige wonderen deed in Egypte.

Een God die zelfs verscheen in een onweer en aardbeving op de berg Sinaï. Een God die echt woonde te midden van Zijn volk in de woestijn. Zichtbaar in de vorm van een wolkkolom overdag en een vuurkolom ’s nachts. Voor óns zijn dat verhalen van ver uit het verleden, en dat waren ze ten tijde van deze psalm ook al. Waarschijnlijk had niemand van die generatie zoiets spectaculairs meegemaakt. Integendeel. Met Israël als volk was het sindsdien alleen maar bergafwaarts gegaan. De glans was eraf. Het nieuwe was weg. De nabijheid van God werd minder concreet. De mensen gingen zich minder met Hem bezighouden. Hij verdween naar de achtergrond van hun leven. Tot het zover kwam dat Israël als land ophield te bestaan in de ballingschap. Toen alle hoop vervlogen was.

Toen werden ze stil. En gingen ze nadenken. ‘Ergens, ergens zijn wij God kwijt geraakt’. Dat is een ontstellende ontdekking. De ontdekking ten diepste er alleen voor te staan in het leven. Overgebleven zijn als een kudde zonder herder. Het gevoel verdwaald te zijn in een donker bos, terwijl de nacht valt. Overgeleverd aan de wilde beesten. Denk je maar eens in. Jij, helemaal alleen, je weet de weg niet, je bent bang. Was je maar niet zo stom geweest in je eentje te gaan wandelen in dit bos dat je helemaal niet kent. Had je maar geluisterd naar alle adviezen van je ouders.

Zo, zo kan het ook voelen in je geloofsleven. Voor jezelf. God is afwezig, weg, terwijl je Hem nodig hebt. Het is de ervaring van velen in onze tijd. Van een lege hemel, en een God die zich stil houdt…Maar…is dat dan het einde? God is toch niet écht weg? Definitief weg?

Gelukkig niet, in die tijd van de ballingschap klinkt de profetie van Jesaja 40:

‘Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht, Jeruzalem,
verkondigster van een goede boodschap.
Verhef die, wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
Zie, de Heere HEERE! Met kracht zal Hij komen,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.’ 

En ten dele ervoeren de Joden dat ook al. Toen ze terugkwamen uit de ballingschap en een nieuwe tempel mochten bouwen. En daar, waar ze hun offers brachten, knielden en aanbaden ze. Daar ervoeren ze dat God hen niet in de steek gelaten had. Daar in het heiligdom was God op een bijzondere manier toch aanwezig. Zo ervaren wij bijvoorbeeld soms aan het avondmaal ook de aanwezigheid van God zelf. Zo kun je het bij tijd en wijlen in je eigen stille tijd ervaren dat Hij bij je is. En zo bidden wij ook elke kerkdienst: ‘Verlicht ons met de heilige Geest’. En de heilige Geest, dat is God zelf, we vragen dus om Zijn aanwezigheid hier in de kerk. En we mogen en moeten geloven dat Hij hier dus nu ook is.

Maar is dat genoeg? Bent u daar al tevreden mee, met dat geloof, die onregelmatige ervaring. Of verlangt u naar meer? Nou, in Israël wel, want ze mochten dan in de tempel iets van Gods goedheid en genade ervaren, maar het dagelijks levens was keihard. Al die volken van de wereld in deze psalm die liepen over hen heen. Ze leden onder onrecht en armoede. Ze waren hun aardse regering zat en verlangden naar de hemelse regering van God zelf. Het moet er nu maar een keer van komen dat God zijn beloften hard maakt.

Gemeente, daar gaat het toch om: Geloven gaat uiteindelijk niet om ons goede gevoel bij Kerst. Om zingeving van ons leven en betekenis aan ons bestaan. Niet om praktische hulp en wijsheid bij de moeilijke keuzes die wij soms moeten maken. Dat hoort er allemaal bij. Maar zolang er ellende in de wereld is kunnen en mogen wij niet tevreden in ons huis zitten. ‘Wat heb ik het allemaal goed voor elkaar’. Zó Kerst vieren, dat is weerzinwekkend.

Nee, in Israël namen ze die belofte van God gegeven door Jesaja serieus: Het blijft niet bij die spirituele aanwezigheid van God in Zijn heiligdom. Nee, Hij zal komen naar de wereld. Hijzelf, in alle glans en glorie. Want God is niet alleen een lokaal, regionaal godje, zoals de afgoden van de volken. Nee, Hij is de Schepper van hemel en aarde. En als mensen denken dat ze maar kunnen doen wat ze willen met alles om ons heen en aan de mensen op de wereld, dan hebben ze het mooi mis. Tot nog toe heeft God ons onze gang laten gaan, maar daar komt een keer een einde aan!

Er is een gezegde: ‘Als de berg niet naar Mohammed komt, komt Mohammed wel naar de berg’. Dat betekent: Als anderen niet doen wat jij wilt, dan moet je het zélf maar doen. Nu, dat is precies wat dus ook voor God geldt: Als wij op aarde niet doen wat God wil, dan moet Hij het zelf maar doen. Als wij mensen niet in staat zijn de aarde op een goede, rechtvaardige manier te regeren, dan moet God zelf maar komen om over ons te regeren. En dat is ook de enige manier om van onze aarde nog wat te maken.

Dát is Advent, gemeente. Daarnaar uitzien, verlangen. Naar God Zelf, om Wie Hij is, maar vooral ook om wat Hij komt doen. Ten dele is dat al vervuld toen Jezus Christus geboren werd in Bethlehem. Toen werd de Messias geboren, toen kwam God zelf in ons midden. Maar met die majesteit, kracht en pracht viel het toen wel even tegen. Niet voor niets kijken die wijzen uit het oosten aardig op hun neus als ze in het paleis in Jeruzalem de geboren Messias niet aantreffen, maar moeten uitwijken naar één of ander achterafplaatsje, Bethlehem.

Dat ging toch wat anders dan ze gedacht hadden. De Christus van God is geboren. God is reëel aanwezig geworden in onze wereld. Tastbaar zoals u en ik. En daarom alleen al kunnen wij blij met dit loflied uit psalm 96 meezingen. Met de komst van Christus gebeurde er immers iets geheel nieuws. Iets wat nog nooit gebeurd was: God werd mens. God komt op aarde. En dat is inderdaad iets wat heel de wereld moet weten. Hemel en aarde, zee en land. Mens en dier. Dat is één van de redenen dat wij elk jaar weer Advent vieren, zodat het er diep ingestampt wordt, tot in de vezels van ons leven, tot op het diepst van ons hart. De vreugde en het bewustzijn dat de Messias gekomen is. Dat nu alles goed komt.

En in Jezus Christus is God inderdaad gekomen met zijn definitieve oordeel over de wereld en de zonde. De oude wereld, zo bepaalde God, de wereld zónder God, heeft afgedaan is voor de ondergang bestemd. En Hij verzoent de zonden, herschept het leven, door dat oordeel te voltrekken aan Zichzelf in Zijn Zoon Jezus Christus. Heel helder heeft Jezus ons diepste wezen aan het licht gebracht. Hij, als het Licht der wereld, heeft Zijn licht laten schijnen. De onderste steen kwam boven. En komt boven als wij door Hem aangesproken worden vandaag.

Maar… nog steeds missen wij die heerlijkheid van God. En daarom vieren we ook dit jaar weer advent. Omdat wij weten van al die profetieën en beloften van God, die wáár zijn geworden in Jezus Christus. Daarom verwachten wij nog veel méér. Daarom zingen wij mee vandaag met psalm 96. ‘Want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen’! Dankzij de vervulling van deze psalm in Jezus Christus, mogen wij uitzien naar meer.

En de Openbaring aan Johannes bevestigd dat. Waar wij lazen: ‘Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.’ Dat is ons geloof: God wás, van eeuwigheid af, van vóór de schepping. God ís, ja, nu, Koning der wereld, de Almachtige. Maar vooral: God komt. ‘Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van de aarde zullen rouw over Hem bedrijven. Ja, amen.’ Dat is de kernboodschap van dat boek Openbaring.

Maar dat is net zo goed de kernboodschap van Advent. Het geloof dat wij middenin die komst van de Messias zitten. Dat Zijn geboorte in wezen één is met die komst op de wolken. Dat het één handelen van God is in onze wereld om dat oordeel te voltrekken. Één komen van God.

De komst van God, dat klinkt hier wel heel ernstig met oordeel en zo. En u zit daar misschien ook niet op te wachten. Je kunt er misschien zelfs bang voor zijn. Laat Hem nog maar even wegblijven, denkt u misschien wel. Dat is niet zo’n goed teken… Hebt u een slecht geweten? U weet toch dat u om vergeving mag vragen, met alle gebreken bij Jezus mag komen? Dan hoef je voor Hem niet meer bang te zijn. Niet bang voor het oordeel.

Dat is het mooie in deze psalm: Die maakt ons warm voor de komst van God. Die maakt ons warm voor Zijn oordeel. Omdat dat niet vreselijk zal zijn en wreed en ontzaggelijk bloederig. Nee, zo is de mens. Zo doet de wereld. Het geweldige van het oordeel van God, van Zijn regering is juist, vers 10: ‘Hij zal over de volken op billijke wijze rechtspreken’.  En dan in vers 13: ‘Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid en de volken met Zijn waarheid.’ Daar kun je toch niet tegen zijn, dat is toch prachtig: billijk, rechtvaardig en met waarheid. Of in andere woorden: volledig oprecht, eerlijk en betrouwbaar.

Zó moet het toch? Dat zijn toch dingen die je véél te weinig tegen komt in je eigen leven en dat van de mensen om je heen? Dat willen we toch allemaal: volledig oprecht, eerlijk en betrouwbaar. Billijk, rechtvaardig en in waarheid. Als dát de inhoud is van Gods komst. Als dát het effect is. Nou, dan hebben we met recht iets om naar uit te kijken. Dan kun je daar nu al vrolijk mee zijn. Het blijft in deze wereld niet bij het oude liedje van onrecht, oneerlijkheid en slinksheid! Daar komt definitief een einde aan. Onze God, de schepper van hemel en aarde heeft het laatste woord in Jezus Christus.

Voor ons een les in de Adventstijd:

  1. Deze psalm wordt gezongen uit de nood. De nood van het volk Israël. Omdat in hun leven niet alles koek en ei is. Omdat het in hun wereld geen koek en ei was. En daarom bazuinen ze het maar vast in het rond: Hier blijft het niet bij. Heel de wereld moet het weten, dat God niet veranderd is. Ook als waarschuwing. Kijk uit wat je doet, want onze God komt eraan. En Hij zal jullie wel leren. Deze psalm word gezongen uit de nood. En wij kunnen hem ook alleen meezingen als wij toegeven: ons leven is óók niet helemaal koek en ei. En breder gezien geldt dat nog veel meer voor de wereld waarin wij leven. Het gaat iedereen aan, het is een goed boodschap vooral voor hen die niets hebben, die niets zijn, die verdrukt worden en lijden. In die nood komt verandering, want God komt eraan. Dan heb je pas echt reden tot zingen en blijdschap. ‘Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen, laat de zee bulderen met al wat ze bevat. Laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is; dan zullen al de bomen van het woud vrolijk zingen voor het aangezicht van de HEERE.’
  1. Deze psalm wordt in de tweede plaats dus gezongen uit verlangen. Verlangen naar God Zelf, want in het heiligdom kreeg Israël een voorproefje dat smaakte naar meer. Meer van God, meer van Zijn majesteit, kracht, pracht en schoonheid. Een snippertje daarvan doet hen al uitbarsten in gejuich en loflied. En worden wij ook weer opgewekt in deze kerkdienst. Warm gemaakt. Er wordt ons iets fantastisch in het vooruitzicht gesteld, waar je bijna niet op kúnt wachten. Waarvan je zou willen dat het vandaag was en anders morgen. God zien. Het allermooiste, diepste, rijkste, grootste wat je je voor kunt stellen. Ja, dan kun je wel zingen.
  1. In de derde plaats zingen wij als christelijke gemeente in de adventstijd deze psalm met zekerheid. De zekerheid die wij vinden in Jezus Christus, onze Heere. Hij is geboren in Bethlehem. Al leven wij toe naar Kerst, wij weten dat wij over vier weken daar staan bij die kribbe, met nieuwe verwondering in ons hart. Wij weten dat Hij geboren is, dat God gekomen is. Beter gezegd: Daardoor weten wij dat óók die volledige vervulling van alles waar deze psalm over zingt er gaat komen, dat God aan het komen is.
  1. Wij zingen met deze psalm mee, omdat ook in onze tijd nog niet iedereen weet van deze God die komt om te oordelen. Al die volken, die naties, de hele aarde, de hele wereld moet er klaar voor zijn. Het mag toch niet zo zijn dat als díe grote dag aanbreekt, het dan nét zo gaat als met de geboorte van Jezus, dat er geen plaats is voor Hem. Er zal bij ons toch wel plaats zijn? Bij u? En de gehele wereld zal toch wel juichen en zingen? We mogen en kunnen niet stil blijven!

Met minder zijn we in deze Adventstijd niet tevreden. Niet met het oude liedje, maar met een nieuw lied. De vernieuwing van ons hart, de vernieuwing van onze  verwachting, de vernieuwing van onze blijdschap, en de vernieuwing van héél de wereld.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s