Een frisse start (Advent met psalm 101)

Preek over Psalm 101, gehouden in Everdingen.

Pieter de Grebber – Koning David in gebed (ca. 1640)

 

Gemeente van Jezus Christus,

Bij elk nieuw begin ga je er met frisse moed tegenaan. Zo is een mens. Zo ben ik, zo zijn jullie en u. Bij de start van een nieuw schooljaar neem je je voor je huiswerk iets meer te plannen en op tijd af te hebben. Je neemt je voor op tijd van huis te gaan als je een eind moet fietsen. Je neemt je voor op te letten in de klas. Want je hebt vorig jaar gemerkt dat het niet zo lekker liep, dat je ouders en de school op je mopperden. Zo’n negatieve houding wil je voorkomen.

Bij de start van het nieuw voetbalseizoen staan de scorelijsten weer op nul. Alle partijen maken een nieuwe start. Als team nemen jullie je voor om dít jaar strak samen te gaan spelen. Geen eenmansacties, maar overzicht bewaren en overspelen. Misschien spreek je dat wel echt met elkaar af.

Bij elk nieuw begin worden er beloften gedaan. Aan jezelf, of aan iemand anders. Denk ook maar aan een huwelijk. Écht een nieuw begin, een nieuwe levensfase die begint met een plechtige belofte in het gemeentehuis en hier in de kerk. Waar de man geacht wordt ‘ja’ te zeggen op de vraag: ‘Belooft u haar dat u haar nooit zult verlaten, haar lief zult hebben en trouw voor haar zult zorgen zoals een trouw en godvrezend man aan zijn wettige vrouw verschuldigd is?’ En de vrouw: ‘ Belooft u hem dat u hem zult dienen en helpen, hem nooit zult verlaten, heilig met hem zult leven, hem trouw zult blijven en hem in alles vertrouwen, zoals een gelovige en trouwe vrouw haar wettige man verschuldigd is overeenkomstig het heilig evangelie?’

Prachtige woorden. Grote woorden ook. Elk nieuw begin is beginnen met beloften en verwachtingen. Een nieuwe verkiezingscampagne van politieke partijen begint met allerlei verkiezingsbeloften. Een nieuwe regering bent met een regeringsverklaring waarin al hun mooie plannen en ideeën staan.

Maar wat komt daarvan terecht? Die vraag bekruipt je ook bij Psalm 101 die we vandaag samen lezen. Psalm 101 is óók een regeringsverklaring. De belofte van een nieuwe koning in Israël in Jeruzalem. De eed die hij aflegt bij de aanvaarding van zijn koningschap. In vers 6 staat namelijk: ‘Mijn ogen zijn gericht op de trouwe mensen in het land, opdat zij bij mij zullen zitten. Wie op de volmaakte weg gaat, die zal mij dienen.’ Het gaat hier over een koning die trouwe mensen selecteert om hem te dienen als minister of ambtenaar of soldaat.

En in vers 8 belooft de spreker ‘allen die onrecht bedrijven,  uit de stad van de HEERE uit te roeien.’ De stad van de HEERE is geen andere stad als Jeruzalem. Bovendien zijn de beloften in de eerste plaats ook alleen van toepassing op een koning, want het verdrijven of verbannen van mensen uit die stad, dat kan alleen een koning doen. Een koning was in die tijd ook rechter. Denk maar aan Salomo, die bekend stond om zijn wijsheid in het beslechten van geschillen. Psalm 101 is dus de gelofte die een koning in Israel deed op zijn kroningsdag.

De beloften uit dit lied zijn prachtig. Daar kun je niets van zeggen, vers 2-4:

Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.

Ik zal mij geen verdorven praktijkenvoor ogen stellen. 

Ik haat wat de afvalligen doen, hun daden zullen zich niet aan mij hechten.

Het slinkse hart zal ver van mij weggaan, de kwaaddoener zal ik niet kennen.

Er klinkt hoop, energie, enthousiasme in door om er echt wat van te gaan maken. Zoals wij dat ook hebben bij een nieuw begin. Maar wat komt ervan terecht? Soms heb je ruzie gehad met iemand, je legt het bij, je belooft dingen aan elkaar. Maar dan de praktijk… Hoe vaak gebeurt het niet, ook in de kerk, dat er boosheid ontstaat tussen mensen. Door miscommunicatie, elkaar verkeerd begrijpen of niet begrijpen, teleurgestelde verwachtingen. Nadat dit allemaal uitgesproken is, moet je weer samen verder, maar hoe doe je dat? Kun je dat zelf wel? Of heb je daar God voor nodig?

De psalm steekt op dat niveau van God in: ‘Ik zal zingen van goedertierenheid en recht, voor U zal ik psalmen zingen, HEERE. Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg. Wanneer zult U tot mij komen?’ De koning in Israel is zich bewust van het feit dat hij namens God op de aarde mag regeren. Als een soort plaatsvervanger. De goedertierenheid, dat is verbondstrouw, en het recht, dat is het fundament van het koningschap. Dat zijn dingen die bij God horen. Die God schenkt en uitbesteed aan de koning.

Dat zinnetje ‘Wanneer zult U tot mij komen?’ kun je horen als: Ik mag nu nog namens u regeren, maar eenmaal zal ik het koningschap moeten terugleggen in Uw hand. Als je dat zó hoort, dan wordt het wel heel herkenbaar en komt het ook dichtbij. ‘Wanneer U komt’. Ja, dat weten wij ook dat God eenmaal komt. Daar staan we in de Adventstijd bij stil. Vorige week hoorden we in de preek over psalm 96 dat daar al vrolijk naar uitgekeken wordt. Naar dat God komt om de wereld te regeren in billijkheid, gerechtigheid en waarheid.

Maar kon u met die verwachting, die blijdschap en vrolijkheid meekomen? Of mag het wat u betreft nog wel even duren op deze wereld? Als je zo die gelofte van deze koning leest, dan denk je: Nou, God mag dan een goede koning zijn. Dit kan er ook best mee door. Als in de tussentijd zó geregeerd wordt zoals deze koning belooft, dan hoef je op God niet meer zo te wachten. En dat is precies zoals wij denken over de komst van God naar deze wereld. We hebben het goed. ‘Ik mag niet klagen’, zeg je dan bescheiden.

God mag dan prachtige beloften aan ons geven in de Bijbel, voorlopig zien we van Hem erg weinig, en des te meer van alles wat wij met onze eigen handen voor elkaar gekregen hebben. Ons land heeft sinds de Tweede Wereldoorlog een enorme ontwikkeling en welvaartsgroei laten zien. En dat kwam niet door een bovennatuurlijk ingrijpen van God, daar hebben we gewoon met z’n allen keihard aan gewerkt.

Het komt omdat wij in een stabiele samenleving leven, waar rechten gelden, waar weinig corruptie is, we zetten goede scholen neer en investeren daarin. De zorg in ziekenhuizen wordt nog elk jaar beter. Als je hard werkt, kun je een goede boterham verdienen en dan houdt je nog geld over voor leuke dingen ook.

De gedachte bekruipt je: Waarom zou God nog moeten komen? Waar hebben we een Messias en Redder voor nodig? We redden onszelf wel… En zo leek het in Israel in het begin ook te gaan. Elke volgende koning begon met nieuwe moed en deze belofte aan zijn regering. Met vele koningen ging het goed. Het land bloeide, de welvaart nam toe. Vijanden werden verslagen. Elke koning was een nakomeling van David, de man naar Gods hart, elke nieuwe generatie droeg de Davidskroon.

Maar als u de boeken Koningen en Kronieken wel eens doorgelezen hebt – en als je die niet kent, moet je dat vanmiddag maar eens doen – weet je ook dat het allemaal zó rooskleurig niet was. Want er werden ook afgoden gediend. Uiterlijk liep het allemaal wel, maar innerlijk? Onze tijd is daarin niet anders. Verkiezingsbeloften zijn prachtig, het welvaartsniveau is uitstekend, problemen worden gezien als uitdagingen, die proactief worden opgepakt. Dingen die niet goed gaan, formuleren we als kansen. Ja, organiseren en rapporten schrijven kunnen we als de beste in Nederland. In Israel volgde zuiveringsactie op zuiveringsactie om de afgoden het land uit te krijgen, maar het mocht uiteindelijk niet baten. De dynastie van David werd gebroken, het land viel in handen van Babylonië. Geen nakomeling van David meer op de troon.

Ze hebben het in Israël niet gered. En bij ons is het niet anders. Toen we het goed voor elkaar dachten te hebben, brak de economische crisis uit. Toen je een gelukkig huwelijk dacht te hebben, en toch bezweek je voor de verleiding van overspel. Toen je een nieuwe start gemaakt dacht te hebben na een ruzie, merkte je na een paar keer al weer nieuwe stekeligheden. Hoe komt dat? Hoe komt het dat elk nieuw begin van ons mensen, elk aanvankelijk enthousiasme, verwachtingen wekt die je niet waar kunt maken? Hoe komt het dat we onszelf niet kunnen redden?

Dat zit toch in dat zinnetje: ‘Wanneer zult U tot mij komen’?  Dat gaat verder als: de HEERE komt naar de wereld. Of: de HEERE komt naar Everdingen. Om te kijken of ze het daar een beetje goed geregeld hebben. Nee, de Bijbelse verwachting gaat véél verder dan dat: ‘Wanneer zult U tot míj komen?’ Tot mij. Daar gaat advent over. Zo persoonlijk wordt het. ‘Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.’ En daar zit hem de kneep. God kijkt verder dan onze welvaart, God kijkt verder dan onze goede prestaties. Hij komt voor jou zelf, voor uzelf. Dan gaat het om de zuiverheid van ons hart. De reinheid van ons leven, van onze gedachten. Niet alleen om de openbare dingen, maar hoe wij zijn achter onze voordeur. De Nederlandse overheid heeft daar niets over te zeggen, maar God wel.

En daar zit het mis of gaat het mis. Ik zou de woorden van Psalm 101 niet na kunnen zeggen. U wel? ‘Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart. Ik zal mij geen verdorven praktijken voor ogen stellen’. Wat je ook mag geloven en beloven. Hoe vaak je ook overnieuw begint met dat te doen. Elk nieuw begin met dát als doel is tot mislukken gedoemd. Wat gebeurt er als God vandaag bij jou voor de deur staat? Dat is advent. Maar ja, is dan de andere optie om maar helemaal geen goede voornemens te maken? Om dan maar niets te beloven? Om helemaal geen nieuw begin te maken, maar met de armen over elkaar te gaan zitten wachten op de komst van God?

U vraagt zich misschien af: Hoe heeft deze psalm ooit in de Bijbel terecht kunnen komen? Dat is dan toch baarlijke nonsens? De koning die deze belofte durft uit te spreken maakt zich dan toch schuldig aan kiezersbedrog?

Dat zou zo zijn als dat éne zinnetje ‘Wanneer zult U tot mij komen?’ er niet in had gestaan.  Dat is niet zomaar een nuchtere vraag, nee in de psalmen wordt wel vaker ‘Wanneer!’ geroepen en dat is altijd in klaagpsalmen in de betekenis: Hoe lang nog! Psalm 13 bijvoorbeeld: ‘Hoelang nog, HEERE? Zult u mij voor altijd vergeten?’ Psalm 101 is daarmee dus niet een psalm van zelfvertrouwen, maar een psalm vol verlangen om deze weg van oprechtheid en gerechtigheid te gaan, maar in de wetenschap dat dat niet zál gaan zonder dat de HEERE tot je gekomen is.

En daarin staat Psalm 101 ook niet op zichzelf. De 150 psalmen in ons psalmboek staan namelijk niet zomaar in willekeurige volgorde. Er is over nagedacht door degene die de psalmen gebundeld heeft welke psalmen hij bij elkaar zette. Zo is er een onderverdeling in 5 boeken binnen de psalmen. Boven psalm 90 vindt u dat ook in de HSV, daar staat boven: Boek 4 (psalm 90-106). De psalmen in deze verzameling die kernmerken zich door éénzelfde thema, namelijk het koningschap.

Heel bijzonder is het om als je het psalmenboek doorleest ook mee te leven met de historische geschiedenis van Israel. De eerste drie psalmboeken zingen over het leven van het volk met God, het leven van de gelovige met God, maar dan in boek 3 gaat het over de teloorgang, de ondergang van het koninkrijk Juda, de val van Jeruzalem en de tempel. Lees psalm 89 vers 39 en 40: ‘Maar Ú hebt hem verstoten en verworpen, U bent verbolgen geworden op Uw gezalfde. U hebt het verbond met Uw dienaar tenietgedaan, U hebt zijn diadeem ontheiligd en op de aarde geworpen.’

Dat gaat over het verbond met David, de diadeem van zijn nakomeling wordt vertrapt op de aarde. Dat was gekomen omdat Israël steeds meer was gaan lijken op aardse koninkrijken met een koning die regeerde om de macht. Psalm 90 tot 106 bieden dan een nieuw begin. Nu er geen aardse koning meer is in Israël, gaat men weer denken aan die hemelse Koning, die van eeuwigheid af regeert. Men gaat herbronnen zoals dat zo mooi heet. Terug naar de bron. ‘Waar was het allemaal ook al weer mee begonnen. O ja, de HEERE regeert.’ En zegt, psalm 100: Weet dat de HEERE God is; Hij heeft ons gemaakt – en niet wij -. … Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, Zijn trouw van generatie op generatie.’

En vanuit die trouw van God, komt dan ook een nieuw verwachting op. Niet: wíj gaan het wel eens eventjes weer herstellen. Maar: God moet maar een nieuw begin maken. Zo las men het in de profetie van Jesaja:

Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï, en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen. Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten: de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en sterkte, de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.

Er zal een nieuwe gezalfde koning komen, uit de stronk van Isaï, dus uit het geslacht van David. Hij zal gezalfd zijn met de Geest van de HEERE. En gezalfde, dat is in het Hebreeuws: Messias. ‘Wanneer zult U tot mij komen!’ Die hebben wij nodig! Die Messias! Niet dat wíj keer op keer een nieuw begin maken. Maar dat God zelf een nieuw begin maakt. En dan snappen wij psalm 101. Dat is geen grootspraak van een mens. Dat is regering van de Messias. Het komt precies overeen met Jesaja 11 waar wij lazen:

Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen. Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.

Geen mens maakt dat waar. Alleen de Messias maakt dat waar. Op die verwachting is Psalm 101 gebaseerd: ‘Wanneer zult u tot mij komen!’

De psalm wordt gelegd op de lippen van een koning, een koning die grote beloften doet, maar in het besef die alleen wáár te kunnen maken als dit nieuwe begin, als deze nieuwe belofte gedragen wordt, wáárgemaakt wordt door God zelf, door de komende Messias. Het is een schreeuw van verlangen. Een roep naar God dat dít is zoals het goed is, maar dat dít ook onmogelijk is zonder Zijn nieuwe begin in het hart.

In de psalm wordt een uiterlijke en innerlijke reinheid beschreven die aantrekkelijk werkt, dat een ideaal is. Advent is roepen naar de hemel: ‘Wanneer komt u tot mij!’ Omdat je weet dat hoe je ook je best doet, dat die innerlijke zuiverheid niet verkrijgbaar is. Maar dat dat wel iets is waar je naar verlangt.

Advent gaat de hele wereld aan. Zo hoorden we vorige keer. De HEERE regeert, dat is een feit, dat moet iedereen weten. Alle volken vallen onder Zijn heerschappij. En dat is goed om te weten. Dat de wereldpolitiek en de grote wereldproblemen van honger en armoede en onrecht bij God in de peiling zijn. En dat de komst van de Messias er is om daaraan een einde te maken, om op aarde de heilsstaat te vestigen van Gods heerschappij. Dat is het uiterlijke, het grote, het majesteitelijke. Een prachtig visioen. Maar soms ook zo ver van je bed.

Maar advent gaat ook jou aan, ook u. Want God wil niet alleen de grote problemen aan pakken, maar begint veel dichterbij in ons persoonlijk leven. Als God een nieuw begin maakt in deze wereld, dan begint Hij heel klein. Met een baby in een kribbe in Bethlehem. Met een groepje volgelingen om zich heen in de heuvels van Galilea, in een scheepje op het meer. God ziet daarbij u niet over het hoofd. Advent wil juist zeggen: God komt, Hij komt tot u, tot jou. Want Hij weet dat als er ergens een nieuw begin gemaakt moet worden, dat dat dan in jouw en mijn hart moet zijn. Want daar zijn ‘verdorven praktijken’ in een ‘slinks hart’, bij ons wordt de naaste in het geheim gelasterd, geroddeld. Wij hebben hoogmoedige ogen en een trots hart. Er is bedrog, er zijn leugens. Zomaar wat dingen uit de psalm, die actueel genoeg zijn…

En de enige die daar in de kern iets aan kan doen, die daar een ommekeer in kan brengen, bekering, nieuw leven, een nieuw begin, dat is Jezus Christus. Advent dat is de periode van verlangen naar die zuivering en reiniging. Kerst is Jezus Christus in de wereld, dat was eenmalig, dat is een feit, maar we vieren het uit het verlangen naar Jezus Christus in uw hart. Want daar wil Hij komen. Om Zijn nieuwe begin te maken.

Te vaak denken wij nog het wel zelf te redden op deze wereld. Te vaak komen we weg met mooie woorden. En het is soms ook wel heel gemakkelijk om eens een oogje dicht te knijpen. De verleiding is groot om die komst van de Messias nog even voor ons uit te schuiven. Aan de ene kant voel je misschien wel dat verlangen naar zuiverheid, maar dat wil niet zeggen dat de zonde soms ook niet heerlijk is. En het verlangen om je eigen boontjes te doppen en je eigen weg te gaan dat is zo sterk.

Wanneer zult u tot mij komen? Ja, wisten we dat maar. Wanneer Jezus gaat verschijnen om die koningsgelofte van Psalm 101 volledig ten uitvoer te brengen. En Hij belooft ook zelf dat te gaan doen. In Matheus 24 hebben we gelezen dat de Zoon des Mensen gaat komen. Op welk moment, dat is een verrassing. Als een dief in de nacht zegt Jezus. Dan zal ik er zijn. Dan sta ik zomaar bij je op de stoep.

Je kunt het vergelijken met de belastingdienst die zomaar een inval kan doen bij een bedrijf om te zien of ze de boeken en administratie op orde hebben. Of de inspectie van de gezondheidszorg die de hygiëne van een ziekenhuis komt controleren. Dat doen ze natuurlijk onaangekondigd. Misschien doet je docent het op school ook wel zo. Plotseling een huiswerk controle, onaangekondigd, om te zien of je de opgaven gemaakt hebt. Dat kondig je niet van te voren aan, omdat je juist wilt dat iedereen er altijd klaar voor is.

Zou je een controle van te voren weten, ja dan ga je vlak van te voren even alles in orde maken, en dat is nu net níet de bedoeling. Zo waarschuwt Jezus ons ook: ‘Wees dan waakzaam, want u weet niet op welk moment uw Heere komen zal.’ en verderop: ‘Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des Mensen komen’. In de gelijkenis die Jezus vertelt is dan een slaaf die bij zichzelf denkt: ‘Ach, mijn heer blijft nog lang weg’ en er lekker op los leeft. Het gevolg daarvan doet niet onder voor het uitroeien van de goddelozen in de psalm, ook hier zegt Jezus: ‘dan zal de heer komen en hij zal hem in stukken houwen en hem doen delen in het lot van de huichelaars; daar zal gejammer zijn en tandengeknars.’

Wanneer zult u tot mij komen? Ja, dat is dé adventsvraag. Maar dat begint vandaag hier in de kerk. Waar Jezus Messias als de levende Heer aanwezig is door Zijn Geest. Om in uw leven een nieuw begin te maken, uw leven te zuiveren en te reinigen. Elke zondag een nieuw begin. Zodat wij óók een nieuw begin kunnen maken met mensen die ons tegen vallen of ons boos maken. Zodat wij ons huis en onze omgeving kunnen reinigen van dingen die niet passen bij een leven als christen. En dat kan ook simpelweg onze boekhouding zijn. Of ons gedrag. Degene die Zijn beloften waar maakt, dat bent niet u of ik, dat is Jezus Christus, onze Messias. Een nieuw begin, meezingen met psalm 101 zelfs, dat is dan geen hoogmoed meer, maar verlangen. Verlangen naar zuiverheid. Verlangen naar reinheid. Verlangen naar de komst van de Messias. Wereldwijd, maar vooral in je eigen leven.

Wanneer zult u tot mij komen?

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s