Word niet boos! (Of anders: maak het snel goed!)

Preek over Mattheus 5,21-26. #5 in een serie over de Bergrede. Gehouden in Everdingen.

Titiaan: Kaïn en Abel (1542-4; Santa Maria della Salute, Venetië)

Gemeente van Jezus Christus,

Laat ik maar met deur in huis vallen. Wie van de jongens en meisjes en volwassenen hier in de kerk is nog nóóit boos geweest? [geen vingers…] Nou, dat zegt genoeg. Allemaal hebben we wel eens dat iemand het bloed onder onze nagels vandaan haalt. Dat kan iemand van je broers of zussen zijn, of iemand in de klas of op je werk. En dan kunnen we ook nog kwaad zijn op allerlei instanties, de overheid die ons onrechtvaardig behandelt. Allemaal kennen we dus dat gevoel van binnen, dat het begint te borrelen, en dat je je mond niet meer kunt houden. En dan kan er zomaar van alles uitvliegen.

En daarvan zegt Jezus nu : Al zeg je zo in boosheid alleen maar ‘sukkel’, ‘idioot’ of ‘dwaas’ tegen iemand, dan beland je daarvoor in de hel. Nou, dat is geen leuke boodschap dus voor ons, want wij werden allemaal wel eens boos, en dan hielden we niet onze mond, dus wij belanden allemaal in de hel. Jezus zegt het zelf: ‘al wie zegt: ‘Dwaas!’, die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur. Wij praten daar niet zo graag over, over de hel, maar Jezus doet het zelf. En heel absoluut, er is weinig ruimte om dit anders te lezen dan het er staat.

En dan heeft u, dan heb jij dus een probleem. Want je wilt niet naar de hel, toch? Naar dat helse vuur? Voor eeuwig branden als straf voor je boosheid? Nee, toch? Dat is geen plek waar je wilt zijn, nu niet en nooit niet. Maar volgens Jezus komen we daar wel als wij boos worden op onze broeder. En daar maken we ons allemaal wel eens schuldig aan. Jezus maakt hier ook geen onderscheid tussen terechte of onterechte boosheid. Dan zouden we er nog gemakkelijk onderuit kunnen: ‘Ja, ik wordt niet zomaar boos! Als ik boos wordt, dan is er ook wel echt wat! Dan heeft iemand anders ook echt iets misselijks uitgehaald of gezegd over mij.’ Ja, dat zullen de meesten van ons wel zeggen, dat als je boos wordt, dat je dan ook gelijk hebt en dat de ánder rot deed…

In uw bijbeltje staat in vers 22 wel ‘al wie ten onrechte boos is’. Maar dat ‘ten onrechte’, dat is waarschijnlijk een latere toevoeging. In de oudste handschriften die we hebben van het evangelie Mattheus, daar staat dat woordje nog niet in. Overschrijvers hebben dat er dus waarschijnlijk tussen gesmokkeld, om Jezus’ uitspraak iets te verzachten en begrijpelijker te maken…

Hoe komt Jezus erbij om ons, en de hele wereldbevolking, met deze woorden tot de hel te veroordelen? Nou, in vers 17-20 zegt Jezus dat Hij niet gekomen is om de wet af te schaffen, maar die te vervullen. Nu gaat hij in een aantal uitspraken aantonen dat dat ook werkelijk zo is. Hij begint met: ‘U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is’. Daarmee verwijst Hij naar het Oude Testament. ‘De ouden’, dat is het voorgeslacht, vele generaties eerder dan de mensen die Jezus daar toespreekt, het is de generatie die de woestijnreis meegemaakt heeft, zoals je die kunt lezen in het boek Exodus. En tegen hen werd gesproken door Mozes, de man Gods. Mozes gaf aan het volk de geboden door, die hijzelf weer gehoord had van de HEERE op de berg Sinaï.

En inderdaad, Mozes had de Tien Geboden zo doorgegeven aan het volk, en daarin klonk het 6e gebod: Gij zult niet doden. We hoorden het vanmorgen nog, Exodus 20 vers 13. En, voegt Jezus eraan toe, daarbij is ook gezegd: ‘Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden.’ Ook dat is terug te vinden in de wet van Mozes. Kijk maar mee in Exodus 21: 12-14

Wie iemand zó slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden. Maar voor het geval dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten. Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt en hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.’

Dus de wet die God via Mozes aan het volk had gegeven was glashelder: Doden en moorden is verboden. Doe je het toch, dan volgt daarop voor die persoon de doodstraf. Wie een leven neemt, diens leven zal genomen worden. Alleen in het geval dat het per ongeluk gebeurde, dan mag zo iemand vluchten naar een vrijstad. Er waren in het beloofde land door God een paar steden aangewezen, waar je dan heen kon vluchten. Daar was je in ieder geval veilig zolang het proces tegen je nog liep. Mocht daaruit blijken dat het tóch opzettelijk was, dan is zo iemand zélfs bij het altaar in de tempel niet veilig, maar zal zijn straf niet ontlopen.

Wist u dat we dit systeem ook heel lang in Nederland hebben gehad? Vianen is in de tijd van de Middeleeuwen en de Reformatie ook zo’n vrijstad geweest. Maar dat is tegenwoordig gelukkig afgeschaft. Politie en justitie doen nu zorgvuldig onderzoek en je schuld moet eerst bewezen worden, voordat je een straf ontvangt. En dat is maar goed ook. Vroeger werden ook heel veel onschuldigen gestraft, soms zelfs met de doodstraf, en dat is onomkeerbaar.

Maar de wet van Mozes is glashelder. Toch gaat die voor Jezus niet ver genoeg. Het is niet zo dat Jezus een nieuwe interpretatie geeft, nee, Jezus geeft echt een nieuwe, aanvullende regel. De doodstraf geldt niet alleen voor het doden van een medemens, maar zelfs voor boosheid tegen een medemens. ‘Al wie boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank’, dus: veroordeeld worden tot de doodstraf. Laat dat maar eens op je inwerken. En het is niet zomaar iemand die dat zegt. Niet zomaar iemand van onze tijd die vindt dat er zwaarder gestraft moet worden. Nee, het is Jezus Christus, de Messias van God, die het zegt.

Jezus legt zo de vinger bij een zere plek in ons leven. Bij een gebrokenheid die er bij ons allemaal in zit. Want wij zullen denk ik allemaal zeggen dat wij geen moordenaars zijn. Ik ga er even van uit dat niemand van ons écht een mens vermoord heeft. En misschien zult u ook zeggen: Ik zou dat ook niet kunnen, ik zou daartoe niet in staat zijn.

Maar als wij de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan valt daarin iets heel anders op. Namelijk dat iedereen, elk mens, in de juiste situatie, tot moorden en doden in staat is. De Bijbel zelf geeft dat al aan in één van de eerste verhalen die we lezen in het Oude Testament. Nadat Adam en Eva uit het paradijs verdreven zijn, en de paradijselijke wereld is veranderd in een gebroken wereld door hun ongehoorzaamheid aan God. Dan volgt een verhaal over hun twee zonen. Kaïn en Abel. De eerste twee geboren mensen. De eerste twee broers. Maar gelijk daar aan het begin gaat het goed mis. We lazen hoe Kaïn en Abel allebei een offer gaan brengen, maar Kaïn wordt jaloers als hij ziet dat Abels offers aangenomen wordt, maar zijn eigen offer niet. Wij zouden zeggen: Abels gebed wordt verhoord door God, maar dat van Kaïn niet. En Kaïn is daar zó kwaad over dat hij zijn broer Abel doodslaat.

Een ongelofelijk verhaal? Zoiets kan in werkelijkheid niet? Het is juist in de Bijbel terecht gekomen om ons te waarschuwen dat zoiets wél kan. Dat het ons ook kan overkomen als we niet oppassen. En dat het begint in ons hart. Begint met jaloersheid. En die jaloersheid leidt tot boosheid. En die woede leidt tot daden waar je eeuwig spijt van hebt. Dit verhaal komt ons dan al gruwelijk voor. Maar lezen we elke dag in de krant niet de bevestiging van de waarheid van dit verhaal. Dat mensen écht tot dit soort dingen in staat zijn, en nog wel erger ook.

Voor mijzelf is wat dat betreft altijd de Tweede Wereldoorlog en het geweld tegen het Joodse volk in de holocaust een baken in zee. Door boeken en films hebben wij soms het idee dat de mensen die meewerkten aan het vergassen van 6 miljoen joden een soort beesten waren. De beulen in het kamp, de organisatoren van de Endlösung, de SS-soldaten, de Nazipartij. Maar dat waren geen beesten, dat waren mensen. Zoals u en ik. Voor de oorlog waren dat boeren, chauffeurs, bouwvakkers, leraren. Keurige, nette mensen, christenen zelfs. Maar dat was de buitenkant. In het hart woont een wolf. Die er uit komt als het kan. En die wolf zit in ons allemaal.

Die wolf uit zich ook in onze maatschappij. Abortus en euthanasie zijn bij ons gelegaliseerd. Elk jaar worden er wereldwijd 46 miljoen abortussen uitgevoerd. 46 miljoen kleine baby’s die in de moederschoot niet veilig zijn voor mensenhanden die dit leven vernietigen. In Nederland gaat het om vele tienduizenden baby’s per jaar. Het is gelegaliseerde barbarij. Moord en doodslag zijn geen ver-van-onze-bed-show. Dat gebeurt op deze manier ook heel dichtbij. Ook de betrokken vrouwen en mannen raken er vaak voor hun leven beschadigd van. Wij willen het leven van onszelf én anderen in eigen hand hebben, maar daardoor ontheiligen we het en vernietigen we het. Dood en leven moeten een zaak van God blijven.

Maar die wolf, die zit in ons hart. En die roert zich zodra wij boos worden en gaan schelden. Schelden doet geen pijn zeggen we dan. Misschien zeggen jullie dat ook wel tegen elkaar op het schoolplein als er iemand uitgescholden wordt of gepest met woorden. Maar wat Jezus nu vanmorgen/vanmiddag tegen ons zegt is: Schelden doet wél pijn. God gebiedt ons dat het leven, het bestaan van de elke mens héilig is. Daar mag je geen inbreuk op maken. Maar boosheid is precies dat, de wil om die ander aan te tasten, te raken, te beschadigen. Een woord als een steek onder water. Een scheldwoord als een slag in het gezicht. Als een stoot naar het hart, het moet treffen, wonden, vernietigen. En dát zegt Jezus, dát is nu moord.

En dat zegt Jezus niet zomaar. Hij zegt het tegen zijn discipelen, zijn volgelingen die bij Hem horen. Zoals wij Zijn gemeente zijn. Jezus zegt het tegen ons, tegen u en jou. Zodat wij vooral onder elkaar geen ruzie hebben. Jezus zegt ook in vers 22 ‘al wie boos is op zijn bróeder’ en in vers 23: ‘als u zich herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft’. De broeder is in het evangelie altijd de medevolgeling van Jezus Christus. Als Jezus over mensen in het algemeen spreekt, dan heeft hij het over ‘de naaste’. ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Dat gaat over álle mensen. Maar hier staat uitdrukkelijk: ‘wie boos is op zijn broeder’. Daaruit kunnen we afleiden dat Jezus hier een bijzondere regel geeft voor de omgang met elkaar binnen de gemeente. Alsof Hij wil zeggen: In de wereld is moord en doodslag een zonde, maar bij júllie, onder jullie, daar is ruzie, woede en boosheid net zo erg.

En waarom zegt Hij dat? Nou, juist hier in de kerk zouden we kunnen denken dat die relatie met de broeders en zusters er helemaal niet zo toe doet. Wij leggen in ons kerkzijn veel meer de nadruk op een goede relatie met God. Onze hele kerkdienst is daar ook op gericht: eer geven aan God. Wel met elkaar zingen en bidden, maar niet gericht op het contact met elkaar. En dat is precies wat in onze tijd past: ieder gelooft voor zichzelf, ieder is alleen verantwoordelijk voor zichzelf, ieder redt zichzelf. Maar in de discipelkring van Jezus kan dat niet zo zijn.

Jezus zegt in vers 23 en 24: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.’ Wij zouden ook geneigd zijn om te denken, net als de Joden: Als je met het brengen van een offer bezig bent, met de heilige zaken van God, dan heeft dat toch de grootste prioriteit. Dáár moet je je toch allereerst mee bezig houden en de rest moet je maar even laten zitten.

En dat vinden wij ergens ook wel de gemakkelijkste weg. Want naar de kerk gaan en je duit in het collectezakje doen, dat is best laagdrempelig. Dat kun je bijna doen zonder er bij na te denken, toch? En je kunt zo ook je schuldgevoelens kwijtraken, want je weet misschien wel dat je bepaalde dingen niet goed hebt gedaan of doet, en dat er tussen jou en een ander ook nog wel wat fout zit. Maar daar vraag je dan in de kerk maar vergeving voor, zodat het tussen jou en God in ieder geval goed zit.

Maar voor volgelingen van Jezus Christus kan dat niet. Jezus zegt dat je dan eigenlijk onmiddellijk je offer achter moet laten in de handen van de priester. Dat je moet stoppen met het dienen van God, en het dan éérst goed moet maken, je moet verzoenen met diegene die iets tegen je heeft. Want de dienst aan God valt niet los te maken van het leven met elkaar. In de kerk zitten terwijl je weet dat het niet goed zit tussen iemand anders en jou, dat is huichelachtig, schijnheilig en onwaarachtig. En dat gaat niet alleen over dat jij boos bent op iemand anders, maar dieper nog: als je weet dat iemand anders iets tegen jou heeft. Omdat je misschien bedoeld of onbedoeld iemand gekwetst hebt, op zijn tenen hebt gestaan. Het gaat er niet om of die ander nu terecht of onterecht boos op je is. Zodra je weet dat iemand iets tegen jou heeft, dan heb je de verplichting om daar de allerhoogste prioriteit aan te geven en er alles aan te doen om het goed te maken.

En nog niet eens voor je eigen bestwil of zo. Maar omdat je weet dat iemand die boos is, onder het oordeel van God valt en naar de hel gaat. Dus als jij bij je broeder die boosheid weg kunt nemen. Gewoon door er heen te gaan, te luisteren en misschien je excuses aan te bieden. Dat je hem dan redt van de hel. Dat je hem redt uit het oordeel van God. Want God kan ons wel redden en vergeven wat wij Hem aandoen. Hij verzoent Zichzelf met ons, maar de band die wij met elkaar in de gemeente van Jezus Christus hebben, die valt onder uw en jouw verantwoordelijkheid. En juist daar legt Jezus ál het gewicht op, zélfs het gewicht van onze eeuwige bestemming.

Jezus vraagt van ons dus een moeilijke weg. Dat mogen we wel zeggen. Want zo gemakkelijk als het is om aan God vergeving te vragen en voor Hem met onze zonden voor de dag te komen. Zo moeilijk vinden we dat om dat bij elkaar te doen. Misschien denk je ook wel: Jezus heeft gemakkelijk praten! Dit is toch totaal niet realistisch! Ja, zo gaat dat onder ons wel eens. De beste stuurlui staan aan wal. Zoals met dat cruiseschip dat in Italië aan de grond liep, of dat vrachtschip bij Wijk aan Zee. Dan zeggen we: hoe konden die kapiteins dat nu toch doen. Ze hebben toch allemaal prachtige instrumenten tegenwoordig, precieze zeekaarten, gps, computergestuurde besturing van het schip. Maar ja, wij hebben dan ook totaal geen verstand van het besturen van zo’n megagroot schip. Dus kunnen wij maar beter onze mond erover houden. Ook over dat die kapitein van dat cruiseschip voortijdig het schip verliet uit angst te verdrinken. Wat had jij in zijn plaats gedaan? Was jij zo moedig geweest om ten koste van je eigen leven mensen te gaan redden die in hun hutten opgesloten zaten? Nou dan.

Zo kunnen we die woorden van Jezus ook horen: Als van het heilige boontje dat ons wel eens verteld hoe wij met elkaar om moeten gaan, terwijl dat in de praktijk echt niet meevalt. Maar wat Jezus hier doet is nu juist het omgekeerde van gemakkelijk praten. Als wij Jezus íets kunnen verwijten dan is het niet dat Hij niet weet hoe moeilijk verzoening is. Want daarvoor kwam Hij toch juist als de Zoon van God naar onze wereld. Hij daalde af uit de hemel om mens te worden, en om hier op aarde te lijden en te sterven. Omdat er alleen op  die manier verzoening zou komen tussen God en ons. Het goed maken van die relatie die kostte Jezus zijn leven, zijn hele leven hier op aarde stond in dat teken. Dag in dag uit was Hij daar mee bezig. En dat draaide er uiteindelijk op uit dat Hijzelf nog vermoord werd ook. Onschuldig werd Hij door mensen zoals u en ik gekruisigd. En of daar die wolf uit ons hart zich roerde.

Als Iemand dus weet hoe moeilijk die weg van verzoening is, dan is het Jezus, dan is het door Hem ook God zelf. Maar we horen het Jezus zeggen: Ik ben gekomen om de wet te vervullen. En dat heeft Hij gedaan. Die verzoening is er gekomen tussen God en ons. Jezus heeft het gehaald en daarmee iets grenzeloos moois gecreëerd. Het bewijs dat het kán. Dat verzoening moeilijk is, véél kost, maar dat het niet onmogelijk is. Dat het weer goed kan worden tussen God en jou. Hoe vaak het ook mis gaat. Maar dat houdt ook in dat als het zélfs goed kan worden tussen God en ons, dat het ook moet kunnen tussen ons mensen onderling.

Jezus praat dus niet gemakkelijk. Hij is Zelf onze broeder geworden, een medemens, die het goedmaakt tussen Hem en u. Dat mag je laten gebeuren. Zijn betaling voor jouw zonden aanvaarden. En alleen Hij is degene die dan die wolf in je hart van boosheid kan vernietigen. Hij is het die ons de genade geeft om zelf genadig te worden.

En denk nou niet als je zo naar huis gaat: ‘Hier ga ik nog eens over nadenken’. Maar als je weet dat iemand iets tegen je heeft. Ga er dan gelijk langs. Maak het snel goed! Dat zegt Jezus in vers 25 en 26. Hij vertelt daar een klein gelijkenisje over twee mensen die samen op weg zijn naar de rechtbank omdat ze een geschil hebben. Zolang ze nog onderweg zijn, kunnen ze er nog samen uitkomen, maar zodra ze voor de rechter komen, dan neemt die het heft in handen, en dan loop je het risico zelfs in de gevangenis te komen.

Daar zit een hele praktische les is: Hoe langer je wacht met het uitpraten van ruzies of het oplossen van geschillen, hoe moeilijker het wordt, hoe groter de problemen worden. Dan escaleert de situatie. Het gebeurt heel vaak met familieruzies dat het begint met iets héél kleins. Vergeten een kaartje te sturen met kerst of zoiets. En dat wekt irritatie, en dan worden er lelijke dingen gezegd, en dan wordt er een paar weken niet met elkaar gesproken. En dat blijft van binnen lekker verder koken. En het wordt alleen maar erger. Neem dus van Jezus aan: Los nu conflicten en irritaties zo snel mogelijk op, dan voorkom je erger.

Maar, ik zei al, het is ook een kleine gelijkenis: Je kunt deze verzen ook zó lezen: Als gemeente, als mensen op deze wereld, zijn we samen onderweg naar het moment dat wij allen zullen verschijnen voor de troon van God. Op de dag van de wederkomst van Jezus Christus, zal Hij, de Zoon des mensen, zitten op de rechterstoel om te oordelen over levenden en doden. Dat beeld treffen we onder andere aan in Mattheus 25. Terwijl wij nu nog zo hier samen op de wereld zijn, zullen we dan ons moeten verantwoorden voor Jezus Christus zelf. En Hij zal ons vragen, ook naar hoe wij met elkaar als broeders en zusters zijn omgegaan. En Hij zal zeggen: Jullie wisten toch dat ik gezegd heb: Als je boos bent op je broeder, dan ben je schuldig tot het helse vuur.

En ja, als er op dat moment dan inderdaad boosheid in uw en jouw hart leeft. Dan zegt Jezus: Ga weg van mij. ‘U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste cent betaald hebt.’ Dat mag voor ons een stok achter de deur zijn. De angst voor die straf, het ontzag voor Jezus Christus zelf, die vormen een extra aansporing om haast te maken. Want de dag en het uur van de komst van de Zoon des Mensen, die kennen wij niet. Maar het kan vanavond nog zijn. Vandaar dat Jezus zegt: Zelfs al zit je op dit moment in de kerk. Ga liever eerst weg om het goed te maken.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s