Geef het weg!

Preek over de Bergrede, Mattheus 6,1-4, gehouden in Everdingen.

Anoniem – St. Martin and the beggar (ca. 1490)

Gemeente van Jezus Christus,

Afgelopen donderdagavond startte op de gemeenteavond ons nieuwe actieproject: Water voor Mozambique. In Mozambique hebben de meeste mensen geen schoon drinkwater, zoals wij. Er worden dan ook veel mensen ziek. En ze hebben het geld niet om een dokter te betalen en ook geen geld om waterleidingen aan te leggen. Daarmee gaan wij als gemeente ze helpen.  Wij gaan geld inzamelen, zodat we eenvoudige waterputten kunnen maken en toiletten kunnen bouwen. Met deze actie hopen we de mensen daar te kunnen helpen. Niet alleen onze gemeente, maar vele kerken zijn met dit soort diaconale projecten bezig om mensen te helpen die het vele malen slechter hebben dan wij.

Maar bij sommige mensen in de kerk, misschien bij u ook wel, kriebelt er dan toch ergens een vraag: Goed, wij helpen die mensen aan water, maar moeten we hen ook niet het evangelie vertellen? Want wij geven toch niet zomaar geld, wij doen dat als kerk. Wij hebben vaak een soort verborgen agenda: Ja, wij helpen wel als dat nodig is, maar we zien het ook we als zending. Als een soort reclame voor ons geloof. We hopen dat ze niet alleen water uit de pomp krijgen, maar ook Levend Water, met een hoofdletter, als u begrijpt wat ik bedoel.

En met de bergrede in de rug lijkt dat ook een goede bedoeling te zijn. In hoofdstuk 5 vers 14 had Jezus zelf immers gezegd dat wij ‘het licht van de wereld’ zijn. De mensen moeten aan ons en onze goede acties iets kunnen merken van ons christenzijn en zo van God. We moeten ons best doen om ons geloof zichtbaar te maken. Zelfs ons jaarthema is daarop gericht: ‘Merkwaardig’. Dat de mensen om ons heen merken dat wij anders zijn. Dat wij staan voor ons Merk, voor God. En we vragen onszelf: Hoe komen wij over naar onkerkelijken, naar niet-christenen? Want we willen graag missionair zijn, iets uitstralen, laten zien dat wij Jezus volgen. Reclame maken voor ons geloof in de Vader, Zoon en Heilige Geest.

In hoofdstuk 5 heeft Jezus ons ook aangespoord om in het dagelijks leven duidelijk anders te zijn dan anderen. ‘Mijn volgelingen, zegt Jezus, die maken hun ruzies goed. Die kijken niet met een schuin ook naar andermans vrouw. Van hun ja en nee kun je zeker zijn. Ze verdragen tegenslagen en belediging en blijven zelfs hun vijand liefhebben.’ Oftewel: Aan hen is duidelijk te merken dat ze anders zijn dan anderen! Ze doen buitengewone dingen.

Maar in de tekst van vanmorgen verandert die toon opeens.

‘Wees op uw hoede dat u uw liefdegave niet geeft in tegenwoordigheid van de mensen om door hen gezien te worden.’

Hè? Dat was toch juist het doel? Licht van de wereld, stad op een berg, zout der aarde!? Wij moeten toch juist gezien worden, wij moeten toch juist ‘merkwaardig’ zijn, opgemerkt worden, reclame maken voor Christus? Het zou toch mooi zijn als mensen in ons dorp enthousiast worden van ons project voor Mozambique en denken: Ja die kerk is toch zo gek niet, dat geloof van die mensen is toch wel mooi. Daar wil ik meer over weten! Of dat die mensen in Mozambique denken: Tjonge, een kerk uit Everdingen (waar dat ook moge liggen:-)) helpt ons aan water. Dat moet wel een hele fijne kerk zijn met hele goede gelovigen.

Jezus spreekt zichzelf hier dus wel een beetje tegen: Hij wil blijkbaar niet dat wij zichtbaar, openbaar, allerlei mooie dingen doen, maar Hij wil wél dat we onze omgeving laten merken dat we geloven… Hoe krijgen we dat ooit voor elkaar?

Het is trouwens mooi dat Jezus er ook gewoonweg van uit gaat dat wij als Zijn volgelingen ‘liefdegaven’ willen geven. Ook in Jezus’ eigen tijd was het houden van collecten, of het geven aan bedelaars op straat, een gebruik dat hoog aangeschreven stond. We lazen in Deuteronomium, dat God zelf dat ook opgedragen had aan de Israëlieten, om gul te zorgen voor de armen in hun midden. ‘U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.’ Jezus’ punt is dus geen aansporing om te gaan geven of méér te geven.

Voor de meesten van ons is die aansporing ook niet nodig. In onze kerk wordt altijd gecollecteerd en de opbrengst is vaak een mooi bedrag. En velen zullen ook per bank en acceptgiro de nodige giften overmaken en geven aan al die collecten die langs de deur komen. Dat er hier in Everdingen veel gegeven wordt, blijkt ook wel jaarlijks in de opbrengst van de Kerkbalans en niet te vergeten de bazaar die er weer aan komt.

Heeft u dat dan ook dat het geven van geld een prettig gevoel geeft bij jezelf? Met een ferme haal zet je je handtekening op een acceptgiro. En een stemmetje zegt in je hoofd: Zo, dat heb ik maar weer goed gedaan. Kijk eens hoe gul ik ben! En het is ook wel leuk als je als gul bekend staat. Gierige mensen, die alles voor zichzelf houden, dat vinden we maar niets. Maar gulheid daar kijken we tegenop. En daarin is de wereld sinds dat Mattheus dit schreef niet veranderd. Jezus waarschuwt daartegen:

‘Wanneer u dan een liefdegave geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij door de mensen geëerd zouden worden.’

Nu gebeurde dat waarschijnlijk niet echt, dat mensen op trompetten lieten blazen als ze een aalmoes gaven. Maar figuurlijk wel. Er waren in Jezus’ tijd rijke Joden die veel weg gaven. Maar daarom bijvoorbeeld wel een goede plek kregen in de synagoge, op de eerste rij. Of er hing een bordje met hun naam bij het project dat ze gesponsord hadden.

Jezus noemt zulke mensen ‘huichelaars’, maar dat is niet echt een goede vertaling. Dat klinkt wel heel negatief. Je zou beter kunnen vertalen ‘mensen die zich mooi voordoen’. Dat is beter, omdat we ons dat voor kunnen stellen. Doen wij dat allemaal niet een beetje? Wij doen ons mooi voor. Naar de mensen om ons heen proberen we aardig te zijn. We proberen geen ruzie te maken. We willen netjes, beleef en vriendelijk overkomen. Maar soms weet je heel goed bij jezelf: ‘Ja, ik dóe nu wel heel aardig, maar hij/zij moest eens weten wat ik nu denk…’  Die spanning tussen je houding naar buiten, en je eigen gedachten kan soms heel lastig zijn. Maar dat is niet per se fout. Misschien kun je je commentaar op een ander, je irraties, je slechte humeur, inderdaad maar beter verborgen houden… Misschien doe je het zelfs wel uit een christelijke motivatie: Ik moet me toch ‘christelijk’ gedragen! Een beetje ‘heilig’ overkomen.

Maar je heiligheid willen laten schijnen, kan snel schijnheilig worden. Onder de oppervlakte van je hart spelen allerlei andere motieven en redenen mee. Dáár legt Jezus de vinger op. Geven we écht onze gaven om anderen te helpen en gedragen we ons christelijk om reclame te maken voor Christus. Zit daar niet nog heel veel onder? De waardering en goedkeuring van de mensen om je heen? De bevrediging van ons eigen vrome gevoel? Hoe zuiver is ons hart? Hoe oprecht ben je? Het kan geen kwaad die vraag regelmatig aan jezelf te stellen. Die vraag gaat ook breder dan het geven van giften alleen. Die gaat over heel je leven.

Nu is er niet per se iets mis met waardering krijgen van mensen om je heen. Afgelopen voorjaar kregen nog twee van onze gemeenteleden een lintje van de koningin als waardering voor hun inzet in onze samenleving. Daar is niets mis mee, omdat weinig mensen denk ik bij zichzelf denken: Ik ga me heel veel jaar inzetten in verenigingen en vrijwilligerswerk, en dan krijg ik vast een lintje en heel veel applaus! Nee, voor de meeste mensen die een lintje krijgen is het echt een verrassing. En het is dan ook wel heel mooi en goed om waardering te krijgen voor al de tijd en energie die je belangeloos hebt afgestaan.

De vraag is dan wel: En hoe zorg je er dan weer voor dat de schijnwerpers niet op jou komen te staan, maar op God? Dat is vaak het allermoeilijkst: wij zijn er niet altijd op uit, maar als we eenmaal in de schijnwerpers staan, dan is het zo moeilijk daar weer uit te stappen. Als we een beetje naam hebben gemaakt of een goed imago hebben, een goede positie in het bedrijf, in het dorp of in je vriendenkring, dan is het zo moeilijk om daar afstand van te doen, nederig te blijven. Sterker nog: Ik denk dat zoiets niemand koud laat. Dat doet wat me je.

Vandaar Jezus advies: Doe maar zo veel mogelijk goed ‘in het verborgene’. Dat is het meest veilig voor jezelf. Daarmee neem je jezelf, tegen jezelf in bescherming. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen. Hoe zichtbaarder je wilt zijn. Hoe meer je jezelf in de kijker speelt. Hoe moeilijker het is om je motivatie zuiver te laten blijven. Want het kan dat je met de beste bedoelingen een prachtige diaconale actie op zet. Of zo voorbeeldig mogelijk christelijk probeert te leven. En succesvol nog ook: misschien halen we zo wel duizenden euro’s op. Misschien raken de mensen wel onder de indruk van onze christelijke levenswijze. Levert het veel ‘loon’ op in Jezus woorden, veel waardering. Maar kom je onderweg ook tot de ontdekking dat het ondertussen niet meer over God gaat, maar over ons, over jou en mij. Hoe goed wíj wel niet zijn…

Maar als Jesus wil dat wíj niet zorgen voor de zichtbaarheid van ons geloof. Als wij alles in het verborgene moeten doen. Hoe komt er dan nog wat tot stand? Wie zorgt er dan voor dat er nog iets van terecht komt? Jezus maakt ons dat heel duidelijk:

‘en Uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.’

Met andere woorden: Het is niet onze taak om ons bezig te houden met het effect van onze gaven en goede daden, met het resultaat. Daar houdt de Vader zich mee bezig. Dat is een prettig idee, vind ik. Wij kunnen als mensen soms zoveel op onze hals halen. Ik denk wel eens dat ik elke zondag de perfecte preek moet houden, om jullie te inspireren, om nieuwe mensen naar de kerk te trekken. En ook wel een beetje, zodat jullie mij aardig vinden. Alsof dat allemaal van mij afhangt. Op uw eigen manier herkent u dat misschien ook in de manier waarop u uw werk doet, of actief bent in de kerk. Er zitten zovéél dubbele motivaties in ons hart.

Jezus zegt niet, dat wij niet ons best moeten doen, dat wel. Maar we moeten het in het verborgen doen. Met andere woorden: Wij zijn als christenen geen reclameborden, die er mooi glanzend uit moeten zien. De kerk is geen bedrijf met een marketingstrategie. De kerk is een geloofsgemeenschap. Wij geloven dat de Vader in de hemel er Zelf voor zorgt dat het evangelie van Jezus Christus doorgang vindt in de wereld. Jezus zelf werd het uithangbord van het christendom. Hij hing aan het kruis. Dat was geen mooi plaatje. Zeker niet. Dat was niet eervol. Dat was de meest schandelijke dood die iemand kon sterven. Dat was Jezus’ meest verborgen goede daad. Hoe kan daar nu iets goeds uit voortkomen? Maar de Vader zorgde ervoor dat het kruis van Christus het licht der wereld werd. Het leek anti-reclame, maar het bleek het begin van de wereldwijde kerk. Het begin van het Koninkrijk van Jezus Christus. Omdat de Vader deze daad van Zijn Zoon beloonde met de vergeving van al onze zonden.

Daar zorgt de Vader ook voor in uw en jouw leven. U hoeft niet krampachtig te proberen zo goed mogelijk te leven en zo veel mogelijk weg te geven. U hoeft niet te proberen zout der aarde te zijn en licht der wereld. Wij hebben niet de sterke benen die die weelde kunnen dragen. Daar kunnen we heel eerlijk in zijn. Het is de Vader, zegt Jezus, díe ziet het verborgene, en die zal het in het openbaar vergelden. Díe zorgt ervoor dat mensen tot geloof komen. En dat gelovigen naar Jezus gaan luisteren. En vanuit die rijkdom gaan geven in het verborgene. En dat zo het Koninkrijk gebouwd wordt.

Dat is de aparte manier waarop het Koninkrijk van Christus gebouwd wordt. Niet er met elkaar op uit trekken. Maar je terugtrekken in het verborgene. In het eerste deel van de Bergrede, hoofdstuk 5, gaat het over wát voor buitengewone dingen u en jij gaan doen als je Christus wil volgen in je leven. In hoofdstuk 6 zegt Jezus hoe u die buitengewone dingen in de praktijk brengt. En dat is: vanuit de binnenkamer. Na dit punt van het geven van de gaven, gaat Hij het ook nog hebben over het gebed, in vers 5-15 en over vasten in vers 16-18. Alle drie dingen die ‘in het verborgen’ gedaan worden.

De praktijk van de navolging van Christus begint dus bij persoonlijke vroomheid. Dat wat zich onzichtbaar voor anderen afspeelt. Het gaat Jezus in de bergrede niet in de eerste plaats om uw goede gedrag, maar om het goede begin. Het beginnen bij uw eigen leven met God in gebed, vasten en gaven. Alsof Jezus wil zeggen: Alleen als u die verborgen omgang met de Vader kent, kun je ook daaruit leven. Alleen wanneer je voldoende tijd in je binnenkamer met God doorbrengt, blijft de eer aan God ook centraal staan in je leven.

Denk maar aan de dood van Petrus. Volgens de legenden die ons zijn overgeleverd werd Petrus bij christenvervolgingen in Rome opgepakt en veroordeeld tot de kruisdood. Als laatste wens zei hij op de kop gekruisigd te willen worden, om het lijden nog te verzwaren. Zo, denken wij dan, wat moedig. Wat buitengewoon bijzonder. Wat een reclame voor de waarheid het christelijk geloof! Maar Petrus zei dat niet om een spectaculaire indruk na te laten, maar gewoonweg omdat hij het zichzelf niet waard vond precies dezelfde dood te sterven als Zijn Zaligmaker, Jezus Christus. Petrus had Hem nog voor ogen. De Gekruisigde Jezus stond op zijn netvlies gebrand. Daarmee vergeleken stelde alles wat híj deed niet zoveel voor.

Als wij goed voor ogen hebben wie Christus voor ons is. Dat wij leven van Zijn goedheid. Dan hoeft de linkerhand niet te weten wat de rechter doet. Jezus bedoelt daarmee: Dan ben je er niet zo mee bezig wat je eigen daden en gaven voorstellen. Dan vergeet je bijna ter plekke wat je ook al weer goed gedaan hebt. Op een hele bijzondere manier keert dat terug in Mattheus 25, waar we lazen over het laatste oordeel. Daar ontvangen de ‘gezegenden’, de ‘rechtvaardigen’ van Christus complimenten. Maar zij reageren verbaasd: Wanneer hebben wij die goede dingen dan voor U gedaan? Zelfs sterven voor Christus, zoals Petrus deed, is dan geen prestatie, maar een gevolg van eenvoudige gehoorzaamheid. Dan komt dat compliment van Christus, de beloning –  ‘beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is’! – ongedacht. Daar had je het helemaal niet voor gedaan…

Ook dat is het aparte van het evangelie: Wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen. Maar wie het verliest, zal behouden worden. Wie de eerste wil zijn, zal de laatste worden. Maar die de laatste wil zijn, zal de eerste worden. Wie een licht in de wereld wil zijn, zal de verborgen omgang met God missen. Maar wie de verborgen omgang met God zoekt, zal een licht der wereld zijn.

Wat is die ‘verborgen omgang met God’ dan? Wij denken dan zelf in eerste instantie aan het gebed en de persoonlijke bijbelstudie. Stille tijd, zoals we dat ook wel noemen. Dan is het wel opvallend dat Jezus een andere volgorde hanteert. Nee, zegt Hij. Als u de binnenkamer op zoekt, u oefent in persoonlijke vroomheid, dan is uw éérste taak om een zijdeurtje in die binnenkamer te maken voor de arme. Het eerste wat onze binnenkamer voor God nodig heeft is een verborgen deur naar onze naaste. Daarna komt pas het gebed aan de orde en het vasten. Want juist als niemand ons ziet, alleen God, dán komt het er op aan of wij oog hebben voor onze naaste. In de binnenkamer komen die liefde tot God en de liefde tot de naasten béide helemaal tot hun recht. En Jezus zegt dan zelfs: En zorg dan éérst voor je naaste, voor je gaat bidden.

Het is daarom een heel goed teken als u het vanzelfsprekend vindt om te helpen waar dat nodig is, om bij te dragen waar nodig. Want dat is precies de manier waarop Jezus het graag ziet. Daarom is het goed dat we een waterproject voor Mozambique samen steunen in de openbaarheid. Niet om te laten zien hoe goed wij als gemeente bezig zijn. Nee, het is net zo vanzelfsprekend voor ons om gaven te geven aan de armen in de wereld, als het vanzelfsprekend is om een drenkeling te redden uit het water. Je hoort soms wel eens zo’n verhaal van een kind dat in het water viel, maar nog niet kon zwemmen. En dat een omstander er dan snel achteraan springt en het kind uit het water haalt. Achteraf zegt die ‘redder’, die ‘held’ vaak dat hij helemaal niet zo’n held is. Iedereen zou dat doen toch? Je laat een kind niet zomaar verdrinken.

Precies zo mag u ook in de wereld om u heen kijken. Waar kan ik een hand uitsteken? Waar kan ik helpen? Dat gaat heel concreet over onze portemonnee. Sommige mensen houden ervan om een duidelijke richtlijn te krijgen hoevéél ze dan moeten geven. Dan wordt vaak verwezen naar het Oude Testament waar de Heere God beveelt 10% van het inkomen af te staan. Volgens mij kunnen we dat niet 1 op 1 overzetten naar onze tijd. Het lijkt me ook geen goed criterium om je gaven af te meten aan de grootte van je portemonnee. Gaven zijn eerder af te meten aan de grootte van je hart…

Aan de andere kant is het wel eens goed om al de giften die je doet in een jaar eens op een rijtje te zetten en je serieus af te vragen: Staat dit nu in verhouding tot al mijn uitgaven voor in de supermarkt, vakanties, uitjes, elektronica, etc.? Dat je dan met jezelf dan zo’n richtlijn van 10% afspreekt, lijkt me niet zo gek.

Het woord wat Jezus hier gebruikt voor ‘liefdegave’ is trouwens letterlijk ‘daad van barmhartigheid’. Het gaat dus om veel meer dan je portemonnee trekken of een flink bedrag overmaken. Het gaat Jezus ook om die beker water voor dorstigen, eten voor hongerigen, het bezoeken van zieken en gevangenen. Met al die dingen gaat het er niet om of wij voor onszelf uit lopen te rekenen of we al aans ons quotum zitten, maar dat we gewoonweg eenvoudig helpen waar geholpen moet worden. Als je dat vanuit je hart doet, verlies je jezelf en je eigen portemonnee vanzelf uit het oog.

Zo heeft Christus ons geholpen. Keer op keer zegt het evangelie dat Hij met ‘innerlijke ontferming’ bewogen was over de menigte mensen om hem heen. Dat waren zieken, hongerigen, armen. Maar Jezus zag ook dieper naar hun geestelijke nood: ‘Zij waren als schapen zonder herder’. Daarom heeft de Heere Jezus zich opgeworpen als herder. Hij is degene die echt zichzelf volledig gaf in daden van barmhartigheid. Nooit krijg je de indruk in het evangelie dat Jezus daarbij zichzelf op het oog had. Hij deed gewoonweg wat gedaan moest worden in eenvoudige gehoorzaamheid aan de Vader. Er was verzoening nodig van de zonden. De dood moest overwonnen worden. Dát zag Jezus en daarom gaf Hij zichzelf aan het kruis. Méér kun je niet geven. Dát was pas een ‘daad van barmhartigheid’.

En zo is Hij het Licht der wereld geworden. Zoals Hij het heeft gedaan, kunnen en hoeven wij het niet meer te doen. Want het mooie is dat als wij gewoonweg Hem voor ogen houden en achter Hem aan lopen, dat Christus in ons en door ons heen wil werken en schijnen. Zoals Paulus zegt: Niet meer ík leef, maar Christus leeft in mij. En dat was nu precies de bedoeling. Dat wij met onze bijbedoelingen en dubbele motivaties er tussen uit vallen.

Wij moeten niet willen opvallen als christenen in de wereld, zodat de mensen chrístenen geweldig gaan vinden of onze kerk. Natuurlijk moeten we collecteren en diaconale acties op zetten. Maar niet om de kerk te promoten. Niet uit activisme dat dat moet. Van Jezus moeten we vooral veel niet: Niet je gaven geven voor het oog van mensen. Niet voor je uit laten bazuinen. Niet weten wat je rechterhand doet. Wie doet er dan wel wat? De Vader zorgt er zelf voor dat we Jezus Christus geweldig gaan vinden. En als wíj dat vinden, dan werkt dat vanzelfsprekend in het verborgene door in ons leven, in de eerste plaats in onze liefdegaven. Maar het is de Vader die de eer krijgt en Hij zorgt voor het resultaat.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s