Goed leren bidden

Preek over Mattheus 6,5-8 gehouden in Everdingen.

Gemeente van Jezus Christus,

Bijna alle mensen bidden. Alleen hele principiële atheïsten, mensen die absoluut ervan overtuigd zijn dat God níet bestaat, die bidden niet. Maar voor de rest: joden, moslims, hindoes, christenen en verder iedereen die gelooft dat er ‘iets’ is, allemaal bidden ze. Meer of minder en op allerlei manieren, maar bidden doen we. Bidden is iets menselijks. Dat je je in ziekte, bij belangrijke beslissingen of bij grote blijdschap richt tot de hemel.

Jullie kinderen, jullie bidden vast ook. Aan tafel bidt papa of mama hard op voor en na het eten. Misschien wel een vast gebed: ‘Here, zegen dit eten. Amen’ en na het eten ‘Wij danken U van harte, voor nooddruft en voor overvloed, waar menig mens eet brood der smarten, hebt Gij ons mild en wel gevoed.’ En voor het slapengaan, ga je misschien nog wel even op je knieën bij het bed zitten. Veel kinderen hebben daarvoor het versje geleerd: ‘Ik ga slapen, ik ben moe / ‘k sluit mijn beide oogjes toe. / Heere, houd ook deze nacht / over mij getrouw de wacht.’

Maar het rare is dat je zo’n gebedje op een gegeven moment zó goed uit je hoofd kunt, dat je het kunt bidden zonder er bij na te denken. De woorden komen dan als vanzelf uit je mond. Misschien heb je dat ook wel eens gehad. Dat je al begonnen was met eten of al in bed lag en opeens dacht: Hé, heb ik eigenlijk wel gebeden? Meestal heb je dat dan wel gedaan, maar gedachteloos, automatisch. Je hebt wel gebeden, maar niet op de goede manier.

De Heere Jezus vertelt ons vanmorgen dat er allerlei manieren zijn om te bidden. Maar dat ze niet allemaal even goed zijn. Één manier beveelt Hij ons aan. Let maar op wat Hij zegt.

In de tijd van Jezus baden gelovige Joden op drie vaste tijden. ’s Morgens bij het opstaan, ’s avonds voor het naar bed gaan. En midden op de dag, zo rond 3 uur ’s middags. In de Bijbel komen we dat al tegen bij Daniël, in dat bekende verhaal van de leeuwenkuil. Koning Darius verbiedt al het bidden, maar Daniël houdt er zich niet aan. Daniël 6,11:

‘Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.’

Daniël bidt richting Jeruzalem, omdat op deze drie tijden in de tempel de dagelijkse offers werden gebracht. Vrome joden hadden het gebruik, als ze niet daar in de tempel aanwezig konden zijn, van een afstand toch mee te doen in gebed. Nou, dat is natuurlijk iets heel moois, een hele mooie gedachte. Eigenlijk net zoals nu aan de kerkradio er ook mensen met ons meeluisteren en meebidden.

Maar juist omdat het zo ‘vroom’, zo ‘gelovig’ was, maakten mensen er ook een beetje een show van. Waar ze ook waren, in de synagoge of gewoon op straat. Men liet het werk uit de handen vallen en ging op het juiste moment staan bidden. Voor iedereen zichtbaar en hoorbaar. Zodat de mensen om hen heen ook konden horen hoe mooi ze baden. En daarmee gaat het mis. Want wij mensen zijn daar heel gevoelig voor: wat ‘men’ van ons denkt. Steeds beter gingen ze daarom hun best doen om zo móói mogelijk te bidden. Ze maakten er bijna een bid-wedstrijd van…

Zou u, zou jij daaraan mee doen? Vindt u dat u een beetje mooi kunt bidden? Doet u daar uw best voor? Ik denk het niet. Wij zitten meer aan de andere kant, denkt u niet? In het openbaar een gebed doen, dat is spannend, dat doen we liever niet. En wij bidden zeker niet op straat! En toch, zelfs als je weet dat je alleen bent, dan nog is bidden moeilijk. Want al zijn er geen andere mensen, die naar je gebed luisteren. Je luistert wel een beetje naar je eigen gebed. Hoe zit het met de kwaliteit van uw gebed? Bent u daar tevreden mee? Raffelt u uw vaste gebeden af? Doet u het meestal uit gewoonte en gedachteloos?

Jezus noemt mensen die tevreden zijn met hun eigen mooie gebeden ‘huichelaars’. Hun gebeden zijn bedoeld voor de omstanders; en daarmee vooral voor zichzelf, omdat ze er eer mee krijgen en zich er goed bij voelen; en niet voor God… Ze bidden voor zichzelf, met het oog op zichzelf en niet tot God. Jezus laat ons vandaag dus even kritisch kijken naar onze gebeden. Hij is blijkbaar niet zomaar al blij áls wij bidden. Hij heeft ons ook iets te zeggen over de manier waarop wij bidden.

 

Dat komt wel dichtbij en dat is ook kwetsbaar. Want in onze gebeden verwoorden we onze diepste gevoelens, dat wat uit ons hart komt. Hoe kan Jezus daar kritiek op hebben? Nou, dat is dus ook niet Jezus bedoeling. Het gaat Hem hier niet om de inhoud van onze gebeden, maar om de praktische kant van de zaak. Als je bidt, hóe doe je dat dan?

Het eerste is dan: niet op straat, maar in de binnenkamer. Grotere huizen in die tijd, hadden in het midden van het huis een kamer zonder ramen, vaak met een stevige deur ervoor. Die ruimte werd meestal gebruikt als opslagruimte voor etenswaren, het bleef daar lekker koel en donker. De binnenkamer. Dáár zegt Jezus, dáár moet je bidden. Een groter contrast met de straat is niet mogelijk: vanuit het lawaai en het licht en de mensenmassa, naar de stilte, het donker en de eenzaamheid. Nu is dat een heel praktisch advies:

Het lijkt me dat je als je zo’n plek op zoekt, je inderdaad beter kunt concentreren op je gebed. Om te bidden heb je rust nodig.

Doe die moeite ook elke dag even: zoek een plek op waar je niet gestoord wordt, waar het stil is. Waar je echt even alleen kunt zijn met God. Dat hoeft niet letterlijk een apart, donker kamertje te zijn in huis. In Jezus’ tijd hadden vooral de arme mensen zo’n ruimte ook helemaal niet. Van Jezus lezen we ook vaak dat Hij zich buiten in de natuur terugtrekt. Bijvoorbeeld in Mattheus 14:23. Jezus heeft in vers 12 net gehoord dat Johannes de Doper gedood is door Herodes:

‘En toen Hij de menigte weggestuurd had, klom Hij de berg op om er in afzondering te bidden. Toen het avond was geworden, was Hij daar alleen.’

Jezus’ punt is dus niet dat wij onszelf per se op moeten sluiten in een donkere kamer, dat mag ook op andere plaatsen waar je alleen kunt zijn. Zijn punt is dus dat het bij bidden niet gaat om de mensen, en wat die van jou denken, maar helemaal om God. Als je bidt heb je geen pottenkijkers nodig. Niet de mensen, maar God is het adres van ons gebed.

En toch, je neemt altijd iemand mee als je bidt, en dat ben je zelf. Voor veel mensen die bidden is dat geen probleem. Veel mensen die nog ergens vaag in God of ‘iets’ geloven, vinden dat zelfs de waarde van het gebed. Volgens hen gaat het ook niet zozeer om de vraag of je tot Iemand bidt, maar gewoon om het luchten van je hart. Bidden is een soort therapie voor jezelf. Door je eigen gedachten onder woorden te brengen, krijg je zorgen en beslissingen voor jezelf op een rijtje. Dat is bidden als een soort meditatie. Nu hoort dat er helemaal bij en dat is ook een positief effect van bidden.

Maar volgens Jezus is bidden niet zo gericht op jezelf.

‘Sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is.’

De eenzaamheid, de rust, de stilte opzoeken, dat is dus geen therapeutisch advies. Maar een gelovig advies: Als je bidt, probeer dan echt je best te doen je te richten op God. ‘Die in het verborgene is’. Even helemaal niet met de wereld en met jezelf, maar helemaal met Hem bezig zijn. Dat is het doel van het gebed…En dat is vreselijk moeilijk.

Het valt niet mee in onze tijd, om de stilte en rust te vinden. En nóg moeilijker is het even alle mensen, ook jezelf, je eigen gedachten en meningen en zorgen te parkeren en aandacht te hebben voor God. Dat is al moeilijk in de kerk, toch? Om echt even te luisteren en met andere dingen bezig te zijn als de dingen van alledag. Juist het Avondmaal kan iets zijn wat ons helpt te concentreren. Probeer deze week tijdens het bidden alvast te denken aan dat brood en die wijn die hier volgende week uitgedeeld zullen worden. Dat die wijzen op Jezus Christus die Zijn lichaam en bloed voor ons over had aan het kruis.

In de stilte van de binnenkamer is dan geen leegte, zoals mensen die alleen maar mediteren en praten met zichzelf, maar dan is God daar, de Vader, dat is de belofte die Jezus ons hier ook mee geeft.  Als Hij het adres is van je gebed, degene tot Wie je je helemaal richt en opent, dan komen je gebeden aan. Net als bij de gaven in vers 4 staat ook hier in vers 6: ‘Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.’ De Vader hoort en verhoort onze gebeden. Hij geeft ons wat we nodig hebben.

Maar natuurlijk zijn gebeden geen toverspreuken, geen magische woorden. Dat weten we allemaal wel. In boeken en films, zoals de Harry Potter verhalen, kom je dat nog wel eens tegen en in sprookjes. Dat er spreuken zijn waardoor iets gelijk gebeurd. Zo werkt bidden niet. Bidden is geen magie. Bidden is geen kunstje dat je kunt leren en waardoor alles wat je bidt uit gaat komen. Al is dat soms jammer, vinden we. We bidden voor de genezing van een ernstig zieke bijvoorbeeld. En soms gaat het beter, maar het werkt niet altijd. En we bidden voor vele kleine dingen: goede cijfers op school, mooi weer op vakantie, dat een ruzie met een familielid over mag gaan, om nieuwe energie als je moe bent, en ga zo maar door. Maar bidden is geen toveren. En hoewel wíj dat soms jammer vinden, zegt Jezus dat dat maar goed is ook.

In vers 7 zegt Jezus namelijk dat heidenen inderdaad denken dat bidden het uitspreken van bezweringen en toverformules is. Dat was in de tijd van de Bijbel inderdaad zo. Een bizar voorbeeld daarvan lazen we met elkaar al in 1 Koningen 18, waar er een soort bidwedstrijd wordt georganiseerd tussen de profeet Elia en 450(!) priesters van Baäl, de kanaänitische hemelgod van de regen en bliksem. De Baäl-priesters voeren allerlei rituelen uit, pijnigen zichzelf tot bloedens toe, schreeuwen naar de hemel ‘O Baäl, antwoord ons!’, maar het haalt niets uit.

Inderdaad bestond het bidden van heidenen in die tijd uit het zo vaak mogelijk herhalen van de namen van de goden. Want die woonden ergens hoog boven de wolken. Je moest moeite doen om hun aandacht te trekken. En je woorden moesten vooral mooi en vleiend zijn voor hen, om hen ervan te overtuigen jou te helpen. Bidden was hard werken. Vaak bad men urenlang met door priesters bedachten zinnen en bezweringen. En dan hoopte men maar dat de afgod zou horen en helpen… En als er niets gebeurde, had je toch niet goed gebeden.

Daartegenin zegt Jezus:

‘Als u bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want zij denken dat zij door de veelheid van hun woorden verhoord zullen worden.’

Dat dat inderdaad zo is, dat bleek ook al uit het verhaal van Elia en de Baälpriesters. Terwijl die de hele dag schreeuwend en roepend en zichzelf pijnigend hebben lopen bidden, kiest Elia het moment van het graanoffer in de tempel. Het vaste gebedsmoment en hij spreekt de eenvoudige woorden:

‘HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de ware God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt.’

En onmiddellijk valt er vuur uit de hemel en verteert het offer. Onmiddellijke gebedsverhoring. Was dat omdat Elia zulke mooie woorden zei? Omdat hij wel goed bad? Was het een toverspreuk die vuur uit de hemel liet komen? Nee, hij richtte zich oprecht en met eenvoudige woorden tot God. Dat was genoeg.

Jezus zegt dus dat uw gebed niet bijzonder hoeft te zijn, niet lang, niet mooi. Dat doet er niet toe. Dat is iets om goed te onthouden. Wij vinden bidden soms zó moeilijk dat we er maar niet aan beginnen. Dat kan ik niet, denk je dan misschien. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Straks zeg ik de verkeerde dingen. Voor heidenen, die hun afgoden aanbidden, zijn dat inderdaad onoverkomelijke drempels. Maar die haalt Jezus nu allemaal voor ons weg. Hij houdt de deur van de binnenkamer als het ware vandaag voor ons open en zegt: Ga maar, bid maar. Maak je geen zorgen over wat je zeggen moet en of je wel goed bidt. God stelt geen eisen aan je gebed. De Vader is al lang blij als u zich gewoon echt tot Hem richt. Wees in uw gebed maar gewoon wie u bent.

Ook voor de kinderen en jongeren onder ons is dat prettig: Je mag gewoon tegen God praten in je eigen woorden. Zeggen wat je dwars zit en waar je blij mee bent. Wij hoeven niet bang voor Hem te zijn. Je hoeft niet met bidden te wachten tot je volwassen bent, belijdenis hebt gedaan en veel Bijbelkennis bezit.

‘Ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader.’

Moeilijker is het niet.

 

Tegelijk is het heel wat om God als Vader aan te spreken. Dat is het bijzondere, het evangelie, in deze verzen. Jezus zegt hier: Je moet niet bidden, zoals mensen die zich vroom voordoen, en in het gebed voor zichzelf en andere op het oog hebben. En: Je moet ook niet bidden als de heidenen, die hele verhalen houden in het gebed, en die gebeden maar blijven herhalen. Je moet als christen, als mijn volgeling, bidden. En dan spreek je eenvoudig met je Vader in het verborgene. Volgende week, in de Avondmaalsdienst, zullen we dan ook stil staan bij het ‘Onze Vader’ vers 9-13.

Maar wie kan zomaar tegen God ‘Vader’ zeggen? Alleen een kind van God kan dat. Iedereen kan bidden tot God. Zoals iedereen een brief kan sturen naar je ouders. Op school leer je hoe je dat moet doen: De aanhef is dan ‘Geachte heer/mevrouw…’ Maar als jij je vader of moeder een briefje schrijft of een kaartje geeft, schrijf je erboven ‘Lieve papa, lieve mama’. Dat is heel anders. En post van allerlei bedrijven of onbekenden, die lezen je papa en mama misschien even door, maar het meeste gaat zo het oud papier in. Een briefje van jou niet, dat bewaren ze, ergens in la.

Zo is het met bidden ook. Wij richten ons niet zomaar tot God. Alsof God naar ons mensen zou moeten luisteren. Je kunt God niet zomaar als Vader aanspreken, als papa. Dat is eigenlijk al een geloofsbelijdenis. Wanneer je je zo tot de Vader richte kun je dat alleen doen, omdat je Jezus volgt. Omdat Jezus jou verteld heeft dat jij zo mag bidden als je in Hem gelooft. Door Hem te volgen en door zo bij Jezus te horen, wordt je een kind van God. In Jezus’ geloven, houdt in dat Jezus voor ons gestorven is, dat onze zonden vergeven zijn, dat wij wedergeboren zijn, opnieuw geboren. We krijgen een nieuwe eeuwig leven van Hem als kinderen van God. En dáárom mag je God als Vader aanspreken, en wil Hij naar je luisteren als naar Zijn kind.

Jezus zélf is dus een essentieel onderdeel van ons gebed. Hij is als het ware de postbode die onze brieven aan God, onze gebeden, bij Zijn Vader brengt. Hij is de Middelaar, die onze gebeden bij de Vader onder de aandacht brengt. Daarom sluiten we onze gebeden ook altijd af met ‘in Jezus Naam’ of ‘om Jezus’ wil’.  Wij bidden dus op grond van ons geloof, van ons vertrouwen in Jezus. Wij bidden niet op basis van onze mooie woorden, maar op basis van die geloofsrelatie met Hem.

Voor u die leeft vanuit dat geloof, is het wel een goed om er op te letten hoe u God aanspreekt in het gebed. Als u ‘Vader’ zegt, bedenk dan de achtergrond van die aanspraak. Dat het een wonder is, dat wij ons zo tot God mogen verhouden, dat wij zo mogen bidden. Daar heeft Jezus voor moeten sterven. Sta daar eens bij stil. In het bijzonder in deze week van voorbereiding: Naderen tot God de Vader in het gebed, is in wezen hetzelfde als Avondmaalsvieren hier in de kerk. Want ook dan komen wij tot God enkel en alleen op grond van het offer van Jezus Christus. Niet op basis van ons goede leven, onze mooie daden en woorden.

Voor u die níet leeft vanuit het geloof in Jezus Christus, als u niet durft te zeggen dat u een kind van God bent, een bekeerd mens, een wedergeboren christen. Spreekt u God wel aan als Vader? Waarom doet u dat dan? Mag dat dan wel? Misschien is dat dan wel een verkapte geloofsbelijdenis… Dat kan, dat je zegt: Ik durf niet te zeggen dat ik een kind van God ben! Dat klinkt zo hoog!… Maar, ik weet door de liefde van Jezus Christus wel, dat God míjn Vader wil zijn. Dan mag je Hem toch zo aanspreken en dan mag je zo ook aan het Avondmaal.

Alle mensen bidden wel, maar niet iedereen op dezelfde manier. Andere religies, heidenen, doen het heel anders dan wij. Die bidden niet tot God als Vader. Wij bidden niet uit plichtsbesef, niet uit demonstratie van ons geloof, niet als vroom goed werk. Maar om te spreken met onze Vader in de hemel, op een basis van vertrouwen en beloften. Op basis van ons geloof in de Zoon van God, Jezus Christus, die ons als belofte meegaf: ‘uw Vader weet wat u nodig hebt, voordat u tot Hem bidt.’

Daarmee bedoelt Jezus niet dat we niet meer hoeven te bidden, omdat God het toch al weet. Die conclusie zou je ook kunnen trekken. Maar Jezus bedoelt het juist als een aanmoediging voor ons gebed. Omdat God al weet wat wij nodig hebben, hoeven wij niet te aarzelen om tot Hem te gaan.  Als God dat niet wist, moesten we eerst nadenken over wat we gingen zeggen, of we het wel gingen zeggen, en hoe we het moeten zeggen. Al die drempels tot het gebed, neemt Jezus hier voor ons weg. We hoeven ons niet vromer voor te doen dan we zijn. We hoeven onze beden niet te verpakken in prachtige woorden en lange zinnen.

We mogen tot God gaan op een basis van vertrouwen, dat Hij als een Vader voor ons wil zorgen en dat Hij ons wil geven wat wij nodig hebben. Maar Hij wil niet zomaar een automaat zijn, Hij wil graag dat wij het Hem vragen, zodat er iets van een gesprek ontstaat tussen ons hart en de hemel. Dat er een relatie groeit, een band, die zich keer op keer verdiept en versterkt. Zelfs al kún je niet bidden door ziekte, door pijn, door twijfel, dan nog mag je bidden. Zelfs al weet je niet wát je moet bidden, ga tot de Vader in het gebed. Zelfs als wij misschien heel tevreden zijn met ons zelf en denken niet te hoeven bidden. Hij weet beter dan jijzelf wat je nodig hebt. Hij ziet scherper dan wij.

‘Uw Vader weet wat u nodig hebt.’

Van ieder van ons persoonlijk. Als Vader heeft Hij in het bijzonder ook oog voor u, voor jou. Hij weet dat wij genade nodig hebben. Hij weet dat wij mensen zonder Hem niet kunnen. Hij weet dat het moeilijk voor u en jou is om stil te worden voor het gebed. Hij weet het. En Hij wil in die noden voorzien. Hij wil ons geven wat wij nodig hebben. Ter versterking van ons geloof, mogen we volgende week zondag Avondmaal vieren. Daar mogen we die genade en vergeving voor ons persoonlijk proeven. Daar ervaren we de zorg van de Vader voor ons, Zijn kinderen. En dat is dan nog maar een voorproefje van het Koninkrijk van God, de Hemelse Maaltijd. De Vader zal alle noden van de wereld lenigen.

Dat gelovende, dat hopende, dat wetende, zo vertrouwende, mogen we in onze binnenkamer, in de stilte als niemand ons ziet, ons richten tot deze goede Vader. Zonder dikdoenerij, zonder mooie woorden. ‘Uw Vader weet wat u nodig hebt.’

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s