Één God alleen (1e gebod)

Preek over het 1e gebod a.d.h.v. bijbelteksten en Zondag 34b van de Heidelbergse Catechismus.

File:Rembrandt - Moses with the Ten Commandments - Google Art Project.jpg

Rembrandt – Mozes met de Tien Geboden (1659)

Gemeente van Jezus Christus,

Gelooft u in God? Dat moet haast wel, als je hier in de kerk zit, toch? Het is bijna niet voor te stellen dat je je levenlang in de kerk komt zónder in God te geloven. Nu, zou je kunnen zeggen, dan scoren we in ieder geval ons eerste punt als de Tien Geboden worden voorgelezen, zoals ze hier elke week klinken:

1 Toen sprak God al deze woorden: 2 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte,  uit het slavenhuis, geleid heeft. 3 U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

Die is binnen zou je zeggen. Want wij geloven dat er maar één God, dus als wij in God geloven, zitten we meteen goed. Logisch. Zo, preek klaar. Amen.

[…]

Wacht even: Eeuwenlang hebben we het in Nederland zo beleefd. Maar de laatste decennia is daar toch wat verandering in gekomen. Met de komst van moslims naar Nederland en de wereld die voor ons opengaat via de tv, worden we meer en meer geconfronteerd met mensen die daar heel anders over denken. Zo logisch als het vroeger was, is het niet meer. Er komen vragen op over Allah: Is dat nu dezelfde God als die van ons? ‘Allah’ is in het Arabisch ook gewoon het woord voor ‘God’. En gaan alle religies uiteindelijk niet over hetzelfde, over liefde voor elkaar. Dan heb je bovendien nog veel mensen die zeggen: Ja, ik geloof wel in God, maar niet op de manier van de kerk. Ik geloof dat er iets is, een macht, die voor mij zorgt en mij kracht geeft. Zo kun je allerlei verschillende mensen op hele verschillende manieren over God horen spreken.

En, wordt er dan gezegd, je moet mensen ook in hun waarde laten. Ieder mag z’n geloof zo best op een z’n eigen manier beleven. Want wie ben jij om anderen te vertellen wat ze moeten geloven. Ik doe het op mijn manier, jij op de jouwe, even goede vrienden. Dat lijkt een mooie oplossing: We hebben het allemaal over ‘God’, maar we laten elkaar ruimte hoe we dat verder ieder voor onszelf invullen.

Precies op dit punt gaat de Bijbel een andere weg. Met dit soort praat kunnen wij als christenen daarom niet meekomen. Wij stellen heel scherp: Als je het hebt over God, wie bedoel je dan? Wat zegt dat woord ‘God’? Wij willen niet zomaar met iedereen door één deur. Waarom niet? Omdat wij in de Bijbel horen dat onze God een naam heeft, HEERE (met allemaal hoofdletters staat er dan in je Bijbel), Jahwe in het Hebreeuws. Wij geloven niet zomaar in ‘God’, wij geloven in Jahwe, de HEERE. Met nadruk staat dat in de aanhef van de Tien Geboden.

Israël ontving als volk die Tien Geboden vlak na de uittocht uit Egypte. In die tijd geloofden alle mensen wel in een god of in meerdere goden. Iedereen was enorm religieus. Te midden van al die religies, wordt het volk Israël opgeroepen zich exclusief te richten op de God die verlost heeft uit Egypte, de God van Abraham, Izak en Jakob, Jahwe. Ze mogen geen andere goden dienen, dan deze God alleen.

Tot op zekere hoogte was dat logisch: Deze God, Jahwe, had hen immers bevrijd, Zijn macht getoond. Deze God dienen, dat kan dus heel wat opleveren. Met zo’n God kun je blij zijn. Dat is voor ons mensen toch een krachtig argument om een God te dienen: Je kunt Zijn goddelijke macht in moeilijke omstandigheden goed gebruiken. Bovendien is het voor Israël ook geen vrije keus op dat moment: Ze staan midden in de woestijn Sinaï met al hun hebben en houden. Ze zijn ook overgeleverd aan de macht van deze God.

De vraag: ‘Geloof je in God?’ is dus veel te algemeen, ook in onze tijd, te midden van zoveel verschillende meningen en geloven. Geloven wij in déze God, ‘de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft’, zoals de catechismus zegt? Als je níet in deze ware God gelooft, dan zit je er echt naast. Zo exclusief is het.

Tot zover klinkt het allemaal heel logisch. Veel nieuws heb je misschien nog niet gehoord deze preek. Natuurlijk één God dienen, want er is er maar één, en dat is de God van de Bijbel. Dat geloven we ook. Anders zouden we hier niet in de kerk komen, om uit de Bijbel te leren. Het eerste gebod is dus logisch en helder, en je zou zeggen: Dat gebod is binnen, dit is zeker het gemakkelijkste gebod.

Maar als je na het geven van de Tien Geboden bij de Sinaï het volk Israël verder volgt door haar geschiedenis heen. Hoe ze na de woestijnreis gingen wonen in Kanaän en verder door de koningentijd. Dan is er één gebod dat het keer op keer moet ontgelden, wat maar niet lukt om gehouden te worden, en dat is dít gebod: ‘U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’ Alle profeten die de HEERE stuurde hebben deze kernboodschap voor een volk dat het maar niet lukt om zich hier aan te houden.

Op een hele aangrijpende manier doet de profeet Hosea dat. Zijn profetie stelt de band tussen de HEERE en Israël voor als een huwelijk. Een huwelijk waarbij de vrouw, Israël, altijd geprofiteerd heeft van haar man, de HEERE, maar ondertussen met allerlei andere mannen, goden, vreemd gaat. Een paar verzen uit Hosea 12:

1 Klaag uw moeder aan, klaag haar aan, want zij is Mijn vrouw niet en Ik ben haar Man niet. Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen,en haar overspel van tussen haar borsten. …  4 Want hun moeder heeft hoererij bedreven; zij die van hen zwanger is geweest, heeft zich schandelijk gedragen. Zij zegt immers: Ik ga achter mijn minnaars aan; die geven mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank. …  7 Zíj erkent echter niet dat Ik het ben Die haar het koren, de nieuwe wijn en de olie gegeven heb, dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb, dat zij voor de Baäl gebruikt hebben. … 12 Ik zal haar de dagen van de Baäls vergelden, waarop zij reukoffers aan hen bracht. Zij tooide zich met haar ring en haar halssieraad en ging achter haar minnaars aan, maar Mij vergeet zij, spreekt de HEERE.

Het ging juist met dit gebod dus echt heel erg fout. Waarom? Hoe kwam dat? Allereerst moet je zeggen, dat Israël leefde te midden van volken en mensen die allerlei andere goden aanbaden. Ze kwamen zogezegd dagelijks andere goden tegen. Hun Kanaänitische, Moabitische of Hethitische buren, in het huis of de boerderij naast hun, dienden goden met namen als Baäl, Astarte, Kamos, El, Sjemes, enz.. In die tijd had ieder bovendien nog geen eigen bijbeltje, er was geen zondagsschool, of catechisatie. Dus je raakte ook snel van je eigen geloof af.

Heel praktisch: Je buurman heeft een jaar goed geboerd: geen beesten doodgegaan of opgegeten door wilde beesten, een mooie oogst. Bij jou wel, een mager jaar. Je spreekt je buurman en die zegt: ‘Ja, buurman, maar ik had ook een mooi offer aan Baäl gebracht van’t voorjaar. Dat betaald zich terug, he!’ Dan krap je jezelf eens achter je oor, en denkt: Misschien moet ik dat volgend jaar ook maar doen…

Wat in de verlaten woestijn van de Sinaï zo logisch klonk, dat klinkt heel anders in de praktijk van het dagelijkse leven. Is dat bij ons ook niet zo? Lezend in je Bijbel, zittend in de kerk, lijkt het geloof in de HEERE zo logisch en mooi. Maar doordeweeks kun je er niet van eten. Heel gemakkelijk doe je even wat zwart werk tussendoor. Je hebt de moed niet om in te gaan tegen de tolerante mening van anders-gelovigen. We gaan op in de zorg voor het gezin.

Zo ging het in Israël. Het was in feite altijd maar een kleine kern van het volk, die het volgehouden heeft, zich echt te beperken tot de HEERE. In onze tijd is het niet anders. Er zijn niet veel mensen die het vol houden: 100% gaan voor God, niet zomaar voor ‘een God’, nee voor de God van Israël, de HEERE.

Hoe dat komt? Omdat die andere goden zo aantrekkelijk lijken. En dan moeten we goed begrijpen: dan hebben we het niet per se over andere religies. In de Bijbel is ‘afgoderij’ geen religie, eerder een levenswijze. Natuurlijk waren er heidense religies met allerlei occulte praktijken. Daar wordt in de catechismus ook tegen gewaarschuwd: We moeten ons verre houden van tovenarij/magie, waarzeggerij/horoscopen/astrologie/mediums, en aanroeping/gebeden tot heiligen of andere schepselen. (Dat laatste staat in de catechismus nog uit de tijd van de Reformatie tegen de Rooms-katholieken, die heiligen aanbidden). Met die dingen zit je op het terrein van de satan.

Maar wij kennen geen afgodendienst in ons land met tempels/beelden/offers voor andere goden dan de God van Israël. Toch betekent dat niet dat er geen afgoden zijn. Want ten diepste is afgoderij ‘in de plaats van God iets anders verzinnen of hebben, waarop je je vertrouwen stelt’, zoals de catechismus zo mooi zegt.  Het gaat er ten diepste dus niet om of je werkelijk gelooft dat er ergens boven op een berg of op de wolken echt andere goddelijke wezens bestaan. Het gaat veel aardser om machten of krachten waar je op vertrouwt, waar je je levensdoel uit haalt.

In Efeze 5 noemt Paulus namelijk een aantal hele menselijke zaken, die hij vervolgens benoemd als afgoderij. In vers 3-5 lees je:

3 Maar ontucht en alle onreinheid of hebzucht, laten die onder u beslist niet genoemd worden, zoals het heiligen past, 4 en evenmin oneerbaarheid, dwaze praat en lichtzinnige taal, die onbehoorlijk zijn; maar veelmeer past dankzegging. 5 Want dit moet u weten, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.

Ontucht, hebzucht en dat soort dingen, máken je tot een afgodendienaar. Afgoden dienen was namelijk dé manier om rijk te worden, gelukkig of machtig. Je bracht offers, en dan hoopte je dat het je voor de wind ging. Die machten zijn er in onze tijd nog steeds, de afgoden van onze tijd zijn geld, seks en macht. Wat ons van de ene ware God af kan houden, is in feite onze aardsheid, de gebondenheid aan wat voor ogen is. Draait eigenlijk onze hele maatschappij niet om geld? De overheid is vrijwel alleen maar bezig met de economie, met de welvaart. En hoeveel mensen om ons heen vinden daarin niet hun levensdoel? Verder is onze samenleving compleet doortrokken van seks. Je kunt geen film kijken, tv-programma, reclame, of er wordt wel op de één of andere manier op gezinspeeld. De suggestie gaat ervan uit: Geniet zoveel mogelijk van je begeerte, laat je verlangens de vrije loop, ga met zoveel mogelijk mannen of vrouwen naar bed. Dáár wordt je gelukkig van. En wij hopen deze wereld in onze macht te krijgen. Wij geloven in de wetenschap en in de techniek. Professoren zijn de nieuwe priesters van wie we ons heil verwachten, zeker in het ziekenhuis.

Ziet u, gemeente: afgoderij is niet alleen je bezig houden met occulte zaken, of een andere religie, zoals de Islam, aanhangen. Kenmerk van afgoderij en heidendom, is dat je je heil vooral zoekt ín de wereld. In alles wat voor handen en voor ogen is. Juist daarom is afgoderij zo verleidelijk: het heeft zoveel te bieden. Het is een val waar je zo gemakkelijk met open ogen in loopt. Omdat het zo onschuldig lijkt. Geld, seks, macht. Maar het zijn krachten die ons van God afhouden. God ziet dat haarscherp, en daarom zegt de catechismus: ‘als mijn heil mij lief is, moet ik dat vermijden en ontvluchten’.

Met andere woorden: Wat die moderne afgoden bieden, dat is schijn, dat biedt geen écht heil, geen écht levensgeluk. Sterker nog: ze storten je in het ongeluk. Als je gemakkelijk omgaat met seks, maak je relaties kapot. Als je gaat voor het geld, verlies je normen en waarden uit oog. En zelfs de grootste menselijke macht en techniek verliest het uiteindelijk tegen de dood. ‘Als je zaligheid je lief is, ontvlucht het, en houdt het bij de God van Israël alleen.’

Geloven in God gaat dus veel verder dan alleen verstandelijk, logisch, weten dat er maar één God bestaat. Dat is niet genoeg om dit gebod te houden. Het gaat veel verder. Het is nog veel exclusiever. Het gaat niet alleen om één God erkennen, maar om die ene God te volgen in leven en sterven. Van Hem al je heil, je geluk te verwachten. En dat is een merkwaardige keuze. Een keuze die geen mens uit zichzelf zomaar zou maken. Een mens is van nature afgodisch. Wij houden het liefst meerdere opties open. ‘Je  moet nooit op één paard wedden’. Zeggen we dan. In het leven willen we het liefst van alle walletjes mee-eten. Pakken wat je pakken kan.

De merkwaardige keuze van ons, christenen, is, dat we zeggen: Wij gaan maar voor één ding in het leven. Wij vinden maar één ding werkelijk belangrijk, en dat is de God van Israël, die zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. En dat is exclusief: dat is belangrijker dan eigen familie, eigen eer, eigen leven zelfs. Zo zegt Jezus het zelf (Mattheus 10):

37 Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard. 38 En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waard. 39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden. 40 Wie u ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.

Dit is toch een merkwaardig geloof, gemeente. Dit gaat dus niet om je eigen winst, wat het jezelf oplevert. Daarover gaat het juist bij afgoderij, bij heidendom. We voelen allemaal aan hoe vér deze woorden van Jezus gaan. Hij zegt niet dat we ouders en kinderen niet lief mogen hebben, maar dat er één ding absoluut bovenaan moet staan. Die absoluutheid strijkt ons tegen de haren in. Het geloof in de God van Israël kost in eerste instantie alleen maar heel veel. Dat maakt het merkwaardig. We zitten hier niet in de kerk, omdat we er zo gelukkig van worden. Omdat we het zo fijn vinden, maar gewoonweg omdat de enige ware God graag wil dat wij Hem eren. Dat is de basis onder ons hele geloof. Je doet het niet voor jezelf, maar voor Hem.

Met dit gebod wil God ons leren déze merkwaardige keuze te maken: eens niet aan jezelf denken, maar je kruis opnemen, je leven verliezen. Durf je dat risico aan? Want dat is dus een risico. Dan moet je al je andere zekerheden los laten. En wij houden zo graag meerdere pannetjes op het vuur. Zeker in onze tijd, waarin het geloof in de God van de Bijbel niet zo in de mode is, is het een merkwaardige keuze om daarvoor helemaal te gaan. Je buren en je collega’s kijken je gek aan. ‘Hoezo je leeft niet voor jezelf? Je mag toch wel een beetje lol maken in je leven? God kan toch niet van je vragen Hem belangrijker te vinden dan je kinderen?’ Ja, zo exclusief is God naar ons toe. Niets in de plaats  of zelfs maar in de buurt van Hem.

Jezus is heel duidelijk: Als we die merkwaardige keuze niet maken, lopen we Hem mis. Want Hij heeft niets aan halfslachtige mensen. Dan heb je misschien een goed, gelukkig, rijk, machtig leven hier op aarde, maar dan moet je Jezus missen, en in Hem ook Zijn Vader en Zijn Geest. Als jij Hem niet hoeft, hoeft Hij jou niet. God is goed, maar niet gek. Dat is ook een keus natuurlijk. Daar kiezen helaas velen voor. Vaak zonder dat ze weten wat daarin mislopen. Het is ongelooflijk dat de HEERE onze God nog wil zijn!

Wij zijn als christenen merkwaardig als wij volhouden dat wij geloven in God, niet zomaar een God naast andere goden, maar één God, de God van de Bijbel. Wij houden vol dat wij de waarheid hebben, alleen en exclusief. Alle andere mensen zitten er naast. Dat is vreselijke jammer voor ze, maar toch is het zo. En dat is niet zomaar onze mening, dat is een feit dat wij onderbouwen met komst van Jezus Christus op aarde. In Hem is God zelf gekomen, Jezus is God zelf. En dat blijkt uit de vele ooggetuigen van zijn kruisiging, zijn dood, zijn begrafenis én opstanding. Ons geloof is geen drijfzand, maar rotsgrond. Laten we daar geen streep van terugkomen. Laten we die grond verdedigen. Laten we ons vasthouden aan de woorden van Jezus zelf, die we lezen in Johannes 17:

1 Dit sprak Jezus, en Hij sloeg Zijn ogen op naar de hemel en zei: Vader,  het uur is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijkt, 2 zoals U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat Hij eeuwig leven geeft aan allen die U Hem gegeven hebt. 3 En  dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.

We hebben alleen eeuwig leven als wij God kennen, de enige waarachtige God én Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. Daar hebben we voor te staan. Dat geloof bepaald ons hele leven, en dan is er geen ruimte meer voor andere zekerheden. De catechismus laat die veelomvattendheid prachtig uitkomen door te laten zien hoe vér dat geloof gaat:

  1. Het is kennen, God kennen. De Bijbelse feiten kennen en als waarheid aanvaarden.
  2. Het is vervolgens vertrouwen. Een exclusieve relatie met die God aangaan voor je levensgeluk.
  3. Dat houdt ook onderwerping in. Ten diepste luister je alleen naar God. Niet eens naar jezelf. Hij heeft het volkomen voor het zeggen.
  4. Je geeft daarmee de macht over je leven uit handen. Je verwacht het goede niet meer van jezelf, van de wereld, van je spaarrekening, van je huwelijk, maar van Hem.
  5. En dat alles niet vanuit een blinde gehoorzaamheid, zoals in de Islam, maar vanuit liefde. Omdat je weet hoeveel God van jou houdt.
  6. Met heel je hart vol ontzag, vol vrees voor Hem. Omdat je tegenover God feitelijk niets voorstelt. Het hele universum is maar een stofje in zijn hand.
  7. Niets anders is dan je levensdoel dan Hem alleen te eren, omdat er niets anders voor jouw eer in aanmerking komt.

Dat zal heel je leven, je handel en wandel, je werk, je vrije tijd, moeten bepalen. Zo exclusief en zo merkwaardig is het christelijk geloof. Dat gaat héél ver. Dat is totaal. Geen enkele religie vraagt zoveel van haar aanhangers. En zeker de wereld niet. Maar ja, als je weet dat déze God zoveel van je houdt dat Hij zijn enige Zoon voor je liet sterven. Dan weet je: Deze God moet ik wel alles wat ik heb en ben in dankbaarheid, tot Zijn eer, geven. En dat is nog lang niet genoeg. Maar juist op die manier, totaal op God gericht als centrum van je leven, zo vind je je levensgeluk, eeuwig leven met Hem.

Dit is allemaal wel erg hoog gegrepen. Wie haalt het hierbij? Wij zijn niet beter als de Israëlieten die zich ook keer op keer in lieten pakken door het dagelijks leven en dat ook wel erg belangrijk begonnen te vinden. Het toch wel moeilijk vonden om 100% voor God te gaan. Laten we ondanks dat toch moedig volhouden dat het in feite toch wel zo ligt. Niet van ons uit, maar als roepstem van God. Ook naar de buitenwereld. Één God alleen, en we leven alléén voor Hem.

Schaam je er niet voor om te zeggen dat wij als christenen een stevig verhaal hebben, een betrouwbaar verhaal, het verhaal van Jezus Christus en dat het het júiste verhaal is. En dat God niet alleen om jou zo’n eigendomsclaim legt, maar in feite op iedereen, op de hele wereld… En dat we daar nog blij mee zijn ook, omdat we daarvan ons heil, onze zaligheid, en al het goede verwachten en nog krijgen ook.

2 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte,  uit het slavenhuis, geleid heeft. 3 U zult [hoeft!] geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Want Ik, de HEERE, zorg voor jullie.

Amen

 

(bijbelcitaten uit Herziene Statenvertaling)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s