Zwijgen over God of spreken?

Preek over het 3e gebod a.d.h.v. bijbelteksten en Zondag 36 (Heidelbergse Catechismus).

Hans Holbein jr. – Christus voor Kajafas (1523)

Gemeente van Jezus Christus,

Je kunt beter je mond maar houden over God. Dat is toch wel het gevoel van onze tijd. Dat wat onze samenleving graag wil. Vroeger was het gewoon om te pas en te onpas in gesprekken, op radio en tv, in de politiek, op school, over God te horen en te spreken. Maar als je dat nu doet, kijken mensen je raar aan. Zodat je je bijna verlegen voelt worden, dat je ‘God’ durft te noemen. Anderen reageren nog feller, en willen religie en praten over God helemaal verbannen naar de privésfeer. God, dat is iets voor achter de voordeur. Daar moet je niet mee aankomen op je werk, op school of in de politiek. Dat is de sfeer waarin we vandaag de dag leven. Gek genoeg nemen de mensen die dat het hardste roepen nog het gemakkelijkst het woordje God of Jezus in de mond, alleen dan als vloek.

Ja, misschien kunnen we beter onze mond houden over God. Niet alleen omdat het in onze tijd niet zo lekker ligt, maar vooral omdat God zélf het ook liever niet heeft dat we Zijn Naam te pas en te onpas gebruiken. Elke zondagmorgen horen we het 3e gebod uit Exodus 20:

U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.

Het eerste gebod ging over welke God Israël moest dienen: de enige ware God, de HEERE. Het tweede gebod ging over de manier waarop deze God gediend moet worden: niet met beelden, zoals de andere volken gewend zijn, want al te gemakkelijk vorm je je eigen beeld van God dat niet klopt. Het derde gebod gaat dan over de religieuze taal, de manier waarop je spreekt over en tot God.

Waarom is dat zo belangrijk, dat het als derde genoemd moet worden? Nou, met taal leggen wij verbindingen, geven wij betekenis aan ons leven, aan gebeurtenissen, ervaringen, gedachten, met woorden communiceren wij met elkaar en God. Je denkt er misschien zelf vaak niet zo over na, maar kunnen praten en luisteren, maakt ons tot mensen. Wat woorden doen, merk je nog het meest als je uitgescholden wordt, als er praatjes over je verspreid worden die niet waar zijn. Woorden kunnen relaties maken of breken. De liefde verklaren of de oorlog verklaren. Helen of kwetsen. Troosten of verdriet doen.

Niet alleen de verbinding met mensen, maar ook met God wordt door woorden gelegd. Niet door beeldendienst en rituelen, maar door het spreken van God in de Bijbel, ‘het Woord van God’, en door ons antwoord, in bidden en zingen. Nog meer dan in contact met mensen, komt het in dat contact met God aan op de goede woorden, op het goede spreken.

Dit derde gebod wil ons ervoor bewaren dat wij de relatie tot God verpesten met verkeerde woorden. Het gebod verbiedt ‘ijdel gebruik’ van Gods Naam. Dat is het gebruik van Gods Naam zonder doel, zinloos, tevergeefs, verkeerd. Iemand vervloeken, of zweren ‘God is mijn getuige!’, terwijl het onnodig is, of onoprecht. En in de Bijbelse tijd, gebruikte men ook veel magische spreuken om het kwade te weren, ziekten te genezen, amuletten om de hals, ook daarin mag de Naam van God niet gebruikt worden. Immers, met dat soort dingen gebruik je de Naam alleen maar om er zelf beter van te worden.

Ik zat daar van de week eens over na te denken en bedacht me dat wij de Naam van God, zoals ik vóór de preek die uitlegde, eigenlijk helemaal niet gebruiken. Zeker niet de Naam zelf, die ik hier alleen met eerbied gebruik: ‘Jahweh’, de HEERE. Niet in de zin dat wij onnodig zweren, niet in de zin dat wij vloeken. En ook niet in magische spreuken. Die dingen kennen wij sowieso niet. Onze tijd is helemaal geen tijd dat we de Naam van God teveel gebruiken. Eerder te weinig. Soms vergeten we misschien zelfs dat onze God een Naam heeft…

Je zou kunnen zeggen: ‘Nou, daarmee houden we ons toch aan dit gebod? God wilde toch zelf niet dat wij het over Hem zouden hebben?’ Maar zwijgen over de HEERE heeft echter tot gevolg dat de verbinding met Hem ook verdwijnt. Zoals je mensen kunt dood-zwijgen, kan dat met God ook. Als je het niet over Hem hebt, dan lijkt Hij er ook niet te zijn. Dat is in feite wat er gebeurt in onze maatschappij. En uit verlegenheid worden wij als kerk daarin meegezogen. Bang voor grote woorden, voor een claim op de waarheid, als we tegenwoordig zijn.

En dat uit zich niet alleen in het spreken in het openbaar, maar ook in de binnenkamer. Velen, ikzelf ook, en u wellicht ook, lijden onder sprakeloosheid in het gebed. Wat moet je zeggen tot de HEERE? Hoe neem je Zijn Naam op je lippen?

Ja, ik weet wel hoe het komt, dat dat zo is. En jullie ook wel. In het verleden hebben christenen en niet christenen elkaar naar het leven gestaan met hun woorden over God. Ieder dacht wel te weten hoe het zat met God en geloof. Boeken, bibliotheken vol zijn er geschreven, eeuwenlang is er gepreekt in kerken. Tallozen hebben Gods Naam op de lippen genomen, maar de wereld is er niet beter van geworden. Het wordt de kerk vandaag de dag nog steeds voor de voeten geworpen: ‘Jullie hebben de mond vol over Jezus en liefde, over God en gerechtigheid, maar ondertussen…’

En dan hebben ze nog gelijk ook. Er is veel, heel veel óver God gepraat zonder dat er een relatie met Hem was. Een voorbeeld dat dat duidelijk maakt, vinden we al in de Bijbel, Handelingen 19:13-16:

En enkele van de rondtrekkende Joodse duivelbezweerders waagden het de Naam van de Heere Jezus uit te spreken over hen die boze geesten hadden. Zij zeiden: Wij bezweren u bij Jezus, Die door Paulus gepredikt wordt. Het waren zeven zonen van Sceva, een Joodse overpriester, die dit deden. Maar de boze geest antwoordde en zei: Jezus ken ik en van Paulus weet ik af, maar u, wie bent u? En de man in wie de boze geest zich bevond, sprong op hen af en toen hij hen overmeesterd had, bleek hij sterker dan zij, zodat zij naakt en gewond uit dat huis vluchtten.

Deze zeven zonen gebruikten de Naam van Jezus als een magische bezwering. Voor het goede doel, dat wel. Niet als vloek. En toch, toch ging het niet goed. Ze hadden het alleen maar over Jezus, dachten stevig in hun geloofsschoenen te staan. Maar hadden zelf niets met Hem… En ze werden door die boze geest overmeesterd. De geschiedenis is vol van dit soort voorbeelden: In de Middeleeuwen trokken de kruistochten naar Jeruzalem, onderweg alles verwoestend en plunderend, de joden en moslims vermoordend, onder het mom: ‘God wil het…’ En absoluut dieptepunt was, dat in het christelijke Europa, de SS’ers van Hitler rondliepen met op hun riemen de spreuk ‘Gott mit uns’.

Velen hebben zich opgeworpen als zogenaamde spreekbuis voor God, valse profeten, die riepen ‘Zo zegt de HEERE’. En nog steeds lijken sommige christenen een direct lijntje naar de hemel te hebben, als ze zo goed denken te weten wat God van bepaalde mensen of dingen vindt…

Je kunt je goed voorstellen dat mensen allergisch worden voor dat woordje ‘God’, laat staan voor Zijn Naam, HEERE, Jahweh. O zo gemakkelijk zit je er naast met je spreken over God. En dat is niet alleen jammer voor jezelf. Dat natuurlijk ook. Je leunt dan op drijfzand. De grote woorden die je gebruikt zijn ten diepste lege woorden. Lege woorden weerspiegelen een lege ziel. Maar ernaast zitten in je spreken over God, dat is toch vooral jammer voor God. Want door zo te spreken haal je Zijn Naam, Zijn reputatie naar beneden. Dat is ten diepste Godslastering. Je houdt niet alleen jezelf en anderen voor de gek, maar doet af aan de grootheid en heerlijkheid van de HEERE zelf. Aan Zijn Naam komen, is aan Hem zelf komen.

Als wij al woedend worden als mensen ónze naam door het slijk halen, terwijl er natuurlijk van alles op ons aan te merken is, hoe groot is dan de toorn van de heilige God, als Zijn Naam te grabbel in de modder ligt, als parel voor de zwijnen… Om de ernst daarvan duidelijk te maken, staat er in de wet van God de doodstraf op…

Als je dit zo hoort, denk je waarschijnlijk: ‘Ik kan inderdaad beter mijn mond maar houden, want het gaat zo wel heel gemakkelijk mis, en dat is nog levensgevaarlijk ook!’ Het is niet verkeerd als dat vanavond even tot je doordringt. De schrijvers van de catechismus noemen vloeken, laster, misbruik van de Naam ‘gruwelijke zonden’, en dat hebben ze goed gezegd…

Moeten we er dan inderdaad maar het zwijgen toe doen? Zwijgen over God. Zwijgen tot God. Het is precies die vraag, die centraal staat in het proces van Jezus voor het Sanhedrin op de dag van zijn lijden en sterven. Wanneer moet je zwijgen? Wanneer moet je spreken? En als je spreekt, hoe doe je dat dan? Wat zeg je dan? Hoe spreek je goed over God? Hoe breng je Hem te sprake? We lezen uit het lijdensevangelie, zoals Mattheus het ons vertelt, waar we Jezus aantreffen die terecht staat (hoofdstuk 26:63-65):

Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God. Jezus zei tegen hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel. Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.

Daar staat Jezus, en Hij zwijgt. Maar alleen dat zwijgen is al veelzeggend. Het is geen sprakeloosheid. Voor al die godgeleerde mensen, de schriftgeleerden, priesters. De hogepriester heeft zijn mond vol van God en van de Messias, de Christus, de Zoon van God. Hij doet zelfs een eed ‘Ik bezweer U bij de levende God’. Het is een overvloed aan grote woorden. Jezus’ antwoord is kort en krachtig. Hij gebruikt het woord ‘God’ niet eens. In uw Bijbeltje staat ‘God’ in zijn antwoord schuin gedrukt. Dat is voor de duidelijkheid door de vertalers tussengevoegd. Jezus noemt de Naam niet: ‘U zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechter van de kracht en komen op de wolken van de hemel.’

En toch, toch noemt de hogepriester zijn antwoord Godslastering. Niet omdat die Naam expliciet als vloek gebruikt is, maar omdat de Naam van God, de identiteit van God, wel in het geding is. Omdat het hier over de vraag gaat: Wie spreekt er goed over God? wie spreekt er namens God? Daarin staan de hogepriester en de Heere Jezus lijnrecht tegenover elkaar. Jezus wordt uiteindelijk om Godslastering veroordeeld en gekruisigd. Omdat Jezus zich aanmat in de Naam van, namens God te spreken, de waarheid over God te zeggen. Ja, zichzelf als de Zoon van God, aan Hem gelijk maakte.

Het is de keuze waar het evangelie ons voor stelt: Als je de verhalen over Jezus hoort, dan zijn er maar twee opties: Óf Hij was de grootste Godslasteraar die ooit op aarde heeft rondgelopen. Óf Hij is de enige die ons kan leren over en tot God te spreken. De schriftgeleerden kozen voor het eerste, want zij waren ervan overtuigd dat zij ook zelf wel wisten hoe over God te spreken. En jij, wat denk jij? Het evangelie duwt ons onweerstaanbaar naar die tweede optie: Jezus had gelijk. Hij sprak de waarheid over God. Hij lasterde niet, maar verheerlijkte Zijn Vader.

Willen wij niet tot zwijgen vervallen over en tot God, dan moeten we dus bij Jezus op taalcursus, op spreekles. Heel praktisch begrepen de discipelen dat toen ze aan Hem vroegen: Heere, leer ons bidden! En Jezus zei: Als u bidt, bid dan zo, ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt…’ Maar de taalcursus van het geloof gaat dieper dan dat. Wij leren de waarheid over God, over Zijn Naam, Zijn reputatie, door te letten op Jezus’ woorden én daden! In Jezus Christus wordt openbaar, duidelijk, wat het diepste wezen van God is.

We leren van Jezus dat het spreken over God altijd in twee woorden moet. Dat het gaat over zonde én genade, over rechtvaardigheid én barmhartigheid, over oordeel én liefde, over hemel én hel, over rechtvaardiging én heiliging, over wet én evangelie, over kruis én opstanding, over Gods verhevenheid én Zijn nabijheid. Dankzij Jezus en de verkondiging van het evangelie hebben wij de toegang tot God, tot Zijn Naam, tot spreken over Hem en bovenal, het spreken tót Hem, tot een relatie met Hem.

Omdat wij Jezus kennen uit de Bijbel, spreken wij niet meer in het algemeen over God, maar over de HEERE, Drie-enig, Vader, Zoon en Geest. Sinds de omwandeling van Christus op aarde, is het derde gebod alleen maar méér waar geworden: Het komt er op aan zorgvuldig om te gaan met deze Naam, nu het diepste en teerste van God open ligt als een zenuw in het evangelie. God heeft Zijn hart voor ons geopend, uit liefde. Dat is ontzettend kwetsbaar. Je kent dat vast wel: Als jij iets van je diepste gevoelens op tafel legt voor iemand, je liefde, diepste verlangen of verdriet, dan hoop je dat die ander dat aanvoelt en er met tact en respect mee omgaat. Hoe veel meer, past dat ons, als de HEERE, Jahweh, zich in Christus in Zijn hart laat kijken.

Als christenen hoeven we dus niet tot zwijgen te vervallen over God. Integendeel. Jezus zelf sprak vrijmoedig over Zijn Vader, en vanuit het geloof in Hem roept de Bijbel ons keer op keer op diezelfde vrijmoedigheid te hebben. Omdat wij niet meer over God spreken, als een apart onderwerp of thema, maar omdat wij Hem kennen, een relatie met Hem hebben en daar vanuit spreken. Hier past bij uitstek het spréékwoord(!) ‘Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.’

De catechismus veroordeelt daarom niet alleen het misbruik van de Gods Naam door het vloeken, meineed, of dat zelfs oogluikend toezien, maar benadrukt vooral de positieve kant. Dat wij in navolging van Christus, de HEERE belijden, aanroepen en prijzen. Dat is het goede gebruik van God-taal. Wat dat is, horen we in Kolossenzen 3,17:

En alles wat u doet met woorden of met daden, doe dat alles in de Naam van de Heere Jezus,  terwijl u God en de Vader dankt door Hem.

Als eerste ‘belijden’. Paulus roept ons in deze tekst op om alles wat we doen, al onze woorden én al onze daden te doen ‘in de Naam van de Heere Jezus’. Belijden dat is niet alleen je openbare geloofsbelijdenis hier voor in de kerk. En ook niet alleen ín de kerk, op club, kring of catechisatie, over God spreken, maar: Hem verbinden, verweven, met alles wat er uit je handen komt, met je dagelijks werk. In alles mag doorklinken dat je het kunt dankzij Jezus Christus, dat je dagelijks leeft van genade, dat je in al je woorden put uit Zijn liefde.

Je mag het zien als een uitdaging om in onze Godloze tijd, die verbinding voor je zelf weer heel helder te leggen: Werken in de zorg, dat is mensen helpen om Jezus’ wil, die ons Zijn liefde leert voor hulpelozen. Werken in het onderwijs, dat is een volgende generatie leren om te leven hun talenten te gebruiken voor Gods aangezicht. Werken in de bouw, dat is gebruik maken van scheppingsmateriaal, veiligheid scheppen, onderdak verschaffen, zoals Christus’ ons die geeft in het Vaderhuis. Werken als boer, dat is regelrecht ontvangen van vruchtbaarheid, van leven, uit de hemel, van Christus. Zó het leven en je werk verbinden met de Naam van Christus, tot in alle details, dat is belijden. Dat is goed spreken over de HEERE.

Wanneer we zo belijdend leven van Gods genade, dan kan en mag je niet anders dan Hem ook aanroepen in gebed. Zoals Christus Zijn leven vrijmoedig verbond met God en dat deelde met de mensen, zo vrij sprak Hij met Zijn Vader in de hemel. En zo leerde Hij het ons. Terwijl we naar buiten belijden, bidden we naar boven, naar God de Vader. ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt’. Als iets onze sprakeloosheid overwint, dan is het toch als je gaat zien dat al onze woorden en daden verbonden zijn met Jezus Christus. Dat we zonder Hem niets zijn en hebben. Dat we leven in Zijn wereld, van Zijn genade. In alle nood en gebrek, weet je dan tot Wie je je moet richten. In vreugde en dankbaarheid ook. Dan nemen wij de Naam op onze lippen: ‘HEERE, onze God! Hoor ons bidden om Jezus’ wil!’ Die Naam gebruiken we dan niet ‘ijdel’, niet tevergeefs, want Hij hoort die gebeden die zo tot Hem opklimmen.

Dan kan het niet anders of we komen tot het diepste en rijkste gebruik van de Naam, als we komen tot lofprijzing, tot dankzegging, tot aanbidding. Daarin wordt je diepste wezen vervuld, want je bent er door God voor gemaakt: de eer van God. Door Christus leer je zingen, je knieën buigen: De ware God-taal, het juiste spreken, de Naam op je lippen nemen, dat is prijzen.

De Naam niet naar beneden halen, maar hoog houden, verhogen, verheerlijken. Het is de heilige Geest, die ons leert te danken, te zingen, ’t is de Geest die ons doet zeggen: ‘Jezus Christus is de Heer’.

De Bijbel roept ons op het spreken tot God en over God niet alleen te beperken tot onze binnenkamer, tot de kleine kring van de gemeente, maar dat ook in alle openbaarheid te doen. Hoe moeten de mensen anders weten wie de HEERE is? Gods Naam is al genoeg door het slijk gehaald, hoe mooi zou het zijn als door uw en jouw leven het tegenovergestelde zou gebeuren. Dat er op die Naam voor de mensen weer glans en kleur komt. Dat de mensen weer ophoren en verwonderd raken van de grootheid van die Naam.

In Jeremia 4:1-2 is dat aan de orde:

Als u zich bekeert, Israël, spreekt de HEERE, bekeer u dan tot Mij, en als u uw afschuwelijke afgoden wegdoet van voor Mijn aangezicht, en niet meer rondzwerft, en als u zweert: Zo waar de HEERE leeft, in  waarheid, in recht en in gerechtigheid, dan zullen de heidenvolken zich in Hem zegenen en zich in Hem beroemen.

Door afgodendienst en meineden had Israël de reputatie van God besmeurt, Hem belachelijk gemaakt voor de heidenen. Maar er is een weg terug! Dat is de hoopvolle boodschap van Jeremia. Er is een weg van bekering, van terugkeer, naar het geloof, naar oprecht ontzag en eerbied voor de HEERE. Ja, de weg van God met Israël leek een mislukking te worden, de Naam van God een lachertje te zijn. Tot Jezus Christus in de wereld kwam, en de grootheid en liefde van God voor altijd gered heeft uit het stof, de schittering weer zichtbaar heeft gemaakt. Wij zijn geroepen Hem op die weg te volgen. Zoals Jezus’ woorden en daden impact hadden op de wereld, zo hebben die van jou dat ook.

Wanneer jij lacherig doet over het geloof, over God, wat moeten de mensen daarvan denken? Maar als ze in plaats daarvan bij jou iets zien van oprechte bekering, dat ze merken dat het geloof in Jezus Christus jou vreugde geeft, je leven zin; en als ze je toewijding zien aan de HEERE, je radicaliteit in de keuzes die je maakt of de prioriteiten die je stelt, dat God voor jou voor alles gaat; en als ze merken dat je betrouwbaar bent, een mens uit één stuk, en dat dat álles te maken heeft met je geloof. Ja, dan krijgt de Naam van God glans. Dan, schrijft Jeremia, ‘dan zullen de heidenvolken zich in Hem zegenen en zich in Hem beroemen.’ Je proeft het toch, als mensen oprecht ontzag en eerbied voor de HEERE op een hele praktische wijze vormgeven in het alledaagse leven. Daar gaat iets van uit. Ja, daar gaat zegen vanuit. Het eenvoudige christelijke leven, dat maakt grote indruk op mensen. Dát staat tegenover Godslastering.

We hoeven geen grote woorden te spreken, we mogen met onze woorden over God geen persoonlijke doelen nastreven, mensen monddood maken, de waarheid geweld aandoen. Maar we mogen ook niet zwijgen. De Naam van onze God, HEERE, Jahweh, de enige ware God, Drie-enig, Vader, Zoon en Geest, moet blijven klinken in de wereld door onze woorden en daden, zodat de hele wereld die Naam gaat kennen. Met minder kan die klinkende Naam niet toe. De lofprijzing, de heerlijkheid, de wijsheid, de dankzegging, de eer, de kracht en de sterkte is aan onze God tot in alle eeuwigheid.

Amen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s