Moeilijke vragen (1) ‘Waarom laat een goede God zoveel lijden toe?’

Gemeente van Jezus Christus,

1. Waarom stel je de vraag?

Meestal duurt het niet zo heel lang of de vraag komt op tafel als je het over God hebt: ‘Als jullie dan geloven dat er een God is, waarom laat Hij dan zoveel lijden toe in de wereld?’ Je kunt merken dat iemand erover struikelt met zijn gedachten als het ware. Zo gaat het in veel gesprekken over God en geloof. En dan moet jij het maar uitleggen… Dat alleen al kan een reden zijn waarom je een beetje huiverig bent om zulke gesprekken aan te gaan. Want kunt u het wel uitleggen?

Zitten we zelf vaak ook niet met deze vraag? Valt het onszelf ook niet moeilijk om te blijven geloven? Steeds meer en meer worden we in onze moderne tijd geconfronteerd met het lijden van mensen dichtbij en ver weg. Elk journaal kan gevuld worden met beelden van oorlog in Syrië, in Centraal-Afrika en Congo, met beelden van rampen, armoede, ziekte. Ik snap het wel als iemand zegt: ‘Ik kán gewoon niet in God geloven als ik dat allemaal zie. Ik krijg dat niet bij elkaar in mijn hoofd. Als er een goede en machtige God zou bestaan, zou Hij dat toch allemaal niet toelaten?’

Het eerste wat je dan moet doen is vragen stellen. Want als iemand dat zo zegt, zit er vaak meer achter, eigen verdriet. Jort Kelder werd geïnterviewd in het EO-blad Visie en die gaf ook aan niet in God te kunnen geloven, ‘omdat, zo zei hij, ‘ik niet kan geloven in een God die mijn moeder twee kinderen deed verliezen.’ Zo dichtbij komt het toch. Of zoals ik ergens las: ‘Ze was het dochtertje van mijn broer. Ze was pas drie en ze kreeg leukemie. Mijn broer was gelovig en ze hebben veel voor haar gebeden. Toen het beter ging hebben ze ook gedankt. Maar een half jaar later is ze toch gestorven. Als God dat toelaat kan ik niet in Hem geloven. Ze was pas drie. Ze had niets verkeerd gedaan. En het is zo’n fijn gezin. Zij zijn de laatsten die het verdienen…’[1] Wanneer je met iemand over de grote ‘Waarom?’-vraag in gesprek bent, is het goed eerst de ander zijn of haar verhaal te laten doen. Achter die hele algemene en grote vraag, zit vaak heel veel pijn en verdriet om gebeurtenissen in het eigen leven. Neem een voorbeeld aan Jobs vrienden, die eerst zeven dagen en nachten gewoon bij hem kwamen zitten zonder te praten (Job 2,13). Je troost iemand er niet meer door dan een grote discussie op touw te zetten.

Soms krijg je echter ook de indruk dat mensen er eigenlijk niet serieus over willen praten en nadenken. Of er al bij voorbaat vanuit gaan dat er toch geen antwoorden te vinden zijn. Dat maak ik ook wel mee in gesprekken, dat mensen zodra het over het geloof gaat, op de proppen komen met de vraag: ‘Als er een God is…?’ Waarbij je voelt: je staat op dit moment helemaal niet open voor een gesprek hierover, maar brengt dit alleen maar in om een gesprek te ontwijken. Het komt je te dichtbij en daarom brengt je dit grote probleem in, want je veronderstelt dat ook christenen met hun mond vol tanden staan. Of je vindt het veiliger een verstandelijke discussie aan te gaan, dan werkelijk te laten zien wat er in je hart leeft.

En laten we er niet omheen draaien: zo kan het bij gelovigen, bij mij, u, van binnen soms ook zijn. Dat we God een soort van ter verantwoording roepen. Psalm 73 gaat daarover. De dichter zegt: ‘want ik was jaloers op de dwazen, toen ik de vrede van de goddelozen zag.’ In zijn hart zit wrevel over het feit dat hij het moeilijk heeft, maar dat het goddelozen voor de wind gaat. Diep in hem wortelt de hoogmoed dat als hij God was, hij het béter zou doen, het regeren van de wereld. Rechtvaardiger.

Het is heel belangrijk dat wanneer je met iemand in gesprek gaat over deze vraag – zoals we nu ook een beetje zijn hier in de kerk – helder te hebben wat je doel is. Wil je puur de verstandelijke bezwaren uit de weg ruimen? Wil je troost bieden voor persoonlijk verdriet? Ruimte geven aan een worsteling? Laat het dan ten diepste een worsteling zijn om ondanks het lijden toch God te vinden, God vast te houden. Laat dat ook het doel van zo’n gesprek, van deze preek zijn. Zoals Psalm 73 een zoektocht is, te midden van aanvechting en twijfel. Een zoektocht naar God toe en niet om van Hem af te zijn.

2. Hoe kun de vraag niet stellen?

Dat zou ook geen oplossing zijn trouwens. De vraag naar het ‘waarom-van-het-lijden’ is namelijk geen specifiek christelijke vraag. Het is een hele menselijke vraag. Een vraag die ieder mens bekruipt, en waarop alle religies van de wereld hun eigen antwoord geven. Op één of andere manier kunnen we het als mensen niet of nauwelijks verkroppen dat lijden en kwaad zinloos zouden zijn. In het evangelie van Johannes (9,2) stellen de discipelen Jezus de vraag bij het zien van een man die blind geboren is: ‘Waarom is hij blind? Heeft hij gezondigd? Of zijn ouders?’ We kunnen er niet mee leven dat onze wereld onrechtvaardig in elkaar zou zitten. Alles moet een reden hebben. Tenminste zo voelen we dat.

De seculiere wetenschap probeert ons daarvan af te helpen door te stellen dat de wereld nu eenmaal als een machine draait, dat toeval en het lot alles bepalen. Dat je het leven maar moet nemen zoals het komt en dat er dus niet iets is als onrecht of kwaad. Als je ernstig ziek wordt is dat gewoon pech. En als kinderen misbruikt worden of omkomen door oorlog of honger, dan is dat nu eenmaal the survival of the fittest. Ten diepste gelooft niemand dat. Er is wel degelijk kwaad in de wereld, wreedheid, onrecht. Dat ontkennen levert pas een gruwelijk en wanhopig wereldbeeld op.

Volgens mij is het probleem van mensen die niet in God geloven daarom nog veel groter. Aan de ene kant kunnen wij ons geloof in God moeilijk rijmen met het kwaad en onrecht dat we om ons heen zien, aan den lijve ervaren. Maar aan de andere kant: we kunnen dat kwaad en de vragen en worstelingen die erdoor opgeroeid worden tenminste onder ogen zien. Stel je voor dat er inderdaad geen God zou zijn. Psalm 53 zegt dan: ‘De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij handelen verderfelijk, zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand die goeddoet.’ Als je niet meer in God gelooft, kun je uiteindelijk ook niet meer in goed en kwaad geloven, in recht en onrecht. Die maatstaven bestaan dan niet. De wereld zal altijd zo gebroken en wreed blijven zoals die nu is. Zij die kwaad doen, zullen dat mogen blijven doen, en slachtoffers, zijn in feite geen slachtoffers.

Dat gaat er niet in bij ons. Zelfs mensen die helemaal niet in een God geloven, die zeggen niet-religieus of zelfs atheïstisch te zijn, die lopen wel rond met gevoelens van onrecht. Die hebben daar alleen geen uitlaatklep voor. Zou het daarom zo zijn dat er een miljoen mensen in ons land anti-depressiva slikken? Je kunt de ‘waarom’-vraag niet omzeilen als mens. Dat moet je ook niet willen. Want we moeten het kwaad kwaad blijven noemen. Hoezeer je ergens kunt begrijpen dat een moordenaar een slechte jeugd heeft gehad, psychisch in de war is, dat neemt niet weg dat het slecht is wat hij gedaan heeft.

Ook als christenen mogen we de ‘waarom’-vraag niet omzeilen. Het gaat om het hart van ons geloof. Om het bestaan van God. En dan nog om de vraag of onze God werkelijk goed is. Is God wel wie Hij zegt te zijn? Daarmee worstelen veel dichters van psalmen (13; 77). Daarom zijn we er niet met alleen te zeggen: ‘Stel niet zoveel vragen, vertrouw maar op God’. Want de vraag van het lijden is ten diepste: ‘Is God wel te vertrouwen?’ Ziet Hij ons lijden wel? Doet Hij wel iets?

Wees niet bang als deze vragen in een gesprek aan de orde komen. Die vragen moeten gesteld worden, die vragen mogen gesteld worden.

3. God kijkt niet werkeloos toe!

Vaak ontstaat de indruk als die gesteld worden, dat we daarop ‘geen antwoorden krijgen’. Maar dat is niet zo. Als we met die vragen naar de Bijbel gaan, dan vinden we daar juist hele duidelijke antwoorden. Je zou zelfs kunnen zeggen: de hele Bijbel is een getuigenis van het feit dat God wel degelijk iets doet, dat Hij ingrijpt, dat Hij het kwaad overwint. Voor het volk Israël ligt dé ervaring daarvan in de Exodus uit Egypte (2,23-25): ‘Het gebeurde vele dagen daarna, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en het uitschreeuwden vanwege de slavenarbeid. En hun hulpgeroep vanwege de slavenarbeid steeg omhoog tot God. Toen hoorde God hun gekerm, en  God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob. En God zag naar de Israëlieten om en ontfermde Zich over hen.’ En dan volgt het verhaal hoe God Mozes gebruikt om Zijn volk uit slavernij te redden en hen te leiden naar het land Kanaän, waar ze vrij en gelukkig mogen zijn.

De geschiedenis van het volk Israël laat de constante betrokkenheid van de HEERE zien op zijn volk, op de mensen. Dat betekent niet dat God ervoor zorgt dat hen nooit kwaad overkomt. God heeft aan ons mensen vrijheid en ruimte gegeven. Hij wil immers geen Farao zijn, geen dictator. Wij mogen onze eigen keuzes maken, onze eigen mening hebben, ons eigen leven leiden. God laat toe dat we kwaad doen, ja. Maar dat wil niet zeggen dat God het er mee eens als we kwaad doen.

Ingrijpend zie je dat in de profeten van het Oude Testament. Hosea moet tegen het volk zeggen hoe diep het God raakt en pijn doet dat zij afgoden zijn gaan dienen, hun heil en geluk zoeken in andere dingen dan in Hem, die hun Bevrijder is. God is in zijn liefde diep gekwetst (Hosea 11:7-9): ‘Mijn volk volhardt in afkeer van Mij. … Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u uitleveren, Israël? Mijn hart keert zich in Mij om, al Mijn medelijden is opgewekt. Ik zal Mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen, Ik zal niet terugkeren om Efraïm te gronde te richten. Want Ik ben God, en geen mens.’

Constant merk je in de Bijbel in God zelf de tweestrijd: ‘Ik heb de wereld geschapen, ik heb de mensen geschapen. Ik wil dat ze bestaan. Ik wil dat ze vrij zijn.’ Maar ondertussen gaan mensen van kwaad tot erger. Dat wil God niet. Zo kunnen wij tegenwoordig toch ook tegen elkaar zeggen: ‘Ik ben het er helemaal niet mee eens wat je zegt, maar je mag het van mij wel zeggen.’ Zo ook bij God: Hij kan het kwaad niet verdragen. Het raakt Hem diep. ‘Mijn hart keert zich in mij om’. En toch grijpt Hij niet direct in. Want als Hij Zijn gekwetste liefde, Zijn brandende toorn, de vrije loop zou laten, blijft er niets van Israël, van ons over. Het zou ons einde betekenen. Maar dat wil niet zeggen dat het Hem onbewogen laat. Integendeel: Nog dieper dan God het kwaad haat, heeft Hij de mens lief. Ondanks dat Hij áfkeurt wat wij doen (zonden) en wat wij worden (zondaren), blijft zijn goedkeuring van de schepping, ons bestaan, staan: ‘En God zag dat het goed was wat Hij gemaakt had.’

We komen daarmee bij de diepste werkelijkheid die in de Bijbel over de mensen gesproken wordt. Als het gaat over God en het kwaad,… moeten we het ook hebben over de mensen en het kwaad:

In de eerste hoofdstukken van de Bijbel (Genesis 1-3) wordt dan ook gezegd dat de wortel van het kwaad in de wereld niet ligt bij God, maar bij de mens. Je kunt een onderscheid maken in twee soorten kwaad: Moreel kwaad (kwaad wat mensen doen) en natuurlijk kwaad (lijden door ziekten, ongelukken en natuurrampen). En dat eerste, het kwaad dat mensen elkaar aan doen, is in onze wereld misschien wel een veel groter probleem dan ziekten. Het is heel erg om ziek te zijn. Om mensen soms ondraaglijk en uitzichtloos te zien lijden. Maar raakt het ons niet veel dieper als we horen over misbruik van kinderen, over Assad die stadswijken uithongert in Syrië, en verder terug over de genocide in Rwanda, over de zes miljoen Joden die Hitler liet vermoorden in gaskamers. Je kunt het ene kwaad moeilijk met het andere vergelijken. Maar je kunt denk ik wel stellen dat  het meeste kwaad in de wereld aan ons mensen te wijten is. En dat zelfs ziekten en rampen mínder erg zouden zijn, als wij mensen ons gezamenlijk met alle macht in zouden zetten.

Toch laat God al die ellende wel toe. En dat maakt Hem in zekere zin wel verantwoordelijk. Niet in de zin dat Hij er schuld aan heeft, zelf kwaad heeft gedaan, of het kwade wil – integendeel! – maar het zijn wel Zijn mensen, Zijn schepselen, die dat doen, het gebeurt wel in Zijn wereld, Zijn schepping. Het gaat dus niet buiten Hem om.

Daarom is God zelf uit de hemel naar ons toe gekomen. Hij neemt Zijn verantwoordelijkheid! Het kwaad gebeurt in Zijn wereld en alleen Hij kan er wat aan doen. Daarom is Hij mens geworden, vertellen de schrijvers van het Nieuwe Testament ons. God vond een manier om het kwaad te overwinnen. Niet door vanuit de hoge hemel op bovennatuurlijke wijze met wonderen constant in te grijpen op het moment dat wij iets fout doen of in gevaar komen. God is geen hemelse kinderjuf, die ons de hele dag voor kattekwaad op de vingers tikt. Daarmee zou Hij ook een dictator zijn geworden, die ons elke vrijheid en ruimte ontnam.

Nee, Hij is uit de hemel gekomen, om ons in liefde nabij te zijn in de diepte van ons lijden. Niet alleen medelijdend, maar Hij neemt al het lijden, al het kwaad van de wereld op Zijn schouders. Dat gebeurt als Jezus Christus zijn kruis draagt. Daarvan profeteerde Jesaja al: ‘Voorwaar, onze ziekten heeft  Híj op Zich genomen, ons leed heeft Hij gedragen. … Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen  is er voor ons genezing gekomen. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg. Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen.’ Het wordt waar op het moment dat Jezus roept aan het kruis: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’

4. We kennen niet het antwoord, maar wel wat het niet is.

Dat klinkt ergens bizar: dat dit onschuldig lijden van Jezus aan het kruis – het allergrootste kwaad ooit geschied: dat God gekruisigd werd! – het christelijke antwoord is op de waarom-vraag. Hoe leg je dat uit aan je buren of collega’s? Ik denk dat je dat het beste uit kunt leggen door te wijzen op Pasen, op de opstanding van Jezus uit de dood. Kruis en opstanding horen bij elkaar. Dat is de harde pit van ons geloof. Ten diepste gaat het er in het kruis van Jezus namelijk om dat al het kwaad van de wereld daar stukbreekt op Zijn liefde voor ons. Dat blijkt uit de opstanding van Jezus: het kwaad heeft niet het laatste woord, maar de liefde van God overwint. De uitdaging is, denk ik, voor ons heden ten dage, om ons aan die grote lijn vast te houden. Als wij persoonlijk met lijden te maken krijgen, met de vragen: ‘Waarom wordt juist hij ziek? Waarom moest zij zo jong overlijden?’

Dan moet je zeggen: ‘Ik weet niet wat het antwoord is op die kleine persoonlijke vraag ‘waarom?’, maar, en dat is belangrijk: Ik weet wel wat het antwoord niet is! Nu ik dit meemaak, zou ik kunnen gaan denken dat God machteloos staat tegen het kwaad of tegen het noodlot, maar dat is niet waar! Kijk maar naar Jezus! In Hem heeft God ingegrepen, het kwaad en de dood, die laatste vijand, verslagen. De hele Bijbel door en naar het einde steeds meer, klinkt de verwachting dat de heerlijkheid van de HEERE aanstaande is. Dat God ooit een punt achter al het lijden zet. Dat nieuwe hemelen en een nieuwe aarde door Hem geschapen worden. Zoals Paulus kan zeggen: ‘Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.’ En daar kijk ik ook naar uit!

Ik zou, terneergeslagen door het noodlot dat me treft, kunnen gaan denken dat God het mij aandoet. Dat Hij helemaal niet zo’n goede God is, maar een Grote Sadist, een Kwelgeest. Maar dat is niet waar! Kijk maar naar Jezus! Het is niet God die het kwaad in de wereld gebracht heeft. Wíj waren het als mensen die Jezus kruisigden. De wereld is om ons vervloekt en gebroken geraakt. Ik kan alleen maar verwonderd zijn dat er nog zoveel goeds in de wereld is. Dat God met kromme stokken zelfs nog rechte slagen weet te slaan, zodat Paulus uit dat geloof kan zeggen: ‘En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede.’ Ik geloof dat God zo ook in mijn leven wil werken.

Ik zou, omdat het van boven stil blijft op mijn verdriet en vragen, kunnen denken dat het God onverschillig laat hoe ik eraan toe ben in mijn ellende. Maar dat is niet waar! Kijk maar naar Jezus! In Hem openbaarde God zich aan mij als de Oneindig Liefhebbende. Hij houdt wel van mij! Wij maken Hem dat moeilijk, ja zeker, maar niet onmogelijk! Dat is toch die grote lijn waar Paulus en ik ons aan vast mogen houden: ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? (Zoals geschreven staat:  Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen.) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.’

In dat getuigenis staat Paulus niet alleen. Door alle eeuwen van de christelijke kerk heen loopt het getuigenis van ontelbaren die aan den lijve lijden ervoeren, maar ook dat God hen in dat alles nabij was, droeg met Zijn liefde. ‘Ik denk aan Corrie ten Boom, die zei: ‘Zo vaak heb ik mensen horen zeggen: “Wat is God toch goed. We hebben gebeden dat het niet zou regenen tijdens ons uitstapje van de kerk en kijk nu eens naar dat heerlijke weer!” Ja, God is inderdaad goed wanneer Hij voor heerlijk weer zorgt, maar Hij is ook goed als het tijdens ons uitstapje stormt. God was ook goed toen Hij toestond dat mijn zuster Betsie voor mijn ogen stierf in dat Duitse concentratiekamp.’

Ik denk aan de joodse jongen die op de muur van het getto in Warschau schreef: ‘Ik geloof in de zon, ook als ze niet schijnt. Ik geloof in de liefde, ook als ik haar niet bespeur. Ik geloof in God, ook als ik Hem niet zie.’[2] Velen van ons hier in de kerk kunnen ervan getuigen dat de perioden van ziekte en lijden gelovig gezien niet de slechtste van hun leven waren.

Toen Dietrich Bonhoeffer, een Duitse predikant in de Tweede Wereldoorlog geëxecuteerd werd, wegens zijn hulp aan het verzet, schreef hij enkele dagen daarvoor in een brief aan zijn ouders het lied:

‘En wilt Gij ons de bittre beker geven

Met gal gevuld tot aan de hoogste rand,

Dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

Aan uit uw goede, uw geliefde hand.

In goede machten liefderijk geborgen,

Verwachten wij getroost wat komen mag.

God is met ons des avonds en des morgens,

Is zeker met ons elke nieuwe dag.’[3]

Op weg naar de executieplaats zei hij tegen de soldaten: ‘Voor jullie is dit het einde, voor mij het begin.’

5. Als je echt met het kwaad zit…

Zo gelovig omgaan met het lijden, maakt het lijden volkomen anders. Als je echt met het kwaad zit, ga je bidden. Je kunt dan niet gemakkelijk meer God de schuld geven van alles wat er mis gaat in deze wereld. Je gaat wél inzien dat we er zonder Gods hulp nooit uit gaan komen. Dan besef je van Hem afhankelijk te zijn. Maar bidden en werken gaat in de Bijbel altijd samen. We kunnen niet al het kwaad van de wereld bij God op Zijn bord leggen, zonder te zien dat wij door het geloof in Jezus Christus instrumenten in Zijn handen mogen zijn om het kwaad in de wereld tégen te gaan. Als je echt met het kwaad zit, maar je er (op wat voor manier dan ook!) je levenstaak van om goed te doen. Door gebed, maar ook door concrete navolging. God schakelt het kwaad niet uit, Hij schakelt ons in!

Als mensen vragen: ‘Waarom doet God niets tegen het kwaad?’ Kun je zeggen: ‘Hij heeft al genoeg gedaan. In Jezus Christus heeft Hij ingegrepen, Zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft alles gedaan, door zichzelf te geven in de dood, zodat er voor ons verzoening en leven is tot in eeuwigheid.’

En als mensen dan zeggen: En wat merk ik dan daarvan? Dan kun je zeggen: Ook vandaag doet Hij wel degelijk iets, kijk maar naar de kerk, naar mensen die door Hem gegrepen zijn, die vol zijn van Zijn liefde, en werkzaam, in alle liefdedienst en barmhartigheid, voor slachtoffers, voor verdrukten en vervolgden, voor armen, voor zieken in Jezus’ naam. Zó is God ook vandaag aanwezig op plekken waar geleden wordt, niet in kracht of geweld, maar nog steeds door de macht van Zijn liefde, door mensen in te schakelen!

Als je je dan afvraagt: Maar is Christus dan werkelijk zichtbaar en merkbaar in de kerk? Dan is dat allereerst een vraag aan jezelf: Is Hij zichtbaar is uw leven? Daarmee bedoel ik niet dat we uiteindelijk op onszelf aangewezen zijn, dat wij zelf het kwaad in de wereld te lijf moeten. Nee, wij volgen gewoonweg Jezus in het dragen van kruis, in het meelijden, het meedragen, het meezorgen voor de mensen om ons heen. Vol verwachting dat dit een begaanbare weg is. Dat God ons deze weg opdraagt én draagt. Leer zo omgaan met het lijden van jezelf en anderen. En wij verwachten daarin deze weg mét God te gaan. Zijn heerlijkheid tegemoet.

Amen


[1] Toren, Moeilijke Vragen over God En Jezus: Een Hulp Bij Gesprekken over Geloven Vandaag, 32.

[2] Passage uit Troost, Morgen Zal Het Pasen Zijn: Een Rondgang Om Het Waarom van Het Lijden, 1994:183–184.

[3] LvdK 398:3, 7

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s