Moeilijke vraag (7): Waarom merk ik zo weinig van God?

Preek in een leerdienst gehouden te Everdingen.

Crucifixion – Alonso Cano (1638)

Gemeente van Jezus Christus,

1. Waar is God?

In Knielen op een bed violen beschrijft Jan Siebelink het geloof van zijn vader. Die was plantenkweker en zag op een dag een groot licht, dat hem op zijn knieën bracht. Hij raakte bekeerd en leefde van toen af in mystieke verbondenheid met God. Hij ging ijverig kerkdiensten bezoeken en investeerde het weinige geld dat hij verdiende in godsdienstige boeken. Jan Siebelink schrijft daarover met afstand en overdreven, hij gelooft zelf niet, maar in interviews heeft hij wel eens toegegeven eigenlijk jaloers te zijn op zijn vader. Ergens verlangt hij ook naar zo’n bijzondere ervaring van Gods aanwezigheid.

Het is wat veel mensen zeggen als je in gesprek raakt over het geloof in God: ‘Als ik nu eens echt iets van hem zou merken, ja, dan zou ik het wel geloven. Maar ik voel er niets bij. Ik hoor geen stem. Ik zie geen wonderen.’ Wat zeg je dan?

Als je de Bijbel leest, krijg je de indruk dat het best wel afsteekt tegen onze hedendaagse ervaring. De Bijbel is vol wonderen. Schepping, zondvloed, Exodus, Gods openbaring op de Sinaï, verovering van Kanaän met de muren van Jericho die omvallen. Simson, David, de tempel van Salomo. De profeten die namens de HEERE spreken. En dan: Jezus. Zijn woorden. Zijn wonderen. Zijn dood en opstanding. De uitstorting van de heilige Geest. De groei van de kerk. Je krijgt de indruk dat God constant merkbaar, voelbaar, hoorbaar, ervaarbaar aanwezig is.

Het zou mooi zijn als je dan zelf zou kunnen getuigen van de Godservaringen in je eigen leven. Hoe je met God leeft, Hem ziet en hoort. Een beetje in de lijn van Bijbel waar God ook telkens overduidelijk aanwezig is en spreekt. Waar zijn grote daden van de geschiedenis afspatten. Maar,… als ik het goed zie, lijkt het helemaal niet zo te zijn dat wij als kerkgangers nu zoveel meer van God merken dan niet-kerkgangers. Ikzelf ook niet. Ik mag dan dominee zijn, maar dat betekent niet dat ik nou een bijzonder contact met God heb, meer dan jullie. Soms voelt God ook voor ons zo op een afstand dat wij gaan twijfelen.

Nu moet je niet denken dat er dan iets mis is met je. Of iets mis met je geloof. In feite beschrijft de Bijbel niet alleen de aanwezigheid van God, maar ook vaak zijn afwezigheid. Als je de grote hoogtepunten van de Bijbel uitsmeert over de 2000 jaar geschiedenis die de Bijbel vertelt, dan gebeurde er dus ook wel eens jaren, ja, generaties helemaal niets. Dat het stil bleef uit de hemel. In de psalmen en profeten wordt daarmee ook al geworsteld. Zo staat in Jesaja 63 een gebed tot de HEERE opgetekend:

11 Maar nu, waar is Hij Die hen deed opgaan uit de zee
met de herders van Zijn kudde,
waar is Hij Die Zijn Heilige Geest
in hun midden stelde, …?
15 Kijk neer uit de hemel en zie
uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,
Uw innerlijke bewogenheid
en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in. 

Ook in die tijd, de tijd van de ballingschap van het volk Israël, keek men terug op de grote daden van God in het verleden en men zei: ‘Vroeger hielp God ons, maar nu? We merken er niets meer van. Waar is God?’ En het kan ons als aanvechting aangrijpen: ‘Houden we onszelf niet voor de gek met ons geloof in God?’ Als Hij er echt zou zijn, zou Hij niet meer van zich laten horen en zien. Dat zouden wij in ieder geval graag willen. Waarom laat God ons in een soort onzekerheid, waarom is er zo weinig extern bewijs en bevestiging. Niet alleen voor ons persoonlijk, maar door alle tijden heen. Dan zou het toch gemakkelijker zijn om te geloven? Niet zo vaag, zo abstract, zo ingewikkeld.

2. Geen ervaring, maar geloof

Er is één hele simpele reden waarom wij weinig van God zien, en dat is dat wij Hem niet kunnen zien. Wij hebben zintuigen, ogen, oren, reuk, tast, smaak, die ingesteld zijn op de wereld om ons heen. Maar God hoort niet bij deze wereld. Hij bestaat daarbuiten als de Schepper. Onze zintuigen zijn beperkt. En voordat we daarover klagen, moeten we eerst eens goed nadenken, wat het zou betekenen als het anders zou zijn. Als God voor ons waarneembaar zou zijn. Zou dat beter zijn?

Het zou niet gemakkelijker zijn om te geloven, er zou in het geheel geen geloof meer nodig zijn! Want de schrijver van Hebreeën zegt in hoofdstuk 11:

1 Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet. … 8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. … 13 Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. 

Het geloof heeft iets extra’s boven ervaring en bewijs, boven stellig weten. Zoals de Catechismus zo mooi zegt: ‘Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Tegelijk is het een vast vertrouwen.’ (Vr. 21) Dat weten, dat kan ons wel gegeven worden door ervaring, maar vertrouwen, dat zit daar niet automatisch aan vast. Integendeel: vertrouwen is pas echt vertrouwen bij een zekere mate van niet weten. Pas als iemand je blinddoekt en je alleen een stem moet volgen, komt het aan op vertrouwen.

Hoe gek het dus ook klinkt: Gods verborgenheid is voor ons eigen bestwil, om de weg van geloof en vertrouwen voor ons begaanbaar te maken. Dat God zich verborgen houdt, maakt het geloof niet onmogelijk, maar juist mogelijk.

En het is ook zo: Wij zouden het net onze beperkte zintuigen niet aankunnen om God te zien. Zelfs Mozes kon God niet zien. Wij zouden de glorie van Zijn majesteit niet kunnen verdragen. Gods totale aanwezigheid zou alles in beslag nemen, zou geen ruimte voor ons overlaten. Zeker omdat er een contrast is tussen Gods heiligheid en onze onheiligheid, onze zonde. Gods verschijning zou voor ons zijn als een verterend vuur. Als wij God oproepen dat Hij zich aan ons vertoont en bewijst, moeten we wel goed weten wat dat in zou houden. Als in de Bijbel over Gods aanwezigheid en optreden gesproken wordt, dan is het vaak over Zijn oordelen. Dan ging het niet over ‘een fijne godservaring en een warm gevoel van binnen’.

God maakt het niet gemakkelijk. Hij speelt verstoppertje met ons. Zodat wij naar Hem zullen zoeken. Het met Hem wagen. Hem leren vertrouwen. God wil niet dat wij zoeken naar ervaringen van Hem zoals de vader van Jan Siebelink die had. Ook niet de ervaringen die wij soms opdoen als we een mooi lied zingen, als we Nederland Zingt kijken of naar de EO-jongerendag gaan. Dat zijn persoonlijke individuele ervaringen die er mogen zijn, maar dat is nog geen geloof. Waar God ons wel toe wil leiden, zegt de catechismus, dat is ‘dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus.’ (Vr. 21)

3. In Jezus openbaart én verbergt God zich

Nu speelt God niet alleen maar verstoppertje. We hebben niet een God die zich volkomen voor ons verbergt. Gelukkig niet. Dan zou geloof daadwerkelijk onmogelijk zijn. We moeten wel iets hebben om in te geloven. Als christenen wijzen we dan naar Christus. Jezus komst naar de wereld betekent dat voor eens en altijd duidelijk is geworden Wie God is. In Hem heeft God van zich laten horen. Van Zijn liefde voor ons mensen. Heel het Oude Testament wijst naar Hem vooruit. Heel het Nieuwe Testament gaat over Hem. De Messias. De Redder. Als God ergens voelbaar, merkbaar, tastbaar aanwezig was, dan was het in Jezus Christus.

Als ons gevraagd wordt, wat wij van God merken, dan denken wij in de eerste plaats vaak aan onze eigen ervaringen en gevoelens, aan de geloofsweg die wij persoonlijk bewandelen, de belangrijke momenten daarin, van doop, belijdenis en avondmaal. Maar het nadeel daarvan is juist ook het persoonlijke. Het zijn ervaringen die van jezelf zijn, waar een ander niet iets aan heeft, waar je een ander wel van kunt vertellen, maar niet in kunt laten delen. En als het goed is, is ook ons eigen geloof niet op dat soort momenten gebouwd. Het christendom is geen mystieke godsdienst. Maar juist heel concreet. Als het om God in de wereld gaat, wijzen wij naar één mens, naar Jezus Christus. Zo doet Johannes het in zijn evangelie (Johannes 1):

10 Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. … 14 En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. … 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. 

Valt u ook het dubbele op in deze teksten? Aan de ene kant is Jezus volgens Johannes de zichtbare heerlijkheid van God. Hij heeft onder ons gewoond. En toch: de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Juist rond Jezus komt alles op scherp te staan: Meer dan ooit, het meest vergaand, openbaarde God zich in Jezus. Maar het was niet genoeg… Jezus riep niet alleen geloof op, maar vooral ook onbegrip. Woede. Verachting.

In al Zijn menselijkheid bleef Jezus ook God, en daarin ook ongrijpbaar en onbegrijpelijk. Hij openbaarde zo volkomen Gods liefde, dat de mensen zich af gingen vragen of dat wel echt waar was. Of er niet een addertje onder het gras zat. Jezus was te mooi en goed om waar te zijn. Ook hier gold weer: de openbaring van Gods heerlijkheid heeft een verblindend effect. Zelfs zijn eigen leerlingen vroegen zich af: ‘Wie is toch deze?’ In Jezus openbaart én verbergt God zich tegelijkertijd. Jezus verscheen niet in glans en glorie, maar in gewone menselijke gestalte. Zijn Goddelijkheid werd niet opeens beschikbaar en algemeen toegankelijk. Ook Jezus vroeg om geloof, vertrouwen.

Voor eens en altijd is met Zijn komst wel duidelijk geworden: Als wij God zoeken, dan moeten wij ons niet in mystiek en meditatie richten tot een bovennatuurlijke werkelijkheid, tot een ontoegankelijke, transcendente hemel, wij mogen God zoeken in de fysieke wereld, in de menselijke gestalte van Jezus Christus, onze Heere. 

4. Het kan dat we verkeerd kijken… 

Hoe kan het dat we zo weinig van Hem merken? Dat zou best kunnen omdat we verkeerd kijken. Dat we dus omhoog kijken naar de hemel. Of speuren in onze ziel en ons gevoel. Of dat we verwachten dat God werkt in wonderen en spectaculaire ervaringen als het grote licht dat de vader van Jan Siebelink zag. Maar dan kijken we verkeerd. Als we met menselijke ogen naar Jezus kijken, dan zouden we ook God niet zien. Ja, wellicht in zijn wonderen. Maar dan loop je toch stuk op het einde van zijn leven. Op het kruis. Is dat nu openbaring van God?

Ja, dat is de diepste openbaring van God. Waar merk je het meeste van God, van Wie Hij is, van hoe Hij is? Dan moet je Jezus aan het kruis zien hangen. Wij mensen verlangen een ‘theologie van de glorie’, zoals dat wel eens genoemd wordt:

Dat God altijd en overal aanwezig en merkbaar is, in het fijne, het mooie, het goede gevoel, het wonder, de inspiratie. Kerkelijke stromingen die zich daarop richten vieren ook in onze dagen hoogtij: de pinksterbeweging, charismatische gemeenten, evangelische gemeenten, die drijven daarop, die hebben aantrekkingskracht. Tegenover deze ‘theologie van de glorie’, staat de ‘theologie van het kruis’, die vooral Paulus zo aangrijpend verwoordt in 1 Korinthe 2:

6 En wij spreken wijsheid onder de geestelijk volwassenen, maar een wijsheid niet van deze wereld, en ook niet van de leiders van deze wereld, die tenietgedaan worden. 7 Wij spreken echter de wijsheid van God, als een geheimenis; een wijsheid die verborgen was en die God vóór alle eeuwen voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid; 8 een wijsheid die niemand van de leiders van deze wereld gekend heeft. Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. 9 Maar het is zoals geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. 

Het gaat in Gods openbaring om de Gekruisigde Christus. Dat gaat in tegen alle begrip en wijsheid, tegen alle verwachtingen van de wereld. Zij zagen Jezus, maar zij zagen daarin niet God. Een Gekruisigde, die is vervloekt. En dat is precies wat God is en hoe God werkt: in de opoffering, de vernedering, het lijden, de dienstbaarheid, de eenvoud, de stilte, de eenzaamheid, de verlatenheid, de vervolging. Zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis. In die dingen die wij precies niet met God zouden associëren, waar wij Hem niet zouden verwachten.

Die lijn mogen we voor onszelf doortrekken ook naar vandaag. Als wij God in Jezus zo leren kennen. Waar zouden wij Hem dan mogen verwachten te zien en te merken? Toch niet in het spektakel. Ik denk dat de heilige Geest ons wil leren dezelfde weg te gaan als Jezus, van zelfopoffering, eenvoud, dienstbaarheid, lijden, vervolging. Alleen op die weg zullen we Hem ontmoeten. Waar is God in onze dagen?

Misschien niet in snelgroeiende evangelische gemeenten in Amerika, maar in de kleine clubjes die de lofzang gaande proberen te houden in Irak. Misschien niet in de grote wereldpolitiek, maar bij pater Frans van der Lugt, die zijn leven gaf in Syrië om bij de mensen te kunnen zijn. Misschien niet in de voetbalstadions van Brazilië waar voetballers baden om een overwinning, maar in de favela’s, de sloppenwijken bij nonnen die hun leven toegewijd hebben om wezen op te vangen. Misschien spreekt God niet tot gelovigen die het goed met zichzelf getroffen hebben, maar wel tot een verkommerde ziel, die het niet meer redt. Misschien is God niet te vinden op festivals, in directiekamers, in de politiek, in militaire overwinningen, in rijkdom, in mooie muziek, in de natuur, maar in ziekenhuizen, op begraafplaatsen, in asielzoekscentra, gevangenissen en vluchtelingenkampen, en bij die eenzame zieke of oudere thuis. 

5. Het doen met wat anderen hebben gezien.

En ook daar moeten we het doen met geloof. Daar redden we het niet met onze eigen ervaring. Juist daar niet. Dat we van God zo weinig merken, dat betekent ook dat we moeten teren op wat ons al gegeven is. In het christelijk geloof gaat het niet om het gevoel, maar om de feiten, de waarheid. De meeste dingen die we voor waar houden, hebben we niet zelf kunnen controleren en ervaren. Alle kennis van cultuur en geschiedenis, van biologie en sterrenkunde, we nemen het aan. Tweedehands informatie als het ware. En we vertrouwen erop dat het waar is.

In het christelijk geloof is het ten diepste niet anders. Het belangrijkste ingrijpen van God in deze werkelijkheid is niet in ons gevoel en in onze ervaring, maar dat is de concrete geschiedenis van Jezus Christus, dat feitelijke gebeuren van 2000 jaar geleden. Wat wij daarbij voelen en ervaren, onze twijfel en aanvechting, het doet er ten diepste niets meer aan toe of af. Zoals Paulus schrijft in 1 Korinthe 15:

3 Want ik heb u ten eerste overgeleverd wat ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, overeenkomstig de Schriften, 4 en dat Hij begraven is, en dat Hij opgewekt is op de derde dag, overeenkomstig de Schriften, 5 en dat Hij verschenen is aan Kefas, daarna aan de twaalf. 6 Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nu nog in leven zijn, maar sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. 8 En als laatste van allen is Hij ook aan mij verschenen, als aan de ontijdig geborene. 9 Ik immers ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb. 

Dit getuigenis van Paulus is juist zo betrouwbaar, omdat hij het eerst zelf ook niet geloofde. Jezus was voor hem een struikelblok, een steen des aanstoots. Tot Jezus zelf als de Levende aan Hem verscheen. Dat wij dit verslag van deze ooggetuige hebben, maakt het betrouwbaar. We mogen erop vertrouwen dat de bijbelschrijvers niets uit hun duim hebben gezogen. En dat hebben ze niet… dan hadden ze wel een menselijker en geloofwaardiger verhaal bedacht dan dat van een gekruisigde en opgestane God.

Als wij zelf geestelijk droog staan, weinig tot niets van God merken, dan mogen we terugkeren naar Gods grote daden in de geschiedenis. Wat de catechismus ook zegt: ‘Wat moet een christen geloven? Antwoord: Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt. Daarvan geven de artikelen van ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof een samenvatting.’ (Vr. 22). Het gaat niet om onze Godservaring, maar om Gods openbaring in de Bijbel en de neerslag en samenvatting daarvan in onze belijdenisgeschriften, om de getuigenissen van christenen van alle tijden ook door heel de kerkgeschiedenis heen. De kennis daarvan kunnen we alleen tot onze eigen schade en schande terzijde schuiven.

God hoeft niet meer direct en onmiddellijk tot ons te spreken, Hij heeft al op zoveel manieren en zo overtuigend gesproken door heel de geschiedenis heen en ten diepste in Zijn Zoon Jezus Christus. Dat mag ons genoeg zijn. Daarheen mogen we zelf telkens terug keren, en daarop mogen we ieder die God zoekt wijzen.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s