Moeilijke vraag (8): Wat heb ik in de kerk te zoeken?

Preek gehouden in een leerdienst te Everdingen.

Hervormde Kerk te Everdingen

Gemeente van Jezus Christus,

  1. Opboksen tegen een negatief imago

Naäman lijkt wel een beetje op de moderne mens die niet zoveel van de kerk moet hebben. Volgens Elisa moet Naäman een bad gaan nemen in de Jordaan. Dat kleine modderige grensriviertje van Israël. ‘Wat heb ik daar te zoeken? zegt Naäman. Wij hebben in Damascus ook rivieren, helderder, grootser, beter.’

Naäman  voelt zich niet op waarde geschat. Onderweg naar Israël had hij nog even hoop gekoesterd dat hij genezen zou kunnen worden, maar de mooie woorden blijken vals te zijn geweest. Hij knapt af.

En zo zijn veel moderne mensen afgeknapt op de kerk. Of ze zijn erop uitgekeken. Wat heb ik in de kerk te zoeken? Als je met niet-kerkelijken in gesprek bent, valt het mij in ieder geval elke keer wat een slecht imago we hebben. Van meet af aan wordt je in de verdediging gedrongen en komt er van alles naar boven. Voor sommigen komt dat door ervaringen uit hun jeugd, een verplichte kerkgang, een benauwde atmosfeer, saaie kerkdiensten. Anderen zijn geraakt door de schijnheiligheid van kerkmensen, door de misbruikschandalen binnen de Rooms-katholieke kerk, door de scherpe ethische standpunten waardoor ze zich veroordeeld voelen. De kerk heeft het imago vooral traditioneel en ouderwets te zijn.

Let wel: vaak zijn dit vooroordelen. In een goed gesprek kun je vaak al heel veel puin ruimen. En veel verhelderen. Je moet bedenken, dat wat voor ons kerkgangers zo gewoon is – geloven, naar de kerk gaan, zingen, bidden, Bijbellezen – dat dat voor buitenstaanders al snel vreemd is, raar. En wat vreemd is, vinden mensen ook al snel eng. Dat mensen zo moeilijk een keertje naar de kerk komen, dat is niet alleen uit tegenzin, maar ook uit angst, omdat het spannend is. Wat gebeurt daar? Wat gebeurt daar met mij?

Heel aangrijpend voorbeeld daarvan is als Jezus met zijn discipelen het meer van Galilea overvaart en daar op heidens grondgebied een bezetene geneest door de demonen uit te drijven (Markus 5):

13 En Jezus stond het hun meteen toe. En toen de onreine geesten uit de man weggegaan waren, gingen zij in de varkens; en de kudde stortte van de steilte af de zee in (het waren er ongeveer tweeduizend), en ze verdronken in de zee. 14 En zij die de varkens weidden, vluchtten en berichtten het gebeurde in de stad en op het land; en ze liepen uit om te zien wat er gebeurd was. 15 En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, namelijk hem die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd. 16 En zij die het gezien hadden, vertelden hun wat er met de bezetene gebeurd was, en ook over de varkens. 17 En zij begonnen Hem te smeken uit hun gebied weg te gaan.

Je kunt je dat laatste zo goed voorstellen. Ze hebben hier te maken met iemand die ze niet kennen, die vreemde dingen doet, wonderen, die hun nog eens hun bestaan, hun kudde varkens vernietigd heeft. Wat voor de discipelen een teken van God is, is voor de bevolking beangstigend. En het is uitermate triest. Ze zien het goede over het hoofd, dat hun volksgenoot, de bezetene genezen is. Afstand houden van deze Jezus lijkt hen maar het beste, het veiligste.

Dat er van meet af aan weerstand is tegen Jezus, tegen zijn volgelingen en de kerk die zij stichten, dat hoeft ons niet te verbazen. Dat is psychologisch te verklaren. Toch is dat niet het enige.

Het is ook iets van een weerstand tegen het evangelie zelf. Wij buigen niet zo gemakkelijk onze knie. Dat was natuurlijk de uitdaging voor Naäman: Hij moest iets van zijn Syrische trots afleggen. In de God van Israël en de man Gods zijn meerdere erkennen. De waarden die centraal staan in de kerk: eerbied, nederigheid, afhankelijkheid, van genade leven, die zijn niet populair en zullen nooit populair zijn.

  1. De kerk is ook niet ideaal

Al mag dat zo zijn. Misschien is het wel te arrogant om de impopulariteit van de kerk te wijten aan de vooroordelen van niet-christenen. Gesprekken over de kerk zijn niet alleen lastig omdat je je in de verdediging voelt gedrongen, maar vooral omdat je zelf ook niet positief bent over de kerk. Als buitenstaanders ons wijzen op de vele kerkscheuringen, op kerkgangers die doordeweeks gewoon alles doen wat God verboden heeft, op tradities die belangrijker lijken dan mensen, dan sta je ook met je mond vol tanden. Dan kun je niet zeggen dat iemand het niet goed ziet of nog niet begrepen heeft.  Je kunt alleen maar ruiterlijk toegeven: Je hebt gelijk, de kerk is ook niet ideaal. Dat is ze nu niet en dat is ze nooit geweest.

Één van de dingen die mij altijd weer in het oog springt als ik in de Bijbel lees, dat is wat een kritisch boek het is. Niet kritisch op ongelovigen en buitenstaanders, maar in het Oude Testament vooral op Gods eigen volk op Israël. Je zou verwachten dat Gods volk een voorbeeldig volk is. Zo had God het ook bedoeld. Abrahams nageslacht zou tot zegen van de heidenen moeten zijn. Maar het grootste deel van het Oude Testament beschrijft hoe het in de tijd van Richteren en Koningen elke keer weer mis gaat. En de profeten, die typische figuren in het Jodendom, leggen elke keer de vinger op de zere plek van hun eigen volk. De onrechtvaardigheid van rechters, de machtswellust van de leiders, de decadentie van de elite, de lege rituelen van de priesters.

En als je denkt dat het in het Nieuwe Testament toch anders gaat, dan kom je bedrogen uit. Heel even, net na Pinksteren, lijkt in Jeruzalem de ideale gemeente te ontstaan vol wederzijdse liefde, maar al snel komen daar ook barsten in door het bedrog van Ananias en Safira, ruzie tussen Hebreeuws en Grieks sprekende Joden. De meeste brieven die Paulus schrijft zijn gelegenheidsbrieven, omdat hij hoorde van misstanden in de gemeenten die door zijn zendingsarbeid ontstaan waren. In het laatste bijbelboek ‘de Openbaring aan Johannes’ staan 7 korte brieven aan gemeenten in Klein-Azië (Turkije), en op één na heeft Jezus ingrijpende kritiek op de gang van zaken, zoals deze (Openbaring 3):

14 En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het begin van Gods schepping: 15 Ik ken uw werken, en weet dat u niet koud en niet heet bent. Was u maar koud of heet! 16 Maar omdat u lauw bent en niet koud en ook niet heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.

We hoeven niet gek op te kijken van kritiek van buiten, als we beseffen dat de Heere zelf Zijn kritiek ook best pittig verwoordt.

Hoewel de wereldwijde kerk en afzonderlijke gemeenten best tijden van groei en bloei kennen en dat er opwekkingen zijn geweest, reformaties, is er nooit één gemeente geweest, één gouden periode waarvan we kunnen zeggen: Toen en daar was het ideaal. Het gaat in de kerk wel over God en liefde, over grote idealen, de komst van het Koninkrijk, maar dat mag er nooit toe leiden dat we de werkelijkheid in het oog houden, onze eigen menselijkheid, die getekend is door de zonde en gebrokenheid.

Als je in gesprek bent over de kerk met collega’s, vrienden of buren, en er komt een hoop kritiek, dan is het goed die kritiek te beamen, en je die aan te trekken. Al gaat die misschien over het verleden of over de Rooms-katholieke kerk, dat maakt niet uit. In Christus is de kerk van alle tijden en plaatsen één. In gesprek zijn over de kerk, betekent niet dat je over de kerk of over onze gemeente moet opscheppen. Toon liever wat het betekent kerk te zijn, christen te zijn: namelijk dat je open staat voor kritiek, voor de vinger op de zere plek, en dat je daarvoor vergeving durft te vragen en je vervolgens te bekeren van die weg.

  1. Fascinatie voor Jezus

Je vraagt je misschien af: Als de kerk niet ideaal is en nooit ideaal wordt, waarom zou je dan toch blijven? Als het in de praktijk zo tegenvalt wat de kerk te bieden heeft. Als kerkdiensten soms saai zijn. Als veel van wat je hoort best ver van je gewone leven is. Als kerkmensen ook nog eens teleurstellen… Je ziet om je heen zo ook mensen afhaken.

Volgens de evangelist Johannes gebeurde dat ook al rond Jezus zelf. Hij schrijft (Johannes 6):

66 Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee. 67 Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan? 68 Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heengaan? U hebt woorden van eeuwig leven. 69 En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God.

Je kunt allerlei verklaringen geven waarom de kerk nog bestaat, maar dit – wat Petrus zegt – is denk ik het krachtigst. Je gaat naar de kerk omdat je geboren bent in een christelijke werelddeel, omdat je het van jongsaf aan gedaan hebt, omdat je er rust en inspiratie vindt, maar dat raakt toch niet de kern. Niet voor mij in ieder geval, en ik hoop ook niet voor u. Het is Jezus. Zijn woorden, Zijn daden, Zijn persoonlijkheid. Jezus fascineert mensen, raakt mensen. Herkent u dat?

De kerk is geen gezelligheidsvereniging, maar een verzameling mensen die over Jezus gehoord hebben, en die merken dat wat ze gehoord hebben ze niet meer loslaat. Het draait in het christendom niet om de kerk of de kerkmensen, over hoe goed of slecht die zijn, maar het draait om Christus en Zijn Woord.

Dat is letterlijk zo, in die zin dat er hier een Bijbel op de kansel ligt en dat het grootste deel van een kerkdienst bestaat uit het lezen daaruit en de uitleg en toepassing ervan in de preek. Maar het is vooral ook geestelijk zo. Als je mensen uitlegt wat de kerk is, dan begin je niet over de fijne sfeer, de fijne mensen, de mooie muziek, dat is uiteindelijk niet wat ons bindt. Zoals een voetbalvereniging draait om voetbal en de rest bijkomstig is, zo is de gedeelde interesse die ons samenbrengt: Jezus.

Niet dat daarmee alles gezegd is. In die tekst uit Johannes blijkt nu juist dat heel veel mensen afknappen op Jezus. Zo eenvoudig en platvloers als de opdracht van Elisa aan Naäman was om zich te wassen in de Jordaan, zo niet spectaculair was het optreden van Jezus. Preciezer: zo lang Jezus wonderen deed, kwamen de mensen bij bosjes op Hem af, maar zodra Hij vroeg om geloof en toewijding, haakten ze af. De fascinatie van Petrus en de anderen gaat dieper dan de oppervlakte: Zij ontdekten in Jezus de messias, de Zoon van God. De macht om eeuwig leven te geven. Ondanks dat Hij heel anders is dan zij zich voorgesteld hebben, vertrouwen ze, geloven ze, hebben ze de hoop dat Hij het is die verlossing brengt, vergeving, liefde.  En die liefde houdt hen gevangen. Zo ontdekte door de overgave Naäman dat er toch echt een God in Israël was, die het waard was om de knieën voor te buigen.

In Jezus ontmoeten wij een liefde die groter, vreemder, beter is dan alle liefde die wij ontvangen van onze medemensen. Zijn zelfovergave aan het kruis, zijn plaatsvervangend lijden en sterven, hoe onbegrijpelijk ook, geeft een gevoel met iets te maken te hebben, met Iemand te maken te hebben, Die de moeite waard is. Jezus wakkert de hoop aan, laat het vuur branden in ons hart dat al zien we het niet, het toch goed gaat komen met de wereld. En met ons leven. Dat het kwaad en de dood niet het laatste woord heeft.

Het zou mooi zijn dat de mensen om ons heen daarvan iets herkennen in ons woorden, in de twinkeling van onze ogen, van die fascinatie voor Jezus.

  1. God is in ons midden

Ok. Jezus. Dat is de kern. Daar gaat het om. Maar waar heb je die kerk dan nog voor nodig? Vroeger had lang niet iedereen een eigen bijbel, en lang niet iedereen kon lezen. Dus als je over Jezus wilde horen, moest je wel naar de kerk komen. Want daar las de dominee eruit voor en legde het uit. Is dat niet achterhaald? Tegenwoordig kan iedereen gemakkelijk zijn eigen bijbel betalen. Op internet is het zelfs gratis. En de nodige uitleg kun je er ook vinden. De toegevoegde waarde van kerk en kerkdienst ontgaat me… …als een kerkdienst inderdaad zoiets zou zijn als een lezing, een college, een school. Waar het gaat om informatie, om kennis, om leren. Waar Jezus het ‘voorwerp’ van gesprek is. Het gaat over Hem. Interessant, inspirerend. Boeiend personage uit het verleden. Kun je veel van leren. Maar meer niet.

Nergens wordt zo helder hoe heilloos dat zou zijn als op die eerste 1e Paasdag in Jeruzalem waar de leerlingen van Jezus bij elkaar zitten en het over Jezus hebben. Zelfs over de geruchten dat Hij uit de dood zou zijn opgestaan. Lukas schrijft daarover in Lukas 24:33-36:

33 En op datzelfde moment stonden zij op en keerden terug naar Jeruzalem, en vonden de elf discipelen en hen die bij hen waren, bijeen. 34 Die zeiden: De Heere is werkelijk opgewekt en is aan Simon verschenen. 35 En zij vertelden wat er onderweg gebeurd was, en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood. 36 En toen zij over deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij u.

Het eerste, het gesprek van de discipelen onder elkaar, dat is een vergadering, een bespreking. Mooi, daar niet van, maar je voelt: als het hierbij blijft, dan blijft het ook hierbij. Maar dan staat Jezus zelf in hun midden. En zegt: ‘Vrede zij u’. Kijk, dan wordt het een kerkdienst. Wat is het verschil? Jezus is er zelf bij. En om het tot in de kern te zeggen: Als Jezus erbij is, dan is God erbij. God met ons. Vandaar dat ook wij onze kerkdiensten beginnen met die groet van God ‘genade zij u en vrede’. Dan weten we: we zijn hier niet als mensen alleen, God is ook hier. En vat dat maar letterlijk op.

De kerk is de plek waar we hopen God te ontmoeten, niet over Hem te horen, maar Hemzelf te ontmoeten. Dat zijn grote woorden. Waarvan we ons soms afvragen: Zijn het niet te grote woorden? Geloven we daar eigenlijk zelf wel in, als we zo zondags uit ons bed komen en naar de kerk gaan. Voelen we de spanning en het enthousiasme, van zo’n gebeurtenis? Zoals ik zaterdag allerlei mensen snel naar Everstein zag lopen en fietsen omdat prinses Beatrix verwacht werd. Zoals Naäman vol verwachting naar Israël vertrok met zijn geschenken al bij zich. Vol verwachting dat hij daar iets bijzonders ging meemaken. Genezen zou worden. Als ik mensen zo voor de dienst met elkaar zie praten, en dat is elders niet anders, denk ik wel eens: Delen jullie nu met elkaar de gespannen verwachting over het bijbelgedeelte wat we straks gaan lezen, over hoe we verlangen om iets van God te merken?

Als we niet meer verlangen en verwachten, dan kunnen we de kerk wel opdoeken. Het zijn Jezus woorden ‘Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden.’ (Mt 18:20) Maar dan moeten we wel in Zijn Naam bijeengekomen zijn. Gericht op Hem. Met het verlangen Hemzelf te ontmoeten. Anders blijft het leeg en stil voor je. Een kerkdienst vraagt concentratie. Concentratie op Jezus. En dan is Hij er ook. Dan gaat het Woord open. Dan gaan de psalmen leven. Dan bid je van harte mee. God is in ons midden. Dat is kerk. Een heerlijke ervaring is dat. Heb je niet altijd. Maar toch… zo nu en dan… dan lijkt dit gebouw het voorportaal van de hemel. Dat maakt dat je blijft komen. Toch?

  1. Het voorrecht erbij te horen

Niet zo gemakkelijk om uit te leggen die nooit in de kerk komt. Best wel zweverig misschien. Uit onderzoek blijkt dat mensen die toetreden tot de kerk, dat meestal ook niet doen door een ingrijpende bekeringservaring. Het eerste is voor hen vaak toch het persoonlijk contact met kerkmensen, met christenen, de gemeenschap die zij vormen.

Als je je leven lang als kerkmens bent, dan heb je het niet zo door, hoe bijzonder dat is. Dat je erbij hoort. Zonder dat je er iets voor hoeft te doen of te zijn. Er wordt geen enkele tegenprestatie verlangt. En toch kun je er altijd op terugvallen. Formeel, door de zorg van de predikant en het pastoraat. Een beroep op de diaconie. En informeel, door de onderlinge aandacht en hulp. Ik denk dat je pas beseft wat dat betekent als je niemand hebt, of in de problemen komt. Dat hoor ik ook wel eens van gemeenteleden die ziek worden en dan zeggen: Ik heb nooit geweten hoe goed dat doet, wat een fijne gemeente we hebben: Ze staan voor me klaar.

Petrus legt daar in zijn eerste brief ook alle nadruk op (1 Petrus 2:9-10):

9 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, 10 u, die voorheen geen volk was, maar nu Gods volk bent; u, die zonder ontferming was, maar nu in ontferming aangenomen bent.

Het is een voorrecht erbij te horen. Bij Gods volk. Bij de kerk. Op een bijzondere manier gebruikt God ons voor elkaar als bron van vreugde en ontferming, als een licht in het leven van mensen. Het is geen opgave om bij de kerk te horen, maar een gave. Dat is het sterke punt van kerk-zijn, juist vandaag de dag, dat een kerk een genadige vrije ruimte is, als gebouw en als gemeenschap, een toevluchtsplaats, waar ieder welkom is zonder onderscheid en eisen.

Het is wel bijzonder dat dat joodse slavinnetje van Naäman dat wist. En door wilde geven. Moet je je voorstellen. Ze is door militairen geroofd uit haar land. Gevangen en ontheemd. Haar heer Naäman, ja, dat is de grote boosdoener. En toch wijst zij Naäman naar haar volk, haar land, haar God. Zelfs hij is daar welkom. Zou dat geen goed voorbeeld zijn voor ons? Zij is helemaal niet arrogant, geen betweter in de negatieve zin. Maar ze is op een goede manier trots en overtuigd dat zij in Israël iets hebben wat in Syrië niet te krijgen valt. En dan gaat het niet om de tempel of de profeet Elisa, maar het geloof dat er een God in Israël te vinden is. Een echte God. Durven wij het aan om zo ook over onze gemeente, over de kerk te spreken?

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s