Op het nippertje!

Preek over Psalm 124 op Israëlzondag te Everdingen.

Marc Chagall (1887 – 1985) – Psalm 124 for Stained Glass at Assy 1956-1957. Drawing: Pencil and Chinese ink on paper 50 x 65.3 cm. Musée national Message biblique Marc Chagall, Nice

Gemeente van Jezus Christus,

Heb je wel eens ongeluk gehad? Gevallen met de fiets? Of van de trap? Of met de auto? Dat is schrikken, he? Dan ben je blij als het goed afloopt. Van de week was er een ongeluk in Haaksbergen, waar een monstertruck op het publiek inreed. Daar waren doden te betreuren.

Op het journaal vertelde een moeder dat de truck op zo’n stukje van haar kleine dochtertje tot stilstand kwam. Het scheelde maar een haar of ook zij was in het ziekenhuis beland of erger. Dan zit de schrik er goed in. Maar ook de opluchting: Gelukkig, ik ben er nog! Wij zijn er nog! Ik leef nog!

Normaal gesproken sta je daar niet zo bij stil. Dat je leeft. Dat je bestaat. Dat is iets heel normaals. Niet iets waar je raar van staat te kijken of diep van onder de indruk bent. Toch? Toen je vanmorgen opstond, was je toen gelijk blij? Liep je te zingen door het huis? Omdat je zomaar weer een nieuwe dag krijgt?

De dichter van Psalm 124 is er wel helemaal vol van: ‘ Als de HEERE niet bij ons geweest was, – zeg dat toch, Israël – als de HEERE niet bij ons geweest was, toen mensen tegen ons opstonden, dan, dan… waren wij er niet meer geweest.’ Leven, dat is niet zomaar iets, dat komt omdat de HEERE bij ons is! Maar je proeft al ergens, door die oproep ‘zeg dat toch, Israël’, dat die dichter iets heeft ontdekt, waar Israël zelf blijkbaar niet aan denkt. Israël ziet het nog niet zo. Ze leven wel, maar ze zingen het niet zomaar mee. Ze moeten aangespoord worden. Ze moeten erop gewezen worden. Want ze zijn zich er zelf niet zo van bewust. Dat het bijzonder is dat ze nog leven. En dat ze dat danken aan de HEERE.

Zeker dat laatste, dat komt inderdaad niet zomaar bij ons op. Rond dat ongeluk in Haaksbergen heb ik er in ieder geval niet van gehoord dat mensen zeiden: ‘Ik ben de HEERE dankbaar dat ik er goed afgekomen ben. Het had erger voor me af kunnen lopen’. Wees eerlijk, zo denken wij vandaag de dag niet meer. Als ons erge dingen overkomen, of juist fijne, dan laten we dat eerder gelaten over ons heen komen. ‘Dat heb ik weer’, zeggen we dan. Of: ‘Ik mag wel in mijn handjes knijpen.’ We leven niet echt in het bewustzijn dat bij alles wat er gebeurt in ons leven God ook op één of andere manier betrokken is. Zo kijken we niet naar ons eigen leven, maar ook niet naar gebeurtenissen in de wereld.

Ergens ook wel begrijpelijk. Want zo gemakkelijk is dat ook helemaal niet te zien. Als het gaat over de nabijheid van God en de hulp van God in deze psalm, dan komt de vraag op: Wat merk je daar dan van? Hoe merk je dat? We beginnen elke kerkdienst met ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE’. En we bidden voor zieken en zorgen dat we mogen merken dat God met ons is, bij ons zal zijn. Ons zal helpen of de problemen zal verminderen of oplossen. Maar het blijft vaag wat dat dan precies is. En het is dan ook niet zo gek dat mensen afhaken van het geloof in God en van de kerk. Als het zo weinig tastbaar is wat het oplevert om God bij je te hebben.

Misschien kunnen wij juist dat wel van Israël, van het Joodse volk, leren op deze Israëlzondag.

Want Psalm 124 is een dankgebed van Israël. Zo is het in de Bijbel terecht gekomen. Het volk is mee gaan zingen en belijden: ‘Als de HEERE niet bij ons was geweest, dan… ja, dan waren wij er niet meer geweest. Onze hulp is in de Naam van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.’

In deze psalm klinkt de geschiedenis van Israël door. En het wonder dat dat volk nog bestaat tot op de dag van vandaag. Je proeft die verbazing in deze psalm. En het moet ons ook verbazen. Ga maar na hoe vaak dit volk door het oog van de naald is gekropen.

Dan gaan we allereerst terug naar het begin, naar de nakomelingen van Abraham, Izak en Jakob, die als slavenvolk werken in Egypte. Onderdrukt en afgebeuld. De Farao vindt het volk te gevaarlijk worden, en besluit om alle jongetjes bij de geboorte te doden. Het moet afgelopen zijn met dit volk. Definitief onder de duim. Het volk roept en kermt tot de HEERE, en de HEERE luistert. Hij bevrijdt zijn volk, vernietigt de Farao en zijn wagens in het water van de Schelfzee. Op het nippertje aan de dood ontsnapt.

Keer op keer wordt het volk aangevallen. Door de Amalekieten in de woestijn. Door de Midianieten en de Filistijnen in het beloofde land. Maar met de hulp van de HEERE overwint Gideon met zijn bende het leger. Met de hulp van de HEERE wordt Goliath met één steen geveld. Even is er rust onder Salomo. Maar dan komen de legers van Assyrië en Babylon. Eerst wordt het tienstammenrijk onder de voet gelopen en weggevoerd rond 700 v.Chr.. Jeruzalem blijft nog even gespaard. Maar honderd jaar later maakt Nebukadnessar alles met de grond gelijk. Het lijkt definitief afgelopen. Het land Israël is van de kaart geveegd, letterlijk.

Maar het volk Israël bestaat nog. Er blijven gelovige Joden die zich blijven houden aan de wet van Mozes. De boekrollen met de bijbelboeken hebben ze meegenomen in ballingschap. Zelfs in Babel blijven ze geloven in de HEERE. Dieptepunt is het voornemen van Haman, de minister van Ahasveros, om alle Joden in het Perzische rijk uit te roeien. Afgelopen moet het zijn, niet alleen met het land, maar met dat hele volk van God. Door Gods bijzondere zorg is daar koningin Esther, die opkomt voor haar volk en haar geloof niet verloochent. Het is wel op het nippertje. De Joden vieren het nog steeds als het Poerimfeest.

En zo is het doorgegaan. Ook in Europa. Ik weet niet hoeveel u weet van de verdere geschiedenis van Israël. Maar de Farao en Haman zijn niet de laatsten geweest die het volk hebben proberen te vernietigen.

In het Middeleeuwse Europa werden Joden met de nek aangekeken, bezien als ketters, omdat ze de schuld droegen van de kruisiging van Jezus Christus. Joden werden bij vlagen vervolgd, gedwongen zich te bekeren tot het christenen en anders bij duizenden verbrand op de brandstapel, verbannen uit Spanje en Portugal. Verdreven van hot naar her.

Met als absolute dieptepunt Nazi-Duitsland. In het hart van het christelijke Europa werden tussen 1930 en 1945 zes miljoen joden geëxecuteerd, vergast, leven verbrand. Hitler noemde het de ‘Endlösung’, de ‘eindoplossing’, de vernietiging van het wereldjodendom. En in Europa is het hem zo goed als gelukt. De bloeiende joodse gemeenschappen van Duitsland, Polen, Oekraïne, maar ook van Nederland, zijn nagenoeg verdwenen. Veel van de laatste overlevenden hebben na de Tweede Wereldoorlog getraumatiseerd hun toevlucht gezocht in Palestina. Maar zelfs daar was in 1948 nog een oorlog nodig om hun bestaan en het land veilig te stellen.

De Arabische landen en de Palestijnen hebben in 1967 en 1973 nog tweemaal geprobeerd om het land weer van de kaart te vegen. De Joden de zee in te drijven. In 1973 vielen Syrië en Egypte gezamenlijk aan op Jom Kippoer, de belangrijkste Joodse feestdag waarop iedereen vrij was en bij familie. Ten koste van veel mensenlevens. Maar op wonderlijke wijze wist Israël te winnen. En toch veilig is het er nog steeds niet. Hamas heeft nog steeds maar één doel: de vernietiging van Israël. En daarin staan ze niet alleen. Iran, Syrië, IS, ze maken er geen geheim van wat hun diepste wens is.

Dat alles overziend, kun je je voorstellen dat Israël zingt: ‘als de HEERE niet bij ons geweest was, toen mensen tegen ons opstonden, Farao, Sanherib, Nebukasnessar, Haman, Hitler, dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun toorn tegen ons ontbrandde; dan hadden de wateren ons overspoeld en was een woeste stroom over onze ziel gegaan; dan waren de onstuimige wateren over onze ziel gegaan. Geloofd zij de HEERE, Die ons niet overgaf tot een prooi voor hun tanden. Onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvanger; de strik is gebroken en wíj zijn ontkomen.’

Waar zien wij wat de hulp, de trouw, de nabijheid van de HEERE inhoudt? Dat leren wij uit de geschiedenis en het geloof van Israël. En dat is geen gemakkelijk geloof. De hulp van de HEERE, dat is niet iets wat er dus voor zorgt dat je een zorgeloos leven kunt leiden. Integendeel. Eerder het omgekeerde: Al die dieptepunten in het leven Israël, al die keren dat ze het op nippertje overleefden als volk, dat kwam ook juist door hun geloof in de HEERE, omdat zij volk van God zijn.

Omdat de HEERE in Zijn volk present is, is dat volk een struikelblok, een steen des aanstoots. De aanwezigheid van de HEERE roept weerstand op. Die werkt als een rode lap op een stier. Wie denkt dat ‘uitverkoren’ volk wel niet dat het is? Want zo concreet is ons geloof: Als we het hebben over de aanwezigheid van God in de wereld. Over Zijn werk. Zijn hulp. Dan hebben we het niet over een gevoel dat wij hebben van binnen, over fijne ervaringen, over warmte, liefde en geborgenheid. Maar dan gaat het allereerst om Israël. Gods werk, Gods hulp, Gods trouw, Gods openbaring is zichtbaar en tastbaar aan dat volk gegeven. Nog steeds. De HEERE blijft trouw.

Als wij worstelen met die vraag: Wat heb je aan de nabijheid van de HEERE? Helpt dat? Doet dat wat? Kijk dan naar Israël. En het antwoord is overduidelijk: ‘ Als de HEERE niet bij ons geweest was, – zeg dat toch, Israël – als de HEERE niet bij ons geweest was, dan waren wij er niet meer geweest.’ Dat is tot op vandaag het getuigenis van Israël in de wereld. Ondanks henzelf. Want een aantal van die dieptepunten, de ballingschap, de vernietiging van het land door de Romeinen, waren ook een oordeel over hun zonden en afvalligheid. Israël is uit zichzelf zeker niet ‘voorbeeldig’. Heel diep voelen wij dat ook doordat ze Jezus als Messias hebben afgewezen. Maar voor God is het daarmee niet opgehouden.

‘Een pelgrimslied’, staat er boven de psalm. Net als boven alle psalmen van 120-134. Ze werden waarschijnlijk gezongen door de Israëlieten die een aantal keer per jaar optrokken naar Jeruzalem, naar de tempel, om daar de grote feesten te vieren en te offeren. Maar ze zijn zo bij elkaar gezet in het Psalmboek dat ze een nieuwe betekenis kregen tegen de achtergrond van de terugkeer uit de ballingschap onder Ezra en Nehemia. De totale vernietiging van het volk is afgewend, ze zijn als het ware uit de dood weer opgestaan.

Pelgrimslied, is letterlijk ‘lied van de opgang’: uit het dieptepunt is er nu een opgaande lijn. Het ergste is achter de rug. Ik las ergens dat iemand Psalm 124 daarom ‘het oudste paaslied’ noemde. En dat klopt. Zeker als wij als christelijke gemeente Psalm 124 meezingen en belijden. Het ergste is achter de rug. Dan denken wij aan Jezus Christus die stierf. Toen alles donker werd. Dat is het dieptepunt van de wereldgeschiedenis geweest. Dieper dan dat konden we als mensen niet zinken: De Messias, de Zoon van God, gekruisigd. Maar ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft.’ De dood kon Hem niet houden. De Schepper heeft de macht leven te geven, de chaos klein te krijgen. Het kwaad te breken. En het graf brak open….

In geloof mogen wij ons daarmee verbonden weten. Achter Jezus aan, door het geloof in Hem, ligt die dood ook achter ons. De strik is gebroken en wij zijn ontkomen. Wij zijn vrij om met Hem te leven. Vrij van duivel en dood, zonde en schuld. Vanaf nu leven we in de ruimte en vrijheid van de HEERE.

We mogen opgelucht ademhalen. We zijn op het nippertje ontsnapt! In de gang van de dagen die komen en gaan, zien we dat niet altijd zo. Maar in de gang van geschiedenis, in het licht van het Grote Verhaal van de Bijbel, van de gang van het volk Israël door de geschiedenis, van de gang van Jezus Christus dóór de dood heen, in dat licht bezien mogen we opgelucht ademhalen. Mag er blijdschap zijn om ons bestaan. Wij kijken soms zo klein naar de dag van gisteren en naar de zorgen van de dag van morgen. De Bijbel leert ons groter te kijken: verder terug, naar de diepte van het kruis, en verder vooruit, naar de komst van het Koninkrijk. Ons leven is door Jezus Christus vanuit het kruis een opgaande lijn. Die lijn loopt regelrecht de hemel in.

Zo bemoedigt Petrus tenminste de gemeenten in zijn brief, waaruit we ook lazen: ‘Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus,  Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop,  door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis,  die in de hemelen bewaard wordt voor u.’ Dit gedeelte uit Petrus is het nieuwtestamentische spiegelbeeld van Psalm 124.

Als we die grote lijn niet in het oog houden, ja, dan ga je twijfelen. De aanwezigheid en hulp van de HEERE is niet altijd zo gemakkelijk aan te wijzen in je eigen leven. De gebeurtenissen in je leven zijn soms helemaal niet te plaatsen in de leiding en trouw van de HEERE. In de tijd dat Petrus zijn brief schreef werden de christenen vervolgd. ‘U wordt bedroefd door allerlei verzoekingen’, schrijft Petrus. En: ‘U ziet Hem nu niet’. Dat kan inderdaad zo zijn. En voor Israël is het ook zo geweest. Psalm 124 zongen ze met grote opluchting en blijdschap na de terugkeer uit ballingschap. Maar, denk je dan, waar was God dan in Auschwitz, tijdens de Holocaust? En waar is God als ik ziek wordt? Dat zijn inderdaad onmogelijke vragen. Maar ons geloof hangt niet aan dat soort momenten. Hangt er niet van af. ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft.’

De Naam, HEERE, Jahweh, ‘Ik ben die Ik ben.’ Majesteitelijk en soeverein. Schepper van hemel en aarde. En tegelijk: ‘Ik ben er echt. Ik ben er bij.’ God met ons in Jezus Christus. In kruis en opstanding.

Dat staat als een huis. Daar zak je nooit doorheen. Omdat Hij ons leven en bestaan vangt in zijn liefdevolle handen.

Niet dat dat vanzelf gaat. Psalm 124 is een opwekking om het te zeggen, te geloven, daarvoor te gaan staan. Deze woorden over te nemen en je eigen te maken. Het mee te bidden met en voor Israel. Zingen is in de Bijbel niet altijd het uiten van je geloof, gevoel en ervaring, maar zoals hier soms ook het innen van het geloof, het je toe-eigenen wat iemand anders je voorhoudt, voorzegt, voorbidt. Misschien herken je dat wel. Dat je soms gewoon moet beginnen met zingen en muziek maken, en het gevoel er dan vervolgens bij kan komen. Zelfs had je de woorden niet gevonden, ze worden je gegeven.

Binnen het Jodendom kent men daarom ook vele vaste gebeden. Onder andere de psalmen. Bidden is niet alleen maar iets aan God vragen, maar je voegen in de vele eeuwen aanbidding en lofprijzing. Geloven doe je op de schouders van het voorgeslacht, door de generaties heen. Je hoeft niet op eigen benen te staan, maar mag het doen met hoe dichters vanaf David het gezegd hebben en geloofd hebben. Voor ons is dat soms wat moeilijk mee te maken, wij leggen veelal de nadruk op het persoonlijke van het geloof, het individuele, de eigen ervaring. Maar zien we de gevolgen daarvan niet om ons heen, en in ons eigen leven: Wij zitten vaak helemaal niet zo ‘op toonhoogte’, de lofzangen komen niet gemakkelijk van onze lippen. Wij komen niet uit onszelf en uit eigen beweging naar de kerk om de verering van de HEERE, de God van Israël, gaande te houden.

Dat heeft Israël zelf ook altijd al moeite gekost, en kost nog steeds moeite. Een groot deel van de Joden die in Israël wonen is geseculariseerd. Doet niets meer met het geloof in God. Net als in Nederland. Als wij vandaag Psalm 124 lezen en zingen, dan zingen en bidden wij dat ook met het oog op hen, dat Israël de lofzang op hun God niet zal vergeten, en daarmee hun afkomst én hun toekomst.

En ook met het oog op onszelf. Dat wij ons leven weer durven beleven als geleid en gedragen door de HEERE zelf. Dat we soms ook heel concreet durven benoemen en het zeggen: Dit heeft de HEERE voor mij gedaan! Hierin zie ik Zijn goedheid. Als je een opleiding volgt en werk vindt dat bij je past, mag je daarin de hand van God zien. Als je een levenspartner vindt en kinderen ontvangt, dan is dat Gods genade. In de rust en veiligheid van ons dorp en deze kerk, vinden wij de beschutting van de Allerhoogste. In de liefde van de mensen die ons omringen, zien we de spiegeling van Gods liefde. En ook als we door de diepte moeten door tegenslag, en ziekte, dan zijn we geroepen om te belijden dat dit de weg is die God met ons wil gaan.

Al kun je dat bijna niet over je lippen krijgen. Klamp je er aan vast. Want dát vergeten, dat haalt de blijdschap uit het leven weg. De blijdschap te bestaan. De opluchting dat het ergste achter de rug is. Dan komen we terecht in een wereldbeschouwing die bepaalt wordt door het toeval. Dan zien we eerder een neergaande lijn in de wereld. En dan verliest ons eigen leven doel en richting. Hoe erg het ook nog kan zijn en worden, de weg loopt omhoog. Echt. Want ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.’

God, laat het leven van Israël, laat ons leven een lied van opgang zijn. Geloofd zij de HEERE!

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s