De tent wordt opgedoekt

Preek over 2 Korinthe 5,1-10 op Oudejaarsavond in Everdingen.

File:Molnár Ábrahám kiköltözése 1850.jpg

Abraham als nomade onderweg – József Molnár (1850)

 

Gemeente van Jezus Christus,

Kennen jullie het sprookje De nieuwe kleren van de keizer? Het is een sprookje verteld door Hans Christian Andersen. Hij vertelt van een keizer die erg op zijn uiterlijk is gesteld. De mooiste mantels en gewaden zijn niet goed genoeg. Op een dag komen er twee kleermakers bij het paleis die zeggen zúlke fijne en mooie stof te kunnen maken als nog nooit gezien. Een stof die alleen zichtbaar is voor slimme mensen. Ze vragen veel goud en sluiten zich op in hun atelier. Ze laten zich wekenlang verwennen met het lekkerste eten uit het paleis. De keizer wordt langzamerhand nieuwsgierig en ongeduldig. Hij staat erop te gaan kijken met zijn hele hofhouding. De kleermakers doen net alsof ze druk bezig zijn met spinnen en naaien. De keizer mag passen en de kleermakers zijn verrukt en vol bewondering hoe mooi het hem staat. De keizer zelf ziet de stof niet. Maar wil dat voor zichzelf niet toegeven, dat zou dom zijn. Zijn hofhouding ziet het ook niet, maar willen dat voor de keizer niet weten. Op een dag zijn de “nieuwe kleren” af en de keizer laat zich ermee rondrijden in de stad. Totdat daar een kind roept: ‘De keizer is in zijn blootje!’ En iedereen lacht de keizer uit. Dan snapt de keizer dat hij bedrogen is… teruggekomen in het paleis zijn de twee oplichters natuurlijk gevlogen.

Ik moest daaraan denken bij het gedeelte dat we lazen uit 2 Korinthe 5. Paulus heeft het daar ook over nieuwe kleren. Hij gebruikt dat als beeld om aan te geven wat je als christen mag verwachten van de dood. Hij zegt dat de dood zoiets is als het afbreken van een tent of het uittrekken als je oude kleren. Dit lichaam wat wij nu hebben, dat zal vergaan. Maar geen nood! We geloven dat God voor ons een nieuw eeuwig lichaam zal maken, waarin wij voor eeuwig bij Hem zullen mogen wonen. Zo schrijft hij in vers 1:

‘Wij weten immers dat, wanneer ons  aardse huis, deze tent, [=dus ons menselijk lichaam] afgebroken wordt [= het sterven], wij een gebouw van God [= een verheerlijkt/eeuwig lichaam] hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.’

Dat die tent en dat huis beelden voor het lichaam zijn, kun je opmaken uit het vervolg, bijvoorbeeld vers 6 ‘Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere’.

Maar naast dat beeld van een huis voor het lichaam, gebruikt Paulus, in 2 Korinthe 5 ook het beeld van kleding. De dood is als het uitkleden, vers 4 ‘wij willen niet ontkleed worden’. Nee, we willen ‘overkleed’ worden, aangekleed, met onze ‘woning uit de hemel’, met ons nieuwe lichaam dus. De oude kleren, ons sterfelijk lichaam gaat uit, maar we krijgen een nieuw eeuwig lichaam aan!

Waarom moest ik dan aan die nieuwe kleren van de keizer denken? Nou, Paulus kan dan wel mooi zelfverzekerd zeggen ‘Wij weten immers dat’! Zo is het! Zo gaat dat als een mens sterft. En ja, wij weten dat ook wel… in de zin dat dat is wat de Bijbel ons vertelt. Als zodanig vertelt Paulus ons niets nieuws. Maar zijn wij daar net zo zeker van als hij? Kunnen we erop vertrouwen? Of komen we dan bedrogen uit? Staan we uiteindelijk in ons hemd? Zo gemakkelijk als Paulus spreekt over het sterven, zo moeilijk hebben wij het daar vaak mee.

Al geldt dat niet alleen voor die uiterste grens, de dood. Op deze oudejaarsavond gaan we ook weer een grens over, een drempel. Naar het nieuwe jaar. Weer een jaar verder. We vieren dat, gezellig met familie en vrienden, we eten oliebollen, we steken vuurwerk af. Maar ten diepste vinden we het in onze cultuur maar niets dat die tijd voortgaat. Dat jaar na jaar verglijdt. Dat je weer een jaar ouder bent. 2014 is alweer voorbij. Als we de tijd stil konden zetten, dan deden we dat. We hebben nog zoveel te doen! Niet ouder worden, niet aftakelen. Geen zorgen voor de dag van morgen. Maar hoe intenser je leeft, hoe méér de tijd lijkt te vliegen.

Paulus kan daar ook over meepraten. Zijn levenstaak was het evangelie van Jezus Christus verspreiden. Zoveel en zovaak mogelijk. Ja, liefst over de hele wereld. Zijn werk, zijn dagelijks leven slokte hem op. De vreugde om het evangelie te verkondigen! Denken over de dood, over het einde, dat deed Paulus dan ook niet. De dood, die was ook helemaal niet meer relevant, vond Paulus. Christus was immers opgestaan! En Die zou straks weerkomen op aarde. Hij zou dus helemaal niet hoeven sterven, verwachtte hij.

Je kunt dat lezen in zijn eerdere 1e brief aan de Thessalonicenzen, hoofdstuk 4 ‘Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere,  dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.’

Maar dan, een paar jaar later, als Paulus op zijn derde zendingsreis is, kijkt hij opeens de dood in de ogen. In hoofdstuk 1 van deze brief schrijft hij, vers 8-9: ‘Want wij willen niet, broeders, dat u geen weet hebt van onze verdrukking, die ons in Asia overkomen is: dat wij het uitermate zwaar te verduren hebben gekregen, boven ons vermogen, zodat wij zelfs aan ons leven wanhoopten. Ja, wij hadden voor ons eigen besef het doodvonnis zelf al ontvangen,’ Tijdens zijn verblijft in Troas, is Paulus waarschijnlijk ernstig ziek geworden. Tot hij dacht dat hij ging sterven… dat is wat… als je dat meemaakt. Bij jezelf of in je omgeving. Dat je hele bestaan op losse schroeven komt te staan.

Of beter gezegd: Je ontdekt dat je hele bestaan altijd al op losse schroeven stond. We denken soms dat wij hier op aarde aardig stevig staan. Maar het is maar een tent. Wij vergeten dat zo gemakkelijk. Het is tot Paulus doorgedrongen: mijn lichaam, het gaat achteruit. Ik maak het niet lang meer. Hij is wel hersteld van die ziekte, heeft zijn reis vervolgt, maar weet nu dat het een reis is. Dat het leven een reis is. Wellicht heeft hij toen hij 2 Korinthe 5 schreef, gedacht aan Abraham. De vader van alle gelovigen. Die was een nomade, een tentbewoner, hij trok van plaats tot plaats.

In Hebreeën 10 wordt over dat bestaan van Abraham gezegd: ‘9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. … 13 … Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden  dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. … 16 … Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen  om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt.´

Het is een valkuil voor ons: Dat wij onze haringen, de tentpinnen, te diep in de grond slaan. Dat wij te zeer gaan hechten aan ons aardse bestaan. Ons huis, ons thuis, is niet hier. Dat is een wezenlijk onderdeel van het christelijk geloof. Willen we dat weten? Wilt u het weten voor uzelf?

Maar nu weer even terug naar die nieuwe kleren van keizer. Hoe weet Paulus dan zo zeker te vertellen dat er ná ons aardse bestaan, ná de dood, een eeuwig bestaan bij God wacht? Is dat niet een mooi verhaaltje om troost te bieden aan mensen die opzien tegen het sterven? Voelt Paulus dan niet hoe moeilijk dat in feite te geloven is?

‘Wij hebben dus altijd goede moed’, zegt Paulus in vers 6. Put hij die moed uit zichzelf? Uit zijn sterke geloof? Nee, het belangrijkste vers uit dit gedeelte is vers 5: ‘Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God,  Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft.’ Paulus heeft het dus niet van zichzelf, die zekerheid, dat vertrouwen. Hij heeft het ook niet zonder slag of stoot kunnen aanvaarden. Dat heeft God moeten doen. Zijn bijna-dood-ervaring die hij in hoofdstuk 1 beschrijft, vervolgt hij met ‘Ja, wij hadden voor ons eigen besef het doodvonnis zelf al ontvangen,  opdat wij niet op onszelf zouden vertrouwen, maar op God, Die de doden opwekt. Hij heeft ons uit zo’n groot doodsgevaar verlost, en Hij verlost ons nog. Op Hem hebben wij de hoop gevestigd dat Hij ons ook verder verlossen zal’.

Paulus gelooft dus niet in de onsterfelijkheid van de ziel. Dat er iets in hem is, wat eeuwig zal voortbestaan, als een soort automatisme. Hij bouwt zijn zekerheid niet op iets in hemzelf, maar totaal op God. ‘God zal ons ook verder verlossen.’ Steeds meer is Paulus zijn leven gaan verbinden met het leven van Jezus Christus. Die ook stierf. Aan het kruis. Maar die uit de dood werd opgewekt door God. Met een nieuw verheerlijkt lichaam. Het oude lichaam, maar verheerlijkt, getransformeerd, veranderd, verhoogd.

Als God dat voor Jezus deed, zal Hij dat toch ook voor ons doen. Hoezo? Omdat God ook ons als Zijn kinderen aangenomen heeft, door het geloof. Dat ervoer Paulus heel diep, in de ervaring dat hij de heilige Geest ontvangen had. De Geest van Christus leefde in hem. En in alle gelovigen. Zo schrijft Paulus: ‘Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God,  Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. [Daarom!] Wij hebben dus altijd goede moed’.

In het leven van een christen is die Geest onomstotelijk aanwezig. Want je merkt dat je lichaam bij het ouder worden inderdaad aftakelt. De jaren gaan tellen. Maar innerlijk, spiritueel, is er sprake van vernieuwing, van groei, van nieuw leven. Paulus merkte bij zichzelf dat hij steeds meer en meer van de Heere Jezus ging houden, zich aan Hem ging toewijden, zich aan Hem verbonden voelde. Dat is het werk van de Geest van Christus. Dat gebeurt in ons!

Ik hoop dat u daar ook iets van merkt bij uzelf. Het kan geen kwaad zo eens terug te kijken op 2014. Inderdaad een jaar ouder geworden, lichamelijk… maar geestelijk, hoe is het u vergaan? Kunt u het Paulus nazeggen die in 4,16 zegt: ‘ook al vergaat onze uiterlijke mens, toch wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd.’ Nee, dat hoeft niet te betekenen dat je een veel beter mens bent geworden, voorbeeldig in je gedrag. Bij Paulus is het vooral geweest in het jaar dat hij deze brief schreef, dat hij beseft zwak te zijn, sterfelijk, en daardoor heeft hij geleerd afhankelijk te zijn van God. Verderop in de brief zal hij zeggen: ‘Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.’

De verkondiging van het evangelie, zijn levenstaak, die komt door zijn lichamelijke ziekte en zwakheid niet in gevaar, maar wordt daardoor juist krachtiger. Omdat de mensen aan Paulus zien dat zijn geloof geen succesverhaal is, dat Paulus geen mannetjesputter is, dat het niet om hem draait, om zijn werk, maar dat het echt Jezus Christus is, die leeft, die werkt, die zegent, die behoedt en beschermt.

Het is de Geest van Christus, die uit de dood is opgestaan, die in Paulus werkt, en dat geeft hem goede moed. De verkondiging van het evangelie is geen sprookje van nieuwe kleren voor de keizer, maar echte werkelijkheid. Ja, veel echter en harder, dan de onze. Want dit bestaan is maar een tent, een doek die opgerold wordt. Maar het bestaan bij God is een gebouw, een huis, eeuwig.

En wat verwacht hij daarvan? Dat is de goede vraag, die ook wij mogen stellen. Voor Paulus is dat nieuwe bestaan namelijk aantrekkelijk. Aantrekkelijker zelfs dan het huidige. Zo zegt hij in vers 8: ‘Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen.’

Paulus laat zijn aftakelende lichaam graag achter. Soms hoor ik dat ook wel van ouderen onder ons, die erg tobben. En soms hoor ik het ook van families die iemand begraven hebben. Als iemand op hoge leeftijd gekomen is, dan is de rek eruit. Een verlenging van het leven, is dan alleen maar een verlenging van lijden. Als iemand dan komt te sterven, zeggen we ook wel eens: ‘Het is beter zo. Het is mooi geweest.’

Let wel: Voor Paulus is het dus niet zo dat hij per definitie zegt dat het aardse leven er niet toe doet. Voor de Grieken in zijn dagen was dat wel zo. De materie, het aardse slijk, dat trok de mens naar beneden, dat was vol zonde en begeerte. Het ging om de ziel, die was goddelijk. De dood zag men daarom als bevrijding!

Nee, zo spreekt de Bijbel niet en zo spreekt Paulus ook niet. Het is niet de slechtheid, maar de gebrokenheid van de schepping die hem doet zuchten. Maar het aardse leven, het lichaam, is Gods schepping en goed.

Paulus maakt dus geen onderscheid tussen hier, de aarde, de materie, en dáár, de hemel, het geestelijke. In vers 1 staat ook niet ‘in de hemel’, maar letterlijk ‘uit de hemel’. Zoals in Openbaring 21 het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaald op aarde. Het gaat ook in het hiernamaals om dít lichaam, om déze aarde, om Jezus Christus die ook hier aanwezig is. Onze ogen zijn alleen niet geschikt om die nieuwe werkelijkheid te zien. Die transformatie vindt plaats bij onze dood, dan krijgen wij nieuwe ogen. Nu ‘wandelen [wij] door geloof, niet door aanschouwing’, vers 7.

Zoals Abraham al rondwandelde in het land Kanaän. Het was hem beloofd! Maar hij had het nog niet. Het enige stuk wat hij had, was op een gegeven moment het graf van Sara. Daar werd ook hijzelf begraven. Zo is het graf van Christus, dat leeg is!, het lapje grond van de nieuwe schepping, dat garandeert dat eens deze hele werkelijkheid, ook ons lichaam, vereeuwigd zal zijn.

Zo heeft Paulus immers Jezus ontmoet, de opgestane, op de weg naar Damascus. De aardse Jezus, met zijn menselijk lichaam, maar dan verheerlijkt! Dat was maar een moment… maar het smaakt naar meer! Zo, zo zullen ook wij zijn. Wij zullen bij de Heere wonen, waar? Hier op aarde, in Zijn komende Koninkrijk. Dáár gaat het voor Paulus om. De gemeenschap, de band met Christus, zal dan volledig zijn. Die is er nu ook wel, maar moeilijk, breekbaar. Christus is soms heel dichtbij in Zijn spreken, door Woord en Geest, maar we zouden zo graag zien, tasten. Wel, dat komt. Dat komt.

Dat is het aantrekkelijke voor hem. Voor u ook? Voelt u zich ook een beetje vreemdeling, emigrant, ver van huis? Zou u ook het liefst bij de Heere Jezus zijn?

U merkt wel, hoe je denkt over het leven ná dit leven, zegt ook alles over het leven nú. Straks is het eeuwige huis, een onverwoestbaar lichaam, dan is nú de tent, ons huidige lichaam dat aftakelt. Straks is het ‘inwonen’, immigreren bij Christus, dan is nú ‘uitwonen’, ge-emigreerd zijn, vreemdeling zijn. Waar je naar onderweg bent, kleurt je huidige leven.

Het besef wat tot Paulus doorgedrongen is, dat ook hij sterfelijk is, heeft voor hem dan ook een hele praktische spits. Vers 9 en 10: ‘Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden,  opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.’ Hij heeft nu voor zichzelf helder dat hij daarnaar onderweg is. Naar Christus en naar Zijn rechterstoel. Dan kun je daarmee vast beter vandaag rekening houden.

Op de achtergrond speelt voor hem hier de relatie met de gemeente van Korinthe een grote rol. Die was namelijk aardig verziekt. In Korinthe trokken ze Paulus’ apostelschap in twijfel. Er waren nadat Paulus de gemeente had gesticht andere evangelisten gekomen. Joodse christenen die veel beter spraken, veel spectaculairder optraden, en die de gemeente opdroegen zich aan de joodse leefregels te houden. Paulus’ boodschap stak daarbij maar mager en moeilijk af.

In de 1e Korinthebrief probeert Paulus veel daarvan te weerleggen, één voor één de vragen van de gemeente te behandelen. Daarna is hij nog eens op bezoek gegaan, maar dat werd een fiasco. Ze luisterden niet naar hem. En toen heeft hij een hele scherpe en emotionele brief gestuurd, die wij niet meer hebben, die is verloren gegaan. Deze 2e Korinthebrief is dus eigenlijk de 3e. Hij verdedigt hierin vooral zijn autoriteit, gezonden door Christus.

Uit het oogpunt van het eeuwige leven met Christus, weigert hij om de gemeente van Korinthe te pleasen, zoals die andere predikers doen. Hij voelt zich alleen verantwoording verschuldigd aan Christus, niet aan mensen. ‘De rechterstoel van Christus’, dat is voor hem geen dreiging ‘o, o, kijk uit!’, het is een relativering. Het oordeel over zijn leven, zijn gedrag, zijn prediking, zijn verhouding met de gemeente van Korinthe, dat is niet aan hen, en ook niet aan Paulus zelf. Het zal ‘openbaar worden’, doorzien worden, bekeken worden, door Jezus Christus. En uit alles blijkt dat Paulus niet bang is voor dat oordeel. Hij ziet het met vertrouwen tegemoet. Want hij weet van zichzelf dat hij oprecht Christus heeft willen dienen.

Het is goed om het oordeel over 2014 aan Christus te laten. Het gaat er niet om of wij vonden dat het een goed of slecht jaar was, maar wat Hij ervan vond. Kunt u dat met vertrouwen aan Hem overlaten?

En het is goed met dat besef 2015 in te gaan. Het zal er niet om gaan dat de mensen om ons heen vinden dat we goed bezig zijn, of dat we niet goed bezig zijn. Het zal er om gaan dat wij voor Hem welbehaaglijk leven. Dan kun je met goede moed het oude jaar uit en het nieuwe in. En als het zover komt: ook het leven uit, en het nieuwe leven in.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s