Kern van de Bijbel (5) – God: Schepper en Vader

Preek uit leerdienst over Heidelbergse Catechismus, Zondag 9-10.

Michelangelo Buonarroti – De Schepping van Adam (Rome, Sixtijnse Kapel)

 

Gemeente van Jezus Christus,

  1. Het gaat niet over ‘de schepping’, maar over ‘voorzienigheid’

Je kunt ongelooflijk genieten van de prachtige wereld waarin wij leven. Als wij aan de ‘schepping’ denken, dan denken we aan de wijdse blauwe luchten, aan de krokusjes die hun kopjes weer boven de aarde steken, de Lek met de uiterwaarden, waarin talloze vogels een huis vinden. En misschien volgt u ook wel de natuurseries die de EO uitzendt, zoals Life Story deze weken. Prachtig. En het gevoel bekruipt je: Hier moet wel een God achter zitten. Zo komen we dat in de Bijbel ook tegen, Jesaja 40:

26 Sla uw ogen op naar omhoog, en zie Wie deze dingen geschapen heeft; Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt, ze alle bij name roept door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht; er ontbreekt er niet één. 27 Waarom zegt u dan, Jakob, en spreekt u, Israël: Mijn weg is voor de HEERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? 28 Weet u het niet? Hebt u het niet gehoord? De eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, wordt niet moe en niet afgemat. Er is  geen doorgronding van Zijn inzicht. 29 Hij geeft de vermoeide kracht en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.’

Het valt hier in Jesaja wel op dat het niet gaat om alle prachtige vogeltjes, bloemen en vlinders. Dat alles zo mooi gemaakt is. Daar zit gelijk al een les voor ons. In discussies over de schepping hebben wij als christenen de neiging om naar al het mooie te wijzen. Niet-gelovigen hebben dan munitie genoeg om te zeggen: Ja, maar zo mooi als jullie het voorspiegelen is de natuur helemaal niet. De natuur is ook mateloos wreed. Het leven in de natuur is hard. Het is eten of gegeten worden. The survival of the fittest.

Als het in de Bijbel over de schepping gaat, dan gaat het juist over die overweldigende wereld, waar je bang voor kunt zijn, waar je geen grip op hebt, waar altijd dood en chaos dreigt. In de bijbelse tijd leefde men nog dichtbij de natuur en was daarin heel realistisch, niet romantisch zoals wij. Perioden van droogte en honger, wilde dieren, ziekten: men ervoer de gevaren aan den lijve. Dán te geloven dat God Schepper is, dat Hij dat alles in Zijn macht heeft, dat is dan een hele opluchting.

Je merkt dat in deze tekst uit Jesaja uit de tijd van de ballingschap. Het is in die jaren van ontreddering en wanhoop dat profetieën klinken over de macht van God. Dat wij geloven in de schepping, dat is niet zomaar een theorie uit Genesis 1 over het ontstaan van de wereld en hoe dat dan gegaan zou moeten zijn. Als een stukje ‘geloofsleer’. Nee, dat gaat over troost, over houvast, voor mensen die aan de grond zitten. Discussies over een schepping door evolutie of 6 dagen zijn dan niet relevant, daar val je mensen die diep in de puree zitten niet mee lastig, toch? Het is hoogstens een leuke hobby voor wie vrije tijd over heeft.

Nee, geloven in God als Schepper, dat is geloven in een God met alle macht in de hemel en op aarde. En dat is dus een God die helpen kan, een God die redden kan en bevrijden. Daarom komt in Jesaja zovaak God als Schepper ter sprake, omdat dat bemoedigt. Wat dat betreft slaat de catechismus ook de goede tonen aan. Bij de bespreking van God als Schepper gaan ze niet helemaal Genesis 1 uitwerken, over de eigenlijke schepping zeggen ze alleen maar dat het ‘uit niets’ was, en daar laten ze het bij. Veel belangrijker in deze vragen en antwoorden is het woord ‘voorzienigheid’: ‘de almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en regeert’. M.a.w.: Dat wij geloven ‘in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde’, dat is enerzijds geloof in wat Hij lang geleden gedaan heeft, maar dat is vooral iets voor vandaag, Hij onderhoudt en regeert.

Dat God Schepper is, dat gaat er niet in de eerste plaats om dat Hij alles zo mooi gemaakt heeft, maar vooral dat Hij ook vandaag de dag al het lelijke van deze wereld in Zijn macht heeft en ons daartegen beschermt. En dan voel je gelijk: Ja, dat moet je geloven. Dat is een geloofssprong die je dan moet maken. Het is niet zo dat ‘God is Schepper’ voor iedereen inzichtelijk is.

  1. Zit het wel goed met Gods ‘onderhoud’ en ‘regering’? (Job 1:20-22)

Integendeel, dan wordt het superspannend. Want als je om je heen kijkt in de wereld dan ziet het er niet naar uit dat er Iemand regeert. Voor veel mensen is dat juist een reden om niet meer te geloven in een God. Want een almachtige God zou toch wel iets beter voor de mensen moeten zorgen dan nu het geval is…

De catechismus beantwoordt die vragen helemaal in de lijn met de klassieke christelijke theologie: ‘ik twijfel er niet aan, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede.’ En: dat God ‘ zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen.’

Hiermee wordt nogal iets gezegd. De macht van God is niet alleen voelbaar in het goede, maar ook in het kwade dat ons overkomt. Dat is geen toeval, wordt duidelijk gezegd, maar dat valt ons ‘uit zijn vaderhand’ ten deel. Dat zijn harde woorden. Je zult maar ziek zijn. Je kind verliezen. Heeft God dat dan zo beschikt? Wil God dat? Het is wel een bijbelse gedachte, die we bijvoorbeeld bij Job terugvinden:

20 Toen stond Job op en scheurde zijn bovenkleed, schoor zijn hoofd, viel op de aarde en boog zich neer. 21 En hij zei: Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd! 22 In dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.’

Als God kwaad veroorzaakt, dan, zo werd in de bijbelse tijd gedacht, dan is dat als straf. Straf op de zonde, omdat je Gods geboden hebt overtreden, gezondigd hebt. De voorbeelden zijn er: Sodom en Gomorra worden omgekeerd om hun gruwelijke zonden. In de dagen van David stierven er velen in het volk door ziekte, omdat David een volkstelling had georganiseerd, tégen Gods verbod in. In de dagen van Elia kwamen er drie jaren droogte en hongersnood, omdat Israël Baäl diende. En het grootste oordeel: de verwoesting van Jeruzalem, het eind van het koninkrijk Juda, wordt door de profeten expliciet aan God toegeschreven omdat het volk weigerde God te dienen.

Het probleem is dat niet al het kwaad dat mensen overkomt 1-op-1 aan zonde verbonden kan worden, als straf. Daarom komt Job in opstand. Hij had niets verkeerd gedaan. Wat is dat voor een God, denk je dan. Speelt God dan spelletjes met ons? Wel erg harde spelletjes dan. Je kunt met deze zaken erg worstelen. Als zulke dingen in je eigen leven gebeuren. Zeker als je bedenkt hoeveel leed en pijn er in de wereld is. Vroeger werd er gezegd: ‘De mens wikt, maar God beschikt.’ Wat kun je dan nog anders? Berusten in je lot. Dat vinden wij tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer, mondig als we zijn. Het is ook de vraag of berusten een goede reactie is. In de rest van het boek Job, klaagt hij er op los. Job gaat er ook niet zomaar mee akkoord dat dit alle hem overkomt. Hij voelt zich ernstig door God tekort gedaan.

Voor ons gevoel kan God de hand niet hebben in het kwaad dat ons zomaar overkomt. Want God is goed, in Hem is geen duisternis. Maar daar maken we de vragen niet kleiner mee, alleen groter: dat zou immers betekenen dat God het kwaad niet in de hand heeft. Dat het Hem uit de hand loopt. Dan zou er wel een toeval, een noodlot zijn. Of zelfs een actieve kwade macht. Misbruik van kinderen, verkrachting, de moord op 6 miljoen in de holocaust. Het kwaad gaat dan buiten God om zijn eigen gang.

Voelt u dat dat nog veel vreselijker zou zijn? Want waar eindigt het dan? Zal God het dan ooit winnen? Nee, we geloven dat God de Schepper is. Hij staat boven alles. Hij heeft alles in Zijn hand. Het goede. Loof en gras, regen, vruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en rijkdom. (Het valt op dat die wel eerst genoemd worden!) Maar dan ook het kwade: droogte, onvruchtbare jaren, ziekte, armoede. Ook daarin heeft Hij de hand. Dat is wat… Je voelt wel: dan ga je langs het randje dat je God een sadist zou noemen…

  1. God wil een Vader worden (Galaten 4:4-6)

Gelukkig weten we wel zeker dat Hij dat niet is. Want dat is niet zoals we God in de Bijbel leren kennen. Het is opvallend dat de catechismus in deze zondagen heel sterk de nadruk legt op het Vaderschap van God. Zo kennen wij God, wij kennen Hem als Vader. We geloven niet in een verre vreemde God, die vanuit de hemel zomaar goed of kwaad over ons hoofd beschikt. In feite zou die God dan identiek zijn met het noodlot.

Met dat ‘vaderschap’ van God is echter wel iets aan de hand. Ik denk dat velen moeite hebben met geloof in God, omdat ze wel een verkeerd beeld hebben van wat en wie God is. Diep in ons hart hebben wij namelijk vooral het idee dat God voor ons moet zorgen. Dat is wat God zou moeten doen in ieder geval. God heeft de wereld gemaakt en heeft zogezegd een ‘onderhoudsverplichting’. Hij zou in feite alle problemen die er ontstaan op moeten lossen. Hij zou zieken moeten genezen. Hij zou oorlogen moeten beëindigen. Soms hebben we de neiging om ons in die manier van denken mee te laten slepen.

In veel kinderbijbels wordt zo over God gesproken: Een God die zorgt, die helpt, die beschermt, die redt. Een God die er is voor iedereen. God als Opperwezen in de hemel die voor iedereen zonder onderscheid zorgt.

Het is logisch dat je daar op een gegeven moment op afknapt, want dat is duidelijk niet hoe de wereld in elkaar zit. Als je dat van God verwacht, dan zit je ernaast. Als we het hebben over Gods Vaderschap, dan gaat het niet algemeen over de hele schepping, over alle mensen, maar over mensen die Zijn kinderen, Zijn volk, zijn geworden. Naar hen strekt God Zijn hand uit. God is niet zomaar de God en Vader van alle mensen. Nee, zegt de catechismus: Hij is ‘de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus’, dat allereerst… en alleen ‘om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader’. Ze beroepen zich daarvoor bijvoorbeeld op Galaten 4:

4 Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw,  geboren onder de wet, 5 om hen die onder de wet waren, vrij te kopen,  opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen. 6 Nu, omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!’

Op die manier wil God onze Vader worden. Zo toont Hij ons Zijn liefde en zorg. Door Zijn Zoon Jezus Christus te zenden naar deze wereld. En ons als kinderen te adopteren. En dan mogen wij Vader zeggen tegen God. Daar buitenom kan dat niet en mag dat niet. Dat gaat niet automatisch. We kunnen ook niet automatisch aanspraak maken op Zijn Vaderlijke zorg en bescherming. Integendeel, buiten Jezus Christus om leven wij in een gebroken en vervloekte wereld, door de zonde die ons mensen eigen is. Daar is het geen wonder dat wij ons snijden aan de scherven van Gods wereld die wij stuk hebben gemaakt.

Gods Vaderlijke zorg, Zijn scheppingsmacht, leren wij dan ook vooral daarin kennen dat God uit de scherven van ons leven en deze wereld nog weer iets weet te maken. Hij ‘voorziet’ in een oplossing. Hij zond Zijn Zoon als offer voor de zonden. De zorg van God de Vader gaat veel verder dan eten en drinken of gezondheid, maar voorziet in onze diepste levensnood: een offer voor onze zonden, verzoening van onze schuld. Juist nu in de lijdenstijd staan we daarbij stil: Hoe diep de liefde van God afdaalde in het duister van het kwaad, ja tot in de dood. Het is de macht van de Schepper die uit kruis en bloed, lijden en pijn, dood en graf, verzoening schept, nieuw leven. De macht van de Schepper ontmoeten wij met Pasen als de Vader de Zoon opwekt uit de dood.

Zo leren wij God in de Bijbel kennen. Geen blind noodlot. Geen God die zomaar goed en kwaad naar willekeur uitdeelt. Maar een God die vanuit Zijn liefde in de diepste nood voorziet. Die door de diepte van de zonden heen, mensen, u en ik, als Zijn kinderen aanneemt. Nog steeds, net als in het Oude Testament, leren wij Gods Scheppingsmacht kennen door de bevrijding die Hij biedt. 

  1. God wil door Zijn voorzienigheid een Koninkrijk stichten

Dat stelt onze verwachtingspatronen rondom de Vaderlijke zorg wel bij. Want wat verwacht u van God? Kijk maar eens naar de dingen waar je voor bidt. Waar bidden wij voor? Wij bidden voor ons eten. Als we ziek zijn bidden we om gezondheid. We bidden om de kracht ons werk te kunnen doen. Om bescherming als we onderweg gaan. Veel van onze gebeden zijn met dit soort dingen gevuld. Toch? Met de dingen die wij dagelijks nodig hebben. Of onze familie en bekenden. Dat soort gebeden hebben in feite niet zoveel zin.

Lees maar mee wat Jezus daarover zegt in Mattheus 6:

31 Wees daarom niet bezorgd en zeg niet: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? of: Waarmee zullen wij ons kleden? 32 Want al deze dingen zoeken de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt. 33 Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.’

Jezus zegt niet dat eten en drinken en al die dagelijkse dingen er niet toe doen. Probleem is alleen dat je te klein denkt over God als je je daarover druk maakt. In feite denk je dan als een heiden. In alle heidense religies draait het er om dat je krijgt wat je nodig hebt om te leven. Gezondheid, succes, vruchtbaarheid, daarvoor breng je offers, bid je, en hoop je dat je het van je god krijgt. Wij moeten uitkijken dat we niet in diezelfde valkuil lopen. Dat onze relatie met God zich ook op dat niveau afspeelt. In feite haal je dan God naar beneden, naar het niveau van een afgod. Dan onderschat je Hem.

Jezus zegt: ‘Je hoeft je daarover niet druk te maken als christen, want dan weet je toch dat God Vader is. En als je Vader weet Hij echt wel wat jij nodig hebt. Hij weet dat zelfs beter dan jijzelf.’ Hij bedoelt daar niet mee dat gezondheid, eten en drinken, werk en inkomen er niet toe doen. Maar daar hoeven wij ons niet druk om te maken. Maak je liever druk om het Koninkrijk van God en Gods gerechtigheid.

Daar ligt een heel scherp punt voor ons vandaag de dag. Heel gemakkelijk worden wij in een soort nieuw heidendom gevangen, waardoor we vooral een beetje een comfortabel en leuk leven willen, en denken dat God ons dat wil geven. Maar dat is niet Gods plan voor ons. God is bezig een nieuwe wereld te scheppen. Zijn Koninkrijk te laten komen. Daarvoor wendt Hij, de Schepper, Zijn macht aan. Om gerechtigheid te brengen. De dingen recht te zetten. Alles wat krom is op deze aarde en stuk, dat moet heel gemaakt worden, wat dood is, daarin moet leven komen. Wat niets is, moet iets worden. Daarin voorziet Hij. En wij worden door Hem in dat proces ingeschakeld. Dat is geen succesvol project, maar dat gaat ook door de diepte van het lijden heen, door het dal vol schaduwen van de dood. God is bezig nieuw leven te scheppen. In ons en door ons. Dat is moeizaam. Dat gaat ook niet zonder loutering. Zonder oordeel.

De schepping zucht als in barensnood, schrijft Paulus. En wij zuchten mee.

Als het over God de Vader gaat, over Zijn zorg, dan denken we dus te klein als we bidden om ons natje en droogje en een gelukkig en gezond leven. Als ons gebedsleven en ons handelen daarbij blijft steken, dan ben je in feite een heiden.

Let wel: Die heiden zit in ons allemaal, dat oppervlakkige verlangen naar ‘als ik het maar goed heb’. Maar je moet weten dat die heiden er zit, om hem onder de duim te houden. Of liever: je zo door het evangelie van Jezus Christus laten raken en vullen, dat Hij die heiden in u en mij onder de duim houdt. Is dat in uw leven zo? Bent u werkelijk gericht op het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid? Waaraan is dat te merken? 

  1. Aan de hand van de Vader

Als we zo met elkaar nadenken over God de Schepper en Zijn voorzienigheid, dan gebeurt er iets. Aanvankelijk stellen wij dan vraagtekens bij Zíjn zorg en goedheid… maar door Gods Woord en openbaring, als wij Hem als Vader leren kennen in Jezus Christus, dan worden de zaken omgedraaid. Dan worden de vraagtekens achter ons leven geplaatst: En jij dan, jij hebt het leven ontvangen, je leeft van Gods goede gaven, je kent het evangelie van Jezus Christus, wat doe je daar dan mee? Je wordt op je plek gezet als mens, als schepsel.

Het is mooi dat de catechismus dat niet op een negatieve toon of verwijtende toon brengt. Ze zet ons op onze plek, ja, maar dat is dan de plek van een kind. Kind van de Vader. Dat mag onze plek zijn. En onze houding mag daarom ‘vertrouwen’ zijn.  ‘Daarom vertrouw ik zo op Hem’, zegt antwoord 26. ‘Hij wil het ook doen als trouw Vader.’ En in 28: ik mag het ‘vaste vertrouwen hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal.’ Woorden die regelrecht uit Romeinen 8 lijken te komen. Dat is de diepste kern van het geloof in onze Schepper, die ook onze trouwe Vader is geworden door Jezus Christus: Niets, maar dan ook niets kan ons van Zijn liefde scheiden.

Dat is geloof. En dat is niet altijd gemakkelijk. In psalm 73 horen we de worsteling van Asaf met tegenspoed in zijn leven. Maar hij komt tot de slotsom:

23 Niettemin zal ik voortdurend bij U zijn, U hebt mijn rechterhand gegrepen. 24 U zult mij leiden door Uw raad, daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.’

Kijk, dat is wat de catechismus bedoelt met ‘in tegenspoed geduldig’ zijn. Dat is geen slappe vorm van berusting. Maar het vertrouwen en misschien bizarre geloof dat God je vast houdt. Dat er ook door de diepte een weg loopt. Zoals Paulus zegt ‘het lijden van de deze tegenwoordige tijd, weegt niet op tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’. Dan kun je veel hebben. Dan kun je alles hebben. Dat kan alleen maar als je die hand van God in je leven als vaderhand kunt grijpen en vasthouden.

En die ook niet loslaten als alles je voor de wind gaat. Die neiging hebben wij als mensen nogal. Zodra het goed gaat, kunnen we wel op eigen benen staan.

Of we zijn, zoals veel mensen, altijd een soort van ontevreden. Áls het dan goed gaat, willen we nog meer. Het gras bij de buren is altijd groener. Die ontevredenheid, dat cynisme, is de geest van onze tijd. Laten we alsjeblieft onze enorme welvaart waarderen als genadegave. Wat hebben we het geweldig goed met elkaar hier in Everdingen. Materieel. Maar ook qua welzijn, vrijheid en veiligheid. ‘In voorspoed dankbaar.’ Ook dan de Vaderhand vasthouden.

Door het geloof in Jezus Christus mag je geloven dat God je Vader is. En dat je aan Zijn hand door het leven mag. De wegen die Hij met ons gaat, ja, die komen ons soms onbegrijpelijk voor. We kunnen wel eens denken dat Hij zich in de weg vergist. Maar laat die hand van je Vader nooit los! Hij laat ook niet los. ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft, die niet loslaat wat Zijn hand begon.’ Die u niet loslaat. Die mij niet loslaat. Hoe de weg ook loopt, wij weten dat die loopt naar de heerlijkheid van Gods Koninkrijk. Daarin zal onze Vader, de trouwe Schepper, voorzien.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s