Op speurtocht in de Bijbel met Jezus

Preek over Lukas 24,13-35 gehouden in Everdingen bij Afsluiting winterwerk (jaarthema ‘Thuis in de Bijbel’).

Fritz von Uhde (1848-1911): Op weg naar Emmaüs

Gemeente van Jezus Christus,

Je hebt vast wel eens meegedaan aan een speurtocht of dropping. Je wordt ergens gebracht waar je de weg niet kent. Soms met een blinddoek om, zodat je ook niet ziet heb gezien welke kant je op ging. En dan moet je de weg naar huis terug vinden. Misschien door middel van pijlen die op de stoep getekend zijn. Lintjes die in bomen hangen. Spannend is dat. Vooral in het donker. Stel je voor dat je verdwaalt…

Kleopas en zijn vriend zijn ook op een speurtocht. Ze lopen van Jeruzalem naar Emmaüs, een dorpje 10 kilometer verderop. Maar die route kennen ze wel uit hun hoofd. Daar hoeven ze niet naar te speuren. Nee, eigenlijk zoeken ze Jezus. Ze zijn niet de weg kwijt, ze zijn Jezus kwijt. En daar begrijpen ze niets van. Ze piekeren en denken, ze praten en discussiëren. En ze zijn erg verdrietig. Hoe heeft dat nu kunnen gebeuren… 3 dagen geleden is Jezus gekruisigd, gestorven en begraven.

Terwijl zij daar zo lopen, schrijft Lukas, vers 15-16:

En het gebeurde, terwijl zij met elkaar spraken en van gedachten wisselden,  dat Jezus Zelf bij hen kwam en met hen meeliep. Maar hun ogen werden gesloten gehouden, zodat zij Hem niet herkenden.’

Hoe kon dat, dat ze Hem niet herkenden? Ze kenden Hem toch goed? Was Jezus na de opstanding dan veranderd of zo? Nee, Lukas schrijft echt ‘hun ogen werden gesloten gehouden’. Door God, moet je daar dan bij denken, door Jezus. Hij houdt hun ogen dicht. Jezus doet hen als het ware even een blinddoek om.

Dat is flauw van Jezus, vindt u niet? Hij weet dat die twee erg verdrietig zijn, omdat ze denken dat Hij dood is. Maar in plaats van dat Hij zegt: ‘Jongens, kijk eens goed, Ik ben het. Ik leef! We gaan samen terug naar Jeruzalem!’ stuurt hij hen op speurtocht met een blinddoek om. Ze lopen samen de hele weg naar Emmaüs. Waarom maakt Jezus het hen zo moeilijk?

Ja, dat denken wij wel vaker over God. Toch? Denkt u dat nooit? Waarom doet God het zo moeilijk? Alleen al ons jaarthema afgelopen winterwerk. ‘Thuis in de Bijbel’. We geloven dat we van God dit boek, de Bijbel, hebben gekregen. Dat Hij ons daarin vertelt Wie Hij is. Het boek met alle antwoorden over God. Maar een gemakkelijk boek is die Bijbel niet. Had God dat niet simpeler op kunnen schrijven voor ons? Waarom heeft Hij voor ons niet gewoon één A4-tje gemaakt met daarop heel simpel wat uitleg?… Maar nee, nu hebben we een boek, met daarin weer 66 boekjes, brieven, gebeden en profetieën. Er zijn genoeg mensen die vóórin beginnen te lezen en al snel de draad kwijt raken…

Waarom stuurt Jezus ons op zo’n speurtocht? Waarom moeten we er moeite voor doen Hem te leren kennen? En afgezien van de Bijbel, ik weet niet hoe u het ervaart, maar geloven in Jezus, is sowieso best moeilijk. Jezus zien we immers niet. Jezus laat zich niet zien. Hij heeft onze ogen zo gemaakt dat we wel de bloemen, de vogels, de lucht en elkaar zien, maar Hem niet…

‘Maar hun ogen werden gesloten gehouden, zodat zij Hem niet herkenden.’

Dat is niet alleen iets van die paar vrienden op weg naar Emmaüs. Datzelfde geldt ook voor ons. Als wij moeite hebben met Gods leiding in ons leven. Als we weinig van God merken. Als we geen touw kunnen vastknopen aan die Bijbel. Waarom doet Jezus zo moeilijk?

Laten we niet zielig doen. Wij zijn Hans en Grietje niet. Je kent dat sprookje vast wel. Hans en Grietje worden door hun ouders achtergelaten in het bos, maar zijn zo slim geweest een spoor van broodkruimeltjes achter te laten. En zo kunnen ze de weg weer terug vinden… als niet de vogels de kruimeltjes hadden weggepikt. En zo raken ze het spoor bijster, ze verdwalen ze als nog. Een zielig verhaal over twee arme kleine kindertjes.

Zo was het niet met Kleopas en zijn vriend. Dat zij verdwaald zijn, dat hebben ze echt aan zichzelf te danken. Het is niet Jezus die moeilijk doet, maar zijzelf doen moeilijk. Het is immers de dag van Pasen. Daar begint vers 13 mee:

‘En zie, twee van hen gingen op diezelfde dag…’.

Dat is de dag dat Jezus opstond uit de dood. De dag dat de vrouwen bij het graf kwamen, maar het open vonden. De steen weg! Het graf leeg! En twee engelen die zeiden (vers 5-8):

‘Waarom zoekt u de Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt.  Herinner u hoe Hij tot u gesproken heeft, toen Hij nog in Galilea was: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in handen van zondige mensen en gekruisigd worden en op de derde dag opstaan. En zij  herinnerden zich Zijn woorden.’

Zo gemakkelijk had het moeten zijn! Jezus had, als het ware, de route die Hij zou gaan tot in detail aan hen uitgelegd. Jezus heeft er geen speurtocht van willen maken. Jezus heeft het zijn volgelingen juist gemakkelijk willen maken. Door vóóraf al te zeggen wat er allemaal te gebeuren stond.

Jezus is het niet die moeilijk doet, God is het niet die moeilijk doet… wij zijn het over het algemeen die moeilijk doen, de weg kwijt raken. Dat die twee kerels daar lopen op weg naar Emmaüs, dat betekent dat ze verdwaald zijn. Ze zijn op de verkeerde weg. Ze dwalen af. Ze haken af. De groep van de discipelen valt uit elkaar op die eerste paasdag.

Jezus informeert naar wat er gebeurd is in Jeruzalem. En dan vertellen zij hoe zij het beleefd hebben – en de teleurstelling druipt van hun woorden af: Jezus van Nazareth, van wie wij dachten dat hij een profeet was, machtig!, die is gekruisigd. We dachten dat Hij Israël verlossen zou… maar Hij is nu al drie dagen dood. Praatjes van vrouwen over visioenen en zo, die brengen ons alleen maar in verwarring. We weten het niet meer! We snappen het niet meer! We zijn de draad volledig kwijt!

Niet voor niets zegt Jezus dan:

‘O onverstandigen en tragen van hart!’

‘Domme, slome jongens, zijn jullie!’ Oei zegt Jezus dat echt? Ja, dat zegt Hij echt. Dat zouden wij misschien niet zo zeggen tegen mensen die zo verdrietig zijn – en dat moeten we ook maar niet doen – , die zo worstelen met alles wat er gebeurt in hun leven, die moeite hebben te geloven. Maar Jezus zegt het niet zomaar. Hij wijst hen terug naar de Bijbel: ‘Als jullie thuis waren geweest in de Bijbel, in Mozes en de profeten, dan was je nu niet zo ontredderd, verslagen en moedeloos.’

Zit daar ook voor ons iets in? Als wij moeite hebben met geloven vandaag de dag. Zou dat ook met ‘thuis zijn in de Bijbel’ te maken hebben? Niet voor niets zijn we daar een seizoen extra mee bezig geweest dit winterwerk. Bijbellezen, dat is niet per se onze hobby als christenen. Dat doe je niet altijd voor je lol. Nee, zegt Jezus, als je niet weet wat er in dit boek staat, dan ben je snel de weg kwijt. Dan maak je het jezelf moeilijk. Zoals die Emmaüsgangers het zichzelf erg moeilijk maakten, de weg kwijt raakten. Jezus kwijt raakten. Dan loop je geblinddoekt door de wereld.

Stel dat je verdwaald bent tijdens een speurtocht. Het wordt al donker en je wilt snel naar huis. Je komt iemand tegen. Fijn denk je, ik vraag de weg! Hoe zou zo iemand je kunnen helpen? Het gemakkelijkste: ‘Ja, ik weet de weg. Ik loop wel even met je mee ook. Kom maar, deze kant op.’ Of ook gemakkelijk: ‘Hier rechtdoor, derde weg links, met de bocht mee, en dan eerste weg rechts.’ Daar ben je op dat moment wel mee geholpen. Als je je maar heel simpel aan die routebeschrijving houdt, dan kom je er wel. Als je niet per ongeluk een straat verkeert telt… want dan ben je nog net zover als eerst. Veel beter is het als je een kaart, een plattegrond, van iemand meekrijgt. Dan vind je de weg naar huis altijd. Hoe vaak je ook nog verkeerd loopt, en niet alleen vandaag heb je daar iets aan, maar ook morgen. Als je nog een keer gaat wandelen of fietsen, je verdwaalt nooit meer.

Dat is wat Jezus aan de Emmaüsgangers geeft: een kaart. Het volledige plan van God. Hij had hen een korte routebeschrijving kunnen geven: ‘Hallo vrienden, Ik ben het, Jezus. Ik leef! Maak je geen zorgen, ga terug naar Jeruzalem.’ Daar hadden ze op dat moment iets aan gehad. Maar ze hadden er in feite niets van geleerd. Het feit van de opstanding was daarmee wel duidelijk geworden. Maar waarom dat hele gebeuren van kruisiging en opstanding nou nodig was, en hoe het nu toch kon dat Jezus weer leefde, dat hadden ze niet geweten. Ze hadden nog niet geweten hoe het nu verder moest!

‘Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus [=Messias] dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en  al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was.’

Jezus gaat met hen de kaart van God, de volledige plattegrond van Gods werk op aarde, bestuderen, zodat zijzelf de weg terug kunnen vinden. Zodat ze niet alleen simpel doen wat hun gezegd wordt, maar van binnenuit leren wat God van plan is.

Daar gaat het ook om hier in de kerk. Kijk, we kunnen de Bijbel heel simpel samenvatten. Wat wil God van ons? ‘Dat wij Hem liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.’ Ga daar maar heel simpel mee aan de slag. Dan kun je de Bijbel verder dicht laten… Daar zit een kern van waarheid in. We lezen de Bijbel als het goed is niet om het lezen op zichzelf. Zoals je een wegenkaart niet bestudeert, zonder op weg te gaan. Zo gaat het christelijk leven om het leven in die liefde tot God en de naaste.

En toch, zo simpel is dat leven in liefde tot God en de naaste niet. Dat merk je, zodra je daar serieus aan begint. Wat moet je als je buurman het bloed onder je nagels vandaan haalt? Liefhebben? En wat moet je met God als je ziek wordt? Liefhebben? Hoe komt het dat er zo weinig liefde is in de wereld? Voor je het weet ben je het overzicht kwijt, de weg kwijt.

Daarom maakt Jezus zijn vrienden thuis in de Bijbel. Hij gaat met hen in de Bijbel lezen.

En wat lezen ze daar dan? Ik denk dat wij het fantastisch zouden vinden als de Bijbel een soort boek met alle antwoorden zou zijn. Als we in de Bijbel een soort overzichtskaart van Gods hele plan met ons leven zouden vinden. Liefst met het handig register achterin, op onderwerp. Wat moet ik doen, nu ik verdriet heb? Welke opleiding moet ik kiezen? Ik heb ruzie, hoe los ik dat op? Waarom wordt ik ziek? Dat zou mooi zijn.

Onderweg naar Emmaüs gaat het daar niet over. Het gaat over Christus. Over de Messias.

‘Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en  al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was.’

Misschien moeten we dat ook maar toegeven: Thuis raken in de Bijbel, dat betekent niet dat je voor elke situatie wel een tekst weet, een antwoord. De Bijbel is geen toverboek met spreuken die altijd van pas komen. Niet al Gods wegen en plannen worden voor ons opengelegd.

Wat dan wel?

‘Moest de Christus niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan’.

De Bijbel vertelt ons het grote verhaal van Gods redding van de wereld. En hoe God daar mee bezig is. Daarvan hadden de Emmaüsgangers geen idee. Ze dachten over Jezus: Hij komt Israël verlossen, verzameld zijn legers, gooit de Romeinen het land uit, sticht Zijn koninkrijk, zit op de troon en wij met hem. Klus geklaard. God is toch machtig! En die macht van God die heeft Jezus!

Maar zo werkt Gods macht niet, laat Jezus zien. In het Oude Testament al niet. God is immers geen dictator. God onderdrukt niet. God spreekt. God wil niet dat mensen uiterlijk hem dienen, maar dat het van harte gaat. Heel het Oude Testament is getuige van die worsteling van God, om Zijn volk Zijn liefde te verklaren en hen voor Zich te winnen. God werkt niet door kracht en geweld, maar door Zijn Geest.

De wereld verlossen, redden van haar zonde, dat gaat niet in één klap, daar is geduld voor nodig. En dat heeft God, dat kun je wel zeggen. Keer op keer gaat God zelf door het stof, moet Hij de problemen van Zijn volk weer oplossen. Steeds duidelijker wordt het in de lange geschiedenis van het Oude Testament: oprechte liefde, gehoorzaamheid, trouw, dat moeten we niet van mensen verwachten, maar van God zelf. De redding zal niet van beneden moeten komen, van ons, maar van boven, van God. En dat is de belofte die God doet in het OT. Die keer op keer herhaald wordt. ‘Ik los het op’.

‘Dat is’, zegt Jezus tegen de Emmaüsgangers, ‘wat Jezus kwam doen. Jullie hoeven er dan toch niet van op te kijken dat de weg van de Gods gezant, de Messias, een weg van lijden is geworden, van kruisiging. Dat is immers de weg van de liefde, van zelfopoffering, van gehoorzaamheid en trouw. De bereidheid om voor een ander te lijden, door het stof te gaan, het gevecht met de dood eigenhandig te leveren. Zo ís de weg van God. En zo kunnen mensen werkelijk veranderen van binnenuit en zo kan de wereld veranderen in Zijn koninkrijk. Alleen zo kan Hij Koning worden.’ Of Jezus daarbij concrete bijbelteksten genoemd heeft of meer algemeen het grote verhaal van de Bijbel, dat weten we niet. Allebei waarschijnlijk.

Ziet u? Daarom is het belangrijk om thuis te zijn in de Bijbel. Die Emmaüsgangers kenden de Bijbel wel. Maar dit hadden ze er nog nooit in gelezen. Net als de joden van hun tijd lazen ze ‘Mozes en de profeten’ vooral met het oog op wat zijzelf moesten doen. De wet houden. 613 geboden. Dat hadden ze haarscherp. Maar dat het eigenlijk ging om de Messias, om Gods werk om de wereld te redden en Zijn Koninkrijk te stichten, van binnenuit, van onderop, via de weg van verzoening, dat hadden ze over het hoofd gezien.

Zo gemakkelijk gaat dat bij ons ook. We sluiten vandaag wel samen het winterwerk af, maar die Bijbel sluiten we maar niet. Elke zondag gaat die hier open in de kerk, tweemaal. Anders raken we zo de weg weer kwijt. En teleurgesteld. Omdat Gods wegen anders lopen dan de onze. Niet omdat God moeilijk doet, maar omdat wij van die moeilijke mensen zijn.

Jezus houdt de ogen van de Emmaüsgangers gesloten. Omdat Hij hen een lesje wil leren. Dat is niet de gemakkelijke weg, maar wel nodig. Hij doet het niet om hen te pesten. Dat blijkt wel aan het slot van het verhaal: Jezus komt bij hen thuis, gaat mee naar binnen, gaat met hen aan tafel. En dan opent Hij hun ogen. Ze zien Hem, ze herkennen Hem. Even daar is er een moment van echte ontmoeting. Dat wil Jezus zelf blijkbaar ook. Dat ze de Bijbel begrijpen, dat is noodzakelijk. Maar het doel is toch dit, dat ze Jezus ontmoeten. Hem herkennen in hun leven. Hoe nabij Hij is.

En dan is Jezus opeens weg. Zijn ze dan opnieuw verward en teleurgesteld? Raken ze opnieuw de weg kwijt? Nee, want nu hebben ze een stevige basis. Jezus heeft de Schriften voor hen geopend. Nu weten ze wat hen te doen staat. Ze gaan terug naar Jeruzalem! Al zal het inmiddels donker geworden zijn. Die paar uur lopen ze graag terug, om de anderen te vertellen dat ze Jezus gezien hebben!

Ze keren terug. Ze bekeren zich, zou je kunnen zeggen. Ze waren afgedwaald, hadden afgehaakt van de gemeenschap in Jeruzalem. Dáár gaan ze naar terug. De vlam van de hoop die in hun hart bijna gedoofd was, is weer helder gaan branden. Zo zeggen ze het ‘Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en voor ons de Schriften opende?’ Er heeft een innerlijke verandering bij hen plaats gevonden. Wat doen ze daarmee? Ze zoeken hun broeders en zusters op, om dat te delen.

Geloven in God, in Jezus, kan voor ons soms aanvoelen als een speurtocht. Niet altijd gemakkelijk. De Bijbel is ook geen gemakkelijk boek. En toch, toch gaat ons hart ervan branden. Als de Schriften opengaan, dan krijgt ons hart brandstof. Dan wordt onze ziel gevoed. Brood des levens. Omdat het gaat over Jezus. Omdat we Hem erin tegen komen. Omdat we horen dat als wij het niet redden, Hij ons komt redden. Dat als wij verdwalen, dat Hij het verlorene zoekt. Dat als de wereld in chaos ten onder dreigt te gaan, Hij er Zijn Koninkrijk van maakt.

En dan kunnen we niet anders dan samen komen als Zijn gemeente. Elkaar opzoeken, samen bidden, samen zingen. Voelt u dat ook zo? Dat als je de Bijbel leest, dat het je hart raakt, dat je dat dan wil delen? Dat je het verlangen hebt naar de kerk te gaan. Omdat je hart brandt! Dan maakt het niet zoveel uit of het winterwerk nou afgelopen is of niet, toch…?

Als je dat nog niet zo kent, – en dat kan zomaar, dat is geen schande, maar dat moet wel veranderen – dan stuurt Jezus je op speurtocht, speurtocht door de Bijbel. Om daarin thuis te raken. Dat is gezien dit verhaal van de Emmausgangers blijkbaar de enige goede manier om Hem te leren kennen, om je weg te vinden. Als je dat al wel kent, dat ‘brandende hart’, dan ben je geroepen om daar anderen bij te helpen. Zo samen lezen in de Bijbel, zo dat het een thuiskomen wordt. Thuiskomen bij Jezus. En thuis in de gemeente.

Amen

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s