Rode draad (5) – Kronist

Themapreek over de bijbelboeken 1/2 Kronieken – Ezra – Nehemia gehouden in Everdingen.

De Golden Gate Bridge – San Francisco. De dragende staalkabels zijn 92cm dik.

 

Gemeente van Jezus Christus,

Wat is de Rode Draad in het Oude Testament? Het lijkt wel zo: God schept een prachtig een paradijs, maar de mens, Adam, verspeelt het. Mislukt. God begint opnieuw. God gaat door met de mensen, maar heel de aarde wordt vol slechtheid en God spoelt alles schoon met de zondvloed. Mislukt. God begint opnieuw met Noachs nakomelingen tot die de hemel bestormen in Babel en God hen verstrooid. Mislukt. God begint opnieuw met Abraham, Izaak en Jakob, en lange lange jaren gaat Hij voort met het volk Israël… De tijd van Mozes, het beloofde land, de Richteren, de koningen, David, Salomo… maar het gaat niet goed. Ook dit eigen volk van God dient afgoden. En zij roepen Gods oordeel over zich af, Jeruzalem wordt verwoest, de Joden in ballingschap weggevoerd… Mislukt.

Zo kunnen wij het Oude Testament lezen. Als het boek van Gods mislukte projecten. Israël als mislukt project. En dan gaan we snel naar het Nieuwe Testament. Het boek van Gods nieuwe begin, van Jezus Christus, en dan, dan komt alles toch nog goed.

Ho, wacht, dan gaat u toch iets te snel. Dan zien we iets heel belangrijks over het hoofd. Niet alleen het Nieuwe Testament gaat over een nieuw begin. Dat nieuwe begin, begint al in het Oude! De boeken Ezra-Nehemia vertellen over de terugkeer van een deel van het volk naar Israël, naar Jeruzalem. En dan staat er in Ezra 3:

8 In het tweede jaar na hun komst naar het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen met de bouw. … 12 Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, namelijk de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen zij dit huis voor hun ogen zagen, terwijl vele anderen met gejuich en met blijdschap hun stem verhieven.’

Het is niet zo gek dat wij hier in het OT vaak afhaken, want net als de oudere generatie die daarbij is, hebben we het gevoel dat dit niet zoveel voorstelt. Op de puinhopen van Jeruzalem, proberen die mensen er nog iets van te maken. Maar het is een armzalig zooitje ongeregeld. Het steekt schril af bij de heerlijkheid van de vroegere tempel. Het is juist extra schrijnend, het contrast is zo groot!

En toch. Het is maar hoe je kijkt. Daar gaat het over in de boeken Kronieken/Ezra-Nehemia. Het is maar hoe je kijkt. Wat zie je? Menselijk gesproken stelt het allemaal niet zoveel voor. Zeker als je vergelijkt met vroeger. Dat kennen wij ook wel. We hebben de neiging om ‘vroeger’ te idealiseren. Vroeger was het beter. In ons land, in de kerk. Toen zaten de kerken nog vol. Toen kon je nog op elkaar aan. Vroeger… O, ja? De ouderen daar in Jeruzalem vergissen zich. Het gebouw van de tempel mocht vroeger dan groter zijn geweest, maar was het echt beter? Ze vergeten dan maar even alle afgoderij die er in de tempel van Salomo heeft plaatsgevonden…

Het is allemaal kleiner nu, kwetsbaarder. Maar is dat minder? Het gejuich en de blijdschap zijn er niet minder om. Dat is best een spiegel voor ons leven. Als het moeilijk wordt in ons leven. Als we door perioden van aanvechting gaan, van ziekte, van tegenslag. Persoonlijk of als kerk. En de kerk wordt in onze dagen kleiner. Gaan we zitten kniezen? Hebben we heimwee? Of kun je dan nog juichen en vol blijdschap zijn. En waar haal je dat dan vandaan?

Één manier waarop wij dat vaak doen is: Niet denken aan wat geweest is, de blik naar voren! Geen oude koeien uit de sloot halen. Wat gebeurd is, is gebeurd. Deze dagen, 4-5 mei, denken we terug aan de Tweede Wereldoorlog, de diepste wereldcrisis, die er ooit geweest is. Afgelopen week was in het nieuws dat Duitse jongeren dat een beetje zat worden. Dat ze zich nog steeds schuldig zouden moeten voelen over hun land en de geschiedenis van het Nazisme.  ‘Wij zijn er niet bij geweest, het was niet onze oorlog, het is niet onze schuld.’

Je hoopt dat het in de tijd van Ezra en Nehemia ook zo gaat. Dat het volk weer met een schone lei kan beginnen. Voor de zonden en de afgoderij heeft de generatie van hun ouders het volle pond betaald. Zij maken een nieuwe start. En zij gaan het beter doen. Want ze hebben nu wel door dat ze God en Zijn wet serieus moeten nemen. In deze boeken treft het hoezeer de nadruk ligt op gehoorzaamheid aan Gods geboden. Een oprecht verlangen om het vanaf nu echt goed te doen. Om de nieuwe kans die ze gekregen hebben niet te verspelen. Ze gaan vol goede moed, met blijdschap en vreugde aan de gang.

Maar, en dat zult u wel herkennen, God dienen, dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan… Nehemia beschrijft in zijn boek (hoofdstuk 13):

15 In die dagen zag ik in Juda mensen die op de sabbat de wijnpersen aan het treden waren en die hopen graan brachten en die op ezels laadden, en ook wijn, druiven en vijgen en allerlei andere lasten. Zij brachten die naar Jeruzalem op de sabbatdag. Op de dag dat zij dat voedsel gingen verkopen, waarschuwde ik hen. 16 Ook woonden er Tyriërs, die vis aanvoerden en allerlei koopwaar, die zij op de sabbat aan de Judeeërs en in Jeruzalem verkochten. 17 Toen riep ik de edelen van Juda ter verantwoording en zei tegen hen: Wat is dit voor een wandaad die u verricht, waardoor u de sabbatdag ontheiligt? 18 Deden uw vaderen niet evenzo? En vervolgens bracht onze God al dit kwaad over ons en over deze stad. En u voegt nog eens toe aan de brandende toorn over Israël door de sabbat te ontheiligen!’

‘Nee, hè’, denk je dan. ‘Wat zonde! Wat dom!  Waarom doen ze dat nou? Krijgen ze de kans om met een schone lei te beginnen, Jeruzalem en de tempel weer op te bouwen, hun bestaan weer op te bouwen. Met God weer overnieuw te beginnen. En dan dit! Onbegrijpelijk!’ Helaas… ook dit gaat weer uitlopen op een mislukking… Het bewijs is nu wel geleverd: Het gaat gewoon nooit werken tussen God en mensen. Wij kunnen het niet.

Dat ligt heel dicht aan tegen wat onze catechismus zegt op grond van de Bijbel, dat wij mensen ‘van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten, niet in staat tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.’ Dat is geen uit de lucht gegrepen leerstelling, maar dat is wat je voor je ogen ziet gebeuren, hier in Nehemia, in de wereld om je heen, en als je goed kijkt ook in je eigen hart en leven.

Misschien denkt u helemaal niet zo negatief over uzelf. Over uw zondigheid. Wij vinden het ‘zwaar’ om daar de nadruk op te leggen. In de praktijk denken wij gemakkelijk positief over onszelf. Als wij over iemand negatief denken, dan is het vaak over een ander. Als er iemand koppig is, of lastig, of irritant, dan ligt het nooit aan onszelf. Ik doe mijn best, ik doe het goed, ik wil wel vergeven en vergeten, maar hij of zij… Ja, dat zal… Zegt zo denken over een ander niet heel veel over jezelf? In de praktijk zijn het onze vooroordelen over anderen, over elkaar, die het ons onmogelijk maken te veranderen. Vooroordelen zetten bij voorbaat de piketpaaltjes vast in de grond. ‘Hij is nu eenmaal zo. Ik denk daar nu eenmaal anders over. Punt.’

En toch lijkt er wel iets veranderd te zijn. Als Ezra en Nehemia deze misstanden aan de kaak stellen, dan wordt er naar ze geluisterd. Het volk is bereid zich onmiddellijk te bekeren. Ze gaan de sabbat serieus houden. Het volk is in hun gedrag nog niet perfect – nog steeds niet! –, maar innerlijk is er iets anders. De eigenwijsheid is er af.

Zou dat echt zo zijn? Dat u en ik kunnen veranderen? Dat je van gedachten kunt veranderen? Dat je hart kan veranderen?

Ja, dat is het wonder wat we al in het Oude Testament kunnen zien. Deze boekjes Ezra-Kronieken zijn in de Joodse canon de laatste boekjes. Het is het slot, het laatste dat verteld wordt. In onze indeling van het Oude Testament zijn het niet de laatste boekjes, maar qua tijd is het sowieso wel het laatste wat we horen over Israël in het Oude Testament.

En dan is het toch wel enorm hoopgevend, wat we lezen in Nehemia 8:

 ‘1 Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, 2 verzamelde heel het volk zich als één man op het plein dat voor de Waterpoort ligt; en zij zeiden tegen Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek moest brengen met de wet van Mozes, die de HEERE Israël had geboden. 3 Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen en al wie wat zijn verstand betrof in staat was ernaar te luisteren, op de eerste dag van de zevende maand. […] 10 En Nehemia (hij was Zijne Excellentie, de stadhouder), Ezra, de priester en schriftgeleerde, en de Levieten die het volk onderwezen, zeiden tegen heel het volk: Deze dag is heilig voor de HEERE uw God. Rouw dan niet en huil niet. Heel het volk huilde namelijk toen ze de woorden van de wet hoorden. 11 Verder zei hij tegen hen: Ga, eet lekkernijen en drink zoete dranken. En deel uit aan hen voor wie niets is klaargemaakt, want deze dag is heilig voor onze Heere. Wees niet bedroefd, want de vreugde van de HEERE, dat is uw kracht.’

We lezen hier dat het volk zich verzamelt ‘als één man’, en dat ze willen dat Ezra de wet voorleest. Alleen dat al… Dat ze uit eigen beweging zich stellen onder Gods heilige wet. Dat ze blijkbaar het verlangen in hun hart hebben naar God, naar wat God van hen wil. Dat ze het verlangen hebben om God te dienen. Dat is echt iets anders dan wat we tot nog toe in het OT gehoord hebben.

Blijkbaar bestaat dat. Ja, hopelijk herkent u dat ook. Dat ook u en jij ernaar verlangt niet je eigen weg te gaan, je eigen leven te leven, maar dat je er actief naar op zoek bent om God te dienen. Je zit hier vanmorgen in de kerk. Heeft dat daarmee te maken? Is dat wat je hier zoekt? Wat wil God van mij?

Het volk wordt er niet blij van wat ze dan horen. Net als wij, horen ze in de wet over mislukking op mislukking. De ongehoorzaamheid, de zonde. Ze beseffen dat ze er nog lang niet zijn! Er staat: ‘Heel het volk huilde namelijk toen ze de woorden van de wet hoorden.’ Het raakt ze echt. Het raakt ze diep.

Maar Ezra en Nehemia samen denken niet: Net goed. Nu weten ze wat hen te doen staat. Integendeel ze benadrukken dat het volk niet moet huilen, maar feest moet vieren! ‘Ga, eet lekkernijen en drink zoete dranken. En deel uit aan hen voor wie niets is klaargemaakt, want deze dag is heilig voor onze Heere. Wees niet bedroefd, want de vreugde van de HEERE, dat is uw kracht.’

Hiermee benadrukken ze dat we de wet, het Oude Testament, niet moeten lezen als een boek van regeltjes voor ons mensen en vervolgens als een boek van de mislukking op mislukking van ons mensen. Dan lezen we verkeerd, dan begrijpen we het verkeerd. Dan denken we dat de Rode draad, een draad van mislukking is. Maar de Rode draad is de vreugde van de HEERE. Van het lezen van de wet moet je juist vrolijk worden.

Juist omdat het daarin gaat over de vreugde van God. Dat God er blijkbaar nog plezier in heeft. Plezier in mensen, in Zijn volk. Dat Hij het nog niet zat is. Het welbehagen van God, heet dat ouderwets. Als je dat beseft, en als je ook vandaag zo om je heen kan kijken in deze wereld. Ja, dan komt alles in een ander licht te staan. Dan wordt elke dag een feestdag.

Dan kun je je voorstellen dat de schrijver van Kronieken de hele geschiedenis van de wereld en van Israël nog eens dunnetjes over doet. Kronieken is een hervertelling van die lange geschiedenis. Van de schepping tot de herbouw van de tempel. Wij vinden dat dan een beetje saai. Waarom moet dat opnieuw? Maar dit is daarvan de reden: De Rode draad is niet die van de menselijke mislukking, maar van de vreugde van de HEERE. Als in Kronieken over David en Salomo verteld wordt, dan worden niet hun misstappen vermeld, zoals in de boeken Samuël en Koningen. Over David die vreemd gaat met Bathseba bijvoorbeeld. En over Salomo die zijn 1000 vrouwen volgt in afgoderij. Dat poetst de schrijver weg. Of beter gezegd: Dat valt voor hem volledig in het niet bij waar het volgens hem om gaat.

En wat is dat dan? Dat is het refrein uit 1 Kronieken 16[1]:

34 Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig. 35 En zeg: Verlos ons, o God van ons heil, en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken, opdat wij Uw heilige Naam loven en ons beroemen in Uw lof. 36 Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.’

In deze boeken ligt alle nadruk op de eredienst, op de liturgie, op het zingen voor God. En dit refrein van David keert keer op keer terug: in Davids gebed, bij de bouw van de tempel onder Salomo, bij de reformatie onder koning Josafat en bij de herbouw van de tempel. ‘Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid [=trouw, loyaliteit] is voor eeuwig.’

Ik moest denken aan de Golden Gate Bridge bij San Francisco in de Verenigde Staten. U ziet de brug op de foto bij deze preek. De hangbrug is kilometers lang en wordt omhoog gehouden door enorm dikke staalkabels. Een roodgeverfde staalkabel van 92 centimeter  dik. Die hele Golden Gate Bridge hangt aan die kabels.

Daar moest ik aan denken bij de Rode Draad in de Bijbel. Dat is niet zo’n ielig draadje wat je zomaar afbreken of afknippen kan. Nee, heel de geschiedenis hangt aan de goedheid en trouw en van de HEERE. Daar doen de zonden van Israël en ons niets aan af. Die goedheid van God kunnen wij onmogelijk stuk krijgen. ‘Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.’

Anders dan wij denken, mislukt er niets bij God. De wereld is geen mislukt project. Ook Israël is geen mislukt project. Ook u en ik zijn geen mislukkelingen. Wij zijn zondaren, ja. Maar ‘loof de HEERE, want Hij is goed!’

De boeken Ezra-Kronieken zijn ook in die zin een brug naar het Nieuwe Testament. Als Jezus ten tonele verschijnt, dan is dat niet iets nieuws en onverwachts. Dan is dat geen afscheid van het Oude, nee het is een vervulling, een voortzetting van Gods ene grote project om van deze wereld, die in zonde gevallen is, weer helemaal Zijn koninkrijk te maken. En Israël wordt met de komst van Jezus niet afgedankt, maar komt juist tot Zijn bestemming: eindelijk worden ze tot zegen van alle volken, zoals al aan Abraham beloofd.

Oude en Nieuwe Testament worden bij elkaar gehouden door het refrein ‘Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.’ Het Oude Testament gaat niet als een nachtkaars uit, maar blijft volledig deel uitmaken van Gods weg en werk. God doet nooit iets weg. God laat nooit los wat Zijn hand begonnen is.

De Rode Draad van Gods goedheid is onbreekbaar. Het staal van Zijn liefde is niet kapot te krijgen.

Als deze boekjes 1-2 Kronieken, Ezra, Nehemia, zo hoog gestemd zijn, zo vol vreugde en muziek, vol lofzang en hoop, waarom zijn ze dan niet zo geliefd? Ik denk door de eindeloze geslachtsregisters die erin voor komen. De eerste 9 hoofdstukken van 1 Kronieken bestaan compleet uit namenlijsten. Namen, namen en nog eens namen. De schrijvers hebben een voorkeur voor lijstjes en opsommingen.

Toch heeft dat wel iets heel moois: Bij God wordt niemand vergeten. En niemand wordt afgeschreven. Ten tijde van de tweede tempel dachten ze niet: ‘Wij zijn het helemaal. Laten we onze zondige voorouders maar uit onze geschiedenisboekjes schrappen.’ Nee, ze staan er allemaal in. Ze horen er voor God allemaal bij.

Maar het heeft nog een andere belangrijke reden, kunnen we opmaken uit 1 Kronieken 9:

1 Heel Israël werd in geslachtsregisters ingeschreven, en zie, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël. De Judeeërs werden vanwege hun trouwbreuk in ballingschap gevoerd naar Babel. 2 De eerste inwoners die zich in hun bezit, in hun steden, vestigden, waren Israëlieten, de priesters, de Levieten en de tempeldienaren.’

De taken van de priesters, Levieten en tempeldienaren waren erfelijk. Je afstamming, je voorouders waren belangrijk, omdat je in hun voetsporen een taak had in en om de tempel. Israël besefte na de ballingschap dat ze een volk van ambtsdragers waren. Dat God voor hen ieder een plan en taak had. In de eerste plaats in de eredienst, de tempel. De één zong, de ander bracht offers, de derde bespeelde een instrument, anderen bewaakten de tempelpoorten. Ieder droeg zijn steentje bij, om de lofzang gaande te houden.

En je proeft in deze boeken: al die lijstjes, die regels, dat is geen dor wetticisme, dat is geen blinde organisatiewoede, er zit het verlangen onder om voor God te zingen. Omdat ze eindelijk hebben begrepen dat hun hele bestaan, het fundament onder hun leven, niets anders is dan de goedertierenheid van de HEERE. En dat je dan niets anders wilt en kunt  dan samenkomen en zingen.

Het is belangrijk als dat ook tot ons doordringt. In de kerk samenkomen en zingen. Dat is in ons leven ons belangrijkste werk. Daarin komen we het dichtst bij de kern, bij het doel van ons bestaan. In onze beleving kan dat wel eens anders zijn. We kunnen soms zingen, zonder dat ons hart erbij is. En we kunnen soms denken: Wat gaat hier nu van uit? Wat is het nut nu van zo’n kerkdienst?

Maar als je de Rode Draad van de Bijbel te pakken hebt. Als je de HEERE, de God van Israël, leert kennen. Dan kan je niet anders meer dan feestvieren. Ja, dan versta je dat als je roeping, als je ambt. Al blijf je keer op keer in zonde vallen, één ding is er dan in ieder geval veranderd: Je wilt zingen. Want je ziet dat het ook de Rode draad in je eigen leven is: ‘Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!’

Amen

Gebruikte citaten komen uit de Herziene Statenvertaling

[1] Zie voor hetzelfde refrein vers 41; 2 Kronieken 5:13; 7:3,6; 20:21; Ezra 3,11. En Psalm 106, 107, 118, 136.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s