Gek op God: de gekte van Pinksteren in Psalm 119

Pinksterpreek over Psalm 119,169-176 en Handelingen 2, gehouden in Everdingen.

István Dorffmaister – Pentecost (1782)

 

Gemeente van Jezus Christus,

Misschien verzamel jij wel iets. Best leuk. Zeker als kind. Zelf heb ik ooit postzegels verzameld en bijzondere stenen. Maar meestal gaat dat ook weer over. Voor een tijdje is het leuk, maar dan gaat de lol er ook weer af. Of het kost teveel tijd en teveel geld. Maar je hebt van die mensen, die gaan maar door… Die verzamelen en verzamelen. Munten, poppen, speelgoedautootjes. Ze zijn er een beetje gek van. Ze kunnen er niet genoeg van krijgen.

Je zou kunnen zeggen: De dichter van Psalm 119 is ook een beetje gek. Hij heeft ook zo’n verzamelwoede. Hij heeft 176 verzen verzamelt of geschreven. En niet zomaar 176 verzen. Nee, hij heeft ze ook heel zorgvuldig gesorteerd. Psalm 119 is een acrostichon zoals dat heet. Dat betekent dat de verzen van deze psalm zijn gesorteerd op alfabet. Het hebreeuwse alfabet heeft 22 letters, van alef tot tau. Elke keer zijn er 8 verzen die met dezelfde letter beginnen. Eerst 8 verzen met de a, dan 8 verzen met de b, enzovoorts 22 x 8 verzen, dat is precies 176 verzen. De verzen die wij gelezen hebben, de laatste 8, beginnen dus alle acht met de laatste letter van het hebreeuwse alfabet, de letter tau.

Psalm 119 is de langste psalm die er is. Hij wordt ook nooit helemaal gelezen of gezongen, dat zou veels te lang duren. En het zou ook veels te saai zijn. Er zit namelijk niet eens een duidelijk verhaal in de psalm. Er gebeurt niets. Er zit heel veel herhaling in. Het gaat al maar over hetzelfde. 176x gaat het maar over één ding: de wet van God. De dichter gebruikt nog wel synoniemen, maar toch. Kijk maar mee vanaf 169, daar gaat het over ‘Uw woord’. 170: Uw belofte. 171: ‘Uw verordeningen’. 172: ‘Uw geboden’. 173: ‘Uw bevelen’. 174: ‘Uw wet’. 175: ‘Uw bepalingen’. 176: ‘Uw geboden’. Al die 176 verzen lang gaat het alleen maar daarover.

Ik geef het je te doen! Hoeveel tijd en energie zou dat gekost hebben voor deze hobbyist? Daar is toch een beetje sprake van een soort gekte bij zo iemand. Deze psalm is eindeloos, hij kan zijn mond niet houden, hij kan er geen einde aan breien.

Ja, van God word je een beetje gek. Dat kun je met Pinksteren goed zien. Uit Handelingen 2 horen we hoe de mensen spottend zeggen van de volgelingen van Jezus: Joh, ze zullen wel dronken zijn… Ze zeggen van die rare dingen. Ze doen zo overdreven. Ze kunnen hun mond niet houden over ‘de grote werken van God’ (vers 11). En je merkt dat aan Petrus: Als die eenmaal begint te preken, dan komt er een stortvloed aan woorden. Handelingen 2 geeft die preek van Petrus al vrij uitgebreid weer, maar Lukas schrijft in vers 40 aan het einde dan fijntjes: ‘En met veel meer andere woorden legde hij getuigenis af en spoort hij hen aan’. Het houdt niet op!

Bent u ook een beetje gek van God? Kunt u meezingen met Psalm 119:171 ‘Mijn lippen vloeien over van lofzang, want U leert mij Uw verordeningen. Mijn tong zal Uw woorden bezingen, want al Uw geboden zijn rechtvaardig.’ Etcetera, etcetera. Of heeft u zoiets van: ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.’ Ik weet niet of u dan vandaag helemaal veilig zit hier in de kerk… want die gekte van Pinksteren lijkt nogal aanstekelijk te zijn. Of beter gezegd: Er zit geen steekje los of zo bij die volgelingen van Jezus of bij die dichter van Psalm 119, daar zit uitstorting van de heilige Geest achter.

Al weet ik niet of het dat iets normaler maakt: ‘Heilige Geest’. Dat klinkt in onze oren toch ook een beetje raar. Bij geesten denken wij eerder aan spoken en sprookjes.  Zodra we over de heilige Geest gaan spreken, wordt het alleen maar ‘enger’. Iemand die van zijn hobby zijn leven maakt, zo iemand is misschien een beetje prettig gestoord. Maar als je zegt dat er een ‘Geest’ in je is komen wonen, die je leven verandert en leidt, waardoor je dingen gaat doen, die je eerst nooit deed en dingen gaat zeggen, waar je zelf niet op zou komen. Dan wordt het toch een beetje eng…

U zegt misschien: ‘Maar in Psalm 119 gáát het toch helemaal niet over de heilige Geest?’ Daar heeft u in zekere zin gelijk in. De heilige Geest wordt in al die 176 verzen niet genoemd. We zongen een paar coupletten van Psalm 119 in de berijming, vers 3, 9, 47, waar ze de Geest er in gesmokkeld hebben. Maar in de grondtekst staat die Geest er niet in… Het is alleen kortzichtig om te denken: Omdat Hij niet genoemd wordt, is Hij er niet.

Dat is natuurlijk met die hele heilige Geest zo. Inderdaad, op die 1e Pinksterdag in Jeruzalem, daar was wel wat te zien en te horen van die Geest. Er klonk het geluid van een geweldige windvlaag, en ‘aan hen werden gezien tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen.’ Maar die tekenen, dat was niet de heilige Geest zelf. Dat was een éénmalig signaal. Over het algemeen zie je de heilige Geest niet. Die is onzichtbaar. Je kunt hem wel op het spoor komen.

En daar kan Psalm 119 ons geweldig bij helpen. Want daar komen we een mens tegen, en niet zomaar een mens: een gelovige. Iemand die zichzelf tot God richt. Die roept ‘Laat mijn roepen naderen voor Uw aangezicht, HEERE’ (169). Die smeekt ‘ Laat mijn smeken voor Uw aangezicht komen’ (170). ‘Laat Uw hand mij te hulp komen’ (173). ‘Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw dienaar’ (176). Dat is best vreemd allemaal, als je erover nadenkt.

Zo snel vragen wij mensen niet om hulp. Zo gelovig zijn wij vaak niet, dat wij ons totaal afhankelijk weten van God. Ja, wij zijn ongeneeslijk religieus. Dat is zo. Maar je totaal met lege handen openstellen voor de God van Israël. Dat is wat anders.

Want de dichter verwijst daarbij de hele tijd naar de ‘wet’, het ‘woord’, de ‘geboden’, etc. Waarschijnlijk moeten we dan denken aan de boeken Genesis-Deuteronomium, de Thora. Heel die voorgeschiedenis van Israël, over Adam, Noach, Abraham, Izak en Jakob, Mozes en de tocht door de woestijn. Over God die helpt in nood, die Zijn volk bevrijdt en Zijn wetten en geboden geeft. Het is de God van die verhalen en wetten, de HEERE, tot wie de dichter zich richt, in Wie hij blijkbaar gelooft, van Wie Hij blijkbaar dan ook nu vandaag voor zichzelf hulp verwacht.

Je zou kunnen zeggen: Dat is best raar. Voor die dichter is dat allemaal een levende werkelijkheid wat hij leest in dat oude boek, in de wet. Echt.

Maar dat is nu precies het werk van de heilige Geest. Die geloofsstap die is voor onze benen te groot. Die wordt ons gegeven. Daarin worden wij gedragen. Dat ervoeren de discipelen van Jezus met Pinksteren. Ze gingen niet zomaar ‘gekke dingen’ doen. Een christen is niet ‘gek’. Maar overtuigd van de levende aanwezigheid en betrokkenheid van God op mij. Die zekerheid, die overtuiging, dat breng je als mens niet zelf op. Die openheid van het hart, in schuldbelijdenis, gebed, en lofzang, naar God toe, dat is het werk van de heilige Geest.

Als we het zo bekijken is Psalm 119 bij uitstek een psalm over de heilige Geest. Over het werk van de Geest. Een poosje geleden ben ik in het Rijksmuseum geweest. Daar was onder andere een tentoonstelling van de late werken van Rembrandt, de schilder.

Alle werken van de laatste 10 jaar van zijn leven hingen daar bij elkaar. En als je die schilderijen zo zag hangen, dan zag je in één oogopslag dat ze van Rembrandt zijn. Zijn bijzondere manier van schilderen, met veel donkere tinten, met grote bewegingen, en in het midden het onderwerp van het schilderij in het licht, waar je oog naartoe wordt getrokken, daar een paar ongelooflijke details. Daar hoef je niet over te twijfelen: als je dát ziet, weet je, dit is het werk van Rembrandt. Dat doet niemand hem na.

Als je zo naar die 1e Pinksterdag kijkt, dan is daar duidelijk de heilige Geest aan het werk geweest. Hoezo?

Wij zijn dan geneigd allereerst naar die bijzondere gebeurtenissen te wijzen: de tongen van vuur, de vreemde talen; en dat hoort er ook allemaal bij. Maar het meest bijzondere is, dat die discipelen van Jezus in één keer erg veranderd lijken. Ga maar na: Het zijn eenvoudige vissers uit Galilea. Dat wordt ook met zoveel woorden gezegd: ‘Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken?’ Dat is niet alleen een opmerking over hun moedertaal, maar daarin zit ook iets neerbuigends in, vanuit die joden in Jeruzalem. Van deze Galileeërs verwachtten ze zoiets niet.

En als je het evangelie van Lukas hiervoor gelezen hebt, dan verwachten wij het ergens ook niet van ze. Na Goede Vrijdag kruipen die discipelen angstig bij elkaar in hun huis met de deur op slot. Bang dat ze gepakt worden. Ontredderd. Gebroken. En zie ze vandaag dan eens. Petrus staat daar met de andere elf frank en vrij het evangelie van Jezus Christus te verkondigen. En dat is niet een éénmalige opwelling, heel dat boek Handelingen gaat daarover dat ze daarmee ook niet meer zijn opgehouden. Al werd het moeilijk, al werden ze alsnog vervolgd en gedood en gevangengezet. Ze houden hun mond niet meer. Ze zijn veranderd.

Het is de verhoring van het gebed van Psalm 119: ‘Laat mijn ziel leven, dan zal hij U loven.’

Het probleem in het Oude Testament is telkens weer dat God zichzelf wel openbaart aan Zijn volk, Zijn geboden geeft, maar dat het volk niet verandert. Keer op keer zakt bij het volk de herinnering weg, het geloof zakt weg, het enthousiasme zakt weg. Doen wat God vraagt, dat gaat niet van harte. Het is iets van de buitenkant, maar niet iets van binnenuit. En daardoor groeit het bewustzijn bij Israël: zolang wij op eigen kracht God moeten dienen, dan is dat gedoemd om te mislukken. God moet ons van binnenuit veranderen. Ons hart vernieuwen.

‘Laat mijn ziel leven, dan zal hij U loven.’ Want dat gaat dus niet vanzelf. We moeten levend gemaakt worden. En dat is bij uitstek het werk van de heilige Geest. Het woord voor ‘geest’ in het hebreeuws en grieks, de talen van de Bijbel, is hetzelfde woord als wind en adem. Zoals Adam in de het paradijs het leven werd ingeblazen, zo moet ons hart beademd worden door God.

In Jeremia 31,33 staat: ‘Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.’

Die vervulling van Psalm 119 en Jeremia 31 treffen we aan op die 1e Pinksterdag. In die grote lijn van het Oude Testament staat dat feest. Vanaf nu stort God Zijn Geest, Zijn adem in ons hart en maakt ons levend. Hij vult ons met Zijn Geest. Hij verandert ons van binnenuit. En dat betekent niet dat wij bezeten raken of dat er een steekje los raakt, dat we gek worden, nee, het is bevrijding, het betekent dat wij eindelijk leven zullen zoals God het wil, zoals het hoort, bevrijdt van zonde en schuld.

Het beste bewijs daarvan in je leven is vers 174: ‘HEERE, ik verlang naar Uw heil; Uw wet is mijn bron van blijdschap.’ Het geloof in God, het leven met Hem, dat is dan geen verplichting meer, en geen gewoonte, geen uiterlijke zaak, maar het verlangen van je hart. ‘HEERE, ik verlang naar Uw heil.’

Voor de dichter van Psalm 119 kunnen we wat dat betreft duidelijk het werk van de heilige Geest aanwijzen. Geïnspireerd is hij door de heilige Geest. Al de tijd en energie die hij gestoken heeft in het maken van dit lied is één grote handtekening van de Geest in Zijn leven. Ook tijdens het Oude Testament was die heilige Geest dus actief. Ook voor Pinksteren. Pinksteren is enkel het feest van de uitbreiding daarvan, de Geest gaat mensen drijven tot zending en verkondiging te beginnen in Jeruzalem, maar tot de einden van de aarde. Schaalvergroting, een nieuw tijdperk. Maar ten diepste blijft het werk van de Geest hetzelfde: mensen van binnenuit veranderen, ze op God richten, ze levend maken, ze vullen met liefde voor God.

Het is dan een interessante, maar ook belangrijke vraag, of u dat werk van de heilige Geest ook in uw eigen leven op kunt merken. Herkent u iets van Psalm 119 in uw eigen leven? Iets van dat verlangen naar God? Naar de verborgen omgang met Hem in gebed en bijbellezen?

Of om het anders te zeggen: Heeft God je hart? Een hele simpele vraag. Of je nu jong bent of oud, daar kun je vast wel voor jezelf een antwoord op geven. Heeft God je hart? Dat kan natuurlijk best wel eens wegzakken. Er kunnen zoveel dingen zijn die ook in ons hart leven. Twijfel. Aanvechting. Zorgen. Je werk dat je bezig houdt. Waardoor je misschien in de gang van alledag voor je gevoel weinig aan God toekomt. Misschien wel tekortschiet. Dat kan allemaal zo zijn. Maar juist dan is het goed jezelf die vraag ook vandaag te stellen en oprecht je antwoord te geven: Heeft God je hart? Verlang je met Hem te leven, Hem te dienen?

Het kan dat je zegt: ‘Ik durf dat niet zo van mezelf te zeggen. Ik kom wel graag hier in de kerk. Ik probeer te leven zoals Hij van mij vraagt…

Maar om te zeggen dat de heilige Geest in mij woont, dat ik een bekeerd, een veranderd en nieuw mens ben… ik voel me nog zo’n zondaar. Het is voor mij te hoog gegrepen. Ik ben over mezelf nog niet zo zeker.’ Dan mag ik u bemoedigen: Dan heeft de heilige Geest je al meer veranderd dan jezelf misschien beseft. Want die nederigheid, het inzicht dat jezelf niet zo bijzonder geweldig bent, dat is bij uitstek wat je in Psalm 119 terugvindt. Dat ís werk van de Geest.

Het kan ook dat je zegt: ‘Nee, sorry. ‘HEERE, ik verlang naar Uw heil; Uw wet is mijn bron van blijdschap.’ Daar kan ik echt niets mee. Dat staat zo ver van mij af. Heeft God mijn hart? Is Hij de liefde van mijn leven? ‘Mijn lippen vloeien over van lofzang.’ Dat gevoel heb ik nou nooit…’ Dan is het helemaal goed dat je hier vandaag bent met Pinksteren in de kerk. Want dan heeft de heilige Geest in u nog een hoop werk te doen. Op de 1e Pinksterdag in Jeruzalem waren er zo 3000 mensen die zo de preek van Petrus beluisterden, Jezus als Messias erkenden, zich lieten dopen en een nieuw leven begonnen. De heilige Geest gebruikt dan ook deze preek vandaag om u te zeggen: Dat nieuwe leven kan hier vandaag dan ook voor u beginnen. Bidt het dan oprecht mee: ‘Laat mijn ziel leven, dan zal hij U loven.’

En wat mooi, wat mooi als je vandaag met Pinksteren kunt zeggen: ‘Ja, ik zie dat werk van de heilige Geest duidelijk in mijn leven. Ik dien God van harte.’ Hou je mond daar dan niet over vandaag!

Met Pinksteren worden we een beetje gek. Gek op God. In de zin van dat we van Hem gaan houden. Van Jezus, Zijn Zoon, gaan houden. En dan hebben we de open deur van Psalm 119 nog niet eens gehad: Gek op God, dat betekent dan in de eerste plaats vooral: Gek op Zijn Woord. Op de Bijbel.

Ook daar zit een lijn van Psalm 119 naar Pinksteren. Want het is niet zo dat de mensen die vervuld zijn van de heilige Geest zomaar wat woorden uit hun mouw schudden. Nee, ze vertellen over de ‘grote werken van God’, staat er in Handelingen 2. In het Oude Testament is dat een aanduiding voor het reddend en bevrijdend handelen in de geschiedenis van Israël. Voor die grote daden van God, moet je dus in de Bijbel zijn.

Maar het gaat verder: Als Petrus dan gaat preken, dan citeert hij de ene na de andere bijbeltekst. Uit de profeet Joël, uit Psalm 16 en uit Psalm 110. En dat was niet een eenmalig trucje. Je treft dat elke keer weer aan, ook verderop in Handelingen in de preken van Stefanus, Filippus en Paulus: ze kennen de Bijbel zo goed als uit het hoofd lijkt het!

En dat is ook zo. Liefde voor God, dat gaat samen met liefde voor wat Hij ons te zeggen heeft in Zijn Woord, de Bijbel. Dat was toen zo, dat is vandaag zo. En dat is niet iets wat je komt aanwaaien. Jezus zelf zat op 12-jarige leeftijd aan de voeten van de schriftgeleerden in de tempel. Waar denkt u dat Jezus anders die wijsheid en liefde vandaan had? Petrus is vóór deze preek 3 jaar intensief met deze Jezus opgetrokken, en altijd op sabbat naar de synagoge. Paulus heeft een gedegen theologische opleiding gevolgd in Jeruzalem.

Er is een wisselwerking tussen liefde voor God en liefde voor de Bijbel. Als je het verlangen naar God en om voor Hem te leven in je hart niet voelt, of niet meer zo voelt, dan moet je daar niet met je armen over elkaar op zitten wachten, dan moet je daar zelfs niet alleen om bidden, maar dan moet je je Bijbel opendoen en lezen over Zijn grote daden in de geschiedenis. Dan ga je ‘vanzelf’ van Hem houden. ‘Vanzelf’ tussen aanhalingstekens: de Bijbel is het belangrijkste instrument van de heilige Geest om in ons hart binnen te komen en ons van binnenuit te veranderen.

Daarom is het ook zo belangrijk om naar de kerk te komen. Ook als je daar geen zin in hebt. Want hier gaat die Bijbel open. Hier klinkt het Woord van God. En alleen zo kan de liefde voor Jezus Christus in ons hart gewekt en gevoed worden. Ik wil u op deze Pinksterdag dan ook aansporen: Blijf volharden in de kerkgang. Liefst twee keer per zondag als u daartoe in staat bent. Juist als je die behoefte niet hebt. Want als je dan niet komt, dan zak je uiteindelijk alleen maar verder weg en van die vernieuwing van je leven komt dan niet veel terecht.

Aan het einde van Handelingen 2 lees je dat de volgelingen van Jezus dagelijks samenkwamen in de tempel om te bidden, en dat ze volhardden in de leer van de apostelen. Als je daar niet aan mee doet, dan is je hart zo weer koud en leeg, dan is Pinksteren en de vervulling van de Geest zo weer iets van gisteren. Dan komt het er met het leven met God ook niet zo van. En dat wilt u toch niet…

In de ogen van de wereld een beetje gek. Pinksteren. Vervuld met de heilige Geest. Psalm 119, een beetje gek: iemand die maar niet uit kan over Zijn geweldige God met Zijn geweldige Woord. Als je die Bijbel open doet dan denk je: ‘Misschien helemaal zo gek nog niet die HEERE, die God van Israël!’ Dat is dan niet zo gek, dat is de Geest.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s