Een christen is een opstandeling

Preek over Richteren 6,25-32.

Pieter Aertsen: De vernietiging van het altaar van Baäl

Pieter Aertsen – Gideon vernietigt het Baal-altaar

Gemeente van Jezus Christus,

Een christen is een opstandeling. Je zou het niet zeggen zoals we hier bij elkaar zijn in de kerk in onze nette zondagse kleren. Kinderen en tieners erbij. Van hen zou je het al helemaal niet zeggen, dat zij opstandelingen zijn… Een opstandeling, daarbij denken wij tegenwoordig aan terroristen. Aan guerillastrijders. Waarvan we de gruwelen dagelijks op de tv kunnen zien.

Een christen een opstandeling? Zijn wij daarvoor in de wieg gelegd? Draait geloven daarom?

Ja, dat is wel Bijbels. We horen vlak na de opstanding van Jezus Christus uit de dood, wat we vierden met Pasen, over de discipelen van Jezus, dat ze ook ‘opstaan’. Ze blijven niet bij de pakken neer zitten, maar voelen zich geroepen om te preken, te verkondigen dat Jezus leeft. En daardoor komen ze in aanvaring met de autoriteiten. Petrus en Johannes worden als opstandelingen gearresteerd en belanden in de gevangenis. En zelfs dan geven ze het niet op. Ze houden hun rug recht.

Met Pasen is er ook in hún leven een wissel om gegaan. Het was niet alleen Jezus die dood was en weer levend werd. Met de opstanding van Jezus in een nieuw leven, zijn ook zijzelf een nieuw leven begonnen, opgestaan, opstandeling geworden. Zij staan ergens voor. Riskeren hun leven. Gaan de confrontatie aan.

Zo lazen wij het ook over Gideon. Een rijke boerenzoon, zou je kunnen zeggen. Tot dusver vrij anoniem. Hij leefde in een bange tijd en chaotische tijd. Het volk Israël heeft na de bevrijding uit Egypte het beloofde land, Kanaän, in bezit genomen. Maar zodra ze een beetje gesetteld zijn, raakt de HEER al snel vergeten. Ze zakken in, ze vallen terug in afgoderij, en daarmee vervalt het land in chaos. Ze verspelen de nabijheid en zegen van de HEER. Het is het refrein van het boek Richteren. Israël komt onder vuur te liggen van vijanden.

In Gideon’s tijd wordt Israël keer op keer geplunderd door de Midianieten.  Heimelijk dorst Gideon de gerst in de wijnpers. Niemand die het ziet. Tot er een engel aan hem verschijnt, een boodschapper van de HEER. Hij wordt geroepen om het volk te leiden, om in opstand te komen. Om een nieuw leven te beginnen.

En dat nieuwe leven begint, zegt de HEER tegen Gideon in een droom, dat begint bij jezelf, bij je eigen familie, in je eigen dorp, met het neerhalen van het Baäl-altaar dat van je vader is. En Gideon doet het, hij gaat de confrontatie hij, riskeert zijn leven. Hij staat op, wordt opstandeling. Hij krijgt er zelfs een nieuwe naam van: “Jerubbaäl”, die je uit zou kunnen vertalen als “Hij die opstaat tegen Baäl”.

Een christen is een opstandeling. Dat wil zeggen: Als je gedoopt bent, dan ben je geroepen uit de wereld, en begin je een nieuw leven als volgeling van Jezus Christus. Je oude leven laat je achter je, en je begint opnieuw. Zo zal ook later Paulus daarover schrijven, bijvoorbeeld in Romeinen 6: ‘ Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is  opgewekt tot  de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij  in een nieuw leven zouden wandelen.’

De spannende vraag is dan natuurlijk voor u en jou vandaag: herken je die radicaliteit, dat nieuwe leven ook bij jezelf? Bent u ook zo’n opstandeling na Pasen?! Waaraan is dat bij jou te merken?

Misschien denk je wel: Ja, maar, ik wil helemaal geen opstandeling zijn. Dat klinkt zo gewelddadig, zo negatief: je bent ergens tegen. En het klinkt zo activistisch, zo militaristisch. Waarom zou ik opstandeling moeten zijn? Is er in onze tijd dan iets om tegen te vechten? Petrus en Johannes stonden op tegen de Farizeeën, de Joodse leiders die niets van Jezus wilden weten. Goed punt. Gideon stond op tegen de Midianieten, en tegen de afgoderij in zijn eigen familie. Goed punt. Dan heb je inderdaad iets om voor te vechten. Maar wat moeten  u en ik daar vandaag mee?

Dat lijken me terechte vragen. Wat mij raakte in dit verhaal van Gideon, is dat wij daar als mensen niet zomaar een antwoord op hebben. Wij kunnen dat zelf niet bedenken. Gideon komt niet zelf op het idee om tegen zijn vader te zeggen: ‘Pa, dat Baäl-altaar van u, is dat nu wel zo’n goed idee? Wij zijn toch Israëlieten, wij dienen toch de HEER, de God van Israël. De God die ons bevrijd heeft uit Egypte. De God die ons dit land heeft gegeven. Kunnen we niet beter voor de HEER een altaar bouwen?’

Nee, zo gaat het niet. Zelfs niet nadat Gideon door de HEER geroepen is. Er moet een extra droom of visioen aan te pas komen, waarin de HEER het punt voor punt aan Gideon moet opdragen, het moet hem voorgekauwd worden:

‘Neem een jonge stier van de runderen die van uw vader zijn, en wel de tweede jonge stier, van zeven jaar. Breek vervolgens het altaar van de Baäl af dat van uw vader is, en hak de gewijde paal om die erbij staat. Bouw daarna voor de HEERE, uw God, een altaar op de top van deze vesting, op een geschikte plaats. Neem dan de tweede jonge stier en breng een brandoffer met het hout van de gewijde paal, die u om zult hakken.’

Je zou toch zeggen: Als er een Baäl-altaar in je tuin staat, dan is dat toch een doorn in je oog, dan snap je toch zelf ook wel dat dat ding weg moet. Niet dus. Blijkbaar was de cultuur in die tijd van Gideon zo, dat dat allemaal kon. Goed om dat te beseffen: In de Bijbel komt keer op keer naar voren dat het verboden is om afgoden te dienen. Dat is de theorie. In de praktijk waren afgoden in heel Israël, gedurende het hele Oude Testament, de normaalste zaak van de wereld. Baäl was wel zo’n beetje de belangrijkste afgod van de heidense volken in en om het oude Kanaän. De god van het weer, de regen, de bliksem, een machtige god die kon zorgen voor droogte en honger, of voor regen en dus een goede oogst.

Wij hebben vaak zo’n beeld van Israël, of van Gideon en de andere grote richters, dat zij daar niet aan meededen, dat Israël anders was, maar in de praktijk was dat niet zo. In Richteren 2,11-12 staat de praktijk:

‘Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE en zij dienden de Baäls. Zij verlieten de HEERE, de God van hun vaderen, Die hen uit het land Egypte had geleid, en gingen achter andere goden aan, goden van de volken die rondom hen woonden. Zij bogen zich voor hen neer en verwekten de HEERE tot toorn.’

De afgoderij van het volk in het groot, wordt in ons tekstgedeelte zichtbaar in het kleine dorp Ofra: Het hele dorp loopt uit, de mannen van de stad, om Gideon te doden voor wat hij gedaan heeft. Gideon moet boeten . Waarsc hijnlijk geloven ze heilig dat Baäl nu ontzettend kwaad is, omdat zijn altaar kapot is gemaakt, en dat het daarom niet zal regenen, en dat als ze Gideon doden als offer, Baäl weer blij zal zijn. Moet je nagaan, hoe diep het heidendom dan zit. Gideon heeft tót zijn roeping daaraan gewoon meegedaan, kun je je voorstellen.

Vóórdat de HEER Gideon riep, was hij geen held en geen opstandeling. Vóórdat hij de HEER ontmoette en zijn ogen geopend werden, liep hij gewoon mee.

Ik wil maar zeggen: Wij zijn van nature geen opstandelingen. Wij zien uit onszelf niet eens wat er in onze tijd misschien verkeerd zit. We zijn er zo aan gewend. We vinden alles normaal. Is er in onze tijd iets om voor te vechten, in Nederland, in […]?

Gideon doet wat God zegt. Hij wordt opstandeling. Tegen zijn eigen vader, wel te verstaan. Heel uitdrukkelijk wordt het gezegd: Hij moet het altaar van zijn vader omver halen. Hij moet een stier van zijn vader nemen en offeren. Die stier van 7 jaar was waarschijnlijk gefokt als offer aan Baäl. Om aan te geven hoe schokkend dat is: Stel je voor dat jij de Bijbel van je vader zou verbranden. Hoe zou hij reageren? En je familie? En God?

Gideon doet wat God zegt, maar Gideon is geen held. Dat is wel het opvallendste in dit verhaal. Hij durft het niet zo goed. Hij doet het wel, maar ’s nachts als iedereen slaapt. Stiekem. Vaak hebben wij zo’n beeld van gelovigen in de Bijbel dat zij helden waren. Bijzondere mensen. Sterk in het geloof. Gideon, Simson, David. Geweldenaren. Petrus, Johannes, Paulus. Die stonden ergens voor. Die riskeerden hun leven. Jaja. Als je goed leest in de Bijbel, dan ligt het toch even wat anders.

Dit is Gideon’s eerste opdracht en die voert hij stiekem ’s nachts uit. Hierna krijgt hij de opdracht om te gaan vechten tegen de Midianieten, maar dat durft hij pas als hij twee keer een wonderteken uit de hemel heeft gekregen. En dan nog twijfelt hij en krijgt een derde teken.

En het laatste wat we over Gideon lezen in hoofdstuk 8, is ook niet zo positief, vers 26-27:

‘Het gewicht van de gouden ringen, waar hij om gevraagd had, was zeventienhonderd sikkel goud, naast de maantjes, oorhangers en purperen kleding die de koningen van Midian gedragen hadden, en naast de kettingen om de halzen van hun kamelen. Gideon maakte daar een efod van en stelde die op in zijn stad, in Ofra. En heel Israël ging er als in hoererij achteraan, zodat het voor Gideon en zijn huis tot een valstrik werd.’

Van het altaar wat hij in hoofdstuk 6 voor de HEER bouwt, maakt hij in hoofdstuk 8 zijn eigen persoonlijke heiligdom, waar hij zelfs een gouden beeld neerzet.

Ook Petrus die zo gloedvol preekt tegen het Sanhedrin is geen held. Als hij terugkeert bij de gemeente, dan storten ze in, vallen ze op hun knieën en smeken God om vrijmoedigheid, omdat ze zelf niets meer hebben. De weg niet voor zich zien. De moed niet hebben. En Petrus zal nog meer van die terugvallen hebben als het gaat om het toelaten van heidenen tot de christelijke gemeente.

De boodschap van vanmorgen is dan ook niet dat wij helden moeten worden. Dat wij opstandelingen moeten worden. Dat wij radicale keuzes moeten maken. Dat wij in actie moeten komen tegen de afgoden van onze tijd. Dat wij ons leven moeten zuiveren van onze zonden. Dat wij het nieuwe leven van Pasen moeten leven. Dan zou ik u en mezelf overschatten en overvragen. Gideon is niet het heldhaftige voorbeeldfiguur, waarvan we hopen dat wij op hem gaan lijken.

Ik mag u verkondigen dat wij opstandelingen zijn. Dat ons leven niet hetzelfde is, omdat wij gedoopt zijn. Dat komt niet door ons, maar dat komt door de HEER, de God van Israël, door Jezus Christus zelf. Het boek Richteren gaat niet over de richters als helden, over supergelovigen, maar het gaat over God, die ondanks de ontrouw van zijn volk, de afgoderij, en de halfslachtige leiders doorgaat met Zijn werk en plan, die Zijn verbond niet vergeet. Het boek Handelingen gaat niet over de discipelen als stichters van de kerk, als superzendelingen, maar het gaat over Jezus Christus, die door Zijn Geest de wereld overgaat. Die daarvoor mensen inschakelt, zwakke mensen, zondige mensen, mensen zoals U en ik.

Opstandelingen, dat zijn in de Bijbel, mensen die door God opgeraapt worden, op hun voeten gezet. Mensen met wie God op pad wil gaan, die God kan gebruiken. Mensen die Hij roept om Hem te volgen. Niet om zelf perfect te zijn, maar om te getuigen van Gods liefde en trouw. Kwetsbaar en toch beslist.

Gideon dacht niet dat hij het in zich had. En dat had hij ook niet. Hij kreeg het. Petrus en Johannes en de eerste gemeente beseften dat ze het niet in zich hadden, en daarom baden ze erom. En zo ging het toch. Omdat de HEER het gaf.

Misschien herken je dat wel in je eigen leven. Geloven in Jezus Christus, dat is allemaal niet zo spectaculair. Ik herken dat wel in ieder geval. Nu ik als legerpredikant veel rondloop in een seculiere omgeving, zie ik veel mensen die zich inzetten voor vrede en veiligheid, mensen met een groot rechtvaardigheidsgevoel. Mensen die goed zijn voor anderen. Beter dan ikzelf. Ik mag dan dominee zijn, maar ik ben van mezelf niet zo’n sociaal en attent mens. Ik ben niet zo’n opstandeling, zo’n geweldige gelovige. Mijn leven is niet beter als van anderen om mij heen.

En toch. Stiekem. Van binnen. ’s Nachts, zoals Gideon, heb ik een geheim. Een geheim ingefluisterd gekregen. Dat ik koester. De woorden van God die klonken bij mijn doop, de Woorden van de Bijbel, die ik lees: ‘Ik heb u lief. Ik leef en u zult leven. U bent van Mij.’

Het komt er niet altijd uit. Vaker niet dan wel. Praten over ons geloof, dat vinden wij al moeilijk. Leven naar ons geloof, dat gaat nog moeilijker. Maar dat wil niet zeggen dat het er niet is. Ergens diep van binnen. Daar is een wonder gebeurd. Waar dat je gaat brengen, dat weet je niet, maar het is er. Het geloof dat je bij Jezus hoort. Dat Hij er voor je is. Dat Hij de weg zal wijzen.

Geloven dat gaat met vallen en opstaan, stap voor stap. Zoals kinderen leren lopen, zo moeten wij ook leren geloven. Dat gaat niet van de ene op de andere dag.

Joas, de vader van Gideon, beseft dat er iets bijzonders aan de hand is met zijn zoon. Je zou verwachten dat hij nog het kwaadst is van allemaal, het is tenslotte zijn altaar, zijn stier. Maar in plaats daarvan neemt hij het op voor zijn zoon. Geeft hem het voordeel van de twijfel: Als Baäl echt boos is, merken ze dat vanzelf. Dan kan Baäl wel voor zichzelf opkomen, zegt hij. Opmerkelijk! Alsof hij zijn vingers niet wil branden aan dit gebeuren, omdat er iets gebeurt wat hij niet kan verklaren, dat zijn zoon dit doet! Iets heiligs en ontzagwekkends.

Zoiets gebeurt er ook met Petrus en Johannes voor het Sanhedrin:

‘Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich en herkenden zij hen als mensen die met Jezus samen geweest waren.’

En zij lieten hen gaan.

Ziet u? Via Gideon, via Petrus en Johannes, via ons komen mensen in aanraking met God, met Jezus Christus. Dat zit niet in het geweldige. Wij zijn maar ‘eenvoudige mensen’, en toch… is er een geheim, merken ze aan ons dat we met Jezus samen geweest zijn. Dat wij ‘opstandelingen’ zijn.

Dat er iets van de kracht van Jezus’ opstanding uit de dood, door de Heilige Geest, ook in ons aanwezig is. Net genoeg om soms het verschil te maken. Om je mond open te doen. Of stiekem ’s nachts een altaar omver te halen als niemand kijkt. Of om stilletjes te bidden en in de kerk te zitten. Omdat het je niet loslaat. Omdat Hij, de Levende, Jezus Christus, je niet loslaat.

Hoe leren we dan opstandeling te zijn? Hoe leren we geloven? Wat moet je kinderen leren? Je moet ze leren luisteren. Dan bedoel ik niet, dat ze je naar jullie luisteren als papa’s en mama’s. Dat vinden kinderen ook vaak moeilijk, hè. Doen wat papa en mama zeggen. Dat je naar bed moet of zo. Of je speelgoed op moet ruimen. Dat moet je natuurlijk ook leren. Maar belangrijker nog is dat wij en onze kinderen leren luisteren naar God. Zoals Gideon ’s nachts Gods stem hoorde. Samen luisteren naar de Bijbel, naar christelijke muziek, samen praten over de Heere Jezus. En dan soms ook gewoon even stil zijn. Je kinderen leren stille tijd te houden als ze tiener worden.

Want je kunt je kinderen prachtig christelijk opvoeden, christelijke normen en waarden bijbrengen. Je kunt van jezelf denken dat je een vroom mens bent, een goede gelovige. Maar wij hebben allemaal onze blinde vlekken. Over 30 jaar zeggen we misschien wel: Hoe hebben we als christenen zo gemakkelijk het milieu kunnen verwaarlozen, wij hadden véél eerder voorop moeten lopen in duurzaamheid. Of: Hoe hebben we ons zo gemakkelijk in laten pakken door alle social media en games, die onze tijd opvreten? En: Waarom hebben we nooit op de barricaden gestaan tegen abortuswetgeving en testen op het Downsyndroom, moet je kijken waar het nu heengaat? Of: Waarom hebben we al die grote banken en bedrijven laten toestaan dat ze de wereld domineren en controleren?

Maar misschien zijn dat nog blinde vlekken voor u. Misschien zijn er nog wel heel andere, die nog dichterbij komen, nog ingrijpender zijn. Vader Joas, zal ook gedacht hebben dat hij zijn zoon Gideon goed opvoedde. En toch, het afgodsaltaar voor Baäl stond midden in zijn tuin. Blinde vlekken. Hoe komen wij daarachter? Hoe komen onze kinderen daar achter?

Enkel door te leren luisteren naar God, te bidden tot Jezus. Dat Hij spreekt, zich aan ons openbaart. En ons het geloof en vertrouwen schenkt om op te staan en achter Hem aan te gaan. Opstandeling te zijn. We mogen in ieder geval weten: God zorgt zelf voor Zijn Gideons, zijn apostelen en getuigen, de afgoderij kan niet zo diep zitten, of Hij weet ons toch te bereiken, met Zijn evangelie en liefde.

Amen

Advertenties

2 thoughts on “Een christen is een opstandeling

  1. Dramatische vertaling van “opstandeling”. Zij dronken een glas en deden een plas en lieten alles zoals het was. En dan, zoals vanmorgen in Wijk bij Duurstede, deze preek afsluiten met lied 455: “Als ik hem maar kenne”. En direkt na de preek lied 463: “Maak gij ons rein en welgezind en vooral niet hartstochtelijk.” Had liever lied 462 gezongen voor alle opstandelingen in spe: ” Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de dood.” Met deze pietistische zelfgenoegzaamheid kan de gemeente wel weer een week verder. En dan dromen over de slechte banken in de wereld. Als we zelf maar genoeglijk PVV kunnen stemmen, of zoiets en vooral wel van de banken ons salaris ontvangen en natuurlijk niets doen voor christelijke vluchtelingen uit Syrië …… Gelukkig ben ik protestant en afkomstig van de watergeuzen. Het laatste couplet van het Wilhelmus wees ons een andere weg.

    • Beste Dirk, ik denk dat we elkaar niet goed begrepen hebben. Het lied na de preek ging vooral over leren luisteren(=gehoorzamen) naar Gods stem, waardoor ook ons een radicaal nieuw leven wacht. Mooi dat je in ieder geval een aantal blinde vlekken weet te benoemen, reden tot “opstand”!, ik deel je zorg. Broederlijke groet, ds. Teun de Ridder

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s