Christen-zijn is een liefhebberij

Preek over 1 Johannes 4,7-21

File:Master of the Life of the Virgin - Christ on the Cross with Mary, John and Mary Magdalene - WGA14591.jpg

Anoniem – Christus aan het kruis met Maria, Johannes en Maria Magdalena (ca. 1465)

Gemeente van Jezus Christus,

Naar de kerk komen doe je voor je lol toch? Voor je plezier. Natuurlijk heb je wel eens geen zin. Zeker niet als het warm weer is, dan slaat de twijfel toe: Zal ik lekker in mijn tuinstoel blijven zitten? En er zullen vast kinderen of jongeren zijn, die hier zitten, en denken: Ik moest mee van mijn ouders…

Maar toch: niemand heeft ons gedwongen om hier te zitten. Dat is niet wettelijk verplicht, of zo. Er zijn tijden geweest dat er zoveel sociale druk was, dat je er niet onderuit kon, onder die wekelijkse kerkgang, maar dat is niet meer. Je kiest er zelf voor om hier te zijn, of om hier niet te zijn. Vandaar dat ik zeg: U zit hier voor uw lol, voor uw plezier. En dat is prachtig, want daarmee zijn we bij de kern van wat kerk-zijn en christen-zijn is. Het is een liefhebberij. Dat is het ten diepste.

Ik bedoel dat niet op een oppervlakkige manier. Wij hebben allemaal onze hobby’s. Dat zijn liefhebberijen. Je kunt gek zijn op de Tour de France, Tour of Duty, tuinieren, televisiekijken, tekenen, of terrasjes. Het zijn dingen die je interessant vindt, waarvan je ontspant, waarmee je je vrije tijd graag vult. Hobby’s. Liefhebberijen. Misschien klinkt het je raar in de oren als ik zeg dat christen-zijn, geloven in dat rijtje van liefhebberijen thuishoort. Toch is dat woord liefhebben het woord wat het vaakst voorkomt in 1 Johannes 4:

7 laten wij elkaar liefhebben…ieder die liefheeft, is uit God geboren

11 als God ons zo liefhad, moeten ook wij elkaar liefhebben

12 als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons

19 wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefhad

21 wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben

Christen-zijn, het gaat om liefhebben, het is een liefhebberij. Waarom legt Johannes daar zo de nadruk op? Dat zal wel nodig geweest zijn, denk je dan. Als hij zo nadrukkelijk zegt: “Laten wij elkaar liefhebben”, “wij moeten elkaar liefhebben”, dan zal het daarmee wel niet helemaal snor hebben gezeten. En inderdaad. Tussen de regels van deze brief door krijgen we de indruk dat er nogal wat onrust en onmin is in de gemeente waaraan hij schrijft. De onderlinge liefde, de liefhebberij, is uit beeld of dreigt uit beeld te raken.

Dat gaat heel gemakkelijk. Toen ik met de voorbereiding van deze preek bezig was, merkte ik dat bij mezelf ook weer. Ik ben natuurlijk dominee geworden, omdat ik van Jezus houdt en graag over Hem wil vertellen. Liefhebberij dus. Maar in de praktijk van alledag drink ik koffie met militairen op de kazerne, ga ik mee op oefening, ben thuis met de kinderen aan het spelen, de zolder aan het verbouwen, volg het nieuws over Turkije en Trump en de Tour. Bidden, Bijbellezen, naar de kerk gaan blijf ik wel doen, wat dat maakt onderdeel uit van mijn vaste routine. En toch, eigenlijk ben ik wel heel erg met mezelf en mijn eigen leventje bezig. Ben ik gericht op de buitenkant, en vergeet ik de binnenkant. Vast voor u en jou herkenbaar.

Het kan ook doorschieten naar de andere kant: dat je te serieus met God bezig bent. Dat klinkt raar, maar dat kan. Dat je ook dan de liefde uit het oog verliest, de ontspanning. Wanneer je tobt met je eigen zonden, en in een kringetje ronddraait. Of dat je zo graag anderen het geloof wil geven, of wil dat ze leven volgens Gods wet, dat het je gaat frustreren. Dat de afkalving van de kerk en het christendom of het gebeuren in de wereld je aangrijpt en terneerslaat. Ook dan ben je gericht op de buitenkant, en vergeet je de binnenkant.

Johannes brengt ons weer bij de les, bij de binnenkant: Vergeet niet! Christen-zijn is geen tobberij, maar liefhebberij. Het draait om de liefde, liefde onder elkaar, liefde tot elkaar, en dat God van ons houdt en wij van Hem.

Tenminste ik hoop, dat u daar ook warm van wordt. Dat je kunt zeggen: ‘Ja! God heeft mijn hart gestolen. Ik houd van Hem. Ik houd van Zijn gemeente. Ik houd van mijn broeders en zusters. Ik vergeet het soms, maar nu u het zo zegt, ja! Daar gaat het om! Ik zit hier niet omdat het moet, ik geloof niet uit gewoonte, maar het heeft mijn hart. Hij heeft mijn hart!’

Als dat niet zo is, als je dat niks zegt, dan heb je er nog niets van begrepen, of, zoals Johannes het dan schrijft: ‘Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde.’ Hopelijk breekt dan bij jou door deze preek die liefde door.

Geliefden, God is liefde. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefhad. Prachtig.

Maar weet u dat het bij mij toch ergens ook altijd begint te kriebelen? Liefde. Daar kan niemand tegen zijn is, maar het is ook een beetje soft. Misschien komt het door al die goedkope liefdesliedjes op de radio. Top 1 hit van dit moment: Justin Timberlake – I got this feeling inside my bones… it’s something magical, it’s in the air, it’s in my blood, it’s rushing on, I don’t need no reason, don’t need control… nothing I can see but you, when you dance.

Mensen hebben behoefte aan rozegeur en maneschijn, aan warmte en geborgenheid. En we hebben al snel het idee dat het daarover ook gaat als het gaat over Gods liefde voor ons. Gods liefde als een warm bad. Gods liefde waarin wij ons kunnen koesteren als een poes op de vensterbank die spint in de zon. En als afgeleide daarvan de ‘onderlinge liefde’ als een soort smeermiddel voor de samenleving: ‘als we allemaal nou eens gewoon aardig zijn tegen elkaar, dan ziet de wereld er een stuk beter uit’.

Maar dat is niet de boodschap van Johannes, van de Bijbel. In de Bijbel horen we niet dat mensen zo geliefd zijn, omdat ze waardevol zijn, omdat ze er mogen zijn, en is liefde geen magisch gevoel of bezwerend woord waardoor alles koek en ei is tussen mensen onderling. Dat is een soort van “comfort-christendom” wat je her en der nog wel eens tegenkomt. Veel boekjes van bijvoorbeeld Max Lucado hebben die ondertoon. Dat is enorm troostend en bemoedigend, maar op zijn zachtst gezegd eenzijdig.

God houdt niet van ons omdat wij zo waardevol, zo bijzonder of zo mooi zijn in Zijn ogen. Als wij zo over Gods liefde denken, dat wordt God iemand die er is om ons zelfvertrouwen te geven, of ons zelfbeeld op te poetsen. We worden er sterkere en betere mensen van. Met andere woorden: Gods liefde voor ons is dan een soort argument om onszelf op een voetstuk te zetten, om ons belangrijk te voelen.

In de Bijbel is het eerder omgekeerd. Zoals Johannes over Gods liefde schrijft, breekt dat onszelf eerder af. Haalt het ons van het voetstuk, het zet het God in het middelpunt. Want lees eens goed vers 10:

‘Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen,  maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond  als verzoening voor onze zonden.’

Niet dat wij God lief hebben gekregen. Dat ging allemaal niet zo geweldig, nee. Voor een jood, en dat is Johannes, gaan bij deze woorden allerlei belletjes rinkelen, associaties naar het Oude Testament. Naar de woorden uit Deuteronomium 6,4-5 die gelovige Joden ook vandaag de dag nog dagelijks herhalen, het Sjema Jisrael:

‘Luister Israel! De HEERE, onze God, de HEERE is één! Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.’

Daar is in die hele lange geschiedenis van het volk Israel weinig van terecht gekomen. We lazen uit het einde van Deuteronomium hoe het ging: Het volk diende afgoden, riep Gods toorn over zich af, werd in ballingschap weggevoerd. Het volk viel van zijn voetstuk, totaal mislukt, het liefdesverbond verbroken. De profeet Hosea schrijft daar hartverscheurend over, en beleeft dat ook zelf hartverscheurend als hij met een hoer moet trouwen, die vreemd blijft gaan, als illustratie bij hoe God Zijn liefdesrelatie met Israel beleeft. Zover is het gekomen.

Dat klinkt allemaal door in die paar woorden ‘niet dat wij God lief hebben gekregen’, nee, integendeel. ‘Hij zond Zijn Zoon als verzoening voor onze zonden.’ Ja, zo zijn wij er aan toe. Voor Johannes is dat niet iets van het verleden, maar hij praat in de ‘wij’ vorm. Hij herkent zichzelf er in. En betrekt ook zijn lezers, ook ons daarbij. Die hele geschiedenis van Israel, dat kun je gerust doortrekken in je eigen leven. Ook uit ons borrelt niet vanzelf de liefde voor God en elkaar op. In vers 20 heeft Johannes het er zelfs over dat er tussen broeders sprake is van haat.

Het woord ‘liefde’ is Bijbels gezien geen smeermiddel, maar schuurmiddel. Het loopt met die liefde allemaal maar moeizaam, het staat onder spanning.

Tenminste, van onze kant dan. Temidden van die spanning, die spanning in de gemeenten, waaraan Johannes schrijft, waar eerder sprake is van onderlinge haat, dan van onderlinge liefde. Dan schrijft hij over “God is liefde”. Wij hebben Hem niet liefgehad, maar Hij ons wel! Bij God is geen sprake van een liefdestekort, bij God is het nooit tobberij geworden, maar altijd liefhebberij gebleven.

Johannes doet daarmee iets heel moois. Hij zet God weer in het midden. In het centrum van het gemeenteleven, in het centrum van ons leven. Bij ons bestaat keer op keer het risico dat als we bij onszelf of bij een ander gebreken constateren, dat we terugvallen in moralisme, in verbeterplannen. Je ziet dat in de politiek: bij justitie worden fouten gemaakt, of bij de pgb-administratie, dan zetten we er een nieuw poppetje neer, we beloven het beter te doen.

In ons eigen leven leggen we onszelf vaak ook die druk op: Nóg even net een stapje harder lopen, en je kunt promotie maken, of populair worden. Net even een iets duurdere vakantie boeken, leuk voor het verhaal aan je collega’s en op facebook. Mooi weer blijven spelen tegen bepaalde kennissen of familie, waaraan je je eigenlijk vreselijk irriteert. We nemen vaak zo vreselijk veel op onze schouders.

Johannes komt niet met allerlei tips en trucs om op eigen kracht een liefdevol en geslaagd leven te leiden. Hij wijst ons niet op onze verantwoordelijk en de plicht om het met elkaar te rooien. Hij werpt ons niet terug op zichzelf, maar werpt ons terug op God. Hij zet God weer in het midden.

Vers 12-13 ‘Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is Zijn liefde in ons volmaakt geworden. Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.’

Liefde putten we niet uit onszelf, dat ontvangen we. God zelf is bij ons, aanwezig als de heilige Geest. Ons hart is niet de bron van de liefde, maar een emmer die gevuld wordt met liefde. God buigt zich naar ons neer, God kijkt naar ons om. God komt zelf. Zo werd het al beloofd in Deuteronomium 30,6

‘De HEERE, uw God,  zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult.’

Dat is precies wat Jezus gedaan heeft. Hij is gekomen,  in Hem zien en ervaren wij de liefde van God. Hij is de Zaligmaker van de wereld, vers 14. De redder, die onze zonden verzoent. Hij haalt het deksel van de emmer van ons hart, stort het vol met Zijn liefde en verlaat ons niet meer.

‘Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.’

Niet wijzelf op een voetstuk, maar God op een voetstuk, God in het centrum, God in het hart. Alleen daardoor, en alleen dan, kan er sprake zijn van liefhebberij. Alleen dan komen we tot ons doel, alleen dan kan de liefde stromen.

Let wel: de liefde die Johannes bedoelt is niet vlinders in je buik, is niet leven op een roze wolk. Want wat is die liefde van God? Waar zie je nou wat die liefde is? Dat zie je aan Jezus, de Zoon van God. Met een andere woorden: het is geen gevoel, maar daad. God zend zijn Zoon als verzoening van onze zonden, zegt hij in vers 10. Hoe diep die liefde is, hoe ver die liefde gaat, zien wij daaraan. Johannes heeft zelf gestaan bij dat kruis op Golgotha, waar Jezus hing te lijden en te sterven.

Vers 14: ‘Wij hebben het gezien’, vers 16: ‘wij hebben de liefde die God tot ons heeft, gekend en geloofd.’

God heeft zijn liefde bewezen.

Tussen twee haakjes: Ook de liefde die tot God hebben, betekent niet dat wij alleen warme gevoelens voor Hem moeten koesteren. Dat dat alleen bestaat uit het zingen van “God heb ik lief, want die getrouwe Heer, hoort mijn stem.” Nee, ook daar wordt het heel concreet, moet iets zichtbaar worden, vers 20:

‘Als iemand zou zeggen: Ik heb God lief, en hij zou zijn broeder haten, dan is hij een leugenaar.’

Met andere woorden: Er kan geen kloof bestaan tussen je hart en je leven. Tussen zondag en maandag, tussen je geloof in God en je dagelijks leven.

Zoals die kloof bij Jezus er niet was. Jezus praatte niet alleen over God, Jezus bad niet alleen, Jezus ging niet alleen naar de tempel, Jezus zong niet alleen de psalmen en vierde de Joodse feesten – dat deed Hij allemaal ook, en van harte – maar Hij bewees zijn liefde in zijn daden.

Hij was gehoorzaam aan Zijn Vader, Hij hield zich volkomen aan Gods wet, Hij stond altijd klaar voor de mensen. Niet omdat het moest, want keer op keer lees je over Jezus: ‘Hij was met innerlijke ontferming bewogen.’ Mensen de weg wijzen naar God, luisteren naar hun zorgen, zieken genezen, zonden vergeven, sterven aan een kruis, het was niet zomaar een taak, een opdracht. Hij gaf Zichzelf helemaal. Hij wijdde zich compleet toe. Tot in de dood. Tot en met het dragen van onze zonden en vloek.

En dat zonder morren, zonder mitsen en maren, zonder tobberij, maar als liefhebberij.

‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefhad.’

Vers 19. Zo werkt dat, zegt Johannes. Zo zit geloven in elkaar. Zo is het bij mijzelf gegaan. Zo komt het ook bij ons tot ware liefde en liefhebberij. Dat kunnen wij niet maken. Ook in die valkuil moeten we niet stappen. In de Bijbel heeft liefde alles te maken met gehoorzaamheid, met het houden van Gods geboden. In één adem wordt dat elke keer weer genoemd (Deut 30,2):

‘En u zult zich bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied.’

Net zoals de liefde met heel het hart en met heel de ziel, is de gehoorzaamheid het ook. Daarin bewijst zich de liefde. Maar we moeten dan niet denken dat liefde en gehoorzaamheid hetzelfde is. Liefde is breder, dieper, warmer. Daar komt het gevoel bij, de aanhankelijkheid, het vertrouwen, de toewijding, het plezier, de vreugde, de blijdschap.

Dat is het grote raadsel en het grote wonder van God: al zijn wij zondaren, al zijn wij van ons voetstuk gevallen, al brengen wij geen liefde en gehoorzaamheid op, God vind vreugde, blijdschap, plezier in u en jou en mij. We zijn het niet waard, het is totaal onverdiend, het is volkomen genade. En toch: Hij houdt van jou.

Die liefde is verder onverklaarbaar. Die komt alleen maar op uit Wie God, uit Zijn karakter: volkomen goed, barmhartig en rechtvaardig. Al hebben wij er alles aan gedaan om die liefdesrelatie te verbreken, Hij heeft er alles aan gedaan om die liefdesrrelatie te herstellen en vast te houden. Hij heeft al de schuld op Zich genomen, Hij stierf ervoor aan het kruis.

Ja, dat doet wat met mij, en ik denk met jou ook. Als je dat hoort. Dat die Eeuwige God, de Grootheid en Macht en Heerlijkheid en Goedheid zelf, zegt: ‘Ik wil bij jou zijn, Ik doe daar alles voor, geef er de hemel voor op, mijn eigen leven. Omdat Ik van je houd. Ik blijf bij jou. En jij mag bij mij blijven.’ Dat doet wat met ons, dat maakt blij, dat schept vertrouwen en aanhankelijkheid, dat maakt je bereid tot toewijding en gehoorzaamheid, dat schept liefde. Dat maakt van geloven een liefhebberij.

Het wordt bijna een spelletje. Het maakt ons tot kinderen. Zo totaal onbezorgd als kleine kinderen eindeloos kunnen spelen in de zandbak of met het zwembad bij warme dagen. Ongecompliceerd boekjes lezen, tekenen of voetballen. Zo mag geloven zijn.

Ontspannen, vrijmoedig en zonder angst. De kramp is er uit. Dat ligt heel dichtbij de woorden van Jezus, dat we het Koninkrijk van God moeten binnengaan als kinderen. Johannes pakt dat thema op in hoofdstuk 3,1, het hoofdthema van de brief:

‘Zie, hoe groot is de liefde die de Vader ons gegeven heeft: dat wij kinderen van God worden genoemd. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen van God.’

Daarbij sluiten de verzen 17-18 aan:

‘Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid mogen hebben op de dag van het oordeel. Want zoals Hij is, zijn ook wij in deze wereld. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit.’

Als kinderen van de Vader, mogen we geloven dat het dankzij Jezus weer helemaal goed zit. We hoeven niet meer bang te zijn voor God, niet bang te zijn voor de dood, niet bang te  zijn voor het einde van de wereld. Leven in vrijmoedigheid en zonder angst. Zo licht, speels en ontspannen mag het zijn. Niet omdat er niet van alles op ons af komt vanuit de wereld. Niet omdat er niet voldoende dingen zijn om je zorgen over te maken. Maar omdat je zeker bent van de liefde van de Vader, van de liefde van Jezus Christus, omdat het de liefde van je leven is. Omdat Hij bij jou is en jij bij Hem.

Christen-zijn. Kind van de Vader zijn. Het is totale liefhebberij.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s