Spierballengeloof, of: De kracht van de Geest

Preek over Richteren 15,9-20

Samson slaying a philistine.jpg

Giambologna – Samson slaying a Philistine (marble, ca. 1562)

Gemeente van Jezus Christus,

Achter elkaar komen de laatste jaren superheldenfilms in de bioscoop. Over Superman, Batman, the Avengers. Mensen met bijzondere gaven en superkrachten. Het typische verhaal is dat iemand superkracht krijgt door een ongeluk, zoals Peter Parker, die door een spin gebeten wordt en dan Spiderman wordt. Vervolgens is er een superschurk die de aarde wil verwoesten o.i.d. en de missie van de superheld is dan om de aarde te redden.

Met veel moeite lukt dat altijd en loopt het goed af. Prachtige actie op het witte doek. Gevechten. Chaos, dood en verwoesting. Maar dan ook altijd liefde, trouw en moed. En een gelukkig einde.

Het lijkt naadloos te passen op de verhalen over Simson. De Israëlitische Superman. De Joodse Hercules. Een man met superkrachten. Als de slechteriken, de Filistijnen, de overheersers, hem met hun hele leger gevangen willen nemen, en vernederen en doden natuurlijk. Slaat hij erop los. Hij wint het nog ook. Tot zover niets bijzonders. Alleen, hier hebben we niet een te maken met een verhaaltje, met fantasie, maar met de Bijbel. Waarvan we geloven dat wat daar in staat over God, dat dat klopt. En daar zit wel een angel. Want waar haalt Simson zijn superkracht vandaan? Van de heilige Geest:

‘Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.’

We horen in het Nieuwe Testament prachtige dingen over de heilige Geest die de apostelen inspireert, die mensen vol maakt van liefde en blijdschap en vrijmoedigheid. Bij de Geest denken we dan aan een duif, een vredesduif… Deze Geest maakt van ons nieuwe mensen, laat ons op Jezuslijken.

Door de kracht van de Geest sloeg Simson duizend man dood. Hoe past dat in ons beeld? En verder nog: Hoe past dit in ons eigen leven? Met Pinksteren wordt gezegd dat diezelfde Geest nu ook op ons is uitgestort. ‘Geweldig’ zeggen we dan, ‘geweldig, dat God zelf bij ons, ja in ons komt wonen.’ Wacht even, denken we dan vanmorgen, vind ik dat wel zo prettig als deze Geest in mij komt. De Geest die Simson 1000 man liet doodslaan? Strijdt dat niet met alles waar wij in geloven? Dat wij al proberen onze kinderen bij te brengen dat je geen ruzie moet maken. Dat we proberen om niet op elkaar te schelden. Dat het ons ideaal is om elkaar te verdragen en zelfs lief te hebben. En dat we geloven dat God dat van ons vraagt, van ons verwacht…

Je zou zeggen: Hier in dit verhaal zie je de mens op zijn slechtst. Daar wíl en zál God niets mee te maken hebben! Simson heeft bonje gemaakt bij de Filistijnen. In het hoofdstuk hiervoor kun je lezen hoe Simson trouwt met een Filistijns meisje. De Filistijnen waren rond de 13e eeuw voor Christus vanuit Griekenland ge-emigreerd naar de kust van Kanaän, zo rond dezelfde tijd dat het volk Israël uit Egypte kwam en ook het land Kanaän binnentrok. Rond die vruchtbare kuststrook, die nu nog de Gazastrook heet, was toen dus al concurrentie over het land en de macht.

Maar Simson gedraagt zich als een olifant in die porseleinkast: zijn huwelijk loopt uit op een drama. Simson neemt wraak op de Filistijnen als zij hem bedriegen tijdens het huwelijk feest. Zijn schoonvader geeft zijn vrouw aan een ander. Simson is daarover zo boos over dat hij de hele boel in de fik steekt. De Filistijnen verbranden vervolgens dan zijn vrouw en schoonfamilie. Daarvoor neemt Simson weer wraak door hen aan te vallen. Kortom het is één vicieuze cirkel van geweld en wraak en haat. Waar je van huivert en schrikt. Vanaf vers 9, onze tekst, begint daarin een nieuwe episode. Het wordt ook letterlijk gezegd door de Filistijnen in vers 10: ‘Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.’ Wraak! En zo zegt Simson het ook zelf: ´Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.’

Dat gaat nergens over…

Zo gaat dat inderdaad onder mensen. Misschien herken je er ook wel iets van. Relaties in families, met collega’s, die kunnen ook flink uit de hand lopen. Na ruzies, na echtscheiding, als we bedrogen worden of oneerlijk behandeld. In die zin is er niets vreemds aan dat verhaal van Simson. Ook de agressie niet, de behoefte aan wraak, om erop te slaan. Zo gaat het ook nog steeds in het groot in deze wereld. Je hoeft maar te denken aan het eindeloze conflict tussen Israël en de Palestijnen, het hele Midden Oosten wat een zootje is.

Maar dat de Geest van God dat vuurtje nog eens extra opstookt, daarin de superkracht verschaft om de ander mores te leren, ja dood te slaan…?

Nu kunnen we dat proberen recht te praten natuurlijk. Die neiging voel ik ook sterk bij mezelf. Zo van: Het was een hele andere tijd toen. We hebben het wel over 3000 jaar geleden. Israël en de Filistijnen waren in oorlog. Dat moet je niet vergeten. Oorlogen werden toen eenmaal zo met de hand uitgevochten. Men was toen nog een stelletje barbaren. Mensenlevens waren toen niet zoveel waard. Tegenwoordig kennen we mensenrechten en beschaving en humanitair oorlogsrecht, etc. Dat is allemaal min of meer waar.

En denk ik dan: Hebben we ook niet een beetje boter op ons hoofd als we dat allemaal héél erg vinden wat Simson doet… en geschokt zijn. Terwijl wij op dit moment ook in oorlog zijn, dagelijks bombardeerden onze F-16 in Irak en Syrië doelen van IS het afgelopen jaar. Daar vallen ook doden, ook onschuldige slachtoffers, maar daar hoor je niemand over.

Het is misschien een beetje ver van ons bed. Maar het zijn wel onze militairen die van ons belastinggeld met bommen dood en verwoesting brengen. Ligt u er wel eens wakker van? Ik niet. Wat Simson met die ezelskaak doet, dat is heel lijfelijk, gevecht van man tot man. Maar qua effect doet het niet onder voor het afwerpen van een bom van een paar kilometer hoogte uit een straaljager. Dat gaat nog heel wat verder, zelfs.

Maar ik denk niet dat we zo moeten proberen om Simson vrij te pleiten of zijn gedrag te vergoelijken. Of dat geweld te relativeren. Want voor je het weet leunen we weer comfortabel achterover en is de spanning eruit. En kunnen we weer lekker door gaan met ons leventje. Dan maken we ons er te gemakkelijk van af. Dan maken we ons te gemakkelijk van God af. Van de heilige Geest af.

We stuiten hier wel degelijk op iets van God zelf. Op een scherpe kant van Hem. En de vraag is: durven wij dat vandaag de dag nog te zien. Wij denken graag aan God als een Goede Vriend, Iemand die om ons geeft, die voor ons zorgt, die ons helpt, ons draagt. Dat vinden we mooi. En dat is ook mooi. Maar ook vrij soft. Het is niet voor niets denk ik, dat het steeds moeilijker is om mannen warm te krijgen voor de kerk en het geloof. Dat past meer bij vrouwen. En die harde kant van God, die ligt gewoonweg niet zo goed in de markt, in de tijdgeest. Het geloof in een hel, dat God mensen verdoemt en oordeelt. Daar moet je niet mee aankomen. Toch?

Maar dat is doodzonde. We moeten afleren daar moeilijk over te doen. We moeten geen geestelijke watjes worden. Een scheutje van van de spierballen van Simson kunnen we wel gebruiken. En dan kunnen we genieten van dit verhaal! Want dan gaat het ergens over. Hier in deze verzen in Richteren 15 gaat het ergens over.

De Filistijnen trekken op tegen Juda. Een invasie. De Judeeërs gedragen zich onderdanig, ze durven de strijd niet aan. In die periode zijn de Filistijnen de onderdrukkers, de overheersers. In een land, dat moet je goed begrijpen, dat aan Israël ten eigendom is gegeven door God, de HEERE, zelf. Wat die Filistijnen doen, dat gaat in tegen Gods eigen diepste bedoelingen en plannen.  Als zij Juda binnenvallen, gaan ze een grens over. Letterlijk, maar ook figuurlijk.

De verhalencyclus over Simson begint in Richteren 13 met de aankondiging van zijn geboorte aan zijn moeder door een engel. Die engel  zegt:

‘Want het jongetje zal van de moederschoot af als nazireeër aan God gewijd zijn, en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.’

Nu leek daar aanvankelijk met Simson niet veel van terecht te komen. Toen hij richting de Filistijnen trok begon hij niet met vechten, maar begon hij verlieft te worden op het eerste het beste leuke meisje waar zijn oog op viel. Dat ging niet helemaal volgens plan. Dat was ook niet Gods bedoeling geweest. Maar is dat in ons leven niet veel anders? De krachten en talenten die Hij ons schenkt, besteden we niet automatisch in Zijn dienst of voor de goede zaak. De verleiding is beregroot om er vooral zelf beter van te worden. Als spierbundel gebruikt Simson zijn lichaam niet voor de verlossing van Israël, maar ligt hij vooral goed bij de meisjes.

Hier in deze verzen, treffen wij voor Simson een soort laatste kans. Het is nu of nooit. Gaat hij zijn roeping tot richter waarmaken en verlossing brengen, of houdt het hier gewoon op. Die spanning zit er goed in, als Simson zich laat arresteren en binden. Geeft hij het zelf nu ook op? De Filistijnen denken dat de buit binnen is:

‘En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots. Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet.’

Het is op dát moment dat de Geest van de HEER vaardig wordt over Simson. Dat God zich ermee gaat bemoeien. En dat is toch het ware evangelie, de goede boodschap, in dit gedeelte. Als het over verlossing gaat, dan is de Geest van de partij.

We hebben hier niet te maken met een ordinaire slachtpartij, maar met verlossing. En dat gaat niet zonder slag of stoot. Niet zonder geweld. Dat is de realiteit. De harde, gebroken, pijnlijke realiteit van onze wereld. Daarin mengt de Geest zich, zoals ook Jezus zich daarin gemengd heeft. We hebben geen God in de hemel die van verre het aards gewemel beschouwd en afkeurd, maar ondertussen niet de macht of de wil heeft om er iets aan te doen. Nee, Israël en wij hebben een God, de HEER, die Zichzelf volledig in de strijd werpt. En vieze handen maakt. Zó dat wij er met onze moderne ogen bijna afkeurend naar kijken en zeggen: ‘Moet dat nou?’

Ja, dat moet. Als er iets van Israël en Simson, en als er iets van onze wereld terecht wil komen en van ons leven, dan zullen we moeten accepteren dat God soms hardhandig ingrijpt. Met woorden en daden. Als er duizenden mensen op de Pinksterdag tot bekering komen, dan is dat een hardhandig ingrijpen van de Geest in hun hart en leven. En zo is het ook vandaag: Als God ons niet overmeestert met Zijn Geest en liefde, niet ons hart openbreekt en tot zich trekt, wie zou dan tot Hem gaan of met Hem blijven gaan? Het is God die met Zijn kracht en macht ons kiest, roept, trekt, bekeert, nieuw leven schenkt.

De zonde, het kwaad, de gebrokenheid zal echt niet ‘vanzelf’  uit ons leven en de wereld verdwijnen. En omdat het ons niet lukt, zal de Geest zich ermee moeten bemoeien. Dat is de realiteit. De realiteit van een ezelskaak waarmee 1000 man worden doodgeslagen. En dat is dus echt goed nieuws.

Dat betekent niet dat je dat geweld moet verheerlijken. Dat betekent niet dat je moet zeggen dat de Geest dit graag doet. Dat hier bij Simson bij uitstek zichtbaar is Wie Hij en wat Hij doet. Simson blijft wat dat betreft een ongeleid projectiel. In het vuur van de strijd, stijf van de adrenaline, begint hij te zingen.

‘Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen, met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.’

Dat gaat te ver. Zeker als je weet dat er in het Hebreeuws van de grondtekst een woordspeling in zit. Het woord voor ‘hoop’ is identiek aan het woord voor ‘ezel’. Je zou ook kunnen vertalen als: ‘Met een ezelskaak heb ik een stelletje ezels doodgeslagen.’ Wellicht omdat Simson ervan overtuigd is dat het zijn eigen list met die touwen is geweest waardoor hij de overhand heeft gekregen in de strijd. Simson heeft gewonnen, vindt zichzelf slim en sterk en kijkt daardoor neer op die 1000 man.

Tussen twee haakjes, ook met dat woord voor 1000 is iets aan de hand. Dat hoeven niet per se exact 1000 man geweest te zijn. In het Hebreeuws komt dat woord oorspronkelijk van het woord voor een militaire eenheid, een contingent, onder leiding van een clan-hoofd. Als zodanig kan dat in exacte getallen ook een eenheid van 100 man of minder geweest zijn.

Maar in feite doen de aantallen er niet toe. Als het gaat over mensen, gaat het over mensen. En of er nu 1 iemand sneuvelt, van wie vrouw en kinderen, familie en vrienden voor altijd iemand moeten missen en in rouw gedompeld zijn, of dat het er 10 of 100 of duizend zijn. Met mensenlevens valt niet te rekenen. Verdriet is onmetelijk.

Soms moet er gevochten worden in deze wereld. Daarbij gaat het op het scherpst van de snede, en daarbij vallen slachtoffers. En al vecht je dan voor de goede zaak, zoals Simson, dan past het toch niet om je te verheugen over de val van een ander. In de hemel is er vreugde over elke zondaar die zich bekeert. Maar geen vreugde over de val van een mens, die reddeloos verloren gaat. Het is de uiterste consequentie van een leven tegen God in. Dat loopt dood. Maar hoe graag had God gezien dat het anders was.

Simson komt er achter dat hij niets heeft om zich op te beroemen. Hij krijgt zo’n dorst dat hij denkt dat hij gaat sterven. Hij ontdekt dat hij zijn enorme kracht niet van zichzelf heeft. Dat hij ook maar een mens is, die zonder slokje water het loodje legt. En hij moet aankloppen bij de Allerhoogste voor hulp.

‘Hij riep tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?’

Simson blijft ook in deze woorden een ruwe bolster. Het is geen vroom gebed, maar heel direct, bijna beschuldigend spreken tot God. Maar er blijkt wel uit dat Simson zijn plek kent. Het is God die verlossing brengt, niet Simson, hij is enkel het middel. Simson doet een stapje terug. Hij geeft God de ruimte in zijn leven. Of beter: Hij erkent dat het van meet af aan God is geweest, die hem hier gebracht heeft.

Bijzonder om dan vers 20 te lezen:

‘En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.’

Nu pas komt Simson tot zijn doel. Nu hij beseft dat hij niet alleen sterk is, maar ook zwak. Zwak zonder God. Dat hij niet alleen kan vertrouwen op zijn spieren en zijn kracht, maar ook op God. God gaf onmiddellijk water, zoals alleen God dat kan, midden in de woestijn. God geeft wat nodig is.

‘Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op.’ Of: ‘hij leefde’, ‘hij hérleefde’, ‘nu leefde hij pas echt.’

Zo kan dat met jou en mij ook gaan. In het heetst van de strijd van ons leven, hebben we soms de indruk dat we alles aankunnen, dat alles om ons draait. Tot je hardhandig stil wordt gezet door ziekte of overlijden of werkeloosheid, …of ‘zachthandig’ … dat is misschien nog wel mooier, hier in de kerk. Als je hoort over Jezus Christus. Dat Hij de verlossing brengt, door de kracht van de Geest, in ons leven, in de wereld om ons heen. Dat het niet wij zijn die iets van het leven moeten maken, maar dat we het van Hem ontvangen. Dat dan de puzzelstukjes op hun plek vallen, dat jezelf op je plek komt. Misschien herken je dat wel: Momenten van heilige rust, van ontspanning, van helderheid. Van momenten dat je God dichtbij weet. Momenten bezield van de Geest van de HEER.

Daarmee is de strijd niet afgelopen. Simson geeft leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen. Met die ene veldslag zijn ze niet van het toneel verdwenen. Pas in de dagen van koning David zullen de kansen definitief keren, meer dan een eeuw later. Het wat en hoe van Simsons leiderschap kennen we niet. Van zijn bestuurlijke talenten moest hij het waarschijnlijk niet hebben. Hij was meer een kampvechter, een kampioen, zoals Goliath het werd voor de Filistijnen. Een aanvoerder in de strijd.

Toch krijg je een indruk van een zekere stabiliteit, van een bepaalde koers. De Geest heeft Simson gebracht waar hij moet zijn. Dat is het bizarre van de geschiedenis van Simson. Wij zouden denken: Wat moet je met zo’n man, zo’n domme spierbundel die voor het eerste het beste meisje door de knieën gaat. Wat komt daarvan terecht.

Maar dan onderschatten we de heilige Geest. Dan vergeten we dat Hij God is. Daar gaat het vaak mis. Daar ging het mis bij Ananias en Safira: Zij overschatten zichzelf. Ze denken slim te zijn. Ze denken vooral er zelf beter van te worden. En zij onderschatten de Geest. Zij onderschatten met Wie ze te maken hebben. Dat is gevaarlijk. Je kunt niet zomaar de Mount Everest beklimmen. Dat vraagt training, voorbereiding, en dan nog… deze week overleden er ook weer klimmers. Omdat ze over het randje gingen van wat ze aan konden. Simson balanceert in onze tekst op dat randje…

Onderschat de Geest niet. Dat is vooral goed nieuws. Zoals met Simson, zo wil de Geest ook met u gaan. Mengt hij zich in ons leven. Maakt vieze handen. Om ons te verlossen. En onze spieren en handen en voeten te gebruiken om die verlossing verder te dragen. Wij zijn geen superhelden. Maar we mogen wel vertrouwen op de kracht van de Geest, die ons doet herleven. En van deze wereld, niet zonder slag of stoot, maar toch, Christus’  Koninkrijk maakt.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s