Ruïne of bouwplaats?

Preek over Haggai 2,1b-10 gehouden op de 2e zondag na Pasen.

Afbeeldingsresultaat voor second temple haggai

Ruin or Work in progress?

Gemeente van Jezus Christus,

1. Generatiekloof

Heb je dat ook wel eens gehad? Dat je kleren kapot waren? Of je schoenen? Een gat op in je broek, een versleten zool. Misschien ook gewoon te klein geworden. Want jullie groeien zo hard! Jou maakt het niet zoveel uit, je vindt met misschien wel prima: nu heb je nieuwe kleren nodig, nieuwe schoenen. Altijd leuk om weer iets nieuws aan te hebben! Die oude was je eerlijk gezegd ook wel een beetje zat. Papa en mama denken daar vast anders over: die vinden het zonde van die schoenen, die hadden best wel wat gekost. Nieuwe schoenen moeten ook betaald worden…

Jullie zien allebei hetzelfde: versleten kleding, een kapotte schoen, maar je kijkt er heel anders tegenaan: verdrietig of … blij.

Zo was het ook in de tijd van Haggai. Toen het volk Israel terugkwam uit de ballingschap in Babel en terugkwamen in Jeruzalem, lag daar alles in puin. Alles stuk. Muren, huizen en de tempel. Dat laatste vond men wel het ergst, maar men kon de moed niet opbrengen aan de herbouw te beginnen. Want waar moet je beginnen? 18 jaar lang laat men het maar zo. Maar dan, in het jaar 520 voor Christus, op 29 augustus (alle profetien in dit boek zijn exact gedateerd!), is daar in één keer Haggai, een profeet.

Iemand met een boodschap van God, die zegt: ‘en nu, nu, is het toch echt de hoogste tijd om aan de slag te gaan met die tempel: dit kan toch zo niet! Je hebt allemaal wel je eigen huis gebouwt, je eigen zaakjes voor elkaar, maar daar rust geen zegen op, zolang je niet aan het huis van God begint te bouwen. Want zeg nou zelf: Als je overal in je leven aandacht aan besteed, behalve aan God, dan blijft het leeg en zinloos…’

Over Haggai zelf weten we niets, maar wel dat zijn boodschap doel trof: men begint te bouwen aan de tempel. Zo staat er in hoofdstuk 1 van Haggai. Maar dan komt hoofdstuk 2. (In de hoofdstukken 1-6 van Ezra kun over deze geschiedenis trouwens meer lezen.) En dat is een heel ander verhaal. Na 7 weken komt de bouw stil te liggen, lijkt het. 29-aug begon de bouw, op 17-okt, 7 weken later, spreekt Haggai opnieuw. Waarom? De jongeren zijn wel blij, maar de oude mensen staan erbij te janken. Vers 4:

Wie is er onder u overgebleven die dit huis gezien heeft in zijn eerste heerlijkheid? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?

In Ezra 3 kun je nalezen hoe de jongeren staan te juichen als het fundament gelegd is, een nieuw huis voor God! Geweldig! Maar de ouderen vergelijken dit nieuwe gebouw met het oude, met de prachtige tempel van Salomo, die hier eerst stond. Het is niets! roepen ze. Dit wordt niks! Het is dan 67 jaar geleden dat die tempel verwoest is. Deze ouderen moeten dan ook 70+ en 80+ zijn om zich daar nog iets van te herinneren.

Nu zou je kunnen denken: Die oude mensen ook altijd, met hun ‘vroeger was alles beter’, die staan altijd op de rem, daar moet je niet bij stilstaan. Hun herinnering van 70 jaar terug is ook erg gekleurd. Als uzelf oud bent, dan kent u dat misschien wel: Ergens hem je heimwee naar de wereld van je jeugd. Naar je geliefden van toen, het huis waar je opgroeide, het eenvoudige leven, de winkeltjes en gezelligheid in het dorp, het spelen op straat. Maar dan zullen we het niet hebben over het eentonige menu, de slechte gezondheidszorg, het ontbreken van wasmachines, cv-ketels en auto’s. Sommige dingen waren vroeger zeker beter, maar niet alles…

2. Hoe kan dit nu? – Voelen wij ook de spanning?

Voor jongeren is het toch goed naar de ouderen te luisteren, want deze ouderen in Jeruzalem hebben toch wel een punt. Het gaat hier niet zomaar om een generatiekloof. De bouw van deze tempel stelt echt niet zoveel voor. En dat is iets anders dan God had beloofd, dan waar ze als gelovigen op vertrouwden en naar uitkeken.

De profeet Ezechiël had in de tijd van de ballingschap geprofeteerd over de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land en hoe dan een geweldige tijd aan zou breken, een geweldige nieuwe tempel gebouwd zou worden. Veel mooier en groter dan de oude van Salomo! Werkelijk een wereldwonder! Je leest het hele bouwplan in Ezechiel 40-43. En Ezechiël was niet de enige, ook Jeremia en Jesaja konden er wat van. Met andere woorden: De mensen die terugkeerden uit de ballingschap verwachten een nieuwe tijd, iets wat in ieder geval beter, mooier, grootser, heerlijker zou zijn dan voorheen. Echt een diepgaande verandering.

Iets daarvan proef je na Pasen ook bij de discipelen van Jezus. Ze vragen in Handelingen 1 aan Hem: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Nu Jezus uit de dood is opgestaan, nu vang het nieuwe leven aan. Zo zongen we ook aan het begin van de dienst.  ‘Een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.’

Ziet u, het was niet enkel een kwestie van wat stenen met die tempel.

Van iets dat stuk was, en dat gerepareerd moet worden. Waarmee de ouderen verdrietig zijn en de jongeren blij. Het gaat veel dieper. Misschien voelen wij die spanning ook wel. Ik wel. Eigenlijk altijd als ik hier kom, vallen mijn ogen op de grafstenen rond de kerk. We vieren de opstandingsdag van Jezus, de zondag, de dag dat het leven het wint van de dood, op een kerkhof. En dat zijn geen 2000 jaar oude graven, van vóór Pasen, maar dat zijn ook graven van kort geleden. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan’, zongen we. O nee?

En dat bepaalt ons bij de hele diepe vraag: Is het er sinds Pasen nu echt beter op geworden in de wereld? En in mijn eigen leven? Pasen 2000 jaar geleden, maar ook Pasen 2 weken geleden. Wat valt er te merken van die opstandingskracht van Jezus Christus? Wat valt er van te zien? De ouderen in de tijd van Haggaï zien er niets van. Het is ‘als niets in hun ogen’, die nieuwe tempel. De jongeren zijn enthousiast, maar ja, die zijn altijd enthousiast, die hebben nog geen vergelijkingsmateriaal, geen levenswijsheid. Het is niet zo, dat als je maar lekker aan het metselen gaat, dan dat alles vanzelf goed komt.

De ouderen kijken niet alleen terug, ze verlangen naar meer. De dag van deze profetie, de 21e dag van de 7e maand, is de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het is het oogstfeest in het najaar, het feest van de overvloed, het feest van de uittocht uit Egypte, van het begin in een nieuw land, vloeiend van melk en honing, maar in dit 2e jaar van Darius, is het een jaar van economische en politieke crisis, weten we uit buitenbijbelse bronnen.

Momenteel moeten we het in de wereld doen met leiders als Poetin, Trump, Erdogan, Xi en dergelijke. Spanningen lopen wereldwijd op rond Syrie, Noord-Korea, Rusland. Het klimaatverdrag van Parijs lijkt alweer vergeten te zijn. (huh, klimaatverdrag van Parijs, wat is dat? Precies). Europese landen, de NAVO, China, verhogen hun defensiebudgetten en verlagen hun ontwikkelingswerk. De grootste humanitaire crisis ooit dreigt momenteel in Afrika en Jemen waar dagelijks duizenden kinderen sterven van de honger. De vluchtelingen verdrinken nog steeds in de Middellandse Zee.

Je wilde dat het een keer anders kon.

3. De HEERE is er weer – Onbevreesd: het gaat om Hem!

Niet zomaar nieuwe schoenen als de oude versleten zijn. Dat is gewoon doorgaan op dezelfde weg met ups en downs. Doormodderen. Ook nieuwe schoenen verslijten immers weer. Hoe blij je kan zijn met je nieuwe auto, die eerste kras of deuk komt veel te snel! Ze verlangen naar meer in de tijd van Haggai. En ik hoop dat u dat verlangen ook deelt. Niet meer van hetzelfde in de wereld, in je leven, maar meer van God.

Vandaar de fantastische bemoediging die Haggai toen en nu mag geven, die die kern helemaal raakt, de kern van onze ziel, vers 5:

‘Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE, wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, heel de bevolking van het land, spreekt de HEERE. Werk door, want Ik ben met u, spreekt de HEERE van de legermachten.’

Zerubbabel is de joodse gouverneur van Judea namens de Perzen op dat moment, de burgemeester van Jeruzalem, zoiets. En Jozua is de hogepriester, de paus van het Jodendom, zoiets. En heel het volk, een ‘rest’ wordt het in vers 3 genoemd, qua aantallen niet echt groot.

Ik ben met u. God is bij jullie, Zerubbabel, Jozua, heel het volk. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Driemaal herhaalt Haggai het. Om te benadrukken: dit zijn niet mijn woorden, dit is echt. Dit is Gods woord: God Zelf is met jullie. Ik ben met u.

Wees sterk: dat is niet lichamelijk bedoelt. Ze hadden echt wel de kracht om die stenen van de tempel op te tillen en te metselen tot een mooi gebouw. Uiteindelijk zal deze 2e tempel ook groter worden dan die van Salomo was. Nee, wees sterk: dat gaat over de innerlijke kracht, over moed, geloof, vertrouwen. Om verder te kijken dan die stenen. Om te zien waar het echt op aan komt.

‘Ik ben met u’. Dat betekent: Ik sta aan jullie kant. Ik help jullie. Ik zorg voor jullie. Ik zorg dat jullie krijgen wat jullie nodig hebben. Ik zorg dat er iets van terecht komt. Sterker nog: In de allerdiepste betekenis ís het project van die tempelbouw al geslaagd, want God is er al. En daar gaat het toch om bij een tempel. Een huis van God. Hij komt niet pas als de tempel af is, maar is nu al present.

In vers 6 wordt verwezen naar de Geest van God die er al was toen Israël uit Egypte trok. God was daar in een wolk- en vuurkolom. Hij kwam niet pas toen de tabernakel er stond, of later de tempel in Jeruzalem, maar Hij was er vanaf het begin al bij. Daar moeten we het van hebben. Daarom hoeven de ouderen toch niet verdrietig te zijn. Daarom hoeven we niet bang te zijn.

‘Wees niet bevreesd.’ ‘Ik ben met u.’

Het is niet toevallig, denk ik, dat Mattheus als laatste woorden van Jezus optekent aan het einde van zijn evangelie: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’

In alles is dat ons houvast. Dat kan alleen dankzij Goede Vrijdag en Pasen. In de tijd van Haggai lag de periode van Gods oordeel en toorn en afwezigheid achter hen. De straf was geweest, een nieuwe periode van genade en Gods nabijheid brak aan. Dat is het diepste en mooiste om te weten en te geloven. Dat u en ik ook in zo’n tijd mogen leven. Pasen is het bewijs dat Jezus leeft, maar bovenal dat de straf gedragen is, mijn zonden verzoend, dat God weer bij mij kan zijn, bij jou, bij u. Dat Hij niet bij u komt met straf en oordeel, maar met Zijn liefde, met Zijn hulp.

Al heeft je leven soms wel wat weg van een ruïne, al zijn er nog genoeg ruïnes in de wereld (kijk maar eens op YouTube naar beelden van Aleppo), God voelt zich niet te goed om in die ruïnes te komen wonen. Zo spreekt Paulus over het werk van God in zijn leven, zo lazen we in 2 Korinthe 4-5. God ontleent niet zijn heerlijkheid aan de pracht en praal van ons leven en werk, wij ontlenen de heerlijkheid aan Zijn leven, Zijn werk, Zijn aanwezigheid. De tempel in Jeruzalem is maar steen en hout en goud en zilver, waardeloos, in zichzelf, maar is waardevol omdat God er is. Ons leven is waardeloos in zichzelf, maar ontzettend waardevol omdat God bij je wil zijn. Dán krijgt het leven glans. Glans zoals nooit tevoren.

4. Geen zilver en goud, maar wel vrede

Met God is immers alles mogelijk. Als Hij de Levende bij je is, dan verslijten zelfs je schoenen niet. Dat staat in Deuteronomium 29:5. Aan het einde van 40 jaar in de woestijn, merkt Mozes op dat ‘uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten.’ Alles is dan mogelijk, als de HEERE bij je is. Wordt alles dan een succesverhaal? Wordt die nieuwe tempel een pronkpaleis? De verzen 7-10 lijken daar wel op te duiden.

Net als andere profeten spreekt Haggaï erover dat in de nabije toekomst alle volken ter wereld zullen ‘beven’ en zullen komen naar Jeruzalem met hun schatten, zilver en goud. En ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste’ (vers 10).

Nu was dat iets wat Haggai deels al zag gebeuren: de heidense koning Cyrus had de Joden toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Cyrus had daarbij al de kostbaarheden van de oude tempel, de gouden en zilveren schalen, bekers en offergerei teruggegeven. Koning Darius financierde de bouwmaterialen, het hout van de Libanon, later aangevuld door koning Arthasasta. In de ogen van Haggai en zijn tijdgenoten regelrechte wonderen en bewijs van Gods macht en zegen dat heidense koningen dit deden. Zo concreet werd het gewoon!

Haggai’s woorden hadden dan ook effect: Nu hij de gebeurtenissen van zijn tijd zó duidt, nu ziet het volk het ook. Ze vatten moed en bouwen door. Het hele boekje Haggai beslaat een periode van 4 maanden. Een scharniermoment in het bestaan van het volk Israël, een kantelpunt. De volgende 600 jaar zal deze 2e tempel er staan als centrum van het Jodendom, als centrum van de wereld, als woonplaats van God, als bewijs van Gods verbond en trouw en liefde.

Dat succes zat niet in het vele goud en zilver. Vers 9 luidt ‘Van Mij is het zilver en van Mij is het goud’. Dat kan claimend klinken: ieder moet z’n geld en goed aan Mij afstaan, ter meerdere eer en glorie van Mijn huis. Toch was dát niet de bedoeling. Elders in het OT worden dergelijke dingen gezegd om het geloof in de de wereldheerschappij en soevereiniteit van de HEERE te benadrukken. God is per definitie Heer over alles en iedereen. We hebben daarom sowieso alles te leen, ons huis, ons leven, onze tijd, we ontvangen het van God in beheer. God heeft overal recht op, maar laat dat recht niet altijd gelden. Hij stelt niet per se prijs op tempels of kerken die met goud overtrokken zijn, de hele wereld is immers al van Hem.

Waarin zit dan toch die ‘grotere heerlijkheid’ van de nieuwe tempel die Haggai voor ogen krijgt? ‘In deze plaats zal ik vrede geven.’

Het is niet dat dat huis er niet toe doet. Goud en zilver zijn prachtig en nodig. Het Jodendom kon niet zonder tempel. Wij kunnen niet zonder kerk. Niet zonder het gebouw. Niet zonder de gemeenschap. De dienst aan God moet vaste vorm aannemen. In woorden, in zang, in rituelen. In onze levensstijl. In catechisatie en kring. Er moet diaconie zijn en kerkrentmeesters. We moeten allemaal daaraan onze steentje bijdragen, zoals ook Zerubbabel en Jozua en de rest van het volk heel letterlijk met stenen moesten sjouwen. Dat doet er allemaal toe bij God. Omdat het middelen zijn die God gebruikt.

Omdat God op die manier ons vrede kan geven. De tempel is niet alleen een plek waar we allemaal onze offers voor moeten brengen. Het geloof in God is niet alleen veeleisend, dat is het soms ook. Maar het is vooral een plaats van uitdeling. Van vrede. Voor iedereen. Voor die hooggeplaatsten, Zerubbabel en Jozua, maar ook voor de eenvoudige plattelanders én voor de heidenvolken. Uitdeelplaats van vrede. Dat is pas heerlijkheid.

Ik geef jou vrede, zegt God, vandaag ook tegen u en jou. Nieuwe kleren en nieuwe schoenen, ook heel belangrijk. Die krijg je wel van je ouders. Of van de diaconie. Belangrijk! Maar ik heb ook iets voor jullie: Vrede.

Dat is méér dan de afwezigheid van oorlog en ruzie. Het is een soort compleet pakket. Dat het goed is. Goed tussen God en jou.

En dat daarom het leven goed is, zoals het is. Tevreden. En dat het met de wereld de goede kant op gaat. Als een olievlek breidt het zich uit via de tempel in Jeruzalem, naar Jezus Christus, naar de kerk wereldwijd, overal waar de Geest werkt, waar God is. Dat is heerlijk. Zo in de wereld kunnen staan, zo kunnen leven! Dat is wat God je geeft.

5. Aan de slag met het oog op de toekomst

‘Werk door’, zegt Haggai namens God, vers 5. ‘Aan de slag nu!’

Mooi, vindt u niet? Voor ons als doeners. Na Pasen is niet alles af en klaar. Er valt nog genoeg te doen. Te bouwen aan de tempel, in het Nieuwe Testament beeld voor de gemeente van Christus, voor het samen leven met God. Er valt nog genoeg te zorgen voor elkaar. Te zorgen voor de wereld. Toen Jezus riep aan het kruis ‘Het is volbracht.!’ betekende dat niet dat wij nu bij de pakken neer mogen zitten, maar zoals je moeder roept: ‘Het eten is klaar!’ Dan begint het pas.

De ouderen hebben gelijk met hun verdriet, want ze verlangen naar meer, naar de vervulling van Gods beloften. Haggai leert hen en ons zien vanmorgen dat we daarvoor niet moeten kijken naar stenen of goud en zilver, maar naar de Levende God, Jezus Christus, die ons bijstaat en ons vrede biedt. De jongeren leert Haggai zo zien dat ze niet hoeven te bouwen alsof hun leven ervan afhangt, dat het niet aankomt op hun prestatie, maar dat God gewoonweg Zijn vrede biedt. Dat daarin de heerlijkheid van het leven gelegen is.

Samen mogen wij zo leven. Met het oog op de toekomst. Terwijl we doen wat er gedaan moet worden in Gods naam.

Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s