God straft onmiddellijk

Preek over 2 Kronieken 26

Rembrandt – Koning Uzzia geslagen met melaatsheid (1635)

Gemeente van Jezus Christus,

Heb je weleens straf gehad? Dat was dan vast nodig 😊. Mijn kleine kinderen staan nog weleens in de hoek of zitten op de trap omdat ze elkaar slaan, krabben of knijpen bijvoorbeeld. Dat mag niet. Dat zal bij jullie thuis vast ook de regel zijn. Papa of mama geeft dan straf om je duidelijk te maken: Dit mag je niet meer doen! Hier ligt een echte grens. Maar laten ze je dan op de trap zitten, op je kamer of in de hoek staan? Nee, een poosje later mag je weer terugkomen. Misschien moet je dan nog sorry zeggen en het weer goed maken. En je hebt er hopelijk iets van geleerd. En dan is het ook weer goed. Je straf is beperkt.

Uzzia krijgt ook straf lazen we. Straf van God. Hij mag nooit meer bij God thuiskomen in de tempel. Nooit meer. En hij kan zijn werk als koning niet meer doen. Arbeidsongeschikt. Zijn straf is levenslang. Ja, zelfs meer als levenslang. Helemaal aan het einde van het hoofdstuk lezen we dat Uzzia op een apart veldje bij de koningsgraven begraven wordt. Eerherstel is er voor hem zelfs dan niet bij. Voor altijd blijft het zichtbaar. Zoals het zichtbaar was tijdens zijn leven aan zijn huidziekte in zijn gezicht. Zo zichtbaar is het aan zijn graf: Deze koning is door God “ge-excommuniceerd”, uit de gemeenschap gestoten.

Dat is nogal wat. Heftig, vind u niet? Een drama voor die man. Het roept vragen op over hoe God naar ons kijkt, ons leven beoordeelt, zegent en straft. Want als Uzzia nou iets heel ergs had gedaan, denken wij dan, ja, dan verdien je levenslang. Zo mild zijn wij tegenwoordig ook niet voor wat wij tegenwoordig terroristen noemen. ‘Laat die Syrie-gangers die zich bij IS hebben aangesloten, maar doodgaan daar. Die hoeven niet meer terug te komen.’ Maar wat heeft Uzzia nou helemaal gedaan? Hij deed juist zo verschrikkelijk veel goed!

Ga d’r maar aanstaan: op je 16e koning worden over Juda, een stad, een land regeren. Trouwens: dat houdt ook in dat hij op zijn 16e zijn vader verloor, koning Amazia. En dan toch die verantwoordelijkheid op je nemen. Zacharia (niet de profeet van het bijbelboek, maar waarschijnlijk iemand uit de priesterlijke kringen) stond hem bij als leraar, adviseur, geestelijk leidsman. En staat er dan zo mooi: “Hij deed wat juist was in de ogen van HEERE”. Hij leerde op God te zien en God te zoeken. En dat werd rijk gezegend.

En dan toch dat scherpe oordeel: midden in de tempel wordt hij “melaats”. Heel duidelijk staat daar in vers 20: ‘hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.’

Is dat niet onrechtvaardig van God? Uzzia bedoelde het zo goed…

Wíj bedoelen het toch ook vaak zo goed in ons leven. Er zullen hier weinig mensen in de kerk zijn, die bewust, willens en wetens slechte dingen doen. Je probeert zo eerlijk mogelijk zijn, al glipt er weleens een leugentje om bestwil doorheen… Je weet wel dat je beter fair-trade spullen kunt kopen, maar als je die goedkope kleding van H&M laat liggen, ben je toch een dief van je eigen portemonnee… Je slaat af en toe eens een kerkdienst over, tijd voor het gezin is ook belangrijk… Vliegvakantie is slecht voor het milieu, maar ja, dan kom je nergens… Je sluit niemand buiten in de klas, in de kerk, in je buurt, zeker niet, maar sommige mensen passen je gewoon niet zo… En toch: We proberen toch meestal het goede te doen. We proberen goed te leven. Proberen. In alle gebrokenheid, met vallen en opstaan. En in grote lijnen lukt dat ook best aardig.

Hebben wij dan een God die dat niet ziet, die dat niet waarderen kan. Een God met de botte bijl?

Let goed op, dat het hier ook nog niet zomaar om iets gaat, maar dat Uzzia probeert om de HEERE te dienen. Je krijgt bijna het gevoel dat Uzzia zoiets heeft van: ‘Nu ben ik succesvol als koning in het bestuur van het land, het leger staat weer goed op poten, de economie draait op volle toeren. Dat dank ik aan de HEERE. God heeft mij geweldig geholpen. Nu wil ik Hem een offer brengen. Nu wil ik Hem hoogstpersoonlijk bedanken.’ Als God je immers zo welgezind is, als je zo’n geweldige relatie met God hebt, dan kun je toch best zo bij Hem binnenlopen.

Fijn is dat toch? Ik kan daarin nog van Uzzia leren. Als het ons goed gaat, gaat het bij mij vaak omgekeerd, dan vergeet ik de HEERE te bedanken. De intense en levenslange betrokkenheid op de dienst van de HEERE uit zich bij Uzzia op een goede manier. Als je ongeveer na probeert te gaan op welk moment in het leven van Uzzia dit heeft plaatsgevonden, levert een beetje rekenen met de leeftijd van zijn zoon Jotam op – die 25 was toen hij koning werd – dat het toch maximaal 5 tot 10 jaar voor het levenseinde van Uzzia moet zijn geweest. En dat het dus minimaal 40 jaar lang gewoon heel erg goed is gegaan tijdens zijn regering.

Waar het bij Uzzia fout gaat, is vers 16: ‘Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig’.

Let op: de fout ligt niet bij het ‘sterk=machtig worden’. Sterk zijn is prima! Van zoon Jotam lezen we in hoofdstuk 27 ook dat hij ‘sterk werd, maar wandelde in de wegen van de HEERE’. Dat kan dus ook prima.  Nee, het gaat mis bij die hoogmoed, letterlijk staat er ‘zijn hart verhief zich’. Wij zouden zeggen: Hij krijgt het hoog in zijn bol. Niet eens bewust waarschijnlijk. Maar hij gaat denken dat hij wel héél erg speciaal moet zijn. Hij wist natuurlijk echt wel dat het offeren in de tempel voorbehouden was aan de priesters, de zonen van Aäron. Misschien heeft hij het verhaal over die eerste koning van Israël, Saul, gekend, die een brandoffer bracht voor de strijd, maar door Samuel werd terechtgewezen. Maar híj, Uzzia, híj is toch echt wel een uitzondering op die regel!

Zo denken wij al heel snel, toch? In feite zijn wij als het over geloofszaken gaat in onze moderne tijd allemaal van die kleine koninkjes. Stelregel is immers dat het enige criterium bij de dienst aan God is dat het ‘goed moet voelen’ en ‘bij je moet passen’. Als jij zin hebt om naar de kerk te gaan: prima! Als jij geen zin hebt om naar de kerk te gaan: evengoed prima, niemand zal je ertoe dwingen. Hoe kan iemand anders nou voor jou bepalen hoe jij moet geloven, wat jij moet denken, hoe jij moet handelen? Dat bepaal je toch zelf wel? Natuurlijk de ouderling of de dominee op huisbezoek mag je best advies geven… als hij het netjes brengt… En je vindt het prima om gevraagd te worden voor een ambt of een taak in de gemeente… daar beslis je toch zelf over. En in de preek mag een dominee best op grond van de Bijbel zeggen dat je fair-trade-producten moet kopen en milieubewust moet leven of dat we vluchtelingen uit Noord-Afrika en Syrië met open armen moeten ontvangen. Maar hé: daar ga ik zelf over. Want ik heb daar ook zo zelf mijn eigen mening over.

Uzzia wordt zelfs woedend als de priesters hem in de tempel regelrecht blokkeren… Zouden wij ook niet boos worden? Zitten we op die manier net niet zo potdicht met onze hoogmoed als Uzzia? Kunnen we nog toegeven dat wij zelf niet bepalen hoe we God moeten dienen, maar dat God dat toch echt zelf bepaalt? En dat sluit soms wel, maar soms ook niet op elkaar aan. Dat was in de tijd van het Oude Testament al zo met beelden bijvoorbeeld: wij hebben graag iets zichtbaars en iets tastbaars, maar God niet. Dat is in het Nieuwe Testament zo: de eerste gemeenten stappen al snel in de valkuil van de nieuwe regels: wel blijven besnijden en spijswetten houden, wel in tongen kunnen spreken, minimaal door Apollos gedoopt zijn, toch wel rekenen op een mooi leven in het Koninkrijk. Nee, zegt Jezus: ‘wie de meeste wil zijn, moet de anderen dienen, wie zijn leven wil behouden, moet het verliezen. Geen heerlijkheid en schittering, maar de weg van het kruis. God wil niet gediend worden op de manier die óns het beste past…

En ja, zoals we hier merken bij Uzzia, hebben we dus te maken met een Levende en Heilige God, die dus niet alles maar prima vindt en over Zijn kant laat gaan wat wij doen. Hij vindt iets van u, van uw leven, van uw geloofsleven ook. En Hij is gerechtigd daar consequenties aan te verbinden. Dat recht mogen wij ons als mensen niet toe-eigenen, maar wij moeten het God ook niet ontzeggen. Hoe vervelend wij het als moderne mensen ook vinden: Uzzia krijgt wat hem toekomt. En dat is vervelend, omdat dat dan ook akelig dichtbij mij komt… Dat is confronterend en radicaal. Laat het dat maar zijn. Denk er maar over na.

Wat ging er nu precies mis bij Uzzia? Het ging mis zodra Uzzia taken op zich ging nemen, die hem gewoonweg als koning niet toe kwamen. Je zou kunnen zeggen dat Israël zelfs in de Oudheid al een soort scheiding tussen kerk en staat kende: een scheiding der machten. De koning ging over de veiligheid, de politiek, justitie en economie, de tempel ging over sociale zaken, volksgezondheid, onderwijs en godsdienst. In alle landen om Israël waren de koningen dictators, alleenheersers, die als godenzonen te boek stonden en ook de tempel onder controle hadden, maar in Israël mocht het niet zo zijn. Alleen priesters, afstammelingen van Aäron doen dienst in de tempel, waardoor de macht van de koning beperkt wordt en in toom gehouden. De koning is geen godenzoon, maar een functionaris, een ambtsdrager zoals de anderen. Heel modern eigenlijk. Maar de HEERE, de God van Israël, is ook altijd bij de tijd.

Wat ging er nu precies mis bij Uzzia? Dat is de keerzijde van de vraag: Wat ging er nu precies goed bij Uzzia? Want dat is minstens zo belangrijk. Aan beide keerzijden van de medaille schenkt de schrijver van Kronieken namelijk aandacht, en nog wel meer aan wat goed ging. Zoals ik al zei, was dat ook het grootste deel van zijn leven. Dat waren de jaren dat hij zich gewoon beperkte tot zijn eigen werk, zijn eigen taak, zijn eigen ambt. Gewoonweg zijn werk als koning goed doen. Dat werd gezegend.

Leerzaam: we hoeven niet allemaal priester te willen worden als we God willen dienen. Het reukoffer in de tempel is niet het summum. Sterker nog: God vraagt juist van ons dat we God dienen, Zijn wil zoeken, op de plek waar God ons gesteld heeft.

Op welke manier vervult Uzzia dan Gods wil? Op het eerste gezicht met dingen die niet zoveel met godsdienst te maken hebben, vers 6 t/m 14:

Uzzia voert oorlog tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren en de Meünieten. Volken ten westen, zuiden en oosten. Behalve dus tegen het noorden, waar het 10-stammenrijk lag, het broedervolk, voerde hij oorlog aan alle grenzen. Hij bouwde versterkingen, torens, in Jeruzalem en aan die grenzen in de woestijn. Hij reorganiseerde het leger. En daarbij ging hij grondig en innovatief te werk.

In het oude Midden-Oosten was het zo’n beetje gebruik dat als je als koning oorlog wilde voeren, je dat deed in het voorjaar: dan riep je een groot gedeelte van de “dienstplichtigen” onder de wapens, die liet je hun eigen wapens en eten meenemen, ondernam je een veldtocht, waarbij velen sneuvelden, omdat ze slecht getraind en slecht bewapend waren, als je won had je mazzel.

Dat doet Uzzia dan heel anders: hij kiest voor een staand beroepsleger, zoals we dat in Nederland ook hebben. Goed georganiseerd met officieren die de leiding hebben en de training verzorgen. En Uzzia voorziet iedereen van de benodigde wapens. Niet alleen aanvalswapens: zwaarden, speren, bogen, maar ook bescherming: schilden, helmen, maliënkolders. Daarnaast zorgt hij voor vuursteun vanaf de muren, met nieuwe uitvindingen: katapulten en blijden die grote pijlen en stenen kunnen werpen.

Wat heeft dit alles met de dienst aan God te maken? Alles. Uzzia wil met dit leger geen wereldveroveraar worden als Nebukadnezar of Alexander de Grote, maar lijkt het vooral te gebruiken als verdediging en om de vrede in en om zijn land te handhaven. En als je dat doet, als je die taak serieus neemt: doe het dan goed. En dat is Gods werk blijkbaar. Wij, Nederlanders, laten daar wel de nodige steken vallen: onze krijgsmacht is op dit moment totaal ondergefinancierd en uitgeput. Veel materieel is kapot, reserveonderdelen zijn op, munitie is er bijna niet, personeel wordt er gillend gek van, het plan is zelfs om in de toekomst één helm per twee militairen aan te schaffen… Dan verwaarloos je je taak als overheid ter handhaving van de vrede in je eigen land en de wereld om je heen. Defensie is geen luxe, maar noodzaak in een gebroken wereld. Als legerpredikant gaat het mij aan mijn hart dat we jonge mensen, die hun leven voor ons allen riskeren, naar Afghanistan, Mali, Irak sturen zonder deugdelijke spullen.

Bij Uzzia ging dat dus wel goed. Zó mooi vind ik het dat daar dan bij staat in vers 10 ‘maar hij was een liefhebber van de landbouw’. Ondanks dat prachtige leger was hij geen vechtersbaas: liever ploegscharen dan zwaarden. Uzzia heeft daarin iets van een vredevorst. Maar hij verwaarloosde zijn taak en verantwoordelijkheid niet. Hij had het beste voor met zijn land, zijn mensen, ja zelfs dus met zijn dieren en velden. Want dat had hij lief.

Als wij God zoeken, ontvangen wij liefde voor de wereld, voor de mensen om ons heen, voor het werk wat we mogen doen. Het leven met God werkt door in je dagelijks leven, dat kan niet anders, dat wordt zichtbaar. Dat wordt namelijk gezegend. Dat mogen we ook volhouden: Als we volhouden dat God straft en oordeelt, en daar het recht toe heeft, dan mogen we ook zegen verwachten en zegen zien als we werkelijk God op het oog hebben, Hem zoeken.

Heeft God dan geen medelijden, geen genade voor deze Uzzia? Voor ons in onze gebreken? Zeker wel. Het is niet voor het eerst dat er iemand probeert op een verkeerde manier een reukoffer te brengen. Blader mee naar Leviticus 10:

‘De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had. Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.’

Dit gebeurt echt vlak na de bouw van de tabernakel. En dan blijkt zelfs voor priesters het allemaal zéér nauw te luisteren. God woont dan wel te midden van Zijn volk, maar Hij blijft de Heilige, die op geen enkele manier gemanipuleerd kan worden… Blader maar verder naar Numeri 16 waar we lezen over Korach, Dathan en Abiram en 250 anderen die opstaan tegen Mozes en Aäron als leider en priester. Dan staat er in vers 5-7:

‘En hij sprak tot Korach en tot heel diens aanhang: Morgenochtend zal de HEERE bekendmaken wie van Hem is, en wie de heilige is die Hij in Zijn nabijheid zal laten komen. Wie Hij kiest, zal Hij in Zijn nabijheid laten komen. Korach en heel uw aanhang, doe dit: neem voor uzelf vuurschalen, doe er morgen vuur in en leg er reukwerk op voor het aangezicht van de HEERE. En het zal gebeuren dat de man die de HEERE kiest, die zal de heilige zijn. U trekt te veel naar u toe, zonen van Levi!’

Die komen dus allemaal met hun reukwerk bij de tabernakel. Hoe loopt dat af? Korach, Dathan en Abiram worden door de aarde verzwolgen mét hun gezinnen en, vers 35:

‘En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.’

Hoe je het ook wendt of keert (en deze heftige verhalen roepen ongetwijfeld ook hun eigen vragen op), als je het hiermee vergelijkt, dan komt Uzzia er goed van af! Bewust en gewaarschuwd overtrad hij Gods uitdrukkelijke wensen, maar hij mag blijven leven. Hij moet de consequenties van zijn hoogmoed dragen en moet zich terugtrekken uit het openbare leven. Maar de positieve evaluatie van zijn leven en regering blijft toch staan: ‘Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE’. In de boeken van Koningen en Kronieken is dit namelijk een waardering achteraf. Per saldo, zegt de geïnspireerde schrijver, was Uzzia oprecht en goed bezig.

Dat is wat! Dan is er voor jou en mij ook nog hoop toch? Als God blijkbaar zó is. Dat wij ondanks onze zonden en gebrokenheid, ons falen en blunderen, tóch ‘rechtvaardig’ kunnen zijn. Dat is voluit evangelie natuurlijk. Dat is precies wat Paulus en Luther ontdekten in het licht van Jezus Christus: God is niet uit op onze ondergang en verdoemenis, daar zou reden genoeg voor zijn – oja! – maar het blote feit dat wij nog dóórleven, is een teken van Zijn liefde en genade. God laat aan de ene kant niet zijn volle toorn voelen, maar neemt aan de andere kant de consequenties van onze zonden niet allemaal weg. Hij neemt ons serieus, maar wil bovenal dat wij van Zijn genade leren leven in het leven dat Hij ons gegeven heeft. Niet meer niet minder.

Het blijft staan dat die 16-jarige koning Uzzia ons voorbeeld is: Hij zocht de HEERE. Ik hoop dat jullie dat ook doen, kinderen en jongeren, en volwassenen. Zeker in de vakantie, wanneer je iets ruimer in je tijd zit. Lees eens een goed boek, kijk een goede film. Zing eens samen met het gezin. Bezoek een mooie christelijke conferentie. Maar vooral ook: zoek ernaar wat God voor jou betekent in je dagelijks leven. Hoe daar iets zichtbaar kan worden van je toewijding en trouw aan de Heere Jezus.

Stel jezelf daarin gerust hoge doelen! Hoe hoger hoe beter! Wordt groot en sterk als Uzzia! Maar vermijd daarbij de valkuil van Uzzia: dat hij niet meer wilde luisteren naar de ambtsdragers, naar zijn medegelovigen, maar het zelf allemaal wel dacht te weten. Zoeken naar de HEERE, vragen naar Zijn wil en weg, dat betekent per definitie dat je jezelf openstelt, dat je wilt leren en groeien in het midden van de gemeente. Dat houdt jezelf ook klein. Maar het mag niet bij zoeken en vragen blijven. Wie zoekt zal vinden. Wie vraagt, moet ook willen luisteren. En God de Levende, zal spreken. Tot u en jou, misschien wel door de mens naast u. Ook al komt dat misschien niet altijd zo goed uit.

En struikel je? Ben je gevallen? Dat doet serieus pijn, daar weet Uzzia alles van…draag die gevolgen, maar zie ook, ervaar en verwonder dat we een genadig God hebben.

Amen

Advertenties

Jezus als haatprediker?

Homilie bij de herdenking van de Bevrijding van Beringen (6 september 1944) in de bevrijdingsmis. Over Mattheus 10:34-39.

Herdenking bevrijding Beringen - Beringen

Gemeente van Jezus Christus,

We zijn hier bij elkaar om de vrede te vieren. Al 73 jaar wordt er niet meer gevochten in de straten van Beringen, wordt er niet meer schoten, leven de mensen niet meer in angst. Aan die vrede heeft ook de Nederlandse Prinses Irene Brigade bij mogen dragen. Irene betekent ‘zij die vrede brengt’.

Het is dan even slikken bij de woorden van Jezus. ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ En dan die woorden over het breken met je familie, haat zelfs. Niet echt een geschikte tekst om te lezen in een ‘vredesdienst’, denk je misschien. Jezus was blijkbaar ook onder de ‘haatpredikers’, de ‘religieus extremisten’. Daar hebben we onze buik wel vol van, tegenwoordig. Het is de reden dat de straten van Brussel weer door militairen beveiligd moeten worden.

Toch moeten we niet te snel afhaken bij de woorden van Jezus. Jezus preekte wel degelijk liefde en vrede. Radicaal zelfs. Zo radicaal, dat hij wist dat het weerstand op zou roepen. Want als je benoemt wat er scheef zit in deze wereld, als je gaat voor verandering, vernieuwing, bevrijding. Dan kun je rekenen op het zwaard: op weerstand. Niet alleen van een overheid, maar waarschijnlijk ook in je eigen familie en vriendenkring. En daarom doet hij in dit gedeelte aan verwachtingsmanagement. Hij zet zijn volgelingen met beide benen op de grond: Verwacht niet dat je jezelf geliefd zult maken in deze wereld als je helemaal gaat voor het goede, voor God, voor vergeving, genade, verzoening en heelheid. Want daarmee loop je machthebbers en de gevestigde orde voor de voeten.

Jezus roept niet op tot religieus geweld, maar waarschuwt ons dat deze wereld geen speeltuin of paradijs is. Er waren mensen die over Jezus zeiden: Als Hij werkelijk de messias is, de redder van de wereld, dan zorgt Hij wel eventjes dat de wereldvrede uitbreekt, dat alles pais en vree wordt. Maar zo werkt dat niet, zegt Jezus, vrede komt niet zonder slag of stoot tot stand. Zelfs bij God werkt dat niet zo.

Juist in deze bevrijdingsmis kunnen wij denk ik goed aanvoelen wat Jezus bedoelt. Hier in Beringen hebben geallieerde militairen hun leven gegeven voor onze vrijheid. Zij hebben Jezus’ woorden in de praktijk gebracht. Zij hebben letterlijk gebroken met hun familie, huis en haard verlaten. Soms tegen wil en dank misschien, gedwongen door de nood van de tijd. Ze deden het toch maar. In Jezus’ woorden: ‘Ze hebben hun kruis opgenomen’, ‘ze hebben hun leven verloren’. Waarom? Omdat in een tijd van oorlog alles op scherp komt te staan. Omdat het dan niet de tijd is om te praten over vrede en liefde, maar verder thuis te blijven zitten.

Jezus brengt bij ons onder de aandacht wat waar is: Dat sommige dingen in deze wereld, méér waard zijn dan de band met je eigen familie, méér waard zijn dan je eigen leven zelf… Sommige dingen zijn het waard om je leven voor te geven. De bevrijding van West-Europa van het nazisme, van bovenal de Holocaust, de systematische vernietiging van het Joodse volk, Roma, homo’s, en gehandicapten. Dat was het waard om voor te sterven. Na 73 jaar, zijn wij hen nog steeds intens dankbaar die daarvoor stierven, en hen die zich daarvoor ingezet hebben.

Zo gek zijn Jezus’ woorden dus niet. Hij benoemt alleen maar wat we allemaal ten diepste wel weten. Al willen we het vaak niet waar hebben. Omdat we er liever niet aan denken dat het leven soms om confronterende en radicale keuzes vraagt. Wanneer ben ik nu daadwerkelijk bereid mijzelf in de strijd te gooien, mij ergens hard voor te maken, mijzelf niet buiten schot te houden?

Jezus heeft ons wat dat betreft natuurlijk wel het goede voorbeeld gegeven. Als er iemand daadwerkelijk zijn kruis opgenomen heeft, dan is het Jezus zelf geweest, die letterlijk aan het kruis gehangen werd. Omdat Zijn spreken over een nieuwe wereld, Gods wereld, als bedreigend ervaren werd voor de stabiliteit door de Joodse leiders en de Romeinse overheid. Maar juist door die zelfovergave heeft Jezus eens en voor al duidelijk gemaakt dat radicale liefde, hoop, geloof sterker is dan welke macht ook. Jezus heeft een beweging in gang gezet, die niet meer te stoppen is. Daar staat God zelf garant voor, dat geloof ik.

Onze vrede is betaald met bloed, zweet en tranen. Van de militairen en hun geliefden, die hier gevochten hebben in Beringen. Maar verder terug ook met het bloed van Jezus, van God zelf.

Jezus bedoelt met de woorden die we gelezen hebben dus niet een oproep tot religieus geweld, tot haat in de familiekring. Integendeel. We mogen het een ander niet moeilijk maken, maar ook u krijgt het moeilijk als u uw hoofd boven het maaiveld durft te steken. Jezus roept ons op onze ogen te sluiten voor de armen, de verdrukten, de vreemdelingen, de honger, de oorlog, waar onze wereld vol van is. Onze moderne tijd kenmerkt zich door individualisme, door het terugtrekken in eigen kring, in eigen land. Populisme en nationalisme hebben nog steeds, ook na 73 jaar, een grote aantrekkingskracht. Jezus wijst ons erop dat elke tijd vraagt om mensen die óp durven te staan voor een ander, die zichzelf op het spel durven te zetten. En als we dat niet doen, waarschuwt hij, loop je juist het risico jezelf kwijt te raken.

Laat ieder van ons dat overdenken, en doen wat nodig is. Want de vrede is het waard.

Amen

Ruïne of bouwplaats?

Preek over Haggai 2,1b-10 gehouden op de 2e zondag na Pasen.

Afbeeldingsresultaat voor second temple haggai

Ruin or Work in progress?

Gemeente van Jezus Christus,

1. Generatiekloof

Heb je dat ook wel eens gehad? Dat je kleren kapot waren? Of je schoenen? Een gat op in je broek, een versleten zool. Misschien ook gewoon te klein geworden. Want jullie groeien zo hard! Jou maakt het niet zoveel uit, je vindt met misschien wel prima: nu heb je nieuwe kleren nodig, nieuwe schoenen. Altijd leuk om weer iets nieuws aan te hebben! Die oude was je eerlijk gezegd ook wel een beetje zat. Papa en mama denken daar vast anders over: die vinden het zonde van die schoenen, die hadden best wel wat gekost. Nieuwe schoenen moeten ook betaald worden…

Jullie zien allebei hetzelfde: versleten kleding, een kapotte schoen, maar je kijkt er heel anders tegenaan: verdrietig of … blij.

Zo was het ook in de tijd van Haggai. Toen het volk Israel terugkwam uit de ballingschap in Babel en terugkwamen in Jeruzalem, lag daar alles in puin. Alles stuk. Muren, huizen en de tempel. Dat laatste vond men wel het ergst, maar men kon de moed niet opbrengen aan de herbouw te beginnen. Want waar moet je beginnen? 18 jaar lang laat men het maar zo. Maar dan, in het jaar 520 voor Christus, op 29 augustus (alle profetien in dit boek zijn exact gedateerd!), is daar in één keer Haggai, een profeet.

Iemand met een boodschap van God, die zegt: ‘en nu, nu, is het toch echt de hoogste tijd om aan de slag te gaan met die tempel: dit kan toch zo niet! Je hebt allemaal wel je eigen huis gebouwt, je eigen zaakjes voor elkaar, maar daar rust geen zegen op, zolang je niet aan het huis van God begint te bouwen. Want zeg nou zelf: Als je overal in je leven aandacht aan besteed, behalve aan God, dan blijft het leeg en zinloos…’

Over Haggai zelf weten we niets, maar wel dat zijn boodschap doel trof: men begint te bouwen aan de tempel. Zo staat er in hoofdstuk 1 van Haggai. Maar dan komt hoofdstuk 2. (In de hoofdstukken 1-6 van Ezra kun over deze geschiedenis trouwens meer lezen.) En dat is een heel ander verhaal. Na 7 weken komt de bouw stil te liggen, lijkt het. 29-aug begon de bouw, op 17-okt, 7 weken later, spreekt Haggai opnieuw. Waarom? De jongeren zijn wel blij, maar de oude mensen staan erbij te janken. Vers 4:

Wie is er onder u overgebleven die dit huis gezien heeft in zijn eerste heerlijkheid? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?

In Ezra 3 kun je nalezen hoe de jongeren staan te juichen als het fundament gelegd is, een nieuw huis voor God! Geweldig! Maar de ouderen vergelijken dit nieuwe gebouw met het oude, met de prachtige tempel van Salomo, die hier eerst stond. Het is niets! roepen ze. Dit wordt niks! Het is dan 67 jaar geleden dat die tempel verwoest is. Deze ouderen moeten dan ook 70+ en 80+ zijn om zich daar nog iets van te herinneren.

Nu zou je kunnen denken: Die oude mensen ook altijd, met hun ‘vroeger was alles beter’, die staan altijd op de rem, daar moet je niet bij stilstaan. Hun herinnering van 70 jaar terug is ook erg gekleurd. Als uzelf oud bent, dan kent u dat misschien wel: Ergens hem je heimwee naar de wereld van je jeugd. Naar je geliefden van toen, het huis waar je opgroeide, het eenvoudige leven, de winkeltjes en gezelligheid in het dorp, het spelen op straat. Maar dan zullen we het niet hebben over het eentonige menu, de slechte gezondheidszorg, het ontbreken van wasmachines, cv-ketels en auto’s. Sommige dingen waren vroeger zeker beter, maar niet alles…

2. Hoe kan dit nu? – Voelen wij ook de spanning?

Voor jongeren is het toch goed naar de ouderen te luisteren, want deze ouderen in Jeruzalem hebben toch wel een punt. Het gaat hier niet zomaar om een generatiekloof. De bouw van deze tempel stelt echt niet zoveel voor. En dat is iets anders dan God had beloofd, dan waar ze als gelovigen op vertrouwden en naar uitkeken.

De profeet Ezechiël had in de tijd van de ballingschap geprofeteerd over de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land en hoe dan een geweldige tijd aan zou breken, een geweldige nieuwe tempel gebouwd zou worden. Veel mooier en groter dan de oude van Salomo! Werkelijk een wereldwonder! Je leest het hele bouwplan in Ezechiel 40-43. En Ezechiël was niet de enige, ook Jeremia en Jesaja konden er wat van. Met andere woorden: De mensen die terugkeerden uit de ballingschap verwachten een nieuwe tijd, iets wat in ieder geval beter, mooier, grootser, heerlijker zou zijn dan voorheen. Echt een diepgaande verandering.

Iets daarvan proef je na Pasen ook bij de discipelen van Jezus. Ze vragen in Handelingen 1 aan Hem: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Nu Jezus uit de dood is opgestaan, nu vang het nieuwe leven aan. Zo zongen we ook aan het begin van de dienst.  ‘Een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.’

Ziet u, het was niet enkel een kwestie van wat stenen met die tempel.

Van iets dat stuk was, en dat gerepareerd moet worden. Waarmee de ouderen verdrietig zijn en de jongeren blij. Het gaat veel dieper. Misschien voelen wij die spanning ook wel. Ik wel. Eigenlijk altijd als ik hier kom, vallen mijn ogen op de grafstenen rond de kerk. We vieren de opstandingsdag van Jezus, de zondag, de dag dat het leven het wint van de dood, op een kerkhof. En dat zijn geen 2000 jaar oude graven, van vóór Pasen, maar dat zijn ook graven van kort geleden. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan’, zongen we. O nee?

En dat bepaalt ons bij de hele diepe vraag: Is het er sinds Pasen nu echt beter op geworden in de wereld? En in mijn eigen leven? Pasen 2000 jaar geleden, maar ook Pasen 2 weken geleden. Wat valt er te merken van die opstandingskracht van Jezus Christus? Wat valt er van te zien? De ouderen in de tijd van Haggaï zien er niets van. Het is ‘als niets in hun ogen’, die nieuwe tempel. De jongeren zijn enthousiast, maar ja, die zijn altijd enthousiast, die hebben nog geen vergelijkingsmateriaal, geen levenswijsheid. Het is niet zo, dat als je maar lekker aan het metselen gaat, dan dat alles vanzelf goed komt.

De ouderen kijken niet alleen terug, ze verlangen naar meer. De dag van deze profetie, de 21e dag van de 7e maand, is de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het is het oogstfeest in het najaar, het feest van de overvloed, het feest van de uittocht uit Egypte, van het begin in een nieuw land, vloeiend van melk en honing, maar in dit 2e jaar van Darius, is het een jaar van economische en politieke crisis, weten we uit buitenbijbelse bronnen.

Momenteel moeten we het in de wereld doen met leiders als Poetin, Trump, Erdogan, Xi en dergelijke. Spanningen lopen wereldwijd op rond Syrie, Noord-Korea, Rusland. Het klimaatverdrag van Parijs lijkt alweer vergeten te zijn. (huh, klimaatverdrag van Parijs, wat is dat? Precies). Europese landen, de NAVO, China, verhogen hun defensiebudgetten en verlagen hun ontwikkelingswerk. De grootste humanitaire crisis ooit dreigt momenteel in Afrika en Jemen waar dagelijks duizenden kinderen sterven van de honger. De vluchtelingen verdrinken nog steeds in de Middellandse Zee.

Je wilde dat het een keer anders kon.

3. De HEERE is er weer – Onbevreesd: het gaat om Hem!

Niet zomaar nieuwe schoenen als de oude versleten zijn. Dat is gewoon doorgaan op dezelfde weg met ups en downs. Doormodderen. Ook nieuwe schoenen verslijten immers weer. Hoe blij je kan zijn met je nieuwe auto, die eerste kras of deuk komt veel te snel! Ze verlangen naar meer in de tijd van Haggai. En ik hoop dat u dat verlangen ook deelt. Niet meer van hetzelfde in de wereld, in je leven, maar meer van God.

Vandaar de fantastische bemoediging die Haggai toen en nu mag geven, die die kern helemaal raakt, de kern van onze ziel, vers 5:

‘Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE, wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, heel de bevolking van het land, spreekt de HEERE. Werk door, want Ik ben met u, spreekt de HEERE van de legermachten.’

Zerubbabel is de joodse gouverneur van Judea namens de Perzen op dat moment, de burgemeester van Jeruzalem, zoiets. En Jozua is de hogepriester, de paus van het Jodendom, zoiets. En heel het volk, een ‘rest’ wordt het in vers 3 genoemd, qua aantallen niet echt groot.

Ik ben met u. God is bij jullie, Zerubbabel, Jozua, heel het volk. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Driemaal herhaalt Haggai het. Om te benadrukken: dit zijn niet mijn woorden, dit is echt. Dit is Gods woord: God Zelf is met jullie. Ik ben met u.

Wees sterk: dat is niet lichamelijk bedoelt. Ze hadden echt wel de kracht om die stenen van de tempel op te tillen en te metselen tot een mooi gebouw. Uiteindelijk zal deze 2e tempel ook groter worden dan die van Salomo was. Nee, wees sterk: dat gaat over de innerlijke kracht, over moed, geloof, vertrouwen. Om verder te kijken dan die stenen. Om te zien waar het echt op aan komt.

‘Ik ben met u’. Dat betekent: Ik sta aan jullie kant. Ik help jullie. Ik zorg voor jullie. Ik zorg dat jullie krijgen wat jullie nodig hebben. Ik zorg dat er iets van terecht komt. Sterker nog: In de allerdiepste betekenis ís het project van die tempelbouw al geslaagd, want God is er al. En daar gaat het toch om bij een tempel. Een huis van God. Hij komt niet pas als de tempel af is, maar is nu al present.

In vers 6 wordt verwezen naar de Geest van God die er al was toen Israël uit Egypte trok. God was daar in een wolk- en vuurkolom. Hij kwam niet pas toen de tabernakel er stond, of later de tempel in Jeruzalem, maar Hij was er vanaf het begin al bij. Daar moeten we het van hebben. Daarom hoeven de ouderen toch niet verdrietig te zijn. Daarom hoeven we niet bang te zijn.

‘Wees niet bevreesd.’ ‘Ik ben met u.’

Het is niet toevallig, denk ik, dat Mattheus als laatste woorden van Jezus optekent aan het einde van zijn evangelie: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’

In alles is dat ons houvast. Dat kan alleen dankzij Goede Vrijdag en Pasen. In de tijd van Haggai lag de periode van Gods oordeel en toorn en afwezigheid achter hen. De straf was geweest, een nieuwe periode van genade en Gods nabijheid brak aan. Dat is het diepste en mooiste om te weten en te geloven. Dat u en ik ook in zo’n tijd mogen leven. Pasen is het bewijs dat Jezus leeft, maar bovenal dat de straf gedragen is, mijn zonden verzoend, dat God weer bij mij kan zijn, bij jou, bij u. Dat Hij niet bij u komt met straf en oordeel, maar met Zijn liefde, met Zijn hulp.

Al heeft je leven soms wel wat weg van een ruïne, al zijn er nog genoeg ruïnes in de wereld (kijk maar eens op YouTube naar beelden van Aleppo), God voelt zich niet te goed om in die ruïnes te komen wonen. Zo spreekt Paulus over het werk van God in zijn leven, zo lazen we in 2 Korinthe 4-5. God ontleent niet zijn heerlijkheid aan de pracht en praal van ons leven en werk, wij ontlenen de heerlijkheid aan Zijn leven, Zijn werk, Zijn aanwezigheid. De tempel in Jeruzalem is maar steen en hout en goud en zilver, waardeloos, in zichzelf, maar is waardevol omdat God er is. Ons leven is waardeloos in zichzelf, maar ontzettend waardevol omdat God bij je wil zijn. Dán krijgt het leven glans. Glans zoals nooit tevoren.

4. Geen zilver en goud, maar wel vrede

Met God is immers alles mogelijk. Als Hij de Levende bij je is, dan verslijten zelfs je schoenen niet. Dat staat in Deuteronomium 29:5. Aan het einde van 40 jaar in de woestijn, merkt Mozes op dat ‘uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten.’ Alles is dan mogelijk, als de HEERE bij je is. Wordt alles dan een succesverhaal? Wordt die nieuwe tempel een pronkpaleis? De verzen 7-10 lijken daar wel op te duiden.

Net als andere profeten spreekt Haggaï erover dat in de nabije toekomst alle volken ter wereld zullen ‘beven’ en zullen komen naar Jeruzalem met hun schatten, zilver en goud. En ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste’ (vers 10).

Nu was dat iets wat Haggai deels al zag gebeuren: de heidense koning Cyrus had de Joden toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Cyrus had daarbij al de kostbaarheden van de oude tempel, de gouden en zilveren schalen, bekers en offergerei teruggegeven. Koning Darius financierde de bouwmaterialen, het hout van de Libanon, later aangevuld door koning Arthasasta. In de ogen van Haggai en zijn tijdgenoten regelrechte wonderen en bewijs van Gods macht en zegen dat heidense koningen dit deden. Zo concreet werd het gewoon!

Haggai’s woorden hadden dan ook effect: Nu hij de gebeurtenissen van zijn tijd zó duidt, nu ziet het volk het ook. Ze vatten moed en bouwen door. Het hele boekje Haggai beslaat een periode van 4 maanden. Een scharniermoment in het bestaan van het volk Israël, een kantelpunt. De volgende 600 jaar zal deze 2e tempel er staan als centrum van het Jodendom, als centrum van de wereld, als woonplaats van God, als bewijs van Gods verbond en trouw en liefde.

Dat succes zat niet in het vele goud en zilver. Vers 9 luidt ‘Van Mij is het zilver en van Mij is het goud’. Dat kan claimend klinken: ieder moet z’n geld en goed aan Mij afstaan, ter meerdere eer en glorie van Mijn huis. Toch was dát niet de bedoeling. Elders in het OT worden dergelijke dingen gezegd om het geloof in de de wereldheerschappij en soevereiniteit van de HEERE te benadrukken. God is per definitie Heer over alles en iedereen. We hebben daarom sowieso alles te leen, ons huis, ons leven, onze tijd, we ontvangen het van God in beheer. God heeft overal recht op, maar laat dat recht niet altijd gelden. Hij stelt niet per se prijs op tempels of kerken die met goud overtrokken zijn, de hele wereld is immers al van Hem.

Waarin zit dan toch die ‘grotere heerlijkheid’ van de nieuwe tempel die Haggai voor ogen krijgt? ‘In deze plaats zal ik vrede geven.’

Het is niet dat dat huis er niet toe doet. Goud en zilver zijn prachtig en nodig. Het Jodendom kon niet zonder tempel. Wij kunnen niet zonder kerk. Niet zonder het gebouw. Niet zonder de gemeenschap. De dienst aan God moet vaste vorm aannemen. In woorden, in zang, in rituelen. In onze levensstijl. In catechisatie en kring. Er moet diaconie zijn en kerkrentmeesters. We moeten allemaal daaraan onze steentje bijdragen, zoals ook Zerubbabel en Jozua en de rest van het volk heel letterlijk met stenen moesten sjouwen. Dat doet er allemaal toe bij God. Omdat het middelen zijn die God gebruikt.

Omdat God op die manier ons vrede kan geven. De tempel is niet alleen een plek waar we allemaal onze offers voor moeten brengen. Het geloof in God is niet alleen veeleisend, dat is het soms ook. Maar het is vooral een plaats van uitdeling. Van vrede. Voor iedereen. Voor die hooggeplaatsten, Zerubbabel en Jozua, maar ook voor de eenvoudige plattelanders én voor de heidenvolken. Uitdeelplaats van vrede. Dat is pas heerlijkheid.

Ik geef jou vrede, zegt God, vandaag ook tegen u en jou. Nieuwe kleren en nieuwe schoenen, ook heel belangrijk. Die krijg je wel van je ouders. Of van de diaconie. Belangrijk! Maar ik heb ook iets voor jullie: Vrede.

Dat is méér dan de afwezigheid van oorlog en ruzie. Het is een soort compleet pakket. Dat het goed is. Goed tussen God en jou.

En dat daarom het leven goed is, zoals het is. Tevreden. En dat het met de wereld de goede kant op gaat. Als een olievlek breidt het zich uit via de tempel in Jeruzalem, naar Jezus Christus, naar de kerk wereldwijd, overal waar de Geest werkt, waar God is. Dat is heerlijk. Zo in de wereld kunnen staan, zo kunnen leven! Dat is wat God je geeft.

5. Aan de slag met het oog op de toekomst

‘Werk door’, zegt Haggai namens God, vers 5. ‘Aan de slag nu!’

Mooi, vindt u niet? Voor ons als doeners. Na Pasen is niet alles af en klaar. Er valt nog genoeg te doen. Te bouwen aan de tempel, in het Nieuwe Testament beeld voor de gemeente van Christus, voor het samen leven met God. Er valt nog genoeg te zorgen voor elkaar. Te zorgen voor de wereld. Toen Jezus riep aan het kruis ‘Het is volbracht.!’ betekende dat niet dat wij nu bij de pakken neer mogen zitten, maar zoals je moeder roept: ‘Het eten is klaar!’ Dan begint het pas.

De ouderen hebben gelijk met hun verdriet, want ze verlangen naar meer, naar de vervulling van Gods beloften. Haggai leert hen en ons zien vanmorgen dat we daarvoor niet moeten kijken naar stenen of goud en zilver, maar naar de Levende God, Jezus Christus, die ons bijstaat en ons vrede biedt. De jongeren leert Haggai zo zien dat ze niet hoeven te bouwen alsof hun leven ervan afhangt, dat het niet aankomt op hun prestatie, maar dat God gewoonweg Zijn vrede biedt. Dat daarin de heerlijkheid van het leven gelegen is.

Samen mogen wij zo leven. Met het oog op de toekomst. Terwijl we doen wat er gedaan moet worden in Gods naam.

Amen

Over boosheid, o.a. van Wilders enz.

Preek gehouden in Hagestein, Lunteren en Poederoijen over Psalm 37.

Afbeeldingsresultaat voor Wilders boos

Foto ANP

Gemeente van Jezus Christus,

‘Wees niet boos op kwaaddoeners.’ Daarmee begint Psalm 37. Een rare zin. Onbegrijpelijk. Toch? Als iemand jou slaat, iets van je afpakt. Zelfs als je broertje of zusje dat doet. Dan wordt je boos toch? Ik heb zelf een paar kleintjes rondlopen van 2 en 3. En ze krijgen nu al wel eens slaande ruzie omdat de één het fietsje van de ander afpakt. En niet alleen bij kinderen gaat dat zo.

In de grote mensenwereld gaat het net zo. Daar is het geen kinderspel, maar serieus. Er lopen nogal wat kwaaddoeners rond in de wereld. Moordenaars, dieven, verkrachters, dictators, pesters, egoïsten, fraudeurs, corrupte politici. Genoeg om werkelijk, en écht serieus, kwaad over te worden en je kwaad over te maken. Terecht! Denk ik dan, en denken wij dan. Natuurlijk je moet je niet zomaar op je tenen laten trappen over peanuts. Een krasje op je auto omdat de buurkinderen onvoorzichtig waren met hun voetbal, dat is vervelend. Maar hopelijk hebben ze een WA-verzekering en het is opgelost. Daar hoef je niet over te ‘onsteken in woede’. Maar over écht onrecht, daar kun je niet, daar mág je toch niet zomaar aan voorbijgaan?

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Wat zit daar achter? Blijkbaar is deze psalm geschreven in een situatie waarin het de slechte mensen voor de wind gaat en de goede mensen het zwaar te verduren hebben. Boven de psalm staat als opschrift ‘Van David’, maar zoals bij veel psalmen zegt dat meer iets over de inhoud dan over de historische oorsprong. In de loop van de tijd begon men dit boven liederen te zetten die ‘davidische kwaliteit’ hadden, die zó goed waren dat ze in de tempel/synagoge gezongen mochten worden.

In de psalm zelf keert elke keer terug dat de vromen, de gelovigen, de rechtvaardigen het land niet meer in bezit hebben, niet meer vrij en in vrede kunnen wonen. Dat geldt voor een groot deel van Israëls geschiedenis. Dat gold in de tijd van de ballingschap in de 6e eeuw voor Christus wel het meest, maar eigenlijk is Israël sinds de tijd van Hizkia (8e eeuw voor Christus) constant schatplichtig geweest aan buitenlandse machten: Assyrië, Babylonië, Perzië, Griekenland, Rome. En in de binnenlandse politiek was het niet veel beter. De meeste koningen sinds Rehabeam waren corrupt en onrechtvaardig. De elite in Jeruzalem liet de armen in de stad en op het platteland creperen als het uit zo kwam. De boeken van de profeten staan vol met kritiek op de sociale ongelijkheid, hebzucht en hoogmoed.

Het was inderdaad voorstelbaar dat je als arme boer óf verschrikkelijk kwaad werd op deze hele bende óf jaloers keek naar degenen die wél in grote paleizen en in weelde konden leven…

En dan toch:

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Ik moest daarbij denken aan de aankomende Tweede Kamerverkiezingen. Geert Wilders van de PVV en andere populisten (50Plus, GeenPeil) léven juist van boosheid. Net als Trump in de VS, LePen in Frankrijk, Pegida in Duistland. Die melken dat uit en moedigen dat aan:

Boosheid tegen de zakkenvullers in Den Haag. Nu lijkt mij dat sowieso onterechte boosheid: onze regering is niet corrupt en onrechtvaardig. Maar zelfs als het terecht zou zijn, omdat er daadwerkelijke problemen zijn, zou de dichter van Psalm 37 zeggen: Op zulke partijen en politici die boosheid, verontwaardiging, woede vertegenwoordigen kun je als gelovige gewoonweg niet stemmen.

Maar waarom dan? Want u merkt wel, dit strijkt ons tegen de haren in. Zeker als het heel concreet wordt in een stemadvies, in een politieke werkelijkheid. Dat gaat in tegen waarden als zelfredzaamheid en assertiviteit die wij tegenwoordig van jongsaf aan aangeleerd krijgen. Als je ergens recht op hebt, moet je dat recht ook verdedigen, dat moet je erop af gaan. Voor jezelf opkomen. Op allerlei manieren leren we onze kinderen om ‘zelfstandig’ te zijn. Al op de basisschool leren ze te kiezen, te plannen, toch? Tot op zekere hoogte is dat goed, maar al heel snel gaan we oprecht denken dat ons leven maakbaar is en dat we er zélf iets van moeten maken. En frustreert het ons als het niet lukt. En worden we ontevreden. En boos.

Psalm 37 zegt dan: Dat is de weg van het ongeloof. Zulke boosheid is ongeloof. Zo’n levenshouding is wantrouwen. Wantrouwen in God, de HEERE. Dat gaat nog even een spa dieper. De dichter is geen moralist, die met een waarschuwend vingertje zegt dat je niet boos mag worden en dat je altijd lief voor elkaar moet zijn. Dat is te simpel. Het gaat veel meer over de onderliggende levenshouding, over je instelling, over je ‘hart’, zoals de Bijbel zo mooi kan zeggen. Het gaat er om of je met God rekent of buiten Hem om.

In vers 2 staat gelijk de reden waarom je niet boos of jaloers hoeft te worden:

Want als gras zullen zij snel verdorren, als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.

En vers 9 en 10 borduren daarop voort:

Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden, maar wie de HEERE verwachten, die zullen de aarde bezitten. Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn; u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.

Verderop in de psalm keert dezelfde gedachte steeds terug. In het kort: ‘boontje komt om zijn loontje’. De dichter die op leeftijd gekomen is – vers 25 ‘Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden’ – benadrukt dat dat zijn levenservaring is. Zo gaat dat in de wereld. Daar hoef je niets voor te doen, dat gaat vanzelf. Het kwaad heeft geen duur. Is zelfdestructief. Je ziet dat goed bij dictators als Napoleon en Hitler: ze liepen zichzelf kapot in hun oorlogen. Je ziet het bij populistische politieke partijen die voortkomen uit boosheid: de LPF, Trots op Nederland, de PVV, ze vallen uit elkaar, splinteren vanzelf weer af. Zo werkt ‘kwaad’, het is niet constructief, maar destructief.

Zo ziet deze dichter het. Als constatering niet eens moralistisch. Zoals ‘roken is dodelijk’: dat is gewoonweg een feit. Één op de twee mensen die roken, 50%, overlijdt er vroegtijdig. Negen van de 10 gevallen van longkanker komen door roken. 19.000 kankergevallen per jaar zijn aan roken te wijten in Nederland. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar zo werkt het. Wat slecht is voor een mens, wat slecht is voor een samenleving, heeft ook een slechte afloop.

Je hoeft het alleen maar uit te houden en geduld te hebben:

Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn;

Dat klinkt mooi en hoopvol, maar dat kun je niet bewijzen. Als je zelf onderdrukt wordt, lijdt, ziek bent, arm, vluchteling, dan is de werkelijkheid anders. In de praktijk gaat er toch een heleboel mis. En als het ene kwaad verdwenen is, steekt het andere wel weer de kop op. Assyrië werd afgelost door Babel, en die weer door de Perzen, en toen kwam Rome. Na Hitler had je Stalin, en toen Mao, en toen Saddam en Mugabe en Kim Jong Un en Assad. En wie weet scharen we over een aantal jaar ook Erdogan en Poetin of zelfs Trump in dat rijtje.

Daarom is alleen positivisme niet genoeg om het uit te houden, om geduld te hebben, maar komt het aan op geloof. Geloof in de HEERE, de God van Israël.

De dichter is namelijk niet iemand die gelooft dat het goede in deze wereld uiteindelijk zelf wel zal overwinnen. En dat de mens uiteindelijk toch ten dienste goed is, zodat  langzaam maar zeker deze aarde een fijne plek zal worden. Nee, vers 5 en 6:

Wentel uw weg op de HEERE en vertrouw op Hem: Híj zal het doen. Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het morgenlicht, uw recht doen stralen als de middagzon.

Zie je. Ook de dichter gelooft niet dat alles automatisch wel goed komt als je maar geduld hebt. ‘Wentel uw weg op de HEERE’, dat betekent zoveel als: leidt je leven in vertrouwen op de HEERE. Je levensweg, je doen en laten, je lot, alles wat je hebt en wat je overkomt, dat staat niet los van Hem, maar daar is Hij bij betrokken.

Tenminste, volgens de dichter is dat de keus die je moet maken. Zo te leven. Te leven in geloof. Geloof dat is in deze psalm, in heel de Bijbel trouwens, niet zomaar een theorie, een serie leerstellingen waarin je gelooft. Dat je gelooft dat Jezus de Zoon van God is, dat Hij is gekruisigd en opgestaan uit de dood. Dat zijn gewoonweg feiten. Geloof is, dat je jezelf daaraan toevertrouwd. Dat je leven in het teken van het kruis staat. Geloof is in die zin ook méér dan een persoonlijke relatie met God én meer dan een inspiratiebron voor je dagelijks leven.

Het woord voor vertrouwen dat in deze verzen gebruikt wordt, ‘vertrouw op de HEERE’, dat is geen gevoel, maar zekerheid. Zoals een kind op zijn ouders kan vertrouwen, er zeker van kan zijn dat zijn ouders ervoor zorgen. Je kunt erop rekenen dat je vader en moeder dat doen. Je kunt erop rekenen dat je droog zit in een huis. Je kunt erop rekenen dat je op school leert lezen en schrijven. Je kunt erop rekenen dat ze in het ziekenhuis álles doen om je behandelen voor je ziekte. Je kunt erop rekenen dat je geld bij de bank veilig is.

Zo kun je rekenen op de HEERE. Waarom? ‘Hij zal het doen.’ Alles waarop je rekent, kan soms tegenvallen. De bank let minder goed op je geld, dan je zou willen. Je dak kan lekken. Zelfs ouders laten steken vallen. Maar op de HEERE kun je rekenen. Hij staat garant voor het goede, voor je recht, voorje vrede, voor je toekomst, voor het land dat je toekomt, voor eeuwig.

Ik vind dat moeilijk, eerlijk gezegd. Om echt met de HEERE te rekenen. Op Hem te rekenen. In het leven van alledag. Niet voor niets staat deze psalm in de Bijbel. Niet voor niets is het een aansporing. Een wijze les. Blijkbaar vonden ze het toen ook al moeilijk. En ik denk dat het in onze tijd alleen maar moeilijker is geworden. Want we groeien op en leven in een tijd en in een land waar heel weinig met de HEERE gerekend wordt. Je hebt natuurlijk de vrijheid om te geloven wat je wilt, dat wel, maar de hele sfeer van onze tijd is toch ‘godloos’. En dat ademenen u en ik, en het laat mij niet koud.

Dan is deze psalm een verademing. Een realiteitscheck. O ja, ik sta er niet alleen voor. Wij staan er niet alleen voor. Alleen tegen het onrecht, tegen de ellende, tegen de zonde. We kunnen rekenen op God. Op Zijn doen. Zijn ingrijpen. Zijn handelen. Zijn optreden. Het slot van de psalm luidt, vers 40:

De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden; Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen, want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.

In Jezus Christus zijn deze woorden vervuld. God is zelf naar de aarde gekomen. Hij heeft ingegrepen. Hij is de dood ingegaan en heeft de dood overwonnen. Hij heeft het kwaad op zich genomen. Ook ons kwaad, onze zonden. Want niet automatisch kunnen wij ons identificeren met de ‘vromen’ in deze psalm. Misschien horen wij wel bij de ‘overtreders die weggevaagd worden’. Met de komst van Jezus Christus en in het geloof dat Hij regeert over de wereld in het groot, en dat Hij zich bemoeit met mijn kleine leven hier in Hagestein/Lunteren, daarin begint het morgenlicht te schijnen, dat eens zal stralen als de middagzon.

Daar staat de HEERE zelf garant voor. Zo is Hij. Zo doet Hij. Daar mag je op rekenen. Een verademing is dat. Weldadig.

Zo kun je vers 3 en 4 begrijpen:

Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met trouw. Schep vreugde in de HEERE, dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.

Dat betekent niet dat geloven in God als het ware een doekje voor het bloeden is, een soort terugtrekkende beweging. Alsof je denkt: ‘De wereld is slecht, ik trek me wel terug in mijn eigen huis en familiekring. Ik doe daar gewoon mijn best en over de rest bekommer ik me niet. En mijn geloof geeft mij een fijn gevoel.’

Nee, integendeel. Het is juist met beide benen in de modder staan, vechten tegen de bierkaai. Gekkenwerk van het geloof. Niet kwaad worden op de kwaden, maar kwaad met goed vergelden. Je vijand liefhebben. Als iemand je dwingt je jas af te staan, je trui erbijgeven. Het goede doen op een aarde die vergeven is van het kwaad. Gewoon omdat het kan.

Het is de weg van Jezus Christus. De theologie van het kruis. Totaal af kunnen zien van jezelf, omdat je rekent op de HEERE. Dat Hij alleen van doorslaggevende betekenis is. Omdat je met Hem alleen tevreden hebt leren zijn. Hij, God van hemel en aarde, legt méér gewicht in schaal dan al het andere samen.

‘Schep vreugde in de HEERE’, m.a.w. ‘geniet geweldig, met volle teugen van Hem’. Omdat onze God zo geweldig is: Zo geweldig goed. Zo’n bron van liefde. Onmetelijk wijs. Heerlijk. Onuitputtelijk in schoonheid. Onvoorstelbaar rechtvaardig, trouw, eerlijk. Hij is alles wat je nodig hebt. En je zit nooit meer om iets verlegen.

Dat vandaag de dag het populisme hoogtij viert – Wilders staat in de peilingen aan kop op bijna 30 zetels – dat komt door een diepliggende ontevredenheid. Een leegte van het hart. In die leegte groeit boosheid en jaloersheid welig. In die leegte is het ik alleen met zichzelf. En daarom alleen met zichzelf bezig. En dan wordt je bang voor een ander. Bang voor de islam. Omdat je er voor je gevoel alleen voor staat.

De HEERE vult de leegte in je hart. Hij vervult de verlangens van je hart, zegt de dichter zelf. Wees tevreden met Hem. Wees blij met de HEERE. Dat je Hem mag kennen. Dat je bij Hem mag horen. En dat Hij daadwerkelijk betrokken is op jou en op u. Dan ben je goed af, nu en voor eeuwig!

We mogen de rijkdom hiervan van onszelf herontdekken. De rijkdom van het geloof in Jezus Christus. Het is het beste, en enige echte, medicijn tegen. Omdat Jezus Christus echt is. Omdat Zijn kruis werkelijk in de wereld stond. Omdat Hij leeft.

‘Schep vreugde in de HEERE’, dat zijn woorden om mee te dragen, te overpeinzen. Uit te leven. Uit te stralen. Dat kan alleen als je Hem kent. Als je Hem hebt leren kennen. Dan wil je niet meer anders.

Heel deze psalm, heel het bijbelse geloof, heel de geschiedenis van Israël, heel het evangelie van Jezus Christus is hierin samen te vatten: ‘Schep vreugde in de HEERE’. Volhouden en volharden in het geloof dat deze wereld uiteindelijk om Hem draait, dat wij ten diepste op Hem aangelegd zijn, dat wij daarom alleen ten diepste gelukkig kunnen zijn als Hij in het middelpunt staat van ons leven. De HEERE, de Almachtige, die het in deze wereld niet uit de hand loopt. Omdat Hij goed is en het recht liefheeft. Omdat Hij woord houdt en trouw blijft.

Op Hem lopen daarom al ons kwaad en onze zonden stuk, ja de dood zelf heeft Hem niet stuk gekregen. Hij is de rots waarop je bouwt of de rots waarop je uiteindelijk stuk loopt. Om de HEERE heen kan uiteindelijk niemand. Je kunt maar beter op Hem rekenen en mét Hem rekenen dus…

Deze psalm heeft de toon van het evangelie van Jezus Christus. Bijna letterlijk keren teksten uit deze psalm terug in de bergrede, in het evangelie van Mattheus 5:1-12.

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

Let wel: dit alles, dit leven met God, dit genieten van HEERE om Wie Hij is, dat blijft onlosmakelijk verbonden met de aarde, met het land, met het concrete leven, met het wonen en werken. En het blijft daarom ook aangevochten. Stukwerk. Het is een pijnlijk contrast met de wereld die we om ons heen zien, en met de gebroken werkelijkheid die we soms aan den lijve ervaren.

De zaligsprekingen zijn geen echter geen wensdromen, geen opium voor het volk, maar een concrete verwachting. Zó zal de aarde eruit zien als het Koninkrijk van Jezus Christus in al zijn volheid gekomen is. En omdat alleen ‘nog maar even’ duurt, beginnen wij als gelovigen alvast te leven alsof het zover is. Verblijden en verheugen we ons. Of zwijgen we en verwachten we. Want ondertussen kan het best lang duren. Vers 7 ‘Zwijg voor de HEERE en verwacht Hem;’

Die zachtmoedigheid heeft alles met dat zwijgen te maken. Ze kenmerken de gelovige levenshouding. Het besef dat het leven ingewikkeld is, gecompliceerd. Goed en kwaad liggen soms heel dichtbij elkaar, vaak moeten we kiezen uit twee kwaden. Zeker in de politiek is dat zichtbaar: wat precies goed is voor de economie, of hoe de zorg georganiseerd moet worden, of hoe we omgaan met immigratie van vluchtelingen en asielzoekers en hoe inburgering dan plaats vindt, en of we nu méér of mínder Europa moeten hebben, daar heeft niemand het gouden recept voor.

Dat moeten we van politici dus ook niet verwachten. Zoals we dat ook van onszelf niet moeten verwachten. Soms past het ons onze mond te houden. Alleen maar te luisteren. Te zoeken. Te proberen. Te tasten. Samen. Daarin past niet het bouwen van muren of hekken en het slopen van moskees of het verbieden van de Koran, zoals Wilders wil. ‘Laat uw woede bedaren en laat uw grimmigheid varen; ontsteek niet in woede – het brengt slechts kwaad.’ Vers 8. In het politieke leven, maar zeker ook in het persoonlijk leven, in het gelovig leven, zoeken we de rust, de vrede.

We leven in het geloof dat we de echte tevredenheid, de vrede van ons hart, vinden bij de HEERE, en dat Hij zal zorgen dat eens de wereld vol is van die vrede. Ondertussen oefenen we ons in het geloofswerk van het zachtmoedig zijn: tegen de klippen op genadig zijn, gunnen, geven, lenen en ontfermen. Want alleen dat heeft de toekomst. Want de toekomst is van Jezus Christus.

Amen

Peace on earth

Kerstpreek over wat de engelen zingen na de geboorte van Jezus: “Eer zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.” Lukas 2,8-21.

File:Onthemorningthomas2.jpg

William Blake – Annunciation to shepherds (1809)

Gemeente van Jezus Christus,

 

Je zal maar in Aleppo wonen… zouden ze daar ook Kerst vieren  vandaag? Of slaan ze het daar over? De afgelopen tijd is Oost-Aleppo bekend geworden als “de hel van het Midden-Oosten”. De hele wereld kijkt toe hoe daar burgers, zieken, zwakken, ouderen en kinderen gebombardeerd worden, dag na dag…

Wat heeft Jezus dan eigenlijk voor vrede gebracht in de wereld? Is het er sinds zijn geboorte zoveel beter op geworden? De engel verschijnt in de heerlijkheid van God aan de herders in de velden bij Bethlehem en zegt: ‘Vrees niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap!’ Grote woorden vallen er dus met Kerst: vrede, blijdschap. Maar wat moeten u en ik daar vandaag mee? Kunnen we niet beter met U2 meezingen:

Jesus in the song you wrote
The words are sticking in my throat
Peace on Earth

Hear it every Christmas time
But hope and history won’t rhyme
So what’s it worth

This peace on Earth

Ergens voelen we dat allemaal wel: Wat heeft de komst van Jezus Christus veranderd in de wereld? Wat komt er van die ‘vrede op aard’? Goede vragen. Maar ook grote vragen. Veel te groot. Vragen die ons op deze manier overweldigen, terneerslaan en machteloos maken.

Vanavond maken we die vraag kleiner, en stellen hem aan onszelf: Hoe verandert Kerst uw leven? Mijn leven? Hoe is het Kerstkind Jezus voor ons grote blijdschap, voor ons de vrede op aarde?

 

De engelen zingen immers maar niet voor de vuist weg, ze zijn speciaal uit de hemel afgedaald naar de velden buiten Bethlehem, naar een groepje herders die daar ’s nachts over hun kudde schapen waken. Dat heeft iets te zeggen. Tegen hun zegt de engel: ‘Wees niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal, namelijk dat heden voor u in de stad van David de Zaligmaker geboren is; Hij is Christus, de Heere.’

Een duidelijk adres dus. Voor u. De grote blijdschap zal er zijn voor ‘heel het volk’, dat is: heel het volk Israël. Niet voor alle mensen is dat goed nieuws.

Het lijkt me geen goed nieuws voor Herodes bijvoorbeeld, waarvan we weten uit het Mattheus evangelie dat hij helemáál niet blij was met dit koningskind, dat misschien wel hem van de troon zou stoten. Niet voor niets zegt de engel: ‘de stad van David’, in plaats van Bethlehem. Daardoor ligt de nadruk op de Koninklijkheid van dit pasgeboren kind.

En dat lijkt me ook geen goed nieuws voor de Romeinen, die de hele toenmalige wereld in de greep hadden. Het was immers keizer Augustus geweest, die vond dat de hele wereld ingeschreven moest worden ten bate van zijn belastinginkomsten. De keizer die zichzelf heer van heel de wereld noemde, moet nu een ‘Heer’ naast of boven zich gaan dulden! De boodschap van de engel is dus helemaal niet zo lieflijk als eerst lijkt. Ja, voor de herders, voor het volk Israel is het goed nieuws, blijdschap, maar voor de rest is de geboorte van deze Jezus, de Redder, de Christus, de Heer explosief…

De oorlog die begon tussen Noord- en Zuid-Korea in 1950 duurt officieel nog steeds voort. In 1953 werd al een staakt-het-vuren bereikt, maar de vrede werd nooit gesloten. Al 63 jaar zijn deze landen dus in staat van oorlog. Waarom sluiten ze geen vrede? Omdat Noord-Korea daar niet toe bereid is. Want het misdadige regime in dat land ziet wel in, dat zodra ze vrede sluiten, de grenzen openen en het leger verkleinen, dat hun macht dan over is. Veel inwoners zullen vluchten naar het Zuiden of China. Veranderingen en democratisering kunnen ze niet meer bij de grens tegen houden. De concentratiekampen voor christenen en andere politieke gevangenen niet meer geheim houden. Hen is er dus alles aan gelegen om de muren op te houden, de oorlog gaande, al is het nu een ‘koude oorlog’.

Als de engelen het uitroepen: ‘Vrede op aarde in mensen een welbehagen’, dan is dat práchtig voor hen die lijden, onderdrukt worden, gevangen zitten achter muren, maar een bedreiging voor wie tot dan toe de macht in handen had. Het is niet voor niets dat Maria in haar lofzang bij de aankondiging van Jezus geboorte al zingt:

Hij heeft hen die zich verheven wanen uiteengedreven. Hij heeft machtigen van de troon gestoten en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goede gaven verzadigd en rijken heeft Hij met lege handen weggezonden. Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn barmhartigheid te denken, zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd.’

Hoe verandert Kerst ons leven? Dat hangt er dus maar helemaal van af aan welke kant wij staan: voor mensen die verlossing nodig hebben, is Hij de Zaligmaker, dat wil zeggen: een Redder, een Verlosser. Voor mensen die zichzelf kunnen redden door hun macht en geld, ja zij worden ‘uiteengedreven’, zingt Maria, ‘van de troon gestoten, met lege handen weggezonden.’

Ik denk wel eens: worden wij, mensen in het rijke Westen daar vandaag de dag niet mee bedoeld? Somalische asielzoekers, die een afschuwelijke reis naar ons land achter de rug hebben, krijgen in Nederland het stempel ‘illegaal’ en worden gevangen gezet en zo mogelijk met het volgende vliegtuig terug gestuurd naar de ellende en hopeloosheid.

Heel concreet is dat misschien ook wel vandaag of morgen als we rond een uitgebreid Kerstdiner zetten. Ja, daar lijkt de vrede op aarde, de gezelligheid, perfect.  Maar is dat niet alleen in ons eigen kleine kringetje binnen de muren van ons eigen huis? Durven we ook dan te denken aan hen daarbuiten, die niets hebben, voor wie het geen Kerst is? Juist als het u en mij goed gaat,  dan is het een gevaar ons daarin veilig te wanen.

Ook in […] zijn mensen voor wie Kerst geen feest is, die Kerst alleen vieren. Ja, soms wel in gezelschap, maar van binnen alleen. Omdat ze een geliefde missen als weduwe of weduwnaar. Bovendien blijkt uit onderzoek dat 30% van de Nederlanders zich eenzaam voelt.[1] 1 op de 3.

Blijkbaar zijn wij mensen erg goed in het bouwen van muren. Grenzen tussen landen. Huismuren om onze familie. Muren om ons hart ook. Omdat wij denken daarachter veilig te zijn, controle kunnen houden, minder kwetsbaar zijn. Maar hoe vergissen we ons daarin. Dat is in feite geen vrede, maar permanente wapenstilstand, die leidt tot eenzaamheid. Elk veiligheidsmuur die je bouwt, sluit immers niet alleen iemand buiten, je sluit ook jezelf op.

Kerst is nu dat muren afgebroken worden. Niet allereerst muren tussen mensen onderling of tussen landen. Dan gaat het allereerst over de grens tussen hemel en aarde. Daar breekt God dwars door heen. In de Kerstnacht gaat de hemel open, kun je zeggen, je kunt ook zeggen: de hemel breekt binnen op aarde. Letterlijk, want opeens staat er bij die ene engel ‘een menigte van de hemelse legermacht’.

Ik weet niet wat u zich daarbij voorstelt, maar ik had daarbij toch wel in mijn hoofd een plaatje van van die prachtige gevleugelde engelen in glanzend wit die daar een hemels lied zingen zó mooi als op aarde nog nooit gehoord is. In werkelijkheid zegt Lukas was het een ‘hemelse legermacht’, het zijn hemelse stoottroepen. Zoiets als Elisa en Gehazi gezien hebben, ‘paarden en strijdwagens van vuur rondom’ (2 Kon 6,14-17).

Bovendien staat er niet dat die engelen zongen, maar dat zij ‘zeggen’, bij soldaten kun je beter spreken van scanderen: Eer aan God! Vrede op aarde! Het is eerder imposant dan lieflijk.

Toch zijn het niet die engelen die de muur tussen hemel en aarde geslecht hebben. Nee, dat doet het Kerstkind zelf. In Hem is God mens geworden. In Hem komt de hemel op aarde. Dat is in feite het enige dat Jezus doet: Hij breekt muren af.

Dat gebeurde in toenmalige oorlogen wel meer. Grote steden hadden stadsmuren om aanvallen te weerstaan. Wanneer de aanvaller zo’n stad toch veroverde, werden de muren vaak neergehaald om alle verzet te breken. Waarna de stad meestal ook werd geplunderd en platgebrand, dat laatste doet Jezus echter niet. Hij volstaat met het afbreken van onze muren. Want het is Hem niet te doen om ons te onderdrukken, op de knieën te dwingen als veroveraar. Nee, Hij komt ons redden! Verlossen van de muren die we zelf gebouwd hebben.

Kerst maakt ons ongelooflijk kwetsbaar, onze muren vallen weg. God zelf komt ons tegemoet. Hij kijkt ons aan. De herders doet dat aanvankelijk sidderen van schrik als zij met de heerlijkheid van de Heere omschenen worden. Het licht van God dringt door in onze ziel. Alles wat we daar verborgen houden, en die niemand van ons weet, dat ziet Hij. De zonden en gebreken die we van elkaar niet eens weten. Hoogmoed misschien, trots of egoïsme. Slechte herinneringen, angst, pijn, wrok, zo diep mogelijk weggestopt.

Gelijk zegt de engel: ‘Wees niet bevreesd’. Dat maakt gelijk Gods bedoeling duidelijk: wees niet bang! Ik doe je niets! Ja, dat is Kerst, dat je eigen muren, zekerheden en gecreëerde veiligheid wegvallen tegenover God. Dat Zijn licht, Zijn aanwezigheid in je leven komt, je losmaakt uit de kramp om wat te zijn, om overeind te blijven. Dat is vrede. Dat God zegt tegen u en jou: ‘Het is goed zo. Het is goed tussen ons. Ja, Ik weet wie je bent, en nee, daar ben Ik niet altijd blij mee, maar Ik bied je Mijn vrede. Laat er geen muur meer zijn tussen jou en Mij.’

Het kind in de kribbe, God zelf als mens geboren, is daar het zichtbare bewijs van. In Hem, Jezus, komt Gods vredesvoorstel vandaag tot ons allemaal. God wil niet dat wij langs Hem heen leven, Hem buiten ons leven houden. Want Hij houdt zoveel van u. Hij wil niet zonder u.

Zo kan Kerst ons leven veranderen. Het gaat niet allereerst om de afwezigheid van oorlog, als we zingen over vrede op aarde, het gaat bovenal over die verticale dimensie. Dat er iets van de hemel in je leven komt. En ja, dat levert grote blijdschap, zoals de engel zegt.

Tenminste, ik zeg niet voor niets: zo kan Kerst ons leven veranderen. Want neem je Zijn vredesvoorstel aan? Dat betekent de troon van je leven aan deze pasgeboren Messias, Christus, Koning, Heer afstaan… Als je dat doet, mag ik u verkondigen vandaag: Heden is voor u geboren uw Redder! Hij is uw vrede voor eeuwig! Niet alleen ‘iets van de hemel’ komt er dan in je leven, maar de hemel zelf, in de persoon van Jezus Christus, Gods Zoon.

 

Tegelijk moeten we volhouden: Kerst betekent niet alleen het slechten van die muur tussen hemel en aarde, tussen God en ons, van God uit. Als het daarbij zou blijven, zou U2 gelijk hebben: Wat is die vrede dan waard?

In het Lukas-evangelie volgen we Jezus op Zijn levensweg vanaf zijn geboorte, en dan is niet alleen hier, op dit hemelse moment, voor de herders sprake van vrede, maar ook heel concreet voor mensen die Jezus ontmoet. Niet naar Jeruzalem ging hij. Jeruzalem betekent letterlijk ‘stad van de sjaloom/de vrede’, maar daar waren ze al ‘tevreden’ met zichzelf. Nee, in Galilea moest hij zijn, onder armen, vissers en boeren. Eelt heeft Hij, God op aarde, gekregen op zijn handen in de timmermanswerkplaats van Jozef.

Regelmatig komen er dan ernstig zieke mensen naar Jezus toe. Mensen gevangen in de muren van hun zieke lichaam, uitgesloten uit de gemeenschap vaak, gestigmatiseerd als onrein in het geval van melaatsheid. Jezus geneest hen, en zegt dan: ‘Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.’ In vertrouwen kwamen deze zieken naar Jezus toe en werden hersteld in hun mens-zijn, kregen hun menselijkheid terug. Zo deed hij ook met zondaren, hoeren en tollenaren, zij die er niet bij hoorden. Naar hen zag hij om. Hen vertelde Hij over de liefde van God voor zondige mensen, over de mogelijkheid van bekering, vergeving en vernieuwing, over Zijn Koninkrijk dat gaat komen. Hij doorbrak op die manier ook de muren die mensen onderling gebouwd hebben.

En zo werkt het evangelie door. Jezus heeft zich nooit in de politiek, laat staan in de letterlijke oorlog begeven om van bovenaf vrede af te dwingen. Nee, zijn vredesoffensief werkt van onderop, van binnenuit, uit de liefde. Met Pinksteren zingen we vaak: ‘De Geest doorbreekt de grenzen, die door mensen zijn gemaakt.’ En zo is het ook gegaan. Paulus schrijft later: ‘In de kerk is het niet meer van belang of je Jood bent of heiden, slaaf of vrije, man of vrouw, want allen bent u één in Christus Jezus.’

De vrede van Christus is alles en iedereen omvattend. Vrede met God bovenal, maar ook onderling. Ja, zelfs in de kerk vinden we dat moeilijk, om onszelf bloot te geven, elkaar te aanvaarden als broeders en zusters, zo verschillend als we zijn. Maar Kerst is nou juist de boodschap: al blijven wij dat moeilijk vinden om zo te leven, de muren zijn toch echt door Jezus Christus afgebroken!

Ook kerkmuren trouwens. Ergens is het triest dat we zoveel kerken in Nederland hebben: Waarom kunnen we nu geen Kerst sámen vieren? En toch: Onze vrede, eenheid, heeft zijn grond niet in menselijke gevoelens of instituten, maar in Jezus Christus. Híj is onze vrede.

Zolang zijn evangelie, blijde boodschap, van verlossing, vergeving, vernieuwing en de verwachting van Zijn Koninkrijk blijft klinken, zolang Hij met ons blijft, leven wij in vrede en verwachten wij dat ook kerkmuren afgebroken gaan worden.

 

Dat is tegelijk dan ook de opdracht aan de herders. De engel stuurt hen op weg naar Jezus. Bij Hem moet je je vervoegen, voor Hem je knieën buigen, dáár zul je je vrede vinden. Dat heeft ook iets van tevredenheid. Met Hem moet je het doen en kun je het doen. Meer dan Jezus heb je niet nodig.

Dat is tegelijk dan ook de opdracht voor ons. Als u een gebrek aan vrede ervaart in uw leven, dan helpt het niet om te graven in jezelf, om geluk te zoeken in spullen, carrière, liefde of sport. Ook u wordt gewezen op Het Kind in de kribbe. Alleen Hij kan u vrede geven, uw leven veranderen. Je leven vullen met blijdschap, zoals van de herders staat dat nadat ze Jezus hebben gezien: ‘En de herders keerden terug en zij verheerlijkten en loofden God om alles wat zij gehoord en gezien hadden, zoals tot hen gesproken was.’

Als u een gebrek aan vrede ervaart in de mensen om u heen, in de wereld in het groot, dan helpt het niet om verwijtend naar boven te wijzen: Dat ligt aan Hem daar. Nee, dat ligt aan jezelf.  Bent uzelf een verspreider van die vrede van Christus? Zoals de herders, die overal vertellen van het wonderlijke wat zij over Jezus hebben gehoord en van Hem hebben gezien? Vrede op aarde zal er niet zijn zonder dat die vrede zich vanuit ons leven van mens op mens, van mond op mond, voorplant en vermeerdert!

Al hangt het daar gelukkig niet van af. Ook vandaag de dag breekt Jezus door grenzen heen. Dat merk ik ook hier in […], waar ik hoor van jongeren en ouderen voor wie het geloof in God méér is gaan leven, bij wie te merken valt dat ze Jezus volgen in keuzes die ze maken. Het valt te merken, volgende week zondag, als er hier weer een doopdienst is. Gods vrede werkt door.

Het is te merken in heel ons land, in heel de wereld, waar vandaag miljoenen, miljarden mensen samen komen om in alle talen te zingen: ‘Stille nacht, heilige nacht // Douce nuit, sainte nuit // Silent night, Holy night // Stille Nacht, Heilige Nacht.’ Dat is een koor van stemmen dat niet meer zal zwijgen. De werkelijke vervulling van ‘Eer zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde’, dat is waar wij dat loflied op onze God overnemen.

Amen

[1] http://www.eenzaam.nl

Wie zit er op Jezus te wachten?

Adventspreek over Jakobus 5,7-11.

Afbeeldingsresultaat voor advent deur

Gemeente van Jezus Christus,

Eind september werd ik opnieuw vader, van een jongetje. De laatste weken van de zwangerschap waren het zwaarst. Ik denk dat iedereen die dat van nabij meemaakt dat kan beamen. Niet alleen fysiek, dat geldt vooral voor de vrouw, maar ook mentaal. Je wordt een beetje ongeduldig: je wil die baby die je op de echo hebt gezien nu wel eens vasthouden, kennis maken. En het heeft ook iets spannends, zo’n bevalling. Je wilt dat het nu maar eens gebeurt. En dat het dan ook maar snel weer achter de rug is. Je ziet er naar uit en je ziet er tegen op. Maar bovenal: je hebt er geen controle over, je weet dat het gaat gebeuren, maar niet wanneer. Geduld hebben, moeilijk is dat dan!

Dat zal voor Jozef en Maria niet anders geweest zijn, denk ik dan. Vanaf vandaag is het Advent en leven we toe naar Kerst, naar het feest van de geboorte van Jezus Christus. Wij weten al dat Hij op 25 december geboren wordt. De afspraken voor Kerst, familiediners, kerstzangdiensten, kinderkerstfeest staan vast al in je agenda. Al weten we echt niet of die datum historisch correct is. Maar Jozef en Maria hadden natuurlijk ook geen idee. Ze zit in week 36 van haar zwangerschap en moet nog naar Bethlehem reizen. Maar zij waren wel echt in verwachting. Ze zaten op Jezus te wachten.

Zit u ook op Jezus te wachten? En lukt het u om geduld te hebben? Dat zijn twee vragen. Eerst de eerste maar eens: Zit u op Jezus te wachten? Jakobus zegt dat Jezus gaat komen, vers 8: ‘De komst van de Heere is nabij’. We hoeven met advent niet te doen alsof we nog vóór Jezus geboorte leven. Nee, we vieren zijn eerste komst, we weten van Zijn dood aan het kruis en Zijn opstanding, van Hemelvaart en Pinksteren. Wij zitten als gemeente te wachten op zijn 2e komst, de “wederkomst”.

Tenminste, zit je daar werkelijk op te wachten? Zó te wachten als op de komst van een geboorte? Vind je het maar moeilijk om je geduld te bewaren? Veel mensen hebben het wachten opgegeven. Hebben Jezus naar het rijk van de fabelen verwezen. Ik werk in het leger als krijgsmachtpredikant met veel militairen die “nergens aan doen”, zoals ze zeggen. Die je verbaasd aankijken als je zegt oprecht te geloven dat Jezus Christus in de hemel regeert. En ik snap dat ergens wel. Het is ook niet gemakkelijk uit te leggen, niet gemakkelijk te geloven. We wachten als gemeente al langer dan 9 maanden, tenslotte. We wachten al bijna 2000 jaar. Is dat nog geloofwaardig?

Het kan ook dat je het wachten om andere redenen hebt opgegeven. Dat je er figuurlijk “niet op zit te wachten” dat Jezus voor je deur staat. Zoals de Schriftgeleerden die door Herodes bij zich geroepen worden omdat er Wijzen zijn die een ster gezien hebben. En die dan gelijk op kunnen lepelen dat dat zou kunnen duiden op de geboorte van de Messias in Bethlehem. Schriftgeleerden die “theoretisch” op die Messias zaten te wachten, maar praktisch niet in beweging te krijgen zijn. Het kan zijn dat je zo door je eigen leven in beslag wordt genomen, door je eigen beslommeringen, door je eigen werk en gezin en dromen en plannen, dat de “komst van de Heere” alleen maar lastig zou zijn. Duurt het nog even? Prima toch… Ik breng het geduld nog wel even op.

Waarom moet Jakobus dan christenen zo aansporen tot geduld? Blijkbaar was dat voor hen dan wel moeilijk. Blijkbaar waren ze toen erg ongeduldig! Waarom? Je krijgt de indruk dat de gemeente niet kan wachten tot Jezus er weer is. Ik weet niet of u weleens 112 gebeld heeft. Hopelijk niet. Dat doe je als er met spoed ambulance, politie of brandweer nodig is. En dat is meestal geen goed teken. Meestal is er dan sprake van levensgevaar, en ook van grote paniek. Ik heb het weleens meegemaakt. De minuten die je dan moet wachten… die duren uren.

Iets van die grote nood zit ook achter deze oproep van Jakobus: In het voorgaande gedeelte heeft hij de rijken bestraffend toegesproken “U bent u aan weelde te buiten gegaan op de aarde en hebt uw eigen lusten gevolgd. U hebt uw hart gevoed als op de dag van de slacht. U hebt de rechtvaardige veroordeeld en gedood en hij verzet zich niet tegen u.” De armen worden door hen verdrukt en uitgebuit. Tot in het extreme toe. Jakobus heeft het erover ze werkelijk over lijken zijn gegaan. Als hij zich in vers 7 dan weer tot de ´broeders´ wendt, heb je de indruk dat het vooral die gemeenteleden zijn die hieronder leden. Op meerdere plaatsen in deze brief wordt er trouwens melding gemaakt van verdrukking en vervolging, zie 1,2 ´Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen terechtkomt’.

De gemeente ziet uit naar de komst van Jezus, omdat het de komst van de Rechter is (vers 9). Die alles recht zet. Die recht doet. Waarom zitten ze op Jezus te wachten? Omdat ze aan den lijve voelen wat het is om het zonder Hem te doen. Ze voelen zich zoals Israël zich voelde tijdens de slavernij in Egypte. We lazen die teksten uit Exodus 1 en 2. Hoe het volk daar vast zat, gevangen zat, in een systeem van dwangarbeid en onderdrukking. En hoe het volk dan in die nood het uitroept tot God: ‘Het gebeurde vele dagen daarna, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en het uitschreeuwden vanwege de slavenarbeid. En hun hulpgeroep vanwege de slavenarbeid steeg omhoog tot God.’

God hoort het. En Hij komt. Hij zendt Mozes als Zijn vertegenwoordiger. God bevrijdt Zijn volk. De slavernij komt ten einde. Het volk is vrij. En Farao komt met zijn leger om in de Rode Zee. Zo doet God recht. Zet God recht.

In de Adventstijd gaat het dáárom. Als je niet op Jezus zit te wachten, denk je blijkbaar dat de wereld wel prima is, zoals hij nu is. Dan moeten jij en ik onszelf echt afvragen of Jakobus het in zijn oordeel over de rijken die ‘aan weelde te buiten gegaan op de aarde en hebt uw eigen lusten gevolgd’ (vers 5) niet over ons heeft… Of je beseft niet hoeveel ellende er in de wereld is. Ik denk dat wij veel te individualistisch zijn geworden, ook in ons geloofsleven. We hebben vaak oogkleppen op, alsof het enige wat er op de wereld toe doet “mijn wereldje” is. Soms schermen we onszelf zelfs af tegen een boze buitenwereld en laten we maar niet tot ons doordringen wat onze eigen rust kan verstoren.

Wat een zegen zou het toch zijn als Jezus vandaag terug zou komen! Een eind aan die gruwelijke burgeroorlog in Syrië, een eind aan IS, een eind aan al de wrede dictators. Maar ook: een einde aan al de ziekenhuizen, omdat er geen zieken meer zijn. Een einde aan honger, een einde aan armoede, een einde aan zonde en kwaad en dood. Je moet wel heel egoïstisch zijn om te zeggen: Laat dat allemaal maar even wachten, want ík heb het hier nog zo goed naar mijn zin. Ik denk dat als wij ons hart openstellen en onze ogen opendoen voor de wereld, dat de verzuchting vanzelf ook uit uw en mijn hart opkomt: “Laat Hem, Jezus Christus, alstublieft snel komen!”

En misschien is dat ook wel heel concreet in je eigen leven. Want het gaat natuurlijk niet alleen om de grote ellende van de wereld. Het gaat ook heel in het klein om jou en u. Want ik geloof gewoon niet dat alles bij ons altijd koek en ei is. Bij mij niet in ieder geval. Als het gaat om gebrokenheid, eenzaamheid, zonde, dan is dat toch geen ver van ons bed-show?

Heb geduld, zegt Jakobus dan. Dat is raar. Je zou juist verwachten dat hij de gemeente prijst omdat ze zo ongeduldig is, zo verlangend naar Jezus’ komst! Zeker als hij er het voorbeeld bijhaalt van een boer die wacht tot de oogst rijp is. Vers 7b ‘’ Je ziet het voor je: er is gesnoeid in de boomgaard, de knoppen lopen uit in de lente, en nu maar wachten. Langzaam groeien de vruchten.

Even dacht ik: er is zo’n oud geestelijk lied ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’ Een lied dat het lijden hier en nu relativeert. Als een doekje voor het bloeden. Troostend met hoop. Bijna een vlucht in vergeestelijking. Waarom zou je je druk maken? Leun maar achterover. God lost het echt wel voor je op. Doe gewoon lekker je ding. Leef je leven. Maak je niet druk. Bekommer je er niet om.

Misschien komt dat door het woordje ‘geduld’. Dat is tegenwoordig een beetje een soft woord. Geduldige mensen, dat zijn een beetje goedzakken. Die alles maar ‘dulden’, alles toestaan. Die het allemaal maar een beetje over zich heen laten komen.

Maar dan begrijpen we het voorbeeld van die boer verkeerd. Jakobus verwijst met die vroege en late regen naar het klimaat in het land Israël. En met die boer dus naar een boer in Israël. Over het algemeen waren dat kleine arme keuterboertjes met een klein stukje land waar ze in het najaar zaaiden (de vroege regen) en na het voorjaar (van de late regen) oogsten. Tenminste: dat hoopt je. Want tegen die tijd waren je voorraden op, was je op rantsoen. Jij en je hele familie. Van die nieuwe kostbare oogst hing je leven af. Met honger in je buik zou je al aan die vruchten die nog onrijp zijn willen beginnen, maar je moet nog wachten. Je moet het nog even volhouden. Dit voorbeeld gaat niet over een boer die met z’n handen in zijn zakken gemoedelijk een pijpje staat te roken. Maar over een boer die vertrouwt op zijn ervaring dat als de regen gevallen is, dán de oogst komt, hoe moeilijk dat ook kan zijn. En hoe kostbaar dat dan is!

Wees geduldig, zegt Jakobus. Niet: ‘wees gezapig’. Geduld heeft hier de klank van volhouden, volharden. Standvastig zijn in het vertrouwen op God. Dat God doet wat Hij beloofd heeft. Net als die boer, die ervaring heeft met de regen die komt, die uitkomst brengt. Zo hebben wij ervaring met God. Dat God komt en komen zal. Dat is advent: dat wij geduld opbrengen op basis van de bevrijding van Israel uit Egypte. Dat God hoorde en zag, en zich hun lot aantrok. Dat God kwam in Zijn Zoon Jezus Christus naar deze wereld! Toen het tijd was. Toen de tijd vol was. Hij kwam Zelf en droeg het kruis. Het kruis van onze zonde en tekorten. Hij deelde het leven van de armen en verdrukten en lijdenden. Hij nam hen op Zich. Alleen met die ervaring, met die geschiedenis, kunnen wij het opbrengen om nog even te wachten, te dulden, te volharden.

Dat is duidelijk te zien aan die andere twee voorbeelden in vers 10 en 11: de profeten en Job. Voorbeelden uit het Oude Testament waarmee Jakobus wil zeggen: Ook zij hebben geduld moeten hebben. De profeten werden vaak met de nek aangekeken, gevangengezet, soms gedood. Maar uiteindelijk bleken hun woorden, woorden in de Naam van de HEERE gesproken, ware woorden. Ze kregen het te verduren, maar verduurden het, en hun woorden klinken vandaag de dag nog. Zeker in de Adventstijd klinken de beloften van de profeten: ‘Zie een maagd zal zwanger worden en een Zoon baren…’ ‘Uit de afgehouwen stronk van Isai zal een loot voortkomen…’ Jesaja kreeg gelijk… En zo kreeg Job uiteindelijk gelijk. Job wachtte niet rustig en stil af, lees het boek Job maar. Nee, hij was standvastig in het aanroepen van God. In het vertrouwen dat God niet stil zou kunnen blijven.

Dat is geduld met God. Geloof, vertrouwen, ook in de klacht, in de twijfel. Wij hebben God zó leren kennen in Zijn Zoon Jezus Christus, dat Hij het niet kán maken om ons van de honger om te laten komen. Zo ís Hij niet. Hij is, zegt Jakobus terecht, zoals Job merkte, ‘vol ontferming en barmhartig’ (vers 11).

In Jezus Christus is God heel dichtbij gekomen. Hij staat letterlijk voor de deur. Zo is het met Elisabeth als Maria eraan komt. U kent dat verhaal uit Lukas 1 vast wel. Nadat de engel Gabriël bij Maria is geweest en heeft gezegd dat ze zwanger is van de Messias, gaat ze naar haar nicht Elisabeth die óók op een wondere manier zwanger is in haar ouderdom. Elisabeth doet haar deur wagenwijd open voor de Zaligmaker en Zijn moeder. Op ongedachte manier staat God opeens voor haar deur.

Dat het ook anders kan, bewijst de eigenaar van de herberg in Bethlehem. Daar staat heel de geschiedenis van Israël op zijn stoep, ja de God van Israel zelf in de stad van David, maar daarvoor is bij hem geen plek. De deur gaat weer dicht.

Zo staat de Heere Jezus voor de deur, zegt Jakobus. Dat is wel heel dichtbij. Over de vertaling van vers 8 bestaat verschil van mening, je kunt vertalen ‘de komst van de Heere komt eraan’ óf ‘is nabij/dichtbij’ (HSV). Het eerste zegt iets over een voortgaand proces, over iets dat ooit in de toekomst gaat gebeuren. Het tweede ‘is nabij gekomen’ geeft veel meer urgentie aan: het staat op het punt te gebeuren!

Ik denk dat het tweede meer recht doet aan wat Jakobus bedoelt: de tijd begint te dringen! De tijd van de oogst is bijna. Maar je moet het dan wel goed begrijpen: dat zegt niet alleen iets over de toekomst, of die wederkomst nu nog lang duurt of kort duurt. Bij beide zou de gedachte kunnen zijn: Maar de Heere is er nu nog niet, Hij is nu nog ver weg.

Nee, de Rechter staat voor de deur, staat er in vers 9. Jezus Christus staat voor de deur. Je ziet Hem niet, je kunt niet door de deur heen kijken. En soms vraag je je af waar Hij blijft. Maar Hij is er al. Hij staat voor je deur. God is nooit ver weg. Dat denken wij weleens. Dat de hemel ver boven ons hoofd is. Dat het allemaal over ons hoofd en boven onze pet gaat. Maar zo is het niet. Daarom vind ik dit beeld van de deur, en dat Hij ervoor staat zo bemoedigend.

Op onverwachte manieren en ongedachte momenten kan Hij er zomaar al voor jou en u zijn. Bij u zijn. Letterlijk op de stoep, zoals de vluchtelingen en vreemdelingen die in Nederland op onze stoep staan. Arm en berooid. Of we komen Jezus tegen in het meisje dat aanbelt voor een bijdrage in de sponsorloop voor het goede doel. En wat dacht u van dat kerstkaartje met die tekst speciaal voor u, gewoon bij u op de mat gevallen. “Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Vredevorst …” en het dringt tot je door: Deze Jezus is voor mij gekomen, en nu ook bij mij gekomen.

Ook nu geldt: Je kunt Hem ook voor je deur laten staan. Niet welkom. Weet wat je doet.

Zó leven, in het bewustzijn dat Hij voor de deur staat. Dat elk moment, in het klein ook, het moment kan zijn dat Hij er ís. Dat is niet eenvoudig. Dat wordt constant aangevochten. Daarin verschilt het geloof van het uitzien naar de geboorte van je kind. Dan heb je een uitgerekende datum waar je naartoe leeft. Zoals wij ook toeleven naar 25 december. Maar dat is in het geloof anders. Daar hebben we nóg minder de controle over.

Vandaar die oproep tot geduld, in vers 8 ingevuld als ‘versterk je hart’. Ik moest daarbij denken aan ‘cardiofitness’. Als u wel eens in de sportschool komt, kun je daar kiezen uit krachttraining of cardio. Krachttraining is vooral spierballen kweken. Cardio is vooral werken aan je conditie. In de praktijk betekent dat eindeloos op een home-trainer zitten. Het gaat om de lange duur. En dat vergt regelmaat en hard werk.

Dat is geduld, zegt Jakobus. Geduld is hard werken. Dat is op God blijven vertrouwen, ook als alles tegen zit, als de mensen je tegen vallen. Geduld dat is een 2e en 3e kans geven. Geduld, dat is blijven hopen, ook als anderen de hoop allang hebben opgegeven en cynisch worden. Vandaar dat ‘klaag niet over elkaar’ in vers 9. Dat past niet bij de hoop, bij het geduld. Bij het uithoudingsvermogen van het geloof. Geduld, dat is liefdevol blijven leven. Ook richting de mensen die het volgens jou helemaal fout doen.

Geduld, dat is niet onderuitzakken op de bank en even een uiltje knappen. Geduld is hard werken. Geduld het lijkt soms wel gekkenwerk, maar het is geloofswerk. Omdat wij weten dat de Heere komt. Dat het “Adventstijd” is. Hij staat voor de deur.

Amen

Leven met het Lam Gods

Preek gehouden voor jongeren over Hebreeën 13,8-16

francisco_de_zurbaran_agnusdei

Francisco de Zurbará – Agnus Dei (ca. 1635)

Broeders en zusters,

Vond je het thema van dit kamp interessant? “Het Lam van God” Ik moet eerlijk bekennen dat ik het een nogal wonderlijk thema vind voor een jongerenkamp. Gepraat over het slachten van een lam, over het smeren van bloed aan een deur, over Jezus’  dood als een offer voor onze zonden. Staat het niet heel erg ver van jullie af. Van jullie leefwereld? Ik werk op de kazerne, en ik zou niet weten hoe ik dit simpel en eenvoudig uit zou kunnen leggen aan militairen, die voor het overgrote deel niet kerkelijk zijn. Niet echt een sexy thema.

Het is natuurlijk wel een bijbels thema. Dat hebben jullie de afgelopen dagen ontdekt en besproken. Het is een lijn die doorloopt door heel de Bijbel, vanuit het Oude Testament, de viering van het Pascha (Exodus 12), de instelling van de offerdienst bij de Sinaï (Leviticus 1-7), het feest van Grote Verzoendag (Leviticus 16).

Aan mij de taak vanmorgen om het met jullie te hebben over wat dit ons vandaag de dag nog te zeggen heeft. En of het ons vandaag nog wat te zeggen heeft.

Misschien denk je: Wat heeft de tekst die we gelezen hebben nu met het thema van dit kamp te maken: “Zie het Lam van God”? Want er komt geen lam voor in dit gedeelte. Maar het boek Hebreeën probeert nou juist de link te leggen en duidelijk te maken hoe de lijnen uit het Oude Testament lopen naar Jezus, en ook verder naar ons als gelovigen.

In de voorgaande hoofdstukken heeft de schrijver erop gewezen hoe Jezus eigenlijk het Oude Testament vervulde en overtrof met het offer van Zijn leven aan het kruis. Wat in het Oude Testament altijd maar stukwerk was, verzoening van zonden, het brengen van offers ging maar door, heeft Jezus eens en voor altijd voor elkaar gekregen: De toegang tot God is open. De lucht is voorgoed geklaard. Onze zonden zijn verzoend.

Maar dan komt de vraag: En nu dan? Als alles gebeurd en geregeld is. Kunnen we dan nu achteroverleunen, want het komt allemaal goed… Dat was wat de schrijver van Hebreeën om zich heen zag gebeuren. Waarschijnlijk in de jaren ’90 van de eerste eeuw ziet hij dat 2e en 3e generatie christenen (de kinderen en kleinkinderen van de mensen die Jezus en de apostelen hebben gekend), het allemaal wel prima vinden. Sommigen haken echt af van de gemeente, anderen lopen niet echt warm voor de samenkomsten. De sleur komt er in. Er ontstaat ook verwarring over allerlei leerstellingen en regels waar je je als christen wel of niet aan zou moeten houden.

Het boekje Hebreeën is een preek, je zou bijna zeggen, een peptalk, een appél, om christenen te prikkelen en stimuleren om hun geloof in Jezus Christus serieus te nemen. Want ‘Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.’ Zegt hij in vers 8.

Kijk, over die kern moeten we het hebben, vertaald in de termen van dit kamp: Jezus, was het Lam van God, is het Lam van God en zal het Lam van God zijn tot in eeuwigheid. Christen zijn, dat is leven met het Lam. Christen-zijn dat gaat niet over welke dingen je wel of niet mag, of je wel of niet uit mag gaan, of je wel of niet bepaalde muziek mag luisteren, of je wel of niet 2x naar de kerk moet.

Het is prima om het daar af en toe samen over te hebben. Maar dat is geen voedsel voor je hart, zoals vers 9 zegt. Dat is alleen leven met het Lam.  Geloven in Jezus. Niet als een werkelijkheid van vroeger, maar in Jezus als de Levende, die ook nu hier is, door Zijn Geest.

De schrijver van Hebreeën maakt duidelijk dat het leven met Jezus, leven met het Lam is dat geslacht is. ‘Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden.’  Jezus heeft daarmee het Oude Testament vervuld, maar ook iets nieuws gebracht. Het komt er niet meer op aan alle regels te volgen, maar Jezus te volgen op deze weg: ‘Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.’

Dat is een heftige zin, en de kernzin in dit gedeelte. Heel prikkelend ook: Jezus’ leven als Lam betekende een vreselijke dood aan het kruis. Een lam is een zwak en weerloos beest. “Zo mak als een lammetje.” Schattig om te zien, maar bestemd voor de slacht. Dat zegt iets over Jezus, dat Jezus een Lam is. Dat zegt niet alleen iets over Zijn dood toen, maar ook over nu. Als Johannes in het boek Openbaring in de hemel kijkt, ziet hij op de troon van God ‘een Lam, staande als geslacht’. Als dat Lam de wereld regeert, dan wordt er blijkbaar geregeerd met zachte hand. Niet met pracht en praal. Niet door kracht en geweld. Maar door diepte en in de diepte, door het lijden en de dienst. Door de minste te zijn en te kiezen voor liefde. Jezus is geen hemels dictator, maar degene die ook nu nog lijdt en draagt en bloedt…

En dan zegt de Bijbel “laten wij hierin met Jezus meegaan, dezelfde weg gaan, dezelfde smaad dragen.” Want wij horen bij Hem. In het Nieuwe Testament is dit een belangrijke lijn, die Jezus zelf al heeft ingezet: dat al wie achter Hem aan wil komen, zijn kruis zal moeten dragen. Dat de kosten om Hem te volgen hoog zijn, je leven kosten.

Praktisch gezien was dat ook zo voor de apostelen: alleen Johannes is een natuurlijk dood gestorven, de andere 11 zijn allemaal gemarteld, onthoofd, gekruisigd, of op andere gruwelijke manieren om het leven gebracht. Dat is leven met het Lam, “Zijn smaad dragen”. Nog steeds een dagelijkse realiteit voor een groot deel van onze broeders en zusters overal ter wereld. Laten we niet zeggen dat wij daar niet mee te maken hebben. Niet persoonlijk, maar wel in de familie, zogezegd.

Maar ik wil je ook wel vragen: Wat merk jij persoonlijk wél van “smaad” of schande of lijden, omdat je christen bent? Omdat je leeft met het Lam? […]

Denk niet alleen aan dingen die je aangedaan worden, die je overkomen, passief. Maar probeer vooral actief te denken. Leven met het Lam is niet schaapachtig. Vers 13 dringt aan actie te ondernemen: “Laten wij dan naar Hem uitgaan”. Ga erop uit. Hak radicaal die knoop door. Ik moest denken aan het boek van John Bunyan, de Christenreis. De eerste stap van het geloof is voor hem dat hij “de stad Verderf” achter zich laat. Huis en haard. Als een beeld voor een innerlijke verandering: je hoort niet meer bij de wereld, maar gaat een andere weg op.

In letterlijke zin is dat trouwens ook een eeuwenoude christelijk traditie. Al sinds Jezus tegen de rijke jongeling heeft gezegd: “Verkoop alles je wat hebt, geef het aan de armen, en volg mij” hebben christenen zich geroepen gevoelen om dat serieus te nemen, afstand te nemen van de wereld en het klooster in te gaan. Of ze hebben zich geroepen voelen om alles achter te laten en de zending in te gaan. Ikzelf heb de roepstem van Jezus gehoord om dominee te worden en zo te dienen zijn Koninkrijk.

De vraag is: Heb jij ook zo’n roeping? Wat is er in jouw leven zichtbaar van dat “uitgaan buiten de legerplaats.” Je zou dat ook kunnen verlaten als: Waarin kleur jij buiten de lijntjes? Ik bedoel: Als je op onze leeftijd bent, ben je bezig met je toekomst, met je school, met relaties, met het kopen van een huis, met je eerste baan. “Huisje boompje beestje”. Maar is dat “Leven met het Lam”? Ik zeg niet dat het dat niet is, of dat dat niet mag. Maar als dat alles is, als het enige wat jou anders maakt dan de rest is, dat jij op ’s zondags in de kerk zit, dan kun je je ernstig afvragen of je leeft met het Lam?

Want dan is er niets van het uitgaan, van het geroepen zijn, van het de minste zijn, van het opofferen van je leven.

Het is heel gemakkelijk om te zeggen: Ja, maar we hoeven toch niet allemaal de zending is of dominee te worden? O nee? Wie zegt dat? Nee, inderdaad, maar dan denk je te beperkt. Wie van jullie heeft zijn huis opengesteld voor vluchtelingen? Wie koos ervoor deze zomer niet op vakantie te gaan, maar zijn vakantiegeld weg te geven? Wie kiest ervoor om de christelijke politiek in te gaan? Wie kiest ervoor om alleen nog maar fair trade kleding aan te schaffen?

Ja, dat is moeilijk, dan ben je minder hip, je maakt minder leuke dingen mee, dat is allemaal wel heel serieus. Verander je daar de wereld mee? Je doet alleen jezelf maar pijn. Je kunt toch ook niet alles op je schouders nemen. O nee? Wie deed dat ook alweer wel? Jezus Christus, het Lam van God. En wij volgen Hem toch?

“Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.”

Je moet dat niet activistisch oppakken. Ik bedoel het ook niet moralistisch, dat wij al die dingen moeten doen. Maar je moet er wel over nadenken. Wat betekent dat voor mijn leven, dat ik leef met het Lam? Waartoe roept het Lam, Jezus Christus, mij? Waar kan Hij jou voor gebruiken? Als het goed is, is dat geen veplichting die hoort bij het christelijk leven, maar is dat een verlangen dat uit je hart opkomt. Want, zegt vers 14:

‘Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige.’ Dat zoeken is in het Grieks een heel sterk woord, het is verlangen, intens zoeken. Modern gezegd: Je focus ligt niet meer hier in deze wereld, maar daar, in de toekomstige stad, je zou kunnen zeggen de hemel, of beter: Het Koninkrijk van God.  Daar zijn wij naar onderweg, als pelgrims. Omdat we de gebreken van de huidige wereld om ons heen zien, en de gebrokenheid aan den lijve ervaren: dat zonde, duivel en dood diepe voren trekken in ons leven. En dat wij weten dat dat gaat veranderen, dat het Lam regeert, en dat Zijn Koninkrijk gaat komen.

Met de komst van Jezus Christus, het Lam van God, is in de wereld een wissel om gegaan. Alles wat de wereld belangrijk vindt: status, bezit, macht, geld, succes, geluk, seks, genot, dat zit op een doodlopend spoor. Als je achter Jezus aan gaat, als je leeft met het Lam, ga je de weg van de schande, smaad, een weg door de diepte, van liefde en kwetsbaarheid en gekwetst worden, van vergeving en verzoening, van je geroepen voelen je nek uit te steken en mond open te doen, waarvan de wereld zegt: Dat is gekkenwerk, dat is een druppel op de gloeiende plaat. Leef toch voor jezelf. Ga voor je geluk. Doe je ding. Daar zeggen wij, omdat we leven met Lam, nee, ik leef voor Hem. Ik zoek Hem. Hij biedt mij genoeg. Alles. “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, het Lam dat Zijn leven voor mij gaf, God die bij mij is, en tot in eeuwigheid.”

Hoe ziet de schrijver van Hebreeën het concreet voor zich voor de ingezakte christenen van zijn generatie? Wat zijn de offers die zij moeten brengen? Dat is allereerst dus zichtbare toewijding aan Christus. Uit dank en verwachting. Maar dan ook in vers 15: ‘door Hem een lofoffer brengen aan God’.

Een christen houdt van zingen en muziek maken voor God. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Zo werkt dat, vanuit de psalmen in het Oude Testament, die ook wij vandaag de dag nog zingen, loopt een rechte lijn. In de tabernakel, in de tempel, in de synagogen, in kerken, altijd en overal is er gezongen. Omdat de blijdschap eruit moet. Dat Hij, de HEERE, de God van Israël ook onze God wil zijn. Maar het is ook een offer: Het komt God ook toe dat wij Hem aanbidden, ook als wij daarvoor niet altijd in de stemming zijn. Het is de kern van ons geloof:

Dat wij God loven en prijzen in onze zang, in ons gebed, in ons belijden. Dat wij Hem in alles eren en bovenaan stellen. Omdat Hij nu eenmaal voor eeuwig en altijd bovenaan staat. Hij is God, Jezus Christus, het Lam. Voor Hem buigen en knielen wij.

Het echte lofoffer, zegt de schrijver is “de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden”. Ervoor uit komen dat je gelooft in Jezus Christus als Lam van God, als Redder van de wereld, en onderweg bent naar Zijn toekomst. Dat is wat God het liefst ziet.

Én “het weldoen en onderling hulpbetoon”. Opeens zit daar ook een hele concrete aanwijzing in, waar we allemaal wat mee kunnen. Wat gaat over je geefgedrag en leefgedrag. De schrijver laat het ook nadrukkelijk open: Vul zelf maar in waartoe je je geroepen voelt als het gaat over “lofoffer”, “weldoen” en “onderling hulpbetoon”.

Leven met het Lam. Als je er zo samen over nadenkt, heeft dat toch wel alles te maken met jou en mij. Met Wie Christus is, hoe Hij is, en dat wij geroepen zijn, bij Hem te blijven.

Amen