Dominee bij Defensie

Bijdrage aan het symposium “Stroom en bedding” over de Protestantse Geestelijke Verzorging bij de Krijgsmacht (19 april 2017) met alle krijgsmachtpredikanten en genodigden uit de kerken. Met als hoofdvraag: ‘Hoe verhouden we ons als krijgsmachtpredikanten tot onze bronnen (500 jaar Reformatie)? Hoe ziet het landschap eruit? Hoe stroomt het water van de traditie van de Reformatie in de bedding van onze wereld en in het bijzonder in de dynamische en seculiere wereld van Defensie? Hoe blijft het voor onszelf stromen? Waar blijkt voor onszelf de kern te zitten?



Stroom en bedding: laat het evangelie maar stromen!

Lezing als respons op dr. Theo Pleizier & trendwatcher Jeanneke Scholtens

Vooraf

Het is mij een eer voor jullie te mogen spreken. Ik ben de jongste krijgsmachtpredikant. En heb dan ook zeker niet de wijsheid in pacht. Mijn ervaring met de protestantse geestelijke verzorging bij Defensie beperkt zich tot de Koninklijke Landmacht, en dan nog alleen 17 Pantserinfanteriebataljon, waar ik nu twee jaar werk in Oirschot. Ik heb bovendien nog geen uitzendervaring, dus dr. Theo Pleizier is al meer op missie geweest dan ik. Mijn betoog is dan ook niet meer dan een hopelijke prikkelende, maar persoonlijke bijdrage als respons op Pleizier en Scholtens. Waarom ik dan toch deze lezing houdt? Om in de taal van dit symposium te blijven: ‘Ik ben net ingestroomd’ uit de kerk en heb daardoor wellicht een frisse en scherpe blik. En daarnaast ben ikzelf groot geworden met Luther en Calvijn in de reformatorische stroming van protestants Nederland, waar ik ook nog steeds vrolijk in zwem.

Wat is de opzet van mijn verhaal? Allereerst verbind ik de trends die Scholtens signaleert met de werkelijkheid van Defensie, waaruit duidelijk wordt dat Defensie zelf kerkachtige trekken heeft. Behalve dat het over God gaat, natuurlijk. En daar ligt voor mij een pijnpunt dat ik expliciet wil benoemen. De bedding ligt er, maar stroomt er nog iets? Kansen genoeg, hierbij sluit ik aan bij Pleizier. Zolang we maar mensen vrijmoedig een toegang tot God bieden via het evangelie van Jezus Christus. Grote woorden misschien, die ik nu zal verduidelijken.

  1. Alles stroomt bij Defensie

Defensie is een meerstromenland, een modern Mesopotamië. Constant in beweging. Enerzijds door bezuinigingen en bijbehorende constante reorganisaties, anderszijds door de naargeestige herleving van de geopolitiek waarvan we hoopten dat die dood was. Constant komt er nieuwe doctrine en nieuw materiaal: gemotoriseerd optreden, hybride oorlogvoering, cyber warfare, multinationale integratie. De hele 13 Lichte Brigade in Oirschot moet eigenlijk nog uitgevonden worden. Defensie is daarmee ook, zoals Scholtens voor de samenleving opmerkt: caleidoscopisch, onzeker, geïndividualiseerd. Al het personeel moet na 3 jaar op functie weer verder. Het vertrouwen in de legerleiding is ontzettend laag – was in februari nog in het nieuws.[1]

Veel militairen kiezen voor vervroegde uitstroom. Digitalisering maakt dat veel kazernewerk administratief computerwerk is geworden. En tijdens oefeningen zitten militairen met één oog gekluisterd aan de smartphone, waardoor onderlinge contacten en gesprekken soms minimaal zijn. Let wel: dit alles heeft werkelijk caleidoscopisch ook positieve kanten: contact met het thuisfront is niet meer wekenlang of maandenlang minimaal. Er zijn volop mogelijkheden voor interne carrière, voor inbreng van ideeën. Voor individualiteit in haardracht, baarddracht en tatoeages (belangrijker en veelzeggender dan je denkt!). De organisatie wordt ook informeler, meer of voornaambasis. Minder in de houding. Dit alles natuurlijk tegen de zin van sommige adjudanten… Niets ligt meer vast, in die zin is zelfs binnen een sterk hiërarchische organisatie als Defensie sprake van ‘de-institutionalisering’.

Eigenlijk niet verwonderlijk: Defensie maakt deel uit van onze maatschappij, net als de kerken. Interessanter is misschien dat Defensie niet alleen meedrijft met de trends, maar ook actief inspeelt op de menselijke behoeften die daardoor opgeroepen worden. Ga maar na. Safety is een kernwoord. Defensie gaat volgens de corporate story allang niet meer over bommen en tanks, maar over ‘vrede en veiligheid’: ‘Wij beschermen wat ons dierbaar is.’ Defensie biedt een community, de kracht van het team, de trots erbij te mogen horen wordt erin gegoten tijdens de initiële opleidingen. Groepsgevoel en kameraadschap behoren bij de mooiste ervaringen van veel militairen. In de behoefte aan herbronning, identiteit en rituelen wordt ruimschoots tegemoetgekomen in de ‘militaire erediensten’ rondom de talloze regimentsjaardagen, dodenherdenkingen, medaille-uitreikingen en beëdigingen: ‘Ik beloof trouw aan de Koning’. Het pastoraat bestaat uit een batterij psychologen, maatschappelijk werkers, coaches, vertrouwenspersonen, veteranenwerkers en geestelijk verzorgers… In dat veelstromenland vervul ik vraaggestuurd de multireligieuze en transcendente behoeften met emerging church op de heide. Letterlijk. Midden op de hei op de vroege zondagochtend steek ik een kaars aan, draai goede popmuziek, vertel een inspirerend verhaal uit de Bijbel, ruimte voor stilte, gebed en je eigen gedachten. En Defensie kent natuurlijk sinds jaar en dag al de casual dominee, ik draag hetzelfde pakkie als Jan Soldaat. Als je het daarin niet kunt vinden, kun je ook gaan voor de yogalessen of de mindfulness-training. En qua marketing pakt Defensie de zaken goed aan: Elk jaar melden zich weer duizenden mensen voor de keuring in de hoop een baan bij dit prachtige bedrijf te bemachtigen. Daar kan de kerk van leren… Misschien wel omdat Defensie dus méér is dan een bedrijf: het biedt safety, community, purpose, ritual, transcendence. Defensie heeft kerkachtige trekken.

Defensie is dan ook niet zomaar een neutrale bedding, waarin de protestantse GV of de christelijke traditie al dan niet stroomt of kan stromen. Er ligt al een bedding, er stroomt al van alles. Defensie vormt de visie van militairen op de wereld, hun normen en waarden, voor sommigen zelfs hun identiteit. GV’ers die FLO-conferenties draaien op Beukbergen kunnen daar meer over vertellen: ‘Is er een leven ná en búiten Defensie?’ Defensie is in zichzelf al een levensbeschouwelijke organisatie. De bedding ligt er al vóór de stroom uit. Heel gemakkelijk rolde ik er voor mijn gevoel ook in een paar jaar terug: er is gevoel voor traditie, voor ritueel, voor vorming, voor normen en waarden; men heeft oog voor goed en kwaad, voor de grote vragen van leven en dood.

  1. Een droge bedding

Is er dan nog eigenlijk wel behoefte aan dominees bij Defensie? Aan een specifiek protestantse stroom? Wat heb ik dan nog bij te dragen aan dit veelstromenland als alle trends en behoeften die mensen maar kunnen hebben al ondervangen worden? Ik heb theologie gestudeerd, ‘Godgeleerdheid’, maar aan God is niet zoveel behoefte. Als een kleine illustratie daarbij: Een paar weken terug heb ik een bijeenkomst georganiseerd tijdens een lunchpauze om te inventariseren of er op de legerplaats Oirschot belangstelling is voor een ontmoetingskring, waarop we samen lunchen, bidden, praten en bijbellezen. Van de 5000 militairen en burgers op mijn kazerne hadden 5 interesse. 0,1%. Er zijn natuurlijk meer gelovigen, sommigen zullen gewoon andere werkzaamheden hebben, anderen hoeven niet zo nodig hun geloof publiek te maken. En ik was blij met deze 5, die kring is er. Maar ondertussen toch: 0,1%. Dat doet mij persoonlijk als gelovige verdriet.

Secularisatie is een feit, daarover hoeven we niet te discussiëren. Ik ga nu ook niet in op allerlei definitiekwesties, maar vat het voor mijzelf altijd samen als: ‘God is tegenwoordig geen hoofdrolspeler om Wie alles draait, maar vervult al dan niet een bijrol in de samenleving en het persoonlijke leven.’ Dat doet mij verdriet. Net als het onze rooms-katholieke, joodse en islamitische broeders verdriet zal doen. De grote monotheïstische tradities hebben immers in de kern toch gemeen dat het leven draait om de Ene God. Zelf hoor en lees ik zondags in de erediensten in de kerk nog regelmatig de Tien Geboden, die beginnen met:

‘U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’[2] En volgens Jezus is het belangrijkste gebod dan ook: ‘U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.’[3] Prio 1.

Het verhaal van Scholtens steekt wat dat betreft denk ik niet diep genoeg. We redden het niet in de kerk als we alleen de vormen veranderen, terwijl de inhoud is weggevallen.

Toch deed deze secularisatie mij meer verdriet toen ik in de kerk werkte, dan nu, nu ik werk in een seculiere organisatie. In de kerk trof en tref ik namelijk nog weinig begrip aan voor deze vergaande verschuiving. Omdat men er gelooft in God, ter kerke gaat, de Bijbel leest en bidt, gaan veel gelovigen ervan uit dat er ‘toch niets aan de hand is’. Terwijl ten diepste ook de kerk geseculariseerd is als je deze spade dieper steekt. In die rare spanning vond ik het lastig en complex om gemeentepredikant te zijn. Daarom vind ik het gemakkelijker bij Defensie: In onze seculiere organisatie is het volstrekt gemeengoed dat God buiten beeld is. Hoewel net zo erg, geeft het een eerlijk speelveld. En kan ik ook eerlijk zijn. Als je als dominee in de kerk zegt dat je soms niet in God gelooft, dan schrikken de mensen terug. Daar moet je je imago als professionele gelovige hooghouden.

Gek genoeg lucht het mij daarom weleens op om in een volledige seculiere omgeving te verkeren, gewoonweg omdat ik merk dat de secularisatie ook helemaal door mij is heen gegaan. Hoezeer dat mij ook aangrijpt soms, het is heerlijk om daar eerlijk over te zijn. Niets erger, dan als het bij jezelf vanbinnen niet meer stroomt, als je eigen bronnen voor je gevoel droog staan, te blijven babbelen over God en lege stichtelijke teksten en clichés te berde te brengen. Het eindeloze geopen en gesluit met bijbellezen en gebed rond alle kerkelijke vergaderingen, diensten en pastorale bezoeken heeft soms meer van het ‘ijdel/leeg gebruik van de Naam des HEEREN’ dan het oprechte gevloek van militairen over de ellende in hun leven en wereld.

Door met militairen samen in deze woestijn van de secularisatie te zijn en sámen te zijn in deze droogte van het leven, samen constateren dat het niet meer stroomt, geeft dat meer herkenning en erkenning. Ik sta als GV’er in de militaire organisatie met lege handen, maar ik sta ook naast en bij mensen met lege handen. En juist op die manier zijn wij voluit protestants en reformatorisch:

Was het niet Martin Luther die op zijn sterfbed zijn hele theologie samenvatte in dat ene zinnetje: ‘Wir sind Bettler, das ist wahr.’[4]

Is er behoefte aan dominees bij Defensie? Aan dominees die zo eerlijk durven zijn, is altijd behoefte.

  1. Het evangelie vult de leegte

Paulus schrijft: ‘Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons. … wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld; … Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.’[5]

Wat maakt ons tot protestantse GV? Dat wij in de droogte, in het nulpunt van het leven, weten en ervaren dat de leegte niet leeg is en blijft. Dat we in de twijfel niet vertwijfeld raken. Dat er rotsen zijn waaruit waterstromen voortkomen. Dat er niet alleen sterven en verliezen is, maar ook opstaan en ontvangen. Niet automatisch, maar tot onze eigen verwondering. Als we in de ervaring van de dood van God, de dood van de kerk, de dood van ons eigen geloof, tot onze verwondering ervaren dat alleen maar ons godsbeeld in duigen gevallen is, de menselijke instituties een kaartenhuis vormen, ons eigen denk- en zelfbeelden sneuvelen, maar dat het leven doorgaat. Nieuw en fris, als op de Paasmorgen, wanneer de zon opgaat boven het lege graf.

Nu ik optrek met militairen en zo veel mogelijk hun leven deel, ga ik steeds meer zien dat God nooit ver weg is. Als militairen zeggen: ‘Ik heb niets met God’ of ‘Ik geloof niet’, dan geloof ik ze niet meer zo snel. Vaak bedoelen ze gewoonweg dat ze niets hebben met traditionele of geïnstitutionaliseerde vormen van kerk-zijn. De jonge militairen die ik spreek zeggen dat niet vanuit een anti-houding, maar zijn gewoonweg er nooit mee in aanraking geweest. De 10-ers en 20-ers die nu instromen bij mijn bataljon zijn tabula rasa, blanco in levensbeschouwelijk opzicht. Een tijdje terug had ik een gesprek met een 27-jarige fuselier die ‘gewoon niet lekker in zijn vel zat’, zoals hijzelf zei. En ik vroeg hem: ‘Waar wordt jij gelukkig van dan? Hoe zie jij je leven voor je? Heb je een doel?’ En hij zei: ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht, u bent de eerste die het mij vraagt.’ En zo tref ik hoopjes lui die met hun ziel onder de arm lopen. Maar met wie gesprekken over vertrouwen en houvast, toekomst en hoop, leven en dood, falen en genade, verzet en overgave, opmerkelijk overeenkomsten vertonen met het Psalmboek van Israël, met het leven van de patriarchen, de profeten en koningen. En zeker met het leven van Jezus, zijn oog voor mensen, zijn ruimte, scherpte en liefde, komen dichtbij.

Het gewone geleefde leven is de vindplaats van God. Dat is in ieder geval het typisch protestantse interpretatiekader dat ik opnieuw leer ontdekken. God is niet exclusief verkrijgbaar in kathedralen, sacramenten, door bemiddeling van priesters en kerkelijke instituties. Het was daartegen dat Luther en Calvijn zich 500 jaar geleden keerden. Zoiets bedoelt, denk ik, ook Pleizier als hij spreekt over de protestantse eigenheid die persoonlijk is en niet-institutioneel. De waardering voor het gezinsleven, voor het beroep als roeping, voor het ambt aller gelovigen, maakt dat ik als protestant niet hoef te vervallen in kerkelijke structuren en verwachtingen, om toch te kunnen benoemen en erkennen dat God werkt en leeft onder militairen.

Aan de ene kant zou je dat theologisch ‘algemene genade’ kunnen noemen: alles wat goed is in het leven van mensen, wat mensen ervaren aan liefde, aan vertrouwen, aan hoop. Aandacht en zorgzaamheid. Moed, toewijding en veerkracht. Het is geen menselijke prestatie, geen verdienste, maar het wordt in dankbaarheid ontvangen. Als gaven van God. Genade. Sola gratia. Natuurlijk is dat mijn gelovige interpretatie. Maar het is een heilrijke en bevrijdende interpretatie, merk ik in begeleidingsgesprekken. Soms helpt het mensen al enorm als ze het vele goede weer leren zien en waarderen. Protestantse GV hoeft dan denk ik ook niet in de spanning te zitten tussen transcendentie en betekenisgeving, zoals Pleizier die benoemd.

Aan de andere kant maakt het concept ‘algemene genade’ nog steeds een soort tweederangs gelovigen, want ‘de bijzondere genade’ die zich moet voltrekken in bekering en wedergeboorte is het eigenlijke en zaligmakende. Iemand die zijn hele leven van de algemene genade heeft geprofiteerd, gaat zonder een actief en persoonlijk geloof in Jezus Christus als Redder toch verloren. Nu hoeven we niet terug te schrikken voor die laatste ernst van het evangelie, maar zelf ervaar ik de bijbels-theologische lijnen die bijvoorbeeld de anglicaanse Tom Wright trekt als weldadiger en opbouwender.[6] Hij betoogt dat de 4 evangeliën getuigen van de climax van het geloof dat Israëls God mens is geworden in Jezus Christus om het koningschap over de aarde op zich te nemen. Via de weg van kruis en opstanding, via het werk van de Geest, is dat Koninkrijk gevestigd. Dat is de daadwerkelijke stand van zaken op dit moment.

Voor mijzelf is dat een vruchtbaar perspectief omdat dit grote verhaal, deze grote woorden daarmee over ons allen gaan, niemand heeft daar méér of minder recht op of afstand van dan een ander. Op één of andere manier leven wij allen van en in het licht van deze goede boodschap als onderdanen van Jezus Christus. Leer ermee leven. Laat je meedrijven op die stroom. En laat je erdoor veranderen.

  1. Vrije toegang tot God door Jezus Christus

Dit gelovig perspectief op de bedding van Defensie en de stroom van het evangelie, ligt heel dicht bij de kern van mijn geloof en bij de kern van het Anliegen van de Reformatie. Op de basisschool werd mij verteld hoe Maarten Luther in het klooster ergens in een hoekje een boek aantrof aan een ketting en onder het stof. Het bleek de Bijbel te zijn. Hij ging er stiekem in lezen en vond bij Paulus de sola’s: sola gratia, sola fide, sola scriptura. Luther vond God. Een genadige God in Jezus Christus. Later begreep ik dat dit een apocrief verhaal is. In werkelijkheid werd ook in de middeleeuwse Rooms-katholieke kerk natuurlijk dagelijks uit de Bijbel gelezen. Maar metaforisch is het wel kernachtig voor Luthers leven en voor waar de Reformatie voor staat.

Op één of andere manier was de stroom van het evangelie stil komen te liggen, de toegang tot God verhinderd. Allerlei kettingen en secundair stof waren aangeslibt. Theologisch: de idee dat goede werken voorwaardelijk zijn voor toegang tot de hemel. Sociologisch: Door de kerkelijke hierarchie, , en natuurlijk ook gewoonweg machtsmisbruik en corruptie binnen de clerus. Praktisch: het kerklatijn dat voor ongeschoolde burgers onverstaanbaar was. Luther vertaalde de Bijbel in het Duits, zijn volkstaal, brak met het gezag van traditie en clerus, niet als querulant, maar om het evangelie, en daarmee God zelf weer gemeengoed te maken, toegankelijk en vrij beschikbaar voor iedereen. Via de weg van verzoening door Jezus Christus en niet door eigen prestatie en kwalificatie. Onvoorwaardelijk.

Deze bevrijdende radicaliteit is lastig vol te houden. Ook voor mij als protestant. Het is een kern waarnaar ik elke keer weer terug moet keren. Terug naar de eenvoud van Jezus Christus, naar de verzoening door voldoening. Trots en ambitieus als ikzelf ben, ben ik tegelijk ook altijd onzeker over mijzelf. Of ik wel goed genoeg ben. Of ik mijn werk wel goed genoeg doe. Of ik het wel waard ben om van gehouden te worden. Door de mensen om mij heen. Die existentiële onzekerheid en aanvechting zorgt voor stremming van de stroom. Ik geloof dat het God zelf is, die door Zijn Geest, mij uit die verkokering haalt, weer in een stroomversnelling brengt. Mij terugbrengt bij deze kern:

Gods liefde wordt mij in Jezus Christus persoonlijk bewezen en geschonken. Hij heeft mij op het oog. Onvoorwaardelijk.

Het lijkt mij typisch reformatorisch en protestants als wij vandaag de dag juist op dit punt inhaken. Allereerst dat ook wij in ons ambt onvoorwaardelijk beschikbaar zijn, zoals Pleizier dat benoemde. Laat dat nu precies in onze grondwet zijn vastgelegd: Het hele bestaansrecht van geestelijke verzorging binnen justitie, zorg en Defensie hangt hieraan. Maar dat is enkel de formele kant van de zaak, enkel een passief recht. Het vergt actieve werkzaamheid om de vrije toegang tot God door Jezus Christus vrij te houden.

Theologisch vraagt dat werk. Hoe breken wij onderlinge muren weg, die ons als christenen gescheiden houden? Met zoveel verschillende protestantse kerken hier bijeen, benoem ik toch even de schande van onze verdeeldheid. En een stap verder: Ik zegen de dag waarop de RKGV en PGV één dienst kunnen vormen. Gisteren vierden we samen Pasen, dat smaakt naar méér. Maar dan begint het pas. Ik zoek naar een inclusieve en positieve theologie, die mij helpt om hermeneutische bruggen te slaan tussen het grote Verhaal van God en de levens van militairen. Omdat ik geloof dat God met iedereen te maken wil hebben, ja hééft. En dat het militairen helpt om zich bewust te zijn van een overkoepelend zingevend verhaal, waardoor ze zich kunnen laten inspireren, meeslepen of meedobberen. Dat ze zelfs zonder het te weten leven binnen de ruimte van Gods liefde. Onvoorwaardelijk.

Sociologisch blijven wij kritisch naar de bedding van Defensie: vanuit onze protestantse egalitaire genen hebben wij iets tegen hierarchie. Ik begin consequent te lachen als binnenstromers uit de AMO voor mij in de houding springen en zich met rang en achternaam voorstellen. ‘Hóe heet je?’ vraag ik dan. Rood wordend noemen ze nogmaals hun achternaam. ‘Van voren bedoel ik natuurlijk, doe maar normaal, je bent bij de GV.’ Solidair zijn wij juist met de manschappen, en dan nog juist met de soldaten die erbuiten vallen of geschorst worden. Als je je afvraagt hoe stroom en bedding elkaar beïnvloeden, heb je hier wel een heel mooie casus: zou het ‘calvinistische’ Nederland toevallig zo’n relatief informeel en ‘plat’ leger hebben? Ik denk dat de protestantse stroom, mede door ons werk daaraan bijdraagt: ‘Doe normaal, we zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd.’

Praktisch vergt ‘onvoorwaardelijke beschikbaarheid’ misschien wel de grootste inspanning. Zoals Paulus de ‘Joden een jood, de Grieken een Griek’ werd[7], zullen we de militairen een militair moeten zijn. Wat houdt dat in? Dat zit denk ik niet in meehuilen met de wolven, geaccepteerd willen worden als officier of het eet-, rook- en drinktempo op de BBQ’s bijhouden. Het gaat om liefde voor de militair en het militaire bestaan. Om solidariteit en loyaliteit. Dat zíj het gevoel hebben dat ik geen vreemde eend in de bijt ben, geen ‘gast’ die zo af en toe eens langs komt op oefeningen, maar die hun bestaan kent en deelt. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Ook mijn tenue is altijd correct, ik scheer me dagelijks al heb ik daar een hekel aan, ik sport mee, ik spreek hun taal. Niet omdat ik graag militair wil zijn – dat wil ik niet – maar omdat ik drempelloos wil zijn. Omdat ik geen verhindering wil zijn in de stroom van het evangelie, maar de toegang tot God.

  1. Blijven spreken over God is blijven stromen

Volgens Pleizier zit de specifiek protestantse heilsbemiddeling in de kracht van woorden, in het verwoorden van het transcendente. Ik zou zeggen: Laten wie die kracht dan ook vrijmoedig en maximaal gebruiken. Keer op keer ervaar ik het zelf als aanvechting om in algemeenheden te vervallen. Dat je denkt in je vertaalslag zover te moeten gaan dat het christelijk geloof alleen nog maar gaat om naastenliefde, een visioen van vrede, om licht in het donker van het leven, en dat soort vaagheden. Uiteindelijk heeft niemand daar iets aan. Ons handelsmerk en bestaansrecht ontlenen wij aan Jezus Christus, dus laat ik het ook maar over Hem hebben.

Soms stel ik het gewoon militairen voor, die bij mij op gesprek zijn. ‘Is het goed als ik voor je bid?’ Nooit zomaar uit das blaue hinein, natuurlijk, maar als ik daarvoor openheid proef, zonder dat ze zelf ‘gelovig’ zijn. Tot mijn verrassing vinden ze het vaak (aarzelend) goed. ‘God, help deze jongen, ga met hem mee.’ Meer niet. Vaker vertel ik een bijbelverhaal uit de losse pols dat als spiegelverhaal fungeert. Eye-openers. Ze hoeven van mij niet christelijk te worden, en toch is God er dan in hun leven.

Spreken over God, dat moeten we niet alleen op onze werkplek doen, maar ook met elkaar onderling als krijgsmachtpredikanten. Ik heb dat tot nu toe eerlijk gezegd een beetje gemist. Misschien omdat het ook wel gevoelig ligt. Maar als wij het niet samen over God hebben, dan droogt de stroom bij onszelf op.Ik zou graag de bemoediging ervaren van het van hart tot hart delen van onze zorgen, twijfels, ervaren zegen en inzicht, en het met elkaar hebben over God. Over Wie Hij is voor ons. Over wat Hij van ons verwacht en wat wij van Hem verwachten. Dat moet als dominees toch kunnen…

Dieper nog dan het spreken over God, gaat het spreken met God. Hij is geen grote onbekende, maar heeft Zijn liefde getoond in Jezus Christus.

Zo is Hij ook mijn leven binnen gekomen. Zo heeft Hij de liefde voor Hem in mijn hart gewekt. Zo is Hij een levende werkelijkheid en ervaar ik dat God mijn leven leidt en draagt. Deze diepe innerlijkheid heeft de Reformatie niet uitgevonden. De lijn van deze mystiek, bevindelijkheid of spiritualiteit, is hoogstens afgestofd in 1517. Deze gemeenschap met Christus, met Zijn kruis en opstanding, de inwoning van Zijn Geest, van een vrijmoedige, liefdevolle en vrolijke omgang met God is een onstuitbare stroom, binnen en buiten Defensie.

Tot zover.

 

[1] http://nos.nl/artikel/2159264-defensie-is-een-kille-werkgever-die-te-veel-let-op-cijfers.html

[2] Exodus 20,2 HSV

[3] Mattheus 22,

[4] WA 48, s. 421.

[5] 2 Korinthe 4,7-10

[6] O.a. in: N.T. Wright, Hoe God Koning werd: het vergeten verhaal van de evangeliën, Franeker: Van Wijnen, 2014.

[7] Geen letterlijk citaat, maar een gezegde als interpretatie van 1 Korinthe 9,20.

Advertenties

Spierballengeloof, of: De kracht van de Geest

Preek over Richteren 15,9-20

Samson slaying a philistine.jpg

Giambologna – Samson slaying a Philistine (marble, ca. 1562)

Gemeente van Jezus Christus,

Achter elkaar komen de laatste jaren superheldenfilms in de bioscoop. Over Superman, Batman, the Avengers. Mensen met bijzondere gaven en superkrachten. Het typische verhaal is dat iemand superkracht krijgt door een ongeluk, zoals Peter Parker, die door een spin gebeten wordt en dan Spiderman wordt. Vervolgens is er een superschurk die de aarde wil verwoesten o.i.d. en de missie van de superheld is dan om de aarde te redden.

Met veel moeite lukt dat altijd en loopt het goed af. Prachtige actie op het witte doek. Gevechten. Chaos, dood en verwoesting. Maar dan ook altijd liefde, trouw en moed. En een gelukkig einde.

Het lijkt naadloos te passen op de verhalen over Simson. De Israëlitische Superman. De Joodse Hercules. Een man met superkrachten. Als de slechteriken, de Filistijnen, de overheersers, hem met hun hele leger gevangen willen nemen, en vernederen en doden natuurlijk. Slaat hij erop los. Hij wint het nog ook. Tot zover niets bijzonders. Alleen, hier hebben we niet een te maken met een verhaaltje, met fantasie, maar met de Bijbel. Waarvan we geloven dat wat daar in staat over God, dat dat klopt. En daar zit wel een angel. Want waar haalt Simson zijn superkracht vandaan? Van de heilige Geest:

‘Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.’

We horen in het Nieuwe Testament prachtige dingen over de heilige Geest die de apostelen inspireert, die mensen vol maakt van liefde en blijdschap en vrijmoedigheid. Bij de Geest denken we dan aan een duif, een vredesduif… Deze Geest maakt van ons nieuwe mensen, laat ons op Jezuslijken.

Door de kracht van de Geest sloeg Simson duizend man dood. Hoe past dat in ons beeld? En verder nog: Hoe past dit in ons eigen leven? Met Pinksteren wordt gezegd dat diezelfde Geest nu ook op ons is uitgestort. ‘Geweldig’ zeggen we dan, ‘geweldig, dat God zelf bij ons, ja in ons komt wonen.’ Wacht even, denken we dan vanmorgen, vind ik dat wel zo prettig als deze Geest in mij komt. De Geest die Simson 1000 man liet doodslaan? Strijdt dat niet met alles waar wij in geloven? Dat wij al proberen onze kinderen bij te brengen dat je geen ruzie moet maken. Dat we proberen om niet op elkaar te schelden. Dat het ons ideaal is om elkaar te verdragen en zelfs lief te hebben. En dat we geloven dat God dat van ons vraagt, van ons verwacht…

Je zou zeggen: Hier in dit verhaal zie je de mens op zijn slechtst. Daar wíl en zál God niets mee te maken hebben! Simson heeft bonje gemaakt bij de Filistijnen. In het hoofdstuk hiervoor kun je lezen hoe Simson trouwt met een Filistijns meisje. De Filistijnen waren rond de 13e eeuw voor Christus vanuit Griekenland ge-emigreerd naar de kust van Kanaän, zo rond dezelfde tijd dat het volk Israël uit Egypte kwam en ook het land Kanaän binnentrok. Rond die vruchtbare kuststrook, die nu nog de Gazastrook heet, was toen dus al concurrentie over het land en de macht.

Maar Simson gedraagt zich als een olifant in die porseleinkast: zijn huwelijk loopt uit op een drama. Simson neemt wraak op de Filistijnen als zij hem bedriegen tijdens het huwelijk feest. Zijn schoonvader geeft zijn vrouw aan een ander. Simson is daarover zo boos over dat hij de hele boel in de fik steekt. De Filistijnen verbranden vervolgens dan zijn vrouw en schoonfamilie. Daarvoor neemt Simson weer wraak door hen aan te vallen. Kortom het is één vicieuze cirkel van geweld en wraak en haat. Waar je van huivert en schrikt. Vanaf vers 9, onze tekst, begint daarin een nieuwe episode. Het wordt ook letterlijk gezegd door de Filistijnen in vers 10: ‘Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.’ Wraak! En zo zegt Simson het ook zelf: ´Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.’

Dat gaat nergens over…

Zo gaat dat inderdaad onder mensen. Misschien herken je er ook wel iets van. Relaties in families, met collega’s, die kunnen ook flink uit de hand lopen. Na ruzies, na echtscheiding, als we bedrogen worden of oneerlijk behandeld. In die zin is er niets vreemds aan dat verhaal van Simson. Ook de agressie niet, de behoefte aan wraak, om erop te slaan. Zo gaat het ook nog steeds in het groot in deze wereld. Je hoeft maar te denken aan het eindeloze conflict tussen Israël en de Palestijnen, het hele Midden Oosten wat een zootje is.

Maar dat de Geest van God dat vuurtje nog eens extra opstookt, daarin de superkracht verschaft om de ander mores te leren, ja dood te slaan…?

Nu kunnen we dat proberen recht te praten natuurlijk. Die neiging voel ik ook sterk bij mezelf. Zo van: Het was een hele andere tijd toen. We hebben het wel over 3000 jaar geleden. Israël en de Filistijnen waren in oorlog. Dat moet je niet vergeten. Oorlogen werden toen eenmaal zo met de hand uitgevochten. Men was toen nog een stelletje barbaren. Mensenlevens waren toen niet zoveel waard. Tegenwoordig kennen we mensenrechten en beschaving en humanitair oorlogsrecht, etc. Dat is allemaal min of meer waar.

En denk ik dan: Hebben we ook niet een beetje boter op ons hoofd als we dat allemaal héél erg vinden wat Simson doet… en geschokt zijn. Terwijl wij op dit moment ook in oorlog zijn, dagelijks bombardeerden onze F-16 in Irak en Syrië doelen van IS het afgelopen jaar. Daar vallen ook doden, ook onschuldige slachtoffers, maar daar hoor je niemand over.

Het is misschien een beetje ver van ons bed. Maar het zijn wel onze militairen die van ons belastinggeld met bommen dood en verwoesting brengen. Ligt u er wel eens wakker van? Ik niet. Wat Simson met die ezelskaak doet, dat is heel lijfelijk, gevecht van man tot man. Maar qua effect doet het niet onder voor het afwerpen van een bom van een paar kilometer hoogte uit een straaljager. Dat gaat nog heel wat verder, zelfs.

Maar ik denk niet dat we zo moeten proberen om Simson vrij te pleiten of zijn gedrag te vergoelijken. Of dat geweld te relativeren. Want voor je het weet leunen we weer comfortabel achterover en is de spanning eruit. En kunnen we weer lekker door gaan met ons leventje. Dan maken we ons er te gemakkelijk van af. Dan maken we ons te gemakkelijk van God af. Van de heilige Geest af.

We stuiten hier wel degelijk op iets van God zelf. Op een scherpe kant van Hem. En de vraag is: durven wij dat vandaag de dag nog te zien. Wij denken graag aan God als een Goede Vriend, Iemand die om ons geeft, die voor ons zorgt, die ons helpt, ons draagt. Dat vinden we mooi. En dat is ook mooi. Maar ook vrij soft. Het is niet voor niets denk ik, dat het steeds moeilijker is om mannen warm te krijgen voor de kerk en het geloof. Dat past meer bij vrouwen. En die harde kant van God, die ligt gewoonweg niet zo goed in de markt, in de tijdgeest. Het geloof in een hel, dat God mensen verdoemt en oordeelt. Daar moet je niet mee aankomen. Toch?

Maar dat is doodzonde. We moeten afleren daar moeilijk over te doen. We moeten geen geestelijke watjes worden. Een scheutje van van de spierballen van Simson kunnen we wel gebruiken. En dan kunnen we genieten van dit verhaal! Want dan gaat het ergens over. Hier in deze verzen in Richteren 15 gaat het ergens over.

De Filistijnen trekken op tegen Juda. Een invasie. De Judeeërs gedragen zich onderdanig, ze durven de strijd niet aan. In die periode zijn de Filistijnen de onderdrukkers, de overheersers. In een land, dat moet je goed begrijpen, dat aan Israël ten eigendom is gegeven door God, de HEERE, zelf. Wat die Filistijnen doen, dat gaat in tegen Gods eigen diepste bedoelingen en plannen.  Als zij Juda binnenvallen, gaan ze een grens over. Letterlijk, maar ook figuurlijk.

De verhalencyclus over Simson begint in Richteren 13 met de aankondiging van zijn geboorte aan zijn moeder door een engel. Die engel  zegt:

‘Want het jongetje zal van de moederschoot af als nazireeër aan God gewijd zijn, en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.’

Nu leek daar aanvankelijk met Simson niet veel van terecht te komen. Toen hij richting de Filistijnen trok begon hij niet met vechten, maar begon hij verlieft te worden op het eerste het beste leuke meisje waar zijn oog op viel. Dat ging niet helemaal volgens plan. Dat was ook niet Gods bedoeling geweest. Maar is dat in ons leven niet veel anders? De krachten en talenten die Hij ons schenkt, besteden we niet automatisch in Zijn dienst of voor de goede zaak. De verleiding is beregroot om er vooral zelf beter van te worden. Als spierbundel gebruikt Simson zijn lichaam niet voor de verlossing van Israël, maar ligt hij vooral goed bij de meisjes.

Hier in deze verzen, treffen wij voor Simson een soort laatste kans. Het is nu of nooit. Gaat hij zijn roeping tot richter waarmaken en verlossing brengen, of houdt het hier gewoon op. Die spanning zit er goed in, als Simson zich laat arresteren en binden. Geeft hij het zelf nu ook op? De Filistijnen denken dat de buit binnen is:

‘En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots. Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet.’

Het is op dát moment dat de Geest van de HEER vaardig wordt over Simson. Dat God zich ermee gaat bemoeien. En dat is toch het ware evangelie, de goede boodschap, in dit gedeelte. Als het over verlossing gaat, dan is de Geest van de partij.

We hebben hier niet te maken met een ordinaire slachtpartij, maar met verlossing. En dat gaat niet zonder slag of stoot. Niet zonder geweld. Dat is de realiteit. De harde, gebroken, pijnlijke realiteit van onze wereld. Daarin mengt de Geest zich, zoals ook Jezus zich daarin gemengd heeft. We hebben geen God in de hemel die van verre het aards gewemel beschouwd en afkeurd, maar ondertussen niet de macht of de wil heeft om er iets aan te doen. Nee, Israël en wij hebben een God, de HEER, die Zichzelf volledig in de strijd werpt. En vieze handen maakt. Zó dat wij er met onze moderne ogen bijna afkeurend naar kijken en zeggen: ‘Moet dat nou?’

Ja, dat moet. Als er iets van Israël en Simson, en als er iets van onze wereld terecht wil komen en van ons leven, dan zullen we moeten accepteren dat God soms hardhandig ingrijpt. Met woorden en daden. Als er duizenden mensen op de Pinksterdag tot bekering komen, dan is dat een hardhandig ingrijpen van de Geest in hun hart en leven. En zo is het ook vandaag: Als God ons niet overmeestert met Zijn Geest en liefde, niet ons hart openbreekt en tot zich trekt, wie zou dan tot Hem gaan of met Hem blijven gaan? Het is God die met Zijn kracht en macht ons kiest, roept, trekt, bekeert, nieuw leven schenkt.

De zonde, het kwaad, de gebrokenheid zal echt niet ‘vanzelf’  uit ons leven en de wereld verdwijnen. En omdat het ons niet lukt, zal de Geest zich ermee moeten bemoeien. Dat is de realiteit. De realiteit van een ezelskaak waarmee 1000 man worden doodgeslagen. En dat is dus echt goed nieuws.

Dat betekent niet dat je dat geweld moet verheerlijken. Dat betekent niet dat je moet zeggen dat de Geest dit graag doet. Dat hier bij Simson bij uitstek zichtbaar is Wie Hij en wat Hij doet. Simson blijft wat dat betreft een ongeleid projectiel. In het vuur van de strijd, stijf van de adrenaline, begint hij te zingen.

‘Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen, met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.’

Dat gaat te ver. Zeker als je weet dat er in het Hebreeuws van de grondtekst een woordspeling in zit. Het woord voor ‘hoop’ is identiek aan het woord voor ‘ezel’. Je zou ook kunnen vertalen als: ‘Met een ezelskaak heb ik een stelletje ezels doodgeslagen.’ Wellicht omdat Simson ervan overtuigd is dat het zijn eigen list met die touwen is geweest waardoor hij de overhand heeft gekregen in de strijd. Simson heeft gewonnen, vindt zichzelf slim en sterk en kijkt daardoor neer op die 1000 man.

Tussen twee haakjes, ook met dat woord voor 1000 is iets aan de hand. Dat hoeven niet per se exact 1000 man geweest te zijn. In het Hebreeuws komt dat woord oorspronkelijk van het woord voor een militaire eenheid, een contingent, onder leiding van een clan-hoofd. Als zodanig kan dat in exacte getallen ook een eenheid van 100 man of minder geweest zijn.

Maar in feite doen de aantallen er niet toe. Als het gaat over mensen, gaat het over mensen. En of er nu 1 iemand sneuvelt, van wie vrouw en kinderen, familie en vrienden voor altijd iemand moeten missen en in rouw gedompeld zijn, of dat het er 10 of 100 of duizend zijn. Met mensenlevens valt niet te rekenen. Verdriet is onmetelijk.

Soms moet er gevochten worden in deze wereld. Daarbij gaat het op het scherpst van de snede, en daarbij vallen slachtoffers. En al vecht je dan voor de goede zaak, zoals Simson, dan past het toch niet om je te verheugen over de val van een ander. In de hemel is er vreugde over elke zondaar die zich bekeert. Maar geen vreugde over de val van een mens, die reddeloos verloren gaat. Het is de uiterste consequentie van een leven tegen God in. Dat loopt dood. Maar hoe graag had God gezien dat het anders was.

Simson komt er achter dat hij niets heeft om zich op te beroemen. Hij krijgt zo’n dorst dat hij denkt dat hij gaat sterven. Hij ontdekt dat hij zijn enorme kracht niet van zichzelf heeft. Dat hij ook maar een mens is, die zonder slokje water het loodje legt. En hij moet aankloppen bij de Allerhoogste voor hulp.

‘Hij riep tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?’

Simson blijft ook in deze woorden een ruwe bolster. Het is geen vroom gebed, maar heel direct, bijna beschuldigend spreken tot God. Maar er blijkt wel uit dat Simson zijn plek kent. Het is God die verlossing brengt, niet Simson, hij is enkel het middel. Simson doet een stapje terug. Hij geeft God de ruimte in zijn leven. Of beter: Hij erkent dat het van meet af aan God is geweest, die hem hier gebracht heeft.

Bijzonder om dan vers 20 te lezen:

‘En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.’

Nu pas komt Simson tot zijn doel. Nu hij beseft dat hij niet alleen sterk is, maar ook zwak. Zwak zonder God. Dat hij niet alleen kan vertrouwen op zijn spieren en zijn kracht, maar ook op God. God gaf onmiddellijk water, zoals alleen God dat kan, midden in de woestijn. God geeft wat nodig is.

‘Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op.’ Of: ‘hij leefde’, ‘hij hérleefde’, ‘nu leefde hij pas echt.’

Zo kan dat met jou en mij ook gaan. In het heetst van de strijd van ons leven, hebben we soms de indruk dat we alles aankunnen, dat alles om ons draait. Tot je hardhandig stil wordt gezet door ziekte of overlijden of werkeloosheid, …of ‘zachthandig’ … dat is misschien nog wel mooier, hier in de kerk. Als je hoort over Jezus Christus. Dat Hij de verlossing brengt, door de kracht van de Geest, in ons leven, in de wereld om ons heen. Dat het niet wij zijn die iets van het leven moeten maken, maar dat we het van Hem ontvangen. Dat dan de puzzelstukjes op hun plek vallen, dat jezelf op je plek komt. Misschien herken je dat wel: Momenten van heilige rust, van ontspanning, van helderheid. Van momenten dat je God dichtbij weet. Momenten bezield van de Geest van de HEER.

Daarmee is de strijd niet afgelopen. Simson geeft leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen. Met die ene veldslag zijn ze niet van het toneel verdwenen. Pas in de dagen van koning David zullen de kansen definitief keren, meer dan een eeuw later. Het wat en hoe van Simsons leiderschap kennen we niet. Van zijn bestuurlijke talenten moest hij het waarschijnlijk niet hebben. Hij was meer een kampvechter, een kampioen, zoals Goliath het werd voor de Filistijnen. Een aanvoerder in de strijd.

Toch krijg je een indruk van een zekere stabiliteit, van een bepaalde koers. De Geest heeft Simson gebracht waar hij moet zijn. Dat is het bizarre van de geschiedenis van Simson. Wij zouden denken: Wat moet je met zo’n man, zo’n domme spierbundel die voor het eerste het beste meisje door de knieën gaat. Wat komt daarvan terecht.

Maar dan onderschatten we de heilige Geest. Dan vergeten we dat Hij God is. Daar gaat het vaak mis. Daar ging het mis bij Ananias en Safira: Zij overschatten zichzelf. Ze denken slim te zijn. Ze denken vooral er zelf beter van te worden. En zij onderschatten de Geest. Zij onderschatten met Wie ze te maken hebben. Dat is gevaarlijk. Je kunt niet zomaar de Mount Everest beklimmen. Dat vraagt training, voorbereiding, en dan nog… deze week overleden er ook weer klimmers. Omdat ze over het randje gingen van wat ze aan konden. Simson balanceert in onze tekst op dat randje…

Onderschat de Geest niet. Dat is vooral goed nieuws. Zoals met Simson, zo wil de Geest ook met u gaan. Mengt hij zich in ons leven. Maakt vieze handen. Om ons te verlossen. En onze spieren en handen en voeten te gebruiken om die verlossing verder te dragen. Wij zijn geen superhelden. Maar we mogen wel vertrouwen op de kracht van de Geest, die ons doet herleven. En van deze wereld, niet zonder slag of stoot, maar toch, Christus’  Koninkrijk maakt.

Amen

Nu kent God geen geheimen meer voor ons.

Kerstpreek over Johannes 1:1-18 gehouden in Everdingen.

Rembrandt van Rijn: De aanbidding der herders (1646)

Gemeente van Jezus Christus,

Precies 100 jaar geleden. Kerst 1914. Kerst tijdens de Eerste Wereldoorlog. Aan het front in België en Frankrijk liggen de soldaten in loopgraven in de bittere kou. De oorlog is al enkele maanden aan de gang en vele doden zijn gevallen. Maar dan is het Kerstnacht. De kanonnen zwijgen. De mannen denken aan thuis.

Dan horen ze van over de strook niemandsland, achter het prikkeldraad opeens zingen: ‘Silent night, holy night’. En aarzelend antwoorden ze in hun eigen taal ‘Stille Nacht, Heilige Nacht.’ Voorzichtig komen ze uit hun schuilplaatsen en de vijaneden ontmoeten elkaar op die zo zwaar bevochten vierkante meters van het front. ‘Frohe Weihnachten’. ‘Merry Christmas’.

Die Kerst zijn ze geen vijanden meer. Op 1e Kerstdag spelen ze zelfs een voetbalwedstrijdje.  En daarna weigeren ze de wapens weer op te pakken. Verse troepen worden aangevoerd, die wel willen vechten en de oorlog gaat nog jaren verder…

Een waargebeurd verhaal dat laat zien wat vrede is. Toen de mannen over de vrede van Kerst begonnen te zingen, beseften ze dat vrede niet zomaar een ‘woord’ is. Dat je niet kunt zingen ‘Stille nacht, heilige nacht! Vreed’ en heil wordt gebracht aan een wereld, verloren in schuld;’ en toch op elkaar kunt blijven schieten. Dat woord vrede mag geen theorie blijven, maar daalt neer, wordt werkelijkheid. Dat is de kracht van het woord. En tegelijk ook de zwakheid. Zodra het woord niet meer klinkt, blijft er ook niet veel van over.

Kerst. Het is een woord dat ons verbindt. Iedereen viert Kerst vandaag. Ons land is zo diep doordrongen van de christelijke traditie dat iedereen daar zo zijn kerstgevoel bij heeft. Woorden als vrede, licht, nieuw leven, ze raken ons allemaal. Maar hoe worden die woorden werkelijkheid? Hoe zorgen we dat ze blijven? Hoe landen ze in ons eigen leven, hier in Everdingen?

Met die vragen is Johannes bezig in zijn evangelie. Hoofdstuk 1 vers 1 ‘In het begin was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God’. Vers 14: ‘En het Woord is vlees geworden.’ Dat is wel een beetje een aparte manier om over Kerst te vertellen, vindt u niet? Het Kerstevangelie van Lukas klinkt ons wat dat betreft gemakkelijker in de oren. Lukas vertelt echt over de geboorte van Jezus in Bethlehem. Dat zijn moeder Maria hem in doeken wikkelde en in de kribbe neerlegde. Dat er engelen kwamen bij de herders met de boodschap: ‘want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal, namelijk dat heden voor u in de stad van David de Zaligmaker geboren is; Hij is Christus, de Heere.’

Ja, dat is een mooi verhaal. Voor veel in mensen in Nederland zomaar een mooi verhaal. Ontroerend. Maar: wat is er van waar? Dat wil Johannes laten zien. Johannes staat er bij stil, denkt erop door. Wat gebeurde daar nu met Kerst? Was dat zomaar een kind dat daar geboren werd? Was Jezus een bijzonder mens, waar we veel van kunnen leren? Of was Hij toch meer? Ja, zegt Johannes, Jezus, dat is de Zoon van God, God Zelf, die mens is geworden zoals wij. ‘God’ dat is nu geen abstract ‘Woord’ meer, geen theorie. God is niet iets vaags en ver wegs, maar God is dichtbij gekomen. God is mens geworden. Dat is Kerst!

Dat is nogal wat, hè? Johannes neemt echt stelling. Wij, moderne mensen, vragen dan al snel: ‘O ja? Johannes? Hoe kom je daarbij? Hoe wil je dat bewijzen?’

Als het gaat over God, dan zijn wij ‘postmodern’, zoals dat heet. God, dat heeft alles te maken met gevoel, met geloof. En altijd met een beetje onzekerheid. Wij geloven hier in de kerk in God. Maar we hebben geen bewijzen, geen vaste grond onder de voeten. De een gelooft het wel, de ander gelooft het niet. Veel mensen zijn tegenwoordig ‘agnostisch’, dat is: ervan overtuigd dat geen mens de waarheid over God in pacht heeft. Als het goed voelt, als je er baat bij hebt, als het je verder helpt, dan is er niets mis mee. Absolute zekerheid, daarentegen, verbinden we in onze tijd al snel met fundamentalisme en extremisme. Dat is gevaarlijk…

Toch is het een vraag die we graag zouden willen beantwoorden: Kan ik God echt kennen? Kan ik zeker zijn van Hem? Zonder twijfel?

Toen dit evangelie geschreven werd, was het eerder het tegenovergestelde: De joden in de tijd van Johannes waren aardig zeker van hun zaak. Ze hadden immers het ‘Woord van God’? God had in het verleden gesproken, tot Abraham, tot Mozes, tot de profeten! En dat was opgeschreven in de Thora, in het Oude Testament. Heel anders dan voor ons, was het voor hen helemaal geen vraag wie God was. Dat lag allemaal al eeuwen opgeslagen in de schriftelijke en mondelinge traditie van het volk Israël. Daar kon je blind op varen. Bij de heilige teksten van de vaderen zette je geen vraagtekens, alleen uitroeptekens!!!

Johannes sluit daarbij aan ‘In het begin was het Woord’, dat verwijst naar het eerste bijbelboek Genesis, dat ook zo begint ‘In het begin schiep God hemel en aarde.’ En hoe deed God dat? Door het woord, door te spreken: ‘En God zei: ‘Er zij licht.’ En er was licht.’ Het door God gesproken woord had blijkbaar die scheppende kracht in zich. God hoefde maar één woord te spreken en het was er. Zo konden de joden dat al eeuwen lezen in hun Bijbel. Zo kunnen wij vandaag de dag het ook nog lezen.

Maar dat Woord was een dode letter geworden. Men geloofde erin. Men nam het voor waar aan. Men nam het zelfs bloedserieus. De wet van God, de door God gesproken woorden tot Mozes, dat was hun leven. Dat regelde hun hele bestaan. Maar het bleven woorden, theorie. Discussiestof.

God zelf bleef ver weg. Op een afstand. Letterlijk in de tempel in Jeruzalem, waar één keer per jaar de hogepriester het heilige der heilige binnen ging. Johannes zal in de rest van zijn evangelie vertellen hoe dat eraan toe ging. Dat de wetgeleerden en Farizeeën hun mond over God vol hadden, precies wisten wat God van hen wilde, maar ondertussen hard en liefdeloos waren. Ze waren zo zeker van hun zaak, dat God een massief begrip werd. Hard als steen.

‘God’ was voor hen een werkelijkheid. Ja, maar ergens verheven boven de wereld. Niet dichtbij in het eigen leven, niet geland. Het Woord van God, dat schept, dat leven geeft, dat licht brengt, dat levens verandert en vernieuwt, dat mensen roept en raakt, dat was iets van het verleden, van het dikke boek waarin alles vast lag, een heilige tekst, die je niet eens aan mocht raken. Soms kunnen bijbelteksten onder ons trouwens ook zo gebruikt worden, tradities en kerkmuren lijken ook vaak uit graniet gehouwen. En ons hart ook.

Gemeente, dat is een wereld zonder Kerst. Zonder het Woord dat vlees is geworden, dat onder ons woont. Daar wil Johannes met deze introductie op zijn evangelie iets aan veranderen.

Zo mogen we na Kerst niet meer blijven. Zoals die soldaten in de loopgraven, die door het samen Kerst vieren niet meer op elkaar konden schieten. Dat woord ‘vrede’ had hen geraakt, was door hen heen gegaan.

Zo is Jezus Christus het Woord van God dat vlees wordt, dat mens wordt. Jezus was niet zomaar een mens, Hij was de Zoon van God. Pas in vers 17 valt die naam ‘Jezus Christus’, maar in al deze verzen gaat het over Hem. Jezus, die ‘ontstond’ niet pas bij zijn geboorte, nee, zegt Johannes, Hij was al bij God ‘in het begin’, in de eeuwigheid.

Christus heeft zelf deze hele wereld geschapen, vers 3: ‘Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is. In het Woord was het leven en  het leven was het licht van de mensen.’

Wat wij vertederd het Kerstkind noemen, dat is de Schepper van hemel en aarde, zegt Johannes. De Schepper van het licht. De Schepper van het leven. De bron van alles. Van onze hele wereld. Van elke ster tot elke bacterie, van elke zandkorrel en grasspriet tot oceaan en melkweg. Die is door het Woord, door Jezus gemaakt. En die ligt daar in de kribbe. Onvoorstelbaar.

Ja, inderdaad. Onvoorstelbaar. Onwaarschijnlijk. Ja, zeker onwaarschijnlijk. Zeker in de joodse traditie. Zelfs Mozes, die de wet ontvangen had, die had God niet gezien. Niemand had ooit God gezien. Ze hadden Hem horen spreken. Mozes en de profeten. Maar gezien niet. Er bleef een onoverbrugbare kloof. Een grens tussen Schepper en schepsel. God verscheen altijd in een wolk, een lichtglans, Zijn heerlijkheid. God was te groot en te heilig om direct met mensen om te gaan. Mensen die onheilig waren, ongehoorzaam.

God bleef in zekere zin daardoor altijd wat geheimzinnig, een mysterie. Ja, God sprak van liefde, van goedheid, van gerechtigheid en barmhartigheid, van trouw en geduld. Maar het waren maar woorden… Nu niet meer, zegt Johannes, sinds de geboorte van Jezus verdwijnt die laatste kloof, verdwijnt die laatste geheimzinnigheid rond God. Vers 18: ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.’

Nu weten we dat de woorden van God en over God niet zomaar uit de lucht gegrepen waren, maar echt zijn, werkelijkheid. De wet was door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.

Let u op dat meervoud: ‘Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.’ Johannes zuigt niet zomaar wat uit zijn duim. Hij beroept zich op het getuigenis van Johannes de Doper, de grootste profeet die Israël ooit heeft gehad, maar vooral ook op zijn eigen ervaring, en de ervaring van de kring van de discipelen. Heel het evangelie van Johannes is één getuigenverslag.

Dit is de waarheid, zegt Johannes. Ik heb het zelf gezien, ik heb Jezus zelf gekend. Ik heb in Hem God ontmoet. Vol van genade en waarheid. Nu ken ik God ten diepste. In de woorden die Jezus sprak, de tekenen die Hij deed, en bovenal in het offer dat Jezus bracht aan het kruis, heb ik Zijn genade geproefd. Een onmenselijke genade, een Goddelijke genade, die alle verstand te boven gaat.

Daarmee wordt het Woord van vroeger niet achterhaald. Ook onze Bijbel niet. Nee, Kerst is het ankerpunt van de Bijbel in onze echte wereld, bij ons mensen, in onze geschiedenis. Het is geen dode letter, maar levende werkelijkheid. De Bijbel is geen ouderwets, achterhaald boek, waarmee gerommeld is, zoals veel mensen denken. Nee, Kerst bewijst de waarheid ervan. Jezus Christus bewijst de waarheid ervan. Jezus toont ons het hart van God, de God van Israël, de God van de Bijbel. Zonder twijfel. Absoluut zeker! God houdt Woord.

Heerlijk is dat! Vandaag mag ik het u, jou en mezelf, in alle vreugde verkondigen. God is geen theorie, niet iets vaags. Wij vinden Hem in het Kerstkind. Hij is onze God. Jezus is onze God. Hij is het ankerpunt van ons leven.

Als iedereen dat nou maar eens geloofde…

Je proeft in dit eerste hoofdstuk van Johannes iets van teleurstelling, strijd en verlangen. Teleurstelling omdat een groot deel van zijn eigen volk, het joodse volk, Jezus niet als Messias aanvaard heeft. Vers 10-11 ‘Hij was in de wereld  en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.’

Heel beeldend vertelt Lukas dat al met het verhaal dat er voor het Kerstkind geen plaats was in de herberg en alleen een kribbe overbleef. Mattheus vertelt het verhaal dat Jezus al snel na zijn geboorte moest vluchten voor Herodes.

Maar ook later ging het zo: Veel joden konden Jezus niet accepteren als hun God. In hun eigen plaatje wat ze van God hadden, was Hij hoog en verheven. Ze konden dat niet verbinden met die eenvoudige timmerman uit Nazareth. Hoeveel wonderen hij ook deed, hoeveel preken hij ook hield. Het wilde er bij hen niet in, dat Hij Gods Zoon, het Eeuwige Woord, zou zijn. Dat was voor hen bijna heiligschennis, godslastering. En om die reden werd Jezus dan ook gekruisigd…

En geef toe: Ook voor ons is het toch best een gek idee. In onze tijd slikken we dat toch ook niet als zoete koek: God als mens op aarde. Jezus als wijsheidsleraar, als goed mens, ok. Maar God met ons? Dat is voor Johannes een groot verdriet geweest. En dat is nog steeds het verdriet van de kerk. Dat Christus’ eigen volk Hem niet accepteert. En breder: Ik denk dat Johannes hier niet alleen het jodendom op het oog heeft, maar al de mensen, al de volken. Juist met Kerst mogen we best het verdriet voelen dat 2000 jaar later velen Jezus nog niet geaccepteerd hebben als God.

Maar dieper dan het verdriet zit onze vreugde als we meelezen in vers 5: ‘En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.’ Ja, die duisternis is er, die zien we om ons heen in de ellende van de wereld. De gebrokenheid. Ten diepste in het ongeloof. Dat mensen los van God leven. ‘Maar de duisternis heeft het niet begrepen’, beter is de vertaling: ‘de duisternis heeft het niet gegrepen, niet gewonnen.’

Dat het Kerstkind, Jezus, verworpen werd en gekruisigd, dat was niet het einde, wil Johannes maar zeggen: Die duisternis heeft niet gewonnen. Het werd Pasen. Jezus stond op uit de dood. De dood kon God niet gevangen houden. Zelfs die diepste duisternis van het graf hield geen grip op Hem. Johannes heeft Jezus ontmoet op de 1e Paasdag. Het licht dat met Kerst in de wereld kwam, is het licht van de wereld gebleven.

En er zijn mensen geweest die Hem toen wel geaccepteerd hebben. Johannes schrijft dit 50 jaar later, als hij een oude man is. De kerk van Christus is gegroeid. In alle grote steden van het Romeinse rijk zijn christelijke gemeenten ontstaan. Langzaam maar zeker komt er meer licht in het duisternis van het heidendom, in het leven van mensen. Want door Christus, ziet Johannes, worden mensen nieuwe schepselen, de macht van het Woord, waardoor heel de wereld is ontstaan, is de macht van Jezus Christus. Bekering, vernieuwing, wedergeboorte: Jezus maakt mensen nieuw, maakt mensen kinderen van God. Zo zegt hij in vers 12: ‘Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;’

Door het accepteren, aannemen van Jezus als Christus als God zelf, wordt dat ook echt werkelijkheid. Kerst is dan niet meer zomaar een woord. Vrede, liefde, leven, licht. Jezus vult er ons leven mee. Echt! Het zijn niet zomaar woorden die boven ons leven blijven zweven. Het wordt waar. Het wordt werkelijkheid voor ieder die in Hem gelooft. God houdt Woord.

Daarin zit het verlangen van onze tekst, ja van het hele evangelie van Johannes. Over Johannes de Doper schrijft hij in vers 6: ‘Er was een mens door God gezonden; zijn naam was Johannes. Hij kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden.’ Dat is het doel! Zo rond Johannes zijn evangelie af in hoofdstuk 20 ‘Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel  veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.’

Dat is het verlangen van Kerst: het wordt pas echt Kerst als wij dat durven geloven.

Kerst. Dat gaat over de geboorte van een kind, lang geleden, in Bethlehem. Een jongen. In een kribbe. Zoon van Jozef en Maria. Jazeker. Maar Kerst, dat gaat ten diepste over de geboorte van nieuw leven, vandaag, in uw en mijn hart. Sterker nog: Zónder Kerst, zonder het Woord dat vlees wordt, is er geen leven. In de Eerste Wereldoorlog ging na Kerst de gruwelijke strijd gewoon door. Waarom? Omdat er nog mensen waren, die God niet kenden, die het Kerstkind niet kenden. Daardoor bleef hun hart vol hoogmoed, vol haat, vol trots. Waarom is onze wereld nog steeds vol van die dingen? Omdat er nog mensen zijn die Jezus moeten accepteren, die nog in Hem moeten geloven.

En laten we dat vooral niet teveel aan andere mensen verwijten, maar dichtbij onszelf houden. Zelfs tijdens onze Kerstdiners kan er in de familiekring onenigheid zijn. Stoelen die leeg blijven, omdat we in onmin leven met broer, zus, kinderen of ouders. Of, de andere kant, we hebben het zo goed samen met de familie, met vrienden, dat we helemaal vergeten dat die buurvrouw, die collega, alleen zit. En dat is dan nog met Kerst. Hoe is het in ons leven als het kerstgevoel weer voorbij is? Gaat het leven dan vaak niet op de oude voet verder?

Gelukkig ben je als je vandaag het Woord vlees laat worden. Als je Jezus accepteert als je God. Dan gebeurt wat beschreven staat in vers 12-13: ‘Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.’

Als je Zijn Woord laat doordringen, Woorden die licht brengen in de donkerste hoeken van je leven. Daar waar het nog doods is en kil. Daar brengt Hij leven en licht en warmte. Die woorden hebben we nodig.

En die woorden vinden we in de Bijbel. Heel concreet. God werd mens. Johannes zag het, schreef het op: Het Woord van God werd mens. En toen werd het weer woord! Daarmee is het woord gelukkig niet vervluchtigd, maar juist bij ons gebleven. Een getuigenis dat de eeuwen verduurt. En dit Woord, de Bijbel heeft die levenbrengende, scheppende kracht van Christus in zich om ons nieuw leven te brengen. De Bijbel is geen dode letter waaraan wij kunnen twijfelen. Jezus Christus heeft met Zijn leven en bloed de waarheid ervan aangetoond. Dat is geen theorie, het is het leven zelf.

Kerst is het ankerpunt van ons geloof. Al die woorden uit de Bijbel, die woorden van God, die blijken waar. God houdt Woord. In Jezus Christus laat God zich in Zijn hart kijken. Een hart vol genade en waarheid.

Amen

Oudjaarspreek over ‘Geloven in vergeving’ n.a.v. Genesis 50,15-21

http://www.biblija.net/biblija.cgi?m=gen+50%2C15-21&id47=1&l=nl&set=10

Gemeente van Jezus Christus,

Het doet goed als je familie rondom je is in vreugde én in verdriet. Rondom het overlijden van vader of moeder, dan komen de kinderen samen, met hun kinderen, om samen te rouwen. Dan heb je steun aan elkaar. Samen herinner je wie vader was, wie moeder was. In ons midden zijn vanavond zo een aantal families, die dit jaar ondervonden wat rouw is. En hoe goed het dan is om meeleven te ervaren. Soms ontmoet je rondom begrafenis en condoleren familieleden die je al jaren niet meer had gezien en gesproken.

Niet altijd gaat dat echter zo gemakkelijk. Niet voor niets zien familieleden elkaar soms lange tijd niet. Er kan ook van alles bovenkomen wat in het verleden mis is gegaan. Een begrafenis is een moment van terugkijken en dat is ook wel eens pijnlijk. Dat komt niet vaak aan het graf zelf tot uiting, wel vaak bij het openen van het testament, het verdelen van de erfenis. Niet zelden ontstaat er dan ruzie. Veel ligt gevoelig. Juist wanneer ons hart getroffen is door verdriet, zijn we op ons kwetsbaarst, komen ook andere emoties boven als schuldgevoel, angst, wrok. Dan kunnen zomaar over en weer verwijten geuit worden, beschuldigingen. ‘Jij was er nooit voor vader, en nu moet je zo nodig…’ ‘Ja, maar jij was altijd het lievelingetje, terwijl…’

Bij de begrafenis van Jakob is het gelukkig goed verlopen. De 12 broers hebben samen hun vader begraven. Zijn laatste wens ten uitvoer gebracht, dat hij niet in Egypte begraven wilde worden, maar bij zijn vader Izaak en opa Abraham, in het familiegraf in Kanaän. Zo geschiedde. Dan keren ze terug naar Egypte, waar Jozef nog steeds onderkoning is, en zijn broers mogen wonen in het land Gosen, met hun families en vee. Maar ook hier moet er nog een rekening vereffend worden. Tenminste de 11 broers vrezen dat Jozef nú met hen gaat afrekenen. Ze hebben hem immers gedreigd te vermoorden, hem als slaaf verkocht naar Egypte, waar hij vele jaren heeft moeten doorbrengen in slavernij en gevangenschap.

Toen ze bij Jozef kwamen in Egypte en hij zich aan hen bekend maakte. Ja, toen had Jozef hen verzekerd hun goed gezind te zijn. Hen te willen helpen met eten en plaats om te wonen. 17 jaar geleden is dat inmiddels.

Blijkbaar zijn de broers blijven zitten met angst en schuld. Al die jaren. ‘Jozef heeft natuurlijk niet gedurfd met ons af te rekenen toen onze vader nog leefde, maar nu, nu zou het kunnen. Jozef heeft immers de macht in Egypte! Hij beschikt over het hele leger van de Farao! En hij heeft vast ook niet vergeten wat wij hem aangedaan hebben…’ Al die 17 jaren later wordt hun leven nog steeds bepaalt door hun verleden.

Hoe is dat met ons, zo aan het einde van dit jaar? Oudejaarsdag is ook een ‘dag van afrekening’, een dag van terugkijken. Wat bepaalt dan ons gevoel? Kunnen wij ermee voor de dag komen? Bij God? Het kan maar zo dat er ook in ons afgelopen jaar van alles is wat ons schuldig stemt. Dat er van alles gebeurt is dat ons gekwetst heeft, verdriet gedaan heeft, zorgen baart, angstig maakt. Sluiten wij het jaar wel af met een positief saldo? Niet alleen individueel, ieder voor zich, maar ook met elkaar als gemeente, als broeders en zusters. Ja ook – wereldwijd gezien – als mensheid, wezenlijk met elkaar verbonden voor Gods aangezicht.

‘Is het nodig het daarover te hebben? Moeten we wel terugblikken? Kunnen we niet beter over afgelopen jaar maar het zwijgen doen en ons vast richten op morgen, op het nieuwe jaar!’

Zo denken we wel vaak, we bedekken onderlinge geschillen met de mantel der liefde. Zeggen ‘zand er over’ en gaan door. Maar, dat merk je hier aan de broers, als er echt iets mis is gegaan – mis is gedaan, dan maakt dat het alleen maar erger. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Doen alsof er niets aan de hand is, is geen oplossing. De broers van Jozef zijn blijven rondlopen met een schuldgevoel. Klaarblijkelijk hebben ze het er de afgelopen 17 jaar niet meer samen over gehad. Weggestopt. Bij vlagen vergeten. Maar het is blijven knagen. Door hun zwijgen is hun angst alleen maar gegroeid.

In het boek Adderkluwen vertelt de Franse schrijver Mauriac over een echtpaar, man en vrouw, die al decennia ruzie met elkaar hebben. Volgens de vrouw had haar man toen hun vijfjarige dochtertje doodziek was, niet genoeg belangstelling getoond. Sindsdien slaapt hij ’s nachts op een bed op zolder. En nu, na dertig jaar, zwijgen zij er nog steeds over. Geen van beiden bereid om de eerste stap te doen. Maar ’s nachts ligt zij te wachten of hij naar haar toe zal komen, maar hij verschijnt nooit.  En hij ligt elke nacht wakker in het verlangen dat zij bij hem komt, maar zij verschijnt nooit. Geen van beiden doorbreekt de cirkel van kwaad, die hen sinds jaren juist door hun zwijgen gevangen houdt.

Zwijgen is geen oplossing. Niet tegenover elkaar als mensen. En al helemaal niet tegenover God. De dichter van Psalm 32 verwoordt het heel intens, hoe hij zijn zonden voor God verborgen hield: ‘Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, onder mijn jammerklachten, de hele dag. Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij, mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte.’ Wij verdrogen, verteren vanbinnen als we angst, schuld, wrok vanbinnen wegstoppen en zwijgen…

Maar wat is het alternatief? Is er hoop op vergeving dan? De broers van Jozef vrezen van niet en verzinnen daarom een list. In plaats van zélf het zwijgen te doorbreken, sturen ze een bode naar Jozef met het ‘Testament van Jakob’. Jakob zou op zijn sterfbed tegen hen gezegd hebben: ‘Dit moeten jullie tegen Jozef zeggen: Och, vergeef toch de overtreding van uw broers en hun zonde, want zij hebben u kwaad gedaan. Maar nu, vergeef toch de overtreding van de dienaren van de God van uw vader.’

Dat heeft Jakob helemaal niet gezegd. Het zijn de broers die via hun vader op het gevoel van Jozef spelen. Want hoe zou hij ongehoorzaam durven zijn aan  zijn vader’s laatste woorden? Ze omkleden het met alle middelen om indruk te maken: 2x zit er een expliciet gebed om vergeving in. De daden van de broers worden expliciet geduid als overtreding, zonde, kwaad. En bovendien halen ze er God bij: denk er aan Jozef, wij zijn allemaal maar knechten van God.

Misschien voelt u zich ook wel eens zo tegenover God: Je belijdt je zonden, maar omkleedt het tegelijk met allerlei argumentatie om jezelf te verontschuldigen. Pleit op Gods vergevingsgezindheid en geduld. Belooft in het vervolg je beste beentje voor te zetten. Haalt alles uit de kast om aanspraak te maken op vergeving. Maar ergens blijf je je schuldig voelen. Zoek je het kwaad te compenseren met het goede, zo goed of zo kwaad als het gaat. En toch…toch zit het niet lekker.

Maar kun je dan niet rekenen op vergeving? Kun je het niet achterlaten? In de praktijk leven wij veel uit schuldgevoel naar andere mensen, omdat we het gevoel hebben waardering en liefde te moeten verdienen. Omdat we moeten voldoen aan allerlei verwachtingen. En zo ook tegenover God…

Ten diepste struikelen we dan over de vraag: Bestaat vergeving wel? Kan vergeven wel?

Soms hoor je verhalen van mensen over kwaad dat hen aangedaan is, waarvan je denkt: Volgens mij is vergeven dan onmogelijk. Als je namen hoort als Dutroux, Volkert van der Graaf, Assad, denk je eerder: Vergeven, nooit! Integendeel! Willens en wetens hebben zij mensen mensen gedood. Geen straf is te lang voor hen. En dat kan in het klein zomaar ook in ons eigen leven voorkomen. Mensen kunnen dingen zeggen of doen die je beschadigen. Relaties gaan stuk. Kwaad maakt immers dingen kapot die nooit weer heel worden. Gedane zaken nemen geen keer. Je kunt niet samen verder leven alsof er niets gebeurd is.

Jozef heeft wel gezegd dat hij geen wrok koestert tegen zijn broers, maar ze hebben hem niet geloofd. Diep van binnen zijn ze altijd blijven wantrouwen. Ze hebben het nooit achter zich kunnen laten, verder kunnen leven. En jij? Geloof jij dat vergeving mogelijk is? Dat jij anderen kunt vergeven? Dat anderen jou kunnen vergeven? En bovenal: Dat God jou kan vergeven? Dat je volledig vrij kunt zijn van angst, schuld en wrok? Verlost van het verleden, van je zonden? Wordt het kwaad uiteindelijk niet toch gestraft. Zitten niet veel mensen zo ’s zondags in de kerk: We horen er over Gods vergeving in Jezus Christus, en toch, toch blijven we een beetje bang voor hem. Keer op keer hoor ik ouderen zeggen: ‘Ja, dominee, ik hoop in de hemel te mogen komen, maar zeker weten doe ik het niet…’.

Wat lezen we van Jozef, zodra hij de boodschap per bode ontvangt: ‘Jozef huilde toen zij zo tegen hem spraken.’ Jozef huilde.

Waarom? Nu is hij zeventien jaar lang goed geweest voor zijn broers. Hij heeft hen verzekert dat hij het hen niet meer kwalijk nam (45,7-8.11-12.15). Hij heeft hen onderhouden. Woonruimte gegeven. Het is hen voor de wind gegaan. En nog durven ze niet rechtstreeks met hem te praten, maar sturen ze een bode. En ze komen daar wel zelf achteraan, maar vallen plat voor hem op de grond. Ze kruipen letterlijk van nederigheid en bieden zelfs aan zijn slaven te worden. Nog steeds wantrouwen ze hem, denken ze dat hij wrok koestert. Snappen ze nog steeds niet dat hij van hen houdt? Dat hij hen niet kwijt wil? Dat hij graag wil dat ze als broers met elkaar omgaan?

Je kunt de lijn, denk ik, doortrekken naar God. God huilt als wij zo over Hem denken. Als wij blijven denken dat er gewerkt moet worden voor vergeving. Of zelfs dat vergeving voor ons niet mogelijk is. In het Nieuwe Testament wordt verteld dat Jezus bij de intocht in Jeruzalem vlak voor Pasen de stad nadert en dan vertelt Lukas: ‘En toen Hij dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar. Hij zei: Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen.’

Vergeving bestaat. Ook voor u. Ook bij God. Als belofte en verzekering hoorden we het uit 1 Johannes: ‘Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.’

Laat dat juist op deze Oudejaarsavond tot u doordringen. U hoeft de schuld, de zonde, de last van afgelopen jaar niet mee te nemen het nieuwe in.

Daarvoor moet er wel wat gebeuren. Vergeving moet geschieden, voltrokken worden. Dat begrijpen we wel in het leven van alle dag. Als een moeder om de lieve vrede wil haar zoon in de pubertijd over zich heen laat lopen, zich laat afsnauwen en allerlei wangedrag laat welgevallen, dan kan ze proberen haar gevoelens opzij te zetten en zich voorhouden dat haar zoon ‘eigenlijk’ een leuke jongen is; dat het zijn leeftijd is; en dat ze door nu niet te inperkend te zijn het contact op de lange termijn bevordert… maar dat is geen daad van vergeving, maar eerder berekening en zelfopoffering.

Vergeving is niet maar alles door de vingers zien. Vergeving is ook niet allerlei redenen aanvoeren die de ander excuseren en zijn daden verklaren. Eerder precies het tegenovergestelde: De broers van Jozef belijden dat zij tegen Jozef een misdaad begaan hebben. En Jozef zegt niet: ‘Dat viel wel mee’, of ‘we waren allemaal nog jong’. Op de onderwerping van zijn broers reageert hij: ‘Ja, jullie, jullie hebben kwaad tegen mij bedacht.’

Wat verkeerd was, wordt door beide partijen duidelijk als kwaad ervaren. Onherroepelijk. Juist als ze hier oog in oog staan, dan huilt Jozef van verdriet om wat kapot is, en liggen de broers op de vloer van schaamte, angst en schuld. Er wordt niets meer weggemoffeld. Geeft dat een uitweg? Nee, niet zondermeer. Bij de rechtbank worden dader en slachtoffer ook geconfronteerd met hun kwaad en met elkaar, maar er is nooit automatisch sprake van vergeving. Integendeel: juist dan voelen wij ons zo machteloos om dit te repareren, hier een weg uit te vinden.

Jozef wijst ons vanavond de enige weg, en dat is een weg omhoog. De weg van God. Alleen Hij is in staat het kwaad werkelijk te overwinnen. Waar wij niet bij machte zijn om te vergeven, daar is Hij het wel. Vergeven heeft namelijk alles te maken met ‘innerlijke ruimte’: Om te vergeven moet je je niet alleen verzoenen met die ander, maar ook met jezelf. Afstand doen van je recht op wraak, van je recht op slachtofferschap, jezelf overwinnen om in de ander méér te zien dan zijn misdaad. Om te vergeven moet je de minste zijn. Je maakt zo innerlijk weer ruimte voor die ander, die je liefst zo ver mogelijk van je weg hield.

Dat zien wij werkelijk gebeuren in het leven van Jezus Christus. Jezus verzoent niet alleen ons met God, Hij verzoent ook God met Zichzelf.  Het hele leven en lijden van Jezus Christus is nu juist dit: Dat God afstand doet van zijn gerechtvaardigde claims op vergelding, dat Hijzelf de straf draagt, de minste is. Dat Hijzelf de éérste stap doet naar ons, die de cirkel van zonde en oordeel definitief breekt. Dat Hij ruimte maakt bij zichzelf voor ons. Dat het Hem lukt om in ons niet alleen de zonde te zien, maar ondanks alles geliefde mensen.

Precies dit licht schijnt ook in Genesis 50, waar Jozef zegt: ‘Wees niet bevreesd, want sta ik soms  op de plaats van God? Jullie weliswaar, jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven te houden.’ Jozef heeft zijn broers vergeven, omdat hij gelooft in God. Omdat hij gelooft dat niet hijzelf het kwaad hoeft te vergelden, hoeft te wreken en te oordelen, maar dat aan God kan overlaten. Ook zijn broers hoeven hun kwaad niet te repareren. Uiteindelijk heeft God het immers ten goede willen gebruiken. Met de kromme stok heeft God een rechte slag geslagen.

Alleen waar sprake is van God in ons leven, daar is ook vergeving mogelijk. Zo kunnen we alleen het oude jaar uit met God. Alleen dan kunnen we het kwaad achter ons laten.

Het vormt voor ons een levenslange uitdaging om dat te leren. Niet bang te zijn. Niet vast blijven zitten in het verleden. Te leven van genade.

Onderling is dat al moeilijk. Wij kunnen elkaar moeilijk opleggen dat wij vergeven en vergeten moeten. Al zegt Paulus in Kolossenzen 3 nog zo hard: ‘ Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen.’ Maar zo gemakkelijk is dat allemaal niet in de praktijk. Want je kunt wel willen vergeven, maar wat als die ander zijn zonde niet wil belijden? En wat als je wel wílt vergeven, maar het gewoonweg niet kunt, omdat je zo beschadigd en gekwetst bent dat het echt boven je macht gaat? Of dat je wel vergeven hebt, maar toch de draad van een relatie niet meer op kunt pakken.

Ook tegenover God blijft het moeilijk: we weten dat we vergeven zijn. En toch blijft onze zonde ons dwars zitten. Toch blijven we ons schamen dat we keer op keer in dezelfde kuil vallen. Zelfs al beleden we expliciet in onze gebeden onze fouten, we vergeten ze niet. 2013 is onherroepelijk voorbij, wat gebeurd is, is gebeurd.

Jozef zegt twee keer tegen zijn broers: Wees niet bevreesd. Wees niet bang. Tegenover jullie kwaad, stel ik Gods goed! En vanuit dat geloof, zal ik ook jullie goed doen. Zo bevrijdt hij zijn broers uit hun cocon van schaamte. Hij verlost hen.

We mogen 2013 loslaten. Niet vergeten, maar wel loslaten. Dat is niet gemakkelijk. Zeker niet als we dierbaren verloren hebben, dan verlangen we terug naar daarvóór. Maar ook om onze schuld: We zouden het óver willen doen, ánders willen doen.

Dan vormt de verkondiging voor ons vanavond: Blijf niet vastzitten in het verleden, zoals de broers van Jozef, die 17 jaar lang rondliepen met angst en schuld. Leef in het heden van Gods genade. In het geloof dat vergeving bij Hem mogelijk is. Wees niet bang, in Jezus Christus is Hij ook uw God! Maakt Hij ook voor u ruimte!

Bij God is ruimte genoeg. Ruimte voor ons allemaal. Dat mag dan ook de basis zijn waarop wij met elkaar het Oude jaar uit kunnen gaan. Zonder angst. Er ligt voor ons in Jezus Christus een gezamenlijke basis waarop we verder mogen gaan, het nieuwe jaar in. Daarin is Jozef ons ook ten voorbeeld: Vanuit Gods genade kon hij ook uitdelen, zijn broers aanvaarden, hen vriendelijk behandelen en troosten. Als wij leren leven van Gods vergeving en genade, zouden we dan niet ook in het nieuwe jaar genadig zijn voor elkaar? Ja, elkaar misschien wel zeven maal zeventig keer vergeven?

Zo doet Jezus aan u en mij. Hij zegt ons: ‘Ik weet dat jullie vast zitten in het kwaad als mensheid, als mens persoonlijk, maar wees niet bang. Tegenover jouw kwaad, zet Ik Mijn goedheid.’ Wij hoeven het kwaad niet te overwinnen. Wij hoeven elkaar – ten diepste! – niet te vergeven. Wij zijn God niet. God vergeeft. God overwint. God verlost. Laat God nu God zijn voor u, vanavond. Laat Hem u vergeven. Laat Hem u bevrijden.

We laten 2013 los. We gaan samen 2014 tegemoet. Omdat we geloven in God. Omdat we geloven in vergeving.

Amen

Paus Bilbo de Eerste | Ignis Webmagazine

Paus Bilbo de Eerste | Ignis Webmagazine http://ow.ly/rFSd0

De preek van gistermorgen uit Genesis 2

De preek van gistermorgen uit Genesis 2 over de levensboom in één beeld gevangen:

Pacino di Bonaguida - Tree of the Cross (Galleria dell'Accademia, Florence)

Pacino di Bonaguida – Tree of the Cross (Galleria dell’Accademia, Florence)

Onderweg naar de volmaaktheid

Preek over het 10e gebod ‘Gij zult niet begeren…’

Jheronimus Bosch – De Tuin der Lusten (ca 1480-1505)

1. Van kwaad tot erger

Waarom lukt het ons mensen, christenen, nou niet om volmaakt te leven? Dat is een beetje een negatieve inzet, maar het is een oprechte vraag, die mij en misschien ook u wel bekroop tijdens het voorbereiden van de preken over de 10 geboden. De dingen die God van ons vraagt zijn mooi en goed. Het zijn geen hele moeilijke dingen die bijzondere talenten of vaardigheden vereisen. God vraagt van ons niet dat we professor in de theologie worden, supermensen, of wat dan ook. God verbiedt ons eenvoudigweg te doden, liegen, stelen. En Hij vraagt van ons het tegenovergestelde daarvan: Dat wij Hem dienen, er gewoon voor onze naaste zijn, de waarheid spreken, zorgen dat ieder genoeg heeft om van te leven. Wat is daar nu zo ingewikkeld aan? En toch, wie houdt zich er volkomen aan? Niet alleen aan één, maar aan ál die geboden? Gek eigenlijk.

Het 10e gebod biedt ons hierop het antwoord. Het is eigenlijk niet zozeer een nieuw gebod, als wel een verdieping van de voorgaande 9.

‘Gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste, gij zult niet begeren het huis van uw naaste, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.’

Dit gebod richt zich op het ‘begeren’. Begeren dat is geen uiterlijke daad, geen overtreding die bij mensen strafbaar is, want ‘begeren’ dat doe je met je gedachten, van binnen. De eerste 9 geboden gingen over je gedrag, je doen en laten, buigen voor afgoden, vloeken, doodslaan, etc.. Het 10e gaat een stap verder, een stap dieper. Het zegt eigenlijk: ‘Al die eerste 9e geboden moet je niet alleen uiterlijk, in je gedrag, in de praktijk brengen, maar ook innerlijk, van harte. Ook je gedachten moeten rein zijn.’ In het 10e gebod komt het allemaal nog dichterbij.

Maar hoe kan God nu zelfs je gedachten veroordelen en zonde noemen? Ik heb daar best wel eens mee geworsteld. Je hebt zo vaak al iets gedacht voor je er erg in hebt. Je denkt vaak dingen die je ook helemaal niet wilt denken, over mensen om je heen, over dingen die je zou willen doen. Wat kun je daar nu aan doen? Gaat de HEERE hierin niet te ver?

Een Bijbelverhaal dat hier helder antwoord op geeft is het verhaal van de inname van Jericho. U weet wel. Het volk Israël trekt een week lang rond de stad en op de 7e dag storten de muren spontaan in. Met gemak veroveren de Israëlieten die machtige stad. Hen is door Jozua echter verboden om de stad te plunderen: Alle schatten komen toe aan de HEERE en moeten naar de tabernakel gebracht worden. Hij is het immers die de stad veroverd heeft! Maar er is één Israëliet die zich niet kon beheersen. Jozua verhoort hem, lezen we in Jozua 7,19-21:

19 Toen zei Jozua tegen Achan: Mijn zoon, geef de HEERE, de God van Israël, toch de eer en doe voor Hem belijdenis. Vertel mij toch wat u gedaan hebt, verberg het niet voor mij. 20 Achan antwoordde Jozua: Het is waar, ík heb tegen de HEERE, de God van Israël, gezondigd, en ik heb zo en zo gedaan. 21 Want ik zag onder de buit een mooie kostbare Babylonische mantel, tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf met een gewicht van vijftig sikkel. Ik begeerde ze en nam ze mee. En zie, ze zijn verborgen in de grond, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder.

We zien in dit verhaal welke rol ‘begeren’ speelt. Achan vertelt: ‘Ik zág al die schatten (kleding, zilver, goud!), ik begeerde ze, en nam ze mee.’ Begeren is dus niet zomaar een gedachte die op zichzelf staat, het is een stap op de weg van de zonde, die begint met het zíen, dan volgt het begeren, en tot slot de daad zelf: Hij nam het en verstopte het. Hij was zich dus best bewust dat niet mocht wat hij deed!

God kan onze gedachten en begeerten strafbaar stellen, omdat ze nooit op zichzelf staan. Begeerte heeft altijd een concrete aanleiding in de buitenwereld. Het is alleen maar een tussenstap tot de dadelijke zonde. Maar wel een essentiële stap. Vóórdat het uiterlijk verkeerd gaat, gaat er innerlijk al iets verkeerd. In je hart staat de wissel verkeerd, waardoor de trein van de zonde niet meer te stoppen is. Maar Achan kon niet verontschuldigend tegen Jozua zeggen: ‘Sorry, Jozua, maar dat goud blonk zo mooi, Ik kon er zelf niets aan doen, maar door de begeerte in mij kon ik het niet weerstaan…’ Nee, zo werkt dat niet.

En toch denken veel mensen in onze tijd zo. Je hoort het nog al eens als er sprake is van vreemdgaan: Wij voelden ons zo tot elkaar aangetrokken, we konden het niet weerstaan. Of jongeren die voor het huwelijk met elkaar naar bed gaan: ‘We wilden eigenlijk niet, maar van het één kwam het ander.’ Of mensen die vallen voor aanbiedingen van kleding of telefoons: Ik heb het gekocht. Ik had het niet echt nodig, maar ik kon het niet laten liggen. Of mensen die uitbarsten in schelden of verwijten en achteraf zeggen: Ik had het niet moeten doen, maar ik kon mij niet meer inhouden. Of andersom: mensen die zeggen: ‘Ik had het goed kunnen maken, iets voor mijn naaste kunnen doen, maar hij of zij stond me zo tegen, ik kon er niet toe komen.’ In feite voel je je dan een beetje slachtoffer van je eigen gedachten, driften en begeerten.

Dan zegt God heel duidelijk tegen ons: Zo gemakkelijk kom je daar niet mee weg. Je bent óók verantwoordelijk voor je gedachten, je driften, je begeerten, je verlangens. Het zijn immers jóuw gedachten, jóuw driften, jóuw begeerten, jóuw verlangens! Dat is niet iets wat je overkomt, maar wat uit jezelf komt!

2. Nog lang niet volmaakt 

De catechismus zegt dan ook: ‘Dat zelfs de geringste neiging of gedachte die tegen enig gebod van God ingaat, in ons hart nooit meer mag komen, maar dat wij altijd met heel ons hart alle zonden haten en liefde tot alle gerechtigheid hebben.’

Uit het 10e gebod leren wij dus dat ook al leven we uiterlijk best netjes, wij toch nog lang niet volmaakt zijn, omdat wij van binnen nog niet volmaakt zijn. Een volmaaktheid die God wel van ons vraagt. Dat leren we uit de wet van God, die dus soms anders is dan ons eigen gevoel.

Dat heeft ook Paulus ontdekt en opgeschreven in Romeinen 7. In de eerste hoofdstukken van Romeinen heeft Paulus prachtige dingen geschreven over dat wij door het geloof in Jezus Christus behouden, gerechtvaardigd zijn. Dat wij niet meer onder de zonde zijn, maar onder de genade. Voor altijd bij Jezus horen. Heel dat hoofdstuk 7 gaat vervolgens precies over deze vraag: Als dat allemaal zo is, waarom lukt het ons nog niet om volmaakt te zijn? We lezen in Romeinen 7:7-10:

7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei: U zult niet begeren. 8 Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood. 9 Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven. 10 En het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek voor mij de dood te betekenen.

De wet van God, zegt Paulus, is goed. Hij was gegeven om ons te laten zie hoe we volmaakt mogen leven. Maar die lat ligt zo hoog, dat we juist ontdekken dat dat voor ons te hoog gegrepen is en dat we in feite straf verdienen. Wat hij bedoelt, kan ik met een voorbeeld duidelijk maken. De Nederlandse wet verbiedt door rood rijden, dat weten we allemaal. Daarvoor kun je een flinke boete aan je broek krijgen. Zónder die wet zou door rood rijden natuurlijk even gevaarlijk zijn, maar niet verkeerd. Geen ‘overtreding’. De overheid leert ons door het instellen van verboden en boetes wat mag en wat niet mag. Zo leert God ons wat Hij goed en slecht vindt door de wet die Hij gegeven heeft. Zónder die wet zouden wij onze gedachten niet als ‘zondig’ bestempelen, maar dóór die wet wel, zegt Paulus.

Het gekke is dus dat wij door die wet van God te kennen alleen maar zondiger worden in plaats van beter. Misschien hebben we dat dit jaar ook wel ontdekt, toen we hoorden wat die geboden van God, die we dáchten te houden (we moorden en stelen immers niet!), allemaal inhouden. Je komt op het spoor van veel méér verbeterpunten dan je aanvankelijk gedacht had…

Vandaar dat de catechismus zegt in antwoord 115 dat het lezen en onderwijzen van de wet ertoe leidt dat ‘wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen’. Namelijk ons onvermogen om deze wet radicaal en helemaal te houden. Let op die woorden in vr. 113: ‘de geringste neiging’, ‘altijd’, ‘heel ons hart’, ‘alle geboden’. Vanuit onszelf zijn we best tevreden als we voor de Tien Geboden toets een 7 of 8 halen. Of in ieder geval een voldoende.

Maar dat is ónze gedachte, niet die van God, niet de lading van de wet. Dat is zoals Jezus later samenvat: ‘God liefhebben boven alles, met heel je hart, met al je kracht, met je hele verstand.’

Als we daar moeten komen, dan ben ik er nog lang niet. En u? Op dit punt haken veel mensen af. Want hier wordt je somber en cynisch van, denken ze. En we denken het soms ook zelf wel. Al dat gepraat over zonde in de kerk! Zwaar op de hand. Zo praat je een mens alleen maar de put in. Zo laat je mensen alleen maar negatief over zichzelf denken. Hier kweek je depressieve mensen mee!

3. Innerlijke strijd

Dan is wel goed om te weten waar dat gepraat over zonde vandaan komt. Het is niet zo dat we dat elkaar aanpraten hier in de kerk en elkaar daarin alleen maar napraten. Wanneer je Romeinen 7 leest, dan is het Paulus’ eigen worsteling, vanuit zijn verdriet en verlangen. Het verdriet níet zo te zijn als de Heere Jezus waard is. En het verlangen wél zo te zijn. Zo lezen we verder in Romeinen 7:14-17:

14 Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk,  verkocht onder de zonde. 15 Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet,  want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik. 16 En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is. 17 Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbreng, maar de zonde die in mij woont.

Allereerst is het goed om tegen elkaar te zeggen: Als wij geloven dat wij zondig zijn, dan is dat iets anders dan dat wij slechte mensen of waardeloze mensen zijn. Dat mogen we niet met elkaar verwarren. De Bijbel leert ons geen negatief mensbeeld. Dat zou ook in strijd zijn met de werkelijkheid. Om ons heen zien we veel goede mensen, die ook veel goede dingen doen. Dat mogen we niet ontkennen en ontkrachten, daar mogen we blij mee zijn. In onderlinge relaties, lichamelijk en psychisch gezien zit de mens prachtig in elkaar, is ieder uniek. Een christen heeft geen hekel aan zichzelf. Paulus heeft het dan ook niet over een psychische worsteling, maar een gelovige!

De lat van het geloof ligt namelijk niet op de voldoende, maar op de 10. We kunnen dan wel een 8 of 9 halen, wat ons in menselijk opzicht al een enorme prestatie lijkt en ons tot uitzonderlijk goede mensen maakt, maar het is niet volmaakt. En daar zit onze worsteling, want als je de liefde van de Heere Jezus hebt leren kennen, door Hem gered en verzoend bent met God, dan wil je ook voor Hem leven, Hem dienen en Hem eren, en het doet je verdriet als dat niet lukt zoals je zou willen. Je leeft voor je gevoel onder de maat, de maat van Christus en doet zo Hem en jezelf tekort.

Maar ook hier steekt de catechismus niet somber in als ze ons verzekert: ‘de allerheiligsten hebben in dit leven niet meer dan een klein begin van deze gehoorzaamheid, maar wel zo, dat zij met een ernstig voornemen naar alle geboden van God beginnen te leven.

De nadruk in deze zin ligt niet op dat ‘kleine begin’, wat in onze oren zo minimalistisch klinkt, maar op het positieve: Let op! Er is wel degelijk een begin, er is wel degelijk een ‘ernstig voornemen’. Dat is niet niks! Dat er sprake is van een worsteling in je met de zonde die nog overgebleven is, dat is niet iets om somber van te worden, maar om blij van te worden, want zo is het leven van élke ware christen. Met de voeten in de modder van deze wereld, maar met het hoofd omhoog, verlangend naar de hemel, naar de volmaaktheid, naar de Heere Jezus.

We hoeven dus niet te twijfelen aan onszelf, aan ons geloof, ook al zondigen wij. Nee, wij mogen zeker zijn van Gods genade, en daaruit leven. Vergeving hebben we ontvangen. We zijn met Jezus begraven in de doop, opdat wij ook met Hem in een nieuw leven mogen wandelen. Daar doen we niets van af. Maar je zou zo graag dan ook zo intens met Hem leven! Toch? 

4. Christus begeren

Zoals we net zeiden kan dit allemaal somber overkomen, en eindigen in cynisme en depressie. Daarom kiezen veel mensen ervoor om over deze dingen maar niet na te denken. Die gaan voor een oppervlakkig leven. Lang leve de lol, waarom al dat moeilijke gedoe. Toch is dat een leven wat uiteindelijk ook geen rust en bevrediging brengt. Je hebt weliswaar geen innerlijk verdriet over je zonde, maar je kent ook niet de innerlijke vreugde en bevrijding. Paulus presenteert ons die uitweg die veel beter is en waarmee je uiteindelijk ook veel beter af bent aan het eind van Romeinen 7, vers 24-25:

24 Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? 25 Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.

Helemaal in die diepte van de gelovige teleurstelling over zijn eigen onvermogen om het goede te doen, omdat uit zijn hart elke keer weer de begeerte tot het kwade omhoog komt, richt Paulus zich op Jezus Christus. En onmiddellijk slaat de klaagzang om in een loflied: ‘Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere’. Alleen als je weet van je zonde, weet je ook van verlossing. En hoe meer je jezelf kent, hoe meer je Christus nodig gaat krijgen. Zoals de catechismus zegt: ‘en daardoor nog meer begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.’

Prachtig vind ik dit. Zoals wij allemaal, worstel ik hier zelf ook best mee. De verleiding van onze tijd is dat oppervlakkige leven. Denk er niet aan, dan is het er niet. Of alleen in oppervlakkige zin: Ik heb inderdaad zo mijn fouten, maar God vergeeft, zand erover! Want dat andere drukt zo zwaar op onze schouders. Instinctief denken we: Als ik dan nog niet volmaakt ben, als er van alles met mij mis is, dan ben ik vast waardeloos en niet geliefd. Of dan moet ik keihard mijn best gaan doen en me suf lopen om bij God in een goed blaadje te komen. Je probeert te ontkomen aan jezelf, weg te groeien uit je zonde. Maar dat is een heilloze weg.

Nee, God zij dank door Jezus Christus. Hij verlost mij van al dat pogen, van al dat onvolmaakte, van al dat wegvluchten in de oppervlakkigheid. Ik kan het uithouden met mijn zonden en begeerten, omdat ik weet dat die mij niet meer in hun macht hebben. Ik ben van Christus. Zolang ik Hem zoek, Hem volg, hoe onvolmaakt ook, is het licht in mijn leven. Leven in dat geloof is leven in verlangen naar Jezus. Kent u dat? Begeerte niet naar alles wat de wereld kan bieden, maar begeerte naar Christus. Omdat Hij ondanks alles van mij houdt en tot Zijn kind aanneemt. De innerlijke zondigheid en onvolmaaktheid wordt dan gek genoeg een bron van hemelse vreugde.

5. Verlangen naar volmaaktheid

Ja, je kunt wel verdriet hebben om de onvolmaakte wijze waarop je God dient. Maar moedeloos hoef je niet te zijn. Er is wel degelijk een klein begin van volmaaktheid in ons, een ernstig voornemen om voor God te leven. En daar zal het ook niet bij blijven. Wat begonnen is, maakt de HEERE ook af. Wij zullen ooit echt volmaakt zijn. Op die weg zijn we. Christelijk geloof heeft dus niets van ‘dan maar bij de pakken neerzitten want het is niks en zal niks worden ook.’ Nee, er ís een klein begin en het komt af ook, dat belooft God!

Vandaar dat Paulus dat diepste verlangen van zijn hart met ons kan delen, zoals het staat in Fillipenzen 3,12-14:

12 Niet dat ik het al verkregen heb of al volmaakt ben, maar ik jaag ernaar om het ook te grijpen. Daartoe ben ik ook door Christus Jezus gegrepen. 13 Broeders, ikzelf denk niet dat ik het gegrepen heb, 14 maar één ding doe ik: vergetend wat achter is, mij uitstrekkend naar wat voor is, jaag ik naar het doel: de prijs van de roeping van God, die van boven is, in Christus Jezus.

Er staat ons nog zoveel te wachten. Nee, we zijn er nog niet, persoonlijk, als kerk, als wereld, maar het Koninkrijk van God gaat komen, waar alles af en heel zal zijn. Waar we niet meer heen en weer geslingerd worden door tegenstrijdige begeerten in ons hart, maar waar nog één ding overblijft en dat is de liefde voor Christus. Paulus denkt niet dat zijn jagen en uitstrekken hem daar zal brengen, maar dat is het fanatisme van de liefde die niet kan wachten tot het zover is.

De catechismus vertaalt het daarom als: ‘Zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest’. Ora et labora. Bid en werk. Een christen is een ongeneeslijke idealist en positivist. Er kan geen val zo diep, geen zonde zo groot, geen mislukking zo erg zijn, dat we het opgeven en de HEERE vergeten. De heilige Geest zorgt er achter de schermen van ons leven voor dat we volhouden, doorgaan, blijven verlangen, niet opgeven, moed houden. Niet uit hoogmoed dat je het zelf denkt te kunnen volhouden of volmaakt te worden, helemaal niet, maar omdat je hoe langer hoe mee van God bent gaan houden, van Wie Hij is. Hoe Hij zich openbaart in Zijn Zoon Jezus Christus, in de Bijbel die Hij ons gegeven heeft. Ja, als die liefde gekomen is in je leven, dan weet je niet meer van ophouden, daar wil je méér van.

Paulus zegt: Omdat ik door Christus gegrepen bent, grijp ik naar de volmaaktheid om te zijn zoals Hij is.

Laat u dus niet sussen door mensen die het in hun oppervlakkigheid niet over zonde willen hebben, maar steek af in de diepte geleid door de wet van God. Leg keer op keer die Tien Geboden langs uw leven als u ze hier hoort in de kerk. Niet moralistisch als een wetboek, als regeltjes waar je je aan moet houden. Maar besef, ervaar, daarin uw eigen onvolmaaktheid. Niet om jezelf tot cynisme of moedeloosheid te brengen. Integendeel, hernieuw door het geloof in Christus elke keer weer de moed, het verlangen, dat u ooit werkelijk volmaakt zult zijn. Dat zal niet in dit leven zijn, maar we kijken daar in geloof overheen naar de nieuwe hemel en nieuwe aarde. Strek u daarheen uit, jaag daarnaar. Uit liefde, uit verlangen, uit dankbaarheid.

Amen