Leeservaring: Den Admirant: Hij is niet ver

Het thema van Gods aan- of afwezigheid is een hot issue binnen en buiten de kerk. De auteur bedoelt ook op die vragen in te gaan. Maar door de opzet van het boek, waarin niet gestart wordt vanuit onze vragen, maar massief vanuit de openbaring en theologie, lijken juist die vragen niet echt serieus genomen te worden.
Natuurlijk kun je vanuit de Bijbel stellen dat God zich openbaart en van zich laat horen, theologisch is dat juist, maar het rare is dat dat voor moderne mensen nauwelijks nog geloofwaardig is. Als antwoord op de secularisatie en onze moeite met geloven wijst Den Admirant op de opwekkingsbewegingen van de 18e en 19e eeuw met de conclusie dat de Heilige Geest uiteindelijk degene is die onze geestelijke luiheid moet doorbreken. Ook dat is theologisch correct, maar geeft geen dieper inzicht in waar onze geestelijke luiheid in onze postmoderne tijd nu eigenlijk vandaan komt. Het boek spoort aan om Gods aanwezigheid te zoeken in kerkdienst, gebed en bijbellezen, en dat is te prijzen, maar als niet een spa dieper gekeken wordt naar de oorzaken van het betekenisverlies (zie: Wisse – Zo zou je kunnen geloven) van juist die traditionele heilsmiddelen, helpt dit niet veel verder.
Omdat er commentaar kwam op de eerste druk, heeft de auteur in deze tweede druk een hoofdstuk toegevoegd waarin hij meer ingaat op het gevoel van de afwezigheid van God. Echter, dit is meer een pastoraal hoofdstuk, dan een theologische verdieping. Daarvoor kun je beter terecht bij Plaisier – Overvloed en overgave.
De indeling van het boek in ultrakorte hoofdstukjes en kleine verdiepingen maakt dat je er niet echt lekker in komt en dat geen enkel thema echt de ruimte krijgt die het nodig heeft. De schrijfstijl is verder wel erg afstandelijk en prekerig. De tweede ster krijgt de auteur van mij dan ook alleen cadeau omdat ik wel zijn positieve intentie proef om met deze thema’s bezig te zijn, en zijn verlangen naar meer aanwezigheid van God.

Advertenties

Moeilijke vraag (7): Waarom merk ik zo weinig van God?

Preek in een leerdienst gehouden te Everdingen.

Crucifixion – Alonso Cano (1638)

Gemeente van Jezus Christus,

1. Waar is God?

In Knielen op een bed violen beschrijft Jan Siebelink het geloof van zijn vader. Die was plantenkweker en zag op een dag een groot licht, dat hem op zijn knieën bracht. Hij raakte bekeerd en leefde van toen af in mystieke verbondenheid met God. Hij ging ijverig kerkdiensten bezoeken en investeerde het weinige geld dat hij verdiende in godsdienstige boeken. Jan Siebelink schrijft daarover met afstand en overdreven, hij gelooft zelf niet, maar in interviews heeft hij wel eens toegegeven eigenlijk jaloers te zijn op zijn vader. Ergens verlangt hij ook naar zo’n bijzondere ervaring van Gods aanwezigheid.

Het is wat veel mensen zeggen als je in gesprek raakt over het geloof in God: ‘Als ik nu eens echt iets van hem zou merken, ja, dan zou ik het wel geloven. Maar ik voel er niets bij. Ik hoor geen stem. Ik zie geen wonderen.’ Wat zeg je dan?

Als je de Bijbel leest, krijg je de indruk dat het best wel afsteekt tegen onze hedendaagse ervaring. De Bijbel is vol wonderen. Schepping, zondvloed, Exodus, Gods openbaring op de Sinaï, verovering van Kanaän met de muren van Jericho die omvallen. Simson, David, de tempel van Salomo. De profeten die namens de HEERE spreken. En dan: Jezus. Zijn woorden. Zijn wonderen. Zijn dood en opstanding. De uitstorting van de heilige Geest. De groei van de kerk. Je krijgt de indruk dat God constant merkbaar, voelbaar, hoorbaar, ervaarbaar aanwezig is.

Het zou mooi zijn als je dan zelf zou kunnen getuigen van de Godservaringen in je eigen leven. Hoe je met God leeft, Hem ziet en hoort. Een beetje in de lijn van Bijbel waar God ook telkens overduidelijk aanwezig is en spreekt. Waar zijn grote daden van de geschiedenis afspatten. Maar,… als ik het goed zie, lijkt het helemaal niet zo te zijn dat wij als kerkgangers nu zoveel meer van God merken dan niet-kerkgangers. Ikzelf ook niet. Ik mag dan dominee zijn, maar dat betekent niet dat ik nou een bijzonder contact met God heb, meer dan jullie. Soms voelt God ook voor ons zo op een afstand dat wij gaan twijfelen.

Nu moet je niet denken dat er dan iets mis is met je. Of iets mis met je geloof. In feite beschrijft de Bijbel niet alleen de aanwezigheid van God, maar ook vaak zijn afwezigheid. Als je de grote hoogtepunten van de Bijbel uitsmeert over de 2000 jaar geschiedenis die de Bijbel vertelt, dan gebeurde er dus ook wel eens jaren, ja, generaties helemaal niets. Dat het stil bleef uit de hemel. In de psalmen en profeten wordt daarmee ook al geworsteld. Zo staat in Jesaja 63 een gebed tot de HEERE opgetekend:

11 Maar nu, waar is Hij Die hen deed opgaan uit de zee
met de herders van Zijn kudde,
waar is Hij Die Zijn Heilige Geest
in hun midden stelde, …?
15 Kijk neer uit de hemel en zie
uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,
Uw innerlijke bewogenheid
en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in. 

Ook in die tijd, de tijd van de ballingschap van het volk Israël, keek men terug op de grote daden van God in het verleden en men zei: ‘Vroeger hielp God ons, maar nu? We merken er niets meer van. Waar is God?’ En het kan ons als aanvechting aangrijpen: ‘Houden we onszelf niet voor de gek met ons geloof in God?’ Als Hij er echt zou zijn, zou Hij niet meer van zich laten horen en zien. Dat zouden wij in ieder geval graag willen. Waarom laat God ons in een soort onzekerheid, waarom is er zo weinig extern bewijs en bevestiging. Niet alleen voor ons persoonlijk, maar door alle tijden heen. Dan zou het toch gemakkelijker zijn om te geloven? Niet zo vaag, zo abstract, zo ingewikkeld.

2. Geen ervaring, maar geloof

Er is één hele simpele reden waarom wij weinig van God zien, en dat is dat wij Hem niet kunnen zien. Wij hebben zintuigen, ogen, oren, reuk, tast, smaak, die ingesteld zijn op de wereld om ons heen. Maar God hoort niet bij deze wereld. Hij bestaat daarbuiten als de Schepper. Onze zintuigen zijn beperkt. En voordat we daarover klagen, moeten we eerst eens goed nadenken, wat het zou betekenen als het anders zou zijn. Als God voor ons waarneembaar zou zijn. Zou dat beter zijn?

Het zou niet gemakkelijker zijn om te geloven, er zou in het geheel geen geloof meer nodig zijn! Want de schrijver van Hebreeën zegt in hoofdstuk 11:

1 Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet. … 8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou. 9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. … 13 Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. 

Het geloof heeft iets extra’s boven ervaring en bewijs, boven stellig weten. Zoals de Catechismus zo mooi zegt: ‘Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Tegelijk is het een vast vertrouwen.’ (Vr. 21) Dat weten, dat kan ons wel gegeven worden door ervaring, maar vertrouwen, dat zit daar niet automatisch aan vast. Integendeel: vertrouwen is pas echt vertrouwen bij een zekere mate van niet weten. Pas als iemand je blinddoekt en je alleen een stem moet volgen, komt het aan op vertrouwen.

Hoe gek het dus ook klinkt: Gods verborgenheid is voor ons eigen bestwil, om de weg van geloof en vertrouwen voor ons begaanbaar te maken. Dat God zich verborgen houdt, maakt het geloof niet onmogelijk, maar juist mogelijk.

En het is ook zo: Wij zouden het net onze beperkte zintuigen niet aankunnen om God te zien. Zelfs Mozes kon God niet zien. Wij zouden de glorie van Zijn majesteit niet kunnen verdragen. Gods totale aanwezigheid zou alles in beslag nemen, zou geen ruimte voor ons overlaten. Zeker omdat er een contrast is tussen Gods heiligheid en onze onheiligheid, onze zonde. Gods verschijning zou voor ons zijn als een verterend vuur. Als wij God oproepen dat Hij zich aan ons vertoont en bewijst, moeten we wel goed weten wat dat in zou houden. Als in de Bijbel over Gods aanwezigheid en optreden gesproken wordt, dan is het vaak over Zijn oordelen. Dan ging het niet over ‘een fijne godservaring en een warm gevoel van binnen’.

God maakt het niet gemakkelijk. Hij speelt verstoppertje met ons. Zodat wij naar Hem zullen zoeken. Het met Hem wagen. Hem leren vertrouwen. God wil niet dat wij zoeken naar ervaringen van Hem zoals de vader van Jan Siebelink die had. Ook niet de ervaringen die wij soms opdoen als we een mooi lied zingen, als we Nederland Zingt kijken of naar de EO-jongerendag gaan. Dat zijn persoonlijke individuele ervaringen die er mogen zijn, maar dat is nog geen geloof. Waar God ons wel toe wil leiden, zegt de catechismus, dat is ‘dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus.’ (Vr. 21)

3. In Jezus openbaart én verbergt God zich

Nu speelt God niet alleen maar verstoppertje. We hebben niet een God die zich volkomen voor ons verbergt. Gelukkig niet. Dan zou geloof daadwerkelijk onmogelijk zijn. We moeten wel iets hebben om in te geloven. Als christenen wijzen we dan naar Christus. Jezus komst naar de wereld betekent dat voor eens en altijd duidelijk is geworden Wie God is. In Hem heeft God van zich laten horen. Van Zijn liefde voor ons mensen. Heel het Oude Testament wijst naar Hem vooruit. Heel het Nieuwe Testament gaat over Hem. De Messias. De Redder. Als God ergens voelbaar, merkbaar, tastbaar aanwezig was, dan was het in Jezus Christus.

Als ons gevraagd wordt, wat wij van God merken, dan denken wij in de eerste plaats vaak aan onze eigen ervaringen en gevoelens, aan de geloofsweg die wij persoonlijk bewandelen, de belangrijke momenten daarin, van doop, belijdenis en avondmaal. Maar het nadeel daarvan is juist ook het persoonlijke. Het zijn ervaringen die van jezelf zijn, waar een ander niet iets aan heeft, waar je een ander wel van kunt vertellen, maar niet in kunt laten delen. En als het goed is, is ook ons eigen geloof niet op dat soort momenten gebouwd. Het christendom is geen mystieke godsdienst. Maar juist heel concreet. Als het om God in de wereld gaat, wijzen wij naar één mens, naar Jezus Christus. Zo doet Johannes het in zijn evangelie (Johannes 1):

10 Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. … 14 En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. … 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. 

Valt u ook het dubbele op in deze teksten? Aan de ene kant is Jezus volgens Johannes de zichtbare heerlijkheid van God. Hij heeft onder ons gewoond. En toch: de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Juist rond Jezus komt alles op scherp te staan: Meer dan ooit, het meest vergaand, openbaarde God zich in Jezus. Maar het was niet genoeg… Jezus riep niet alleen geloof op, maar vooral ook onbegrip. Woede. Verachting.

In al Zijn menselijkheid bleef Jezus ook God, en daarin ook ongrijpbaar en onbegrijpelijk. Hij openbaarde zo volkomen Gods liefde, dat de mensen zich af gingen vragen of dat wel echt waar was. Of er niet een addertje onder het gras zat. Jezus was te mooi en goed om waar te zijn. Ook hier gold weer: de openbaring van Gods heerlijkheid heeft een verblindend effect. Zelfs zijn eigen leerlingen vroegen zich af: ‘Wie is toch deze?’ In Jezus openbaart én verbergt God zich tegelijkertijd. Jezus verscheen niet in glans en glorie, maar in gewone menselijke gestalte. Zijn Goddelijkheid werd niet opeens beschikbaar en algemeen toegankelijk. Ook Jezus vroeg om geloof, vertrouwen.

Voor eens en altijd is met Zijn komst wel duidelijk geworden: Als wij God zoeken, dan moeten wij ons niet in mystiek en meditatie richten tot een bovennatuurlijke werkelijkheid, tot een ontoegankelijke, transcendente hemel, wij mogen God zoeken in de fysieke wereld, in de menselijke gestalte van Jezus Christus, onze Heere. 

4. Het kan dat we verkeerd kijken… 

Hoe kan het dat we zo weinig van Hem merken? Dat zou best kunnen omdat we verkeerd kijken. Dat we dus omhoog kijken naar de hemel. Of speuren in onze ziel en ons gevoel. Of dat we verwachten dat God werkt in wonderen en spectaculaire ervaringen als het grote licht dat de vader van Jan Siebelink zag. Maar dan kijken we verkeerd. Als we met menselijke ogen naar Jezus kijken, dan zouden we ook God niet zien. Ja, wellicht in zijn wonderen. Maar dan loop je toch stuk op het einde van zijn leven. Op het kruis. Is dat nu openbaring van God?

Ja, dat is de diepste openbaring van God. Waar merk je het meeste van God, van Wie Hij is, van hoe Hij is? Dan moet je Jezus aan het kruis zien hangen. Wij mensen verlangen een ‘theologie van de glorie’, zoals dat wel eens genoemd wordt:

Dat God altijd en overal aanwezig en merkbaar is, in het fijne, het mooie, het goede gevoel, het wonder, de inspiratie. Kerkelijke stromingen die zich daarop richten vieren ook in onze dagen hoogtij: de pinksterbeweging, charismatische gemeenten, evangelische gemeenten, die drijven daarop, die hebben aantrekkingskracht. Tegenover deze ‘theologie van de glorie’, staat de ‘theologie van het kruis’, die vooral Paulus zo aangrijpend verwoordt in 1 Korinthe 2:

6 En wij spreken wijsheid onder de geestelijk volwassenen, maar een wijsheid niet van deze wereld, en ook niet van de leiders van deze wereld, die tenietgedaan worden. 7 Wij spreken echter de wijsheid van God, als een geheimenis; een wijsheid die verborgen was en die God vóór alle eeuwen voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid; 8 een wijsheid die niemand van de leiders van deze wereld gekend heeft. Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. 9 Maar het is zoals geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. 

Het gaat in Gods openbaring om de Gekruisigde Christus. Dat gaat in tegen alle begrip en wijsheid, tegen alle verwachtingen van de wereld. Zij zagen Jezus, maar zij zagen daarin niet God. Een Gekruisigde, die is vervloekt. En dat is precies wat God is en hoe God werkt: in de opoffering, de vernedering, het lijden, de dienstbaarheid, de eenvoud, de stilte, de eenzaamheid, de verlatenheid, de vervolging. Zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis. In die dingen die wij precies niet met God zouden associëren, waar wij Hem niet zouden verwachten.

Die lijn mogen we voor onszelf doortrekken ook naar vandaag. Als wij God in Jezus zo leren kennen. Waar zouden wij Hem dan mogen verwachten te zien en te merken? Toch niet in het spektakel. Ik denk dat de heilige Geest ons wil leren dezelfde weg te gaan als Jezus, van zelfopoffering, eenvoud, dienstbaarheid, lijden, vervolging. Alleen op die weg zullen we Hem ontmoeten. Waar is God in onze dagen?

Misschien niet in snelgroeiende evangelische gemeenten in Amerika, maar in de kleine clubjes die de lofzang gaande proberen te houden in Irak. Misschien niet in de grote wereldpolitiek, maar bij pater Frans van der Lugt, die zijn leven gaf in Syrië om bij de mensen te kunnen zijn. Misschien niet in de voetbalstadions van Brazilië waar voetballers baden om een overwinning, maar in de favela’s, de sloppenwijken bij nonnen die hun leven toegewijd hebben om wezen op te vangen. Misschien spreekt God niet tot gelovigen die het goed met zichzelf getroffen hebben, maar wel tot een verkommerde ziel, die het niet meer redt. Misschien is God niet te vinden op festivals, in directiekamers, in de politiek, in militaire overwinningen, in rijkdom, in mooie muziek, in de natuur, maar in ziekenhuizen, op begraafplaatsen, in asielzoekscentra, gevangenissen en vluchtelingenkampen, en bij die eenzame zieke of oudere thuis. 

5. Het doen met wat anderen hebben gezien.

En ook daar moeten we het doen met geloof. Daar redden we het niet met onze eigen ervaring. Juist daar niet. Dat we van God zo weinig merken, dat betekent ook dat we moeten teren op wat ons al gegeven is. In het christelijk geloof gaat het niet om het gevoel, maar om de feiten, de waarheid. De meeste dingen die we voor waar houden, hebben we niet zelf kunnen controleren en ervaren. Alle kennis van cultuur en geschiedenis, van biologie en sterrenkunde, we nemen het aan. Tweedehands informatie als het ware. En we vertrouwen erop dat het waar is.

In het christelijk geloof is het ten diepste niet anders. Het belangrijkste ingrijpen van God in deze werkelijkheid is niet in ons gevoel en in onze ervaring, maar dat is de concrete geschiedenis van Jezus Christus, dat feitelijke gebeuren van 2000 jaar geleden. Wat wij daarbij voelen en ervaren, onze twijfel en aanvechting, het doet er ten diepste niets meer aan toe of af. Zoals Paulus schrijft in 1 Korinthe 15:

3 Want ik heb u ten eerste overgeleverd wat ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, overeenkomstig de Schriften, 4 en dat Hij begraven is, en dat Hij opgewekt is op de derde dag, overeenkomstig de Schriften, 5 en dat Hij verschenen is aan Kefas, daarna aan de twaalf. 6 Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nu nog in leven zijn, maar sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. 8 En als laatste van allen is Hij ook aan mij verschenen, als aan de ontijdig geborene. 9 Ik immers ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb. 

Dit getuigenis van Paulus is juist zo betrouwbaar, omdat hij het eerst zelf ook niet geloofde. Jezus was voor hem een struikelblok, een steen des aanstoots. Tot Jezus zelf als de Levende aan Hem verscheen. Dat wij dit verslag van deze ooggetuige hebben, maakt het betrouwbaar. We mogen erop vertrouwen dat de bijbelschrijvers niets uit hun duim hebben gezogen. En dat hebben ze niet… dan hadden ze wel een menselijker en geloofwaardiger verhaal bedacht dan dat van een gekruisigde en opgestane God.

Als wij zelf geestelijk droog staan, weinig tot niets van God merken, dan mogen we terugkeren naar Gods grote daden in de geschiedenis. Wat de catechismus ook zegt: ‘Wat moet een christen geloven? Antwoord: Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt. Daarvan geven de artikelen van ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof een samenvatting.’ (Vr. 22). Het gaat niet om onze Godservaring, maar om Gods openbaring in de Bijbel en de neerslag en samenvatting daarvan in onze belijdenisgeschriften, om de getuigenissen van christenen van alle tijden ook door heel de kerkgeschiedenis heen. De kennis daarvan kunnen we alleen tot onze eigen schade en schande terzijde schuiven.

God hoeft niet meer direct en onmiddellijk tot ons te spreken, Hij heeft al op zoveel manieren en zo overtuigend gesproken door heel de geschiedenis heen en ten diepste in Zijn Zoon Jezus Christus. Dat mag ons genoeg zijn. Daarheen mogen we zelf telkens terug keren, en daarop mogen we ieder die God zoekt wijzen.

Amen

Beeldenstorm (2e gebod)

Preek over het 2e gebod a.d.h.v. bijbelteksten en Zondag 35 (Heidelbergse Catechismus).

Tintoretto – The Worship of the Golden Calf (1563)

Gemeente van Jezus Christus,

Het merkwaardige van het christelijk geloof is dat we er helemaal niets van zien. Je staat toch met een mond vol tanden als mensen je zeggen: Sorry hoor, maar ís die God van jullie dan? En daarop valt niet zoveel terug te zeggen. Je kunt niet antwoorden: Kijk maar hier of daar. Dáár heb je duidelijk bewijs. Híer zie je dat God er echt is. En dat maakt het voor onszelf ook vaak moeilijk in God te geloven. Zeker in moeilijke situaties steekt twijfel vaak de kop op: Is God wel bij me? Helpt Hij wel? Je zou dan graag iets meer houvast hebben. Waarom laat God niet iets meer van zich zien en merken?

Precies dát verlangen leefde ook onder het volk Israël toen ze uit Egypte door de woestijn trokken. Mozes vertelde hun dat God tegen hem gesproken had. En ja, er gebeurden bijzondere dingen. Maar van die God zélf hadden ze nog geen glimp opgevangen. En toen ging Mozes ook nog van hen weg, degene die nog een soort verbindingslijntje met God vormde. Hoe zouden ze nu weten dat de HEERE met hen was? In Exodus 32 lezen we wat er gebeurde:

1 Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op,  maak voor ons goden die vóór ons uit gaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is. 2 En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij. 3 Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron. 4 Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben. 5 Toen Aäron dat zag, bouwde hij er een altaar voor, en Aäron kondigde aan: Morgen is er een feest voor de HEERE! 6 Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten ook dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.

Let goed op die woorden van Aäron: ‘Morgen is er een feest voor de HEERE’. In het bewustzijn van het volk deden ze niets verkeerd. Ze gingen niet opeens over op een andere religie, een andere god. Want dat gouden stierkalf symboliseerde de aanwezigheid en de kracht van de HEERE God, naar hun idee. Ze dienden de HEERE ermee, dachten ze, ‘het is een feest voor de HEERE’. Zo was Hij hun nabij. Later doet Jerobeam hetzelfde als hij gouden stierkalveren laat oprichten in Dan en Bethel. En op veel meer plaatsen in het Oude Testament lezen we over cultusplaatsen die ingericht worden met een gegoten beeld, een bewerkte steen of houten paal, die de HEERE voor moet stellen.

Zo werden de goden van de heidenen gediend, en zo dacht Israël dat God ook wel gediend kon worden. Het is zo begrijpelijk: iets zichtbaars willen hebben, iets tastbaars. Maar hoe wij ook denken daar God mee te dienen, Hij is er helemaal niet van gediend. Daarom is er dan uitermate strenge tweede gebod:

‘U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.’

Het eerste gebod ging over de vraag: Wélke God dien je? Het Bijbels gezien enig juiste antwoord moet zijn: de HEERE, Jahweh, de God van Israël. Dan stelt het tweede gebod de vraag: Hóe moet je die God dienen? Daar gaat het nu over. En dat is ook vandaag de dag een belangrijke vraag. Je kunt God niet zomaar dienen, zoals je denkt dat het goed is, op je eigen manier. Veel mensen denken dat vandaag de dag wel. Je hoort ze rustig zeggen: Ja, ik geloof wel in God, maar op mijn eigen manier. Als je zo denkt, dan ga je mee in de grote zondeval van het volk Israël. De afloop van het verhaal van het gouden kalf is dat de stenen tafelen die Mozes op de berg ontvangen heeft als bevestiging van het verbond verbroken worden en dat drieduizend Israëlieten sterven als straf.

Waarom, vraag je je af? Waarom mogen we niet zelf bepalen hoe we God dienen? Dat vinden we toch juist fijn: We zingen liederen die we zelf gemaakt hebben op een wijs die ons aanspreekt. We bidden als we daar zin in hebben. We lezen de stukken uit de Bijbel die we mooi vinden. We gaan naar de kerk als het ons uitkomt. Het geloof moet toch uit onszelf komen? Geloven kun je toch niet doen met opgelegde vormen?

Dat lijkt ons een logische redenatie, maar in de Bijbel en de kerkgeschiedenis zien we dat zodra je op die manier gaat denken het dan faliekant mis gaat. In de tijd van de Bijbel ging dat vooral door het maken van beelden. Voor mensen toen maakte het tastbaar en concreet waarin ze nu eigenlijk geloofden. Het maakt het dienen van God ook heel praktisch: je bouwde aan huis, een tempel, voor dat beeld, daar bracht je offers en dat was de plek waar je kon bidden. Met andere woorden: het geeft aan geloven en religie een hoop duidelijkheid. Dat spreekt ons aan. Ik hoor het van veel mensen: Laat het niet zo vaag zijn in de kerk. Laten we het concreet en praktisch maken.

Waar dat toe leidt lezen we in 1 Samuel 4. Het volk Israël is in oorlog met de Filistijnen en het gaat niet: ze verliezen een veldslag.

3 Toen het volk in het kamp teruggekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden. 4 Toen zond het volk boden naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten,  Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. … [Toen] 7 werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is er sinds jaar en dag niet gebeurd. 8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze machtige goden? Dit zijn dezelfde goden die de Egyptenaren met alle plagen getroffen hebben, bij de woestijn. 9 Filistijnen, vat moed en wees mannen, anders zult u de Hebreeën moeten dienen  zoals zij u gediend hebben. Wees mannen, en strijd! 10 Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend man voetvolk. 11 En  de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.

Hier zie je gebeuren wat de gevolgen van die menselijke gedachten zijn: Als wij de HEERE betrekken bij onze strijd – gesymboliseerd in de ark van het verbond – dán is God met ons en dan wínnen we de oorlog. Hier zie je hoe gemakkelijk het idee binnen is geslopen dat wij door onze godsdienstige vormen grip krijgen op God, Hem dingen kunnen laten doen die wij willen. Over Hem kunnen beschikken. Of er blind op vertrouwen dat God wel bij ons zal zijn op de weg die wij gekozen hebben. Dat is echter ten diepste heidendom: Het Bijbels Godsgeloof is er niet voor ons eigen gevoel, om ons gerust te stellen, voor onze troost en bemoediging, om het leven aan te kunnen. Alle menselijke religie drááit daar om. En zo hoor je ook vandaag de dag mensen spreken over geloof in God. Maar het merkwaardige aan ons geloof in de God van Israël: wij beschikken niet over Hem, maar Hij over ons. God is er  – in de eerste plaats – niet voor ons, maar wij voor Hem.

Tenminste, als het goed is… Als het goed is, is dat de structuur van het geloof in ons leven. Maar telkens weer betrap ik mezelf erop, en misschien is het bij u niet anders, dat je gebeden zo snel egoïstisch worden. Ik bedoel dat je vooral bidt voor jezelf, de dingen die je nodig hebt of je geliefden om je heen. Terwijl het omgekeerde: het aanbidden van God, het luisteren naar Zijn geboden, jezelf aan de kant zetten in dienst van Gods Koninkrijk keer op keer tekort komt. In wezen maken we ons dan schuldig aan precies hetzelfde als de Israëlieten die een gouden kalf maken of de ark van het verbond inzetten in de strijd met de Filistijnen: We denken dat het leven vooral draait om ons, om ons religieuze gevoel, om ons levensgeluk, en dat God vooral daaraan mee moet helpen.

Ondertussen staat de belangrijke vraag op het spel: Hoe moet het dan wel? Je kunt zeggen wat je wilt, maar de beeldendienst ten tijde van het Oude Testament, kwam voort uit een soort oprecht verlangen naar de nabijheid van God, ja, naar de ontmoeting met God. Dat het volk Israël graag een beeld van de HEERE wilde, in de vorm van het gouden stierkalf was de foute manier, maar het idee was goed. En dat Israël hun God wilde betrekken bij de oorlog was een goed idee. En zo verlangen wij allemaal dat God dicht bij ons is. Dat wij ons veilig weten bij Hem. Ook wij hebben daarvoor onze vormen. De kerkdienst, de stille tijd, een tegeltje aan de muur, het zijn allemaal manieren om ons dichtbij God te voelen.

Maar God kent ons nog beter, dan wij onszelf kennen. Al die gebruiken, gewoonten en ideeën om toegang tot God te krijgen, hebben de neiging om na verloop van tijd een doel op zichzelf te worden. Dat zie je bijvoorbeeld alleen al aan de omgang met discussies rond de liturgie. We denken al snel dat een bepaalde vorm of een bepaalde traditie die toegang tot God garandeert. Aan de ene kant is er dan een partij die dat helemaal verwacht van de psalmen oude berijming, maar aan de andere kant is minstens een even felle groep die het verwacht van nieuwe liederen uit opwekking. Beide groepen verwachten van hun vorm dat het beter of meer kan dienen als manier om tot God te naderen, om Hem te ontmoeten. Maar dáár zit het niet in. Gelukkig niet. Dat is het bevrijdende van het 2e gebod.

Precies deze vraag ‘Hoe krijg je toegang tot God’ is aan de orde in Johannes 4, in het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw. Zij vraagt:

20 Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden. 21 Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden. 23 Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden. 24 God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

Hier is precies de vraag: Waar moet je zijn en wat moet je doen om God te ontmoeten, om bij Hem te komen, om toegang tot Hem te krijgen? Tussen de Joden en Samaritanen was het twistpunt: Je moet daarvoor in Jeruzalem zijn of op de berg Gerizim. Op de heilige plek. En daar moet je de juist heilige woorden spreken en de juiste rituelen uitvoeren. En dán, dán heb je toegang tot God. Maar Jezus rekent daar helemaal mee af, zoals in het 2e gebod met die andere methode om toegang tot God te hebben, het maken van beelden, afgerekend wordt.

Heel simpel zegt Jezus: ‘Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden.’ Het is véél eenvoudiger dan wij mensen vaak denken. Je kunt je gewoon direct tot God richten, Hij hoort alles, en belooft Jezus, mensen die zich zo oprecht tot God richten, die zoekt de Vader op.

Alle rituelen en magie rond de beeldendienst en religie worden daarmee radicaal buiten de deur gezet. Mét de bijbehorende angst/onzekerheid. Want het heidendom kent de martelende gedachte dat als je níet op de goede plek bent, als je níet de juiste mooie liederen zingt of heilige woorden gebuikt in je gebed, dat de hemel dan gesloten blijft en dat je er alleen voor staat. Israël is niet alleen bevrijd uit Egypte, maar in de Tien Geboden óók bevrijd van die angst. Voortaan hoeven ze nooit meer in te zitten over de nabijheid en de toegang tot God. Daar hoeven ze zélf niet nog heel veel voor te doen. Daar heeft God alles al aan gedaan om dat mogelijk te maken. Dat is de kern van wat Jezus geeft als antwoord aan die Samaritaanse vrouw: Omdat Ík er ben heb ook jij toegang tot God en mag je weten dat Ík met je ben.

Dankzij Jezus Christus mogen wij christenen oernuchter in de wereld staan: Er zijn geen heilige plekken, dieren, woorden of mensen nodig om ons toegang tot God te verschaffen. We hoeven niet te geloven in de werking van meditatie, wierook, rituelen, etc. Wij geloven in een hele directe relatie met God, een eenvoudige manier om Hem te ontmoeten en dat is door het woord. Het Woord van boven, God die spreekt in Zijn Woord en de verkondiging daarvan. En wij praten terug in het gebed. Die weg wordt ons getoond door het evangelie van Jezus Christus. Die bevrijding en belofte ligt er in het 2e gebod.

Het beeldverbod voorkomt dat wij tussen God en ons nog allerlei tussenstappen inbouwen, die onverhoopt blokkades gaan vormen. Dat is niet alleen jammer voor ons, maar dat maakt God ook jaloers. Dat onze aandacht dan op gaat aan andere dingen, in plaats van aan Hem. Er mag niets tussen God en ons in komen. Ja, alleen Jezus Christus. In het Nieuwe Testament wordt over Hem gesproken als het ‘beeld van de onzichtbare God’:

14 In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden. 15 Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping. 16 Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn: tronen, heerschappijen, overheden of machten; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. 17 En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem.

Wij mensen hebben graag zichtbare beelden, houvast in rituelen en woorden. Dat wordt ons dus ontnomen. Daarover zou je kunnen treuren: dan vervluchtigd, vervaagt, vergeestelijkt het allemaal wel erg. Maar dat is niet de Bijbelse lijn: het beeldverbod is geen vergeestelijking, alsof er in onze werkelijkheid dan helemaal nergens enig houvast voor het geloof te vinden is, geen echte, werkelijke toegangspoort tot God. Het is geen vergeestelijking, maar een verpersoonlijking! Wil je toegang vinden tot God, dan moet je bij Jezus Christus zijn. In Hem zien en ontmoeten wij God zelf. Het gaat om de persoonlijke relatie tot Hem.

Wanneer wij moeite hebben met Gods afwezigheid in ons leven. Als je het gevoel hebt dat God zover weg is. En je je afvraagt of Hij je wel hoort. Dan moet je niet vluchten in allerlei religieuze vormen. Maar je richten op Jezus Christus, je voor de geest halen wie Hij is en hoe Hij is. Door het evangelie te lezen. Zijn woorden je eigen te maken. En zo ontdek je dat God wel degelijk een God van nabij is. Ook voor jou. En dat Hij je echt hoort. Want daar getuigt de Schrift van. Zo vertellen de evangelisten het ons.

Al onze spiritualiteit moet dan ook Jezus Christus als kern hebben. Helpen om ons op Hem te richten. Zo niet, dan moeten we een flinke beeldenstorm houden. Al onze gedachten over God, die niet op één of andere manier te maken hebben met het verhaal van Jezus, staan alleen maar in de weg.

Dat maakt gelijk duidelijk dat je geen vrije keuze hebt hóe God te dienen. Voor onze eigen bescherming, bevrijding en voor ons eigen welzijn, moeten we gaan op de wegen die God ons wijst in Jezus Christus. Als wij God willen ontmoeten, Hem nabij willen weten in ons leven, zullen we Hem bovenal serieus moeten nemen. Vandaar dat de catechismus zo radicaal afscheid neemt van de heiligenbeelden in de Rooms-katholieke kerk: er mogen helemaal geen beelden gemaakt worden, zelfs niet met de positieve gedachte dat mensen er wat van kunnen leren, ‘de boeken der leken’.

Dit is geen verbod op beeldende kunst, maar op het geloof dat wij mensen hulpmiddelen nodig hebben om de toegang tot God te vinden. Waarom zou je zo’n omweg nemen, antwoordt de catechismus? ‘God wil zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen.’ De enige manier om God werkelijk te ontmoeten, is door naar Hem te luisteren. De verkondiging van het levende Woord ter harte te nemen.

Misschien ook wel om die reden vinden wij heidendom aantrekkelijk: Je gaat af en toe een keertje naar een tempel om je religieuze plicht te vervullen. En dan ben je er ook weer even van af. Dan neem je weer wat afstand van God, zodat je je eigen ding kan doen. Maar in Jezus Christus is God altijd met ons, is er een directe relatie, daar zit geen afstand tussen, en dat breng het hele leven onder beslag van Zijn wil. Zoals Paulus dat verwoordt in Romeinen 12:

1 Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst. 2  En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

Wij dienen God niet door beelden, die we ook een beetje buiten ons leven kunnen houden, een zekere afstand toe kunnen houden, of juist het gevoel hebben te kunnen beheersen of gebruiken. Nee, God wil door ons helemaal en totaal gediend worden. Met alle vezels van ons lichaam, met elke greintje verstand, met volledige toewijding. Erkennen dat wij niet over Hem beschikken, maar Hij over ons. Dat niet wij bepalen hoe wij Hem dienen, maar dat doen zoals Hij wil. En het evangelie, de goede boodschap, daarin is: Zie, daarin de bevrijding, de genade, dat dat een zegen is, dat het geloof gericht op Jezus Christus vrij is van angst en onzekerheid. Dat wij nooit meer van Hem af kunnen, maar door Jezus Christus in Hem een God hebben die ons voor altijd nabij is.

Amen

(geciteerde bijbelteksten uit de Herziene Statenvertaling)