Offers brengen

(Blog verscheen 20-7-17 op PThu.nl/Bijbelblog)

Bijbellezen met militairen

De dwaze meisjes in de gelijkenis van Jezus (Mattheus 25:1-13), die hun olie vergeten zijn, “dat waren zeker domme blondjes”, want een beetje militair vergeet nóóit zijn olie om zijn wapen te onderhouden. Koning Uzzia die zijn leger goed organiseert, en ál zijn soldaten voorziet van de benodigde uitrusting, tot de slingerstenen toe (2 Kronieken 26:14), staat in schril contrast met de huidige staat van de Nederlandse krijgsmacht, waar de munitie regelmatig gewoon op is. Jakob die zich ergens in the middle of nowhere te ruste legt, onder een open hemel (Genesis 28:11), “die lijkt wel wat op ons infanteristen die in het pikkedonker vaak ook geen idee hebben waar we vandaan komen en waar we heengaan”.

Toen ik als krijgsmachtpredikant enkele jaren terug begon, had ik niet gedacht dat Defensie mij met nieuwe ogen zou leren bijbellezen. Maar dat gebeurde wel, zoals blijkt uit de paar voorbeelden die ik zonet gaf. Je denkt aanvankelijk dat een universitaire opleiding en promotieonderzoek in Bijbelwetenschappen het juiste zicht verschaft op de oude teksten van het jodendom en christendom, maar je hoeft maar even in een andere cultuur te stappen en er gaan allerlei nieuwe luikjes open. Die oude teksten blijken hele nieuwe betekenislagen te krijgen en natuurlijke verbindingen aan te gaan met ervaringen van nu. Dit prachtige verschijnsel heet “intercultureel bijbellezen” en daarvoor hoef je dus niet per se naar een ver land, maar soms alleen maar even buiten je eigen bubbel te stappen…

Pitchen en valoriseren

Niet alleen ontdek je dan dat je eigen manier van lezen ook maar zeer beperkt is, daarnaast confronteerde het mij ook met de vraag naar de relevantie van mijn onderzoek. Op dit moment ben ik mijn proefschrift aan het schrijven over “de betekenis en functie van de offerwetten in Leviticus 1-7 in het geheel van het Sinaï-verhaal”. Zie dat maar eens uitgelegd te krijgen in een volledig geseculariseerde context, waar de gemiddelde soldaat vooral bezig is met bierdrinken, sporten en vrouwen (in willekeurige volgorde). Binnen de wetenschappelijke wereld heet dat “valoriseren”: het benoemen van de relevantie van je onderzoek voor de wetenschap of de maatschappij in het algemeen.

Ik leer en geniet van hun manier van spontane bijbeluitleg, maar heeft mijn manier ook nog zeggingskracht voor hen? Gek genoeg ontmoet ik nergens zoveel begrip voor mijn onderzoek naar de “offers” als onder militairen. Daarom raad ik het iedereen aan om zijn of haar onderzoek te gaan pitchen in een hem volledig vreemde omgeving.

Het hoogste offer brengen

Militairen zijn één van de weinige bevolkingsgroepen in Nederland die nog echte offers brengen. Nee, geen dierenoffers, zoals ze in Leviticus 1-7 ter sprake komen, waar koeien, schapen, geiten en gevogelte bij het altaar geslacht werden, en delen daarvan verbrand. Militairen brengen echte mensenoffers. Tijdens de missie in Uruzgan van 2006-2010 sneuvelden 24 Nederlandse militairen. Over hen wordt met ere gesproken en gezegd dat zij “het hoogste offer” hebben gebracht. Dat is geen holle retoriek, maar de manier waarop degenen die erbij waren, spreken over hun “maten en kameraden” die ze verloren hebben.

Als ik zeg dat ik bezig ben met “offers”, dan lichten hun ogen op: dit is taal die zij op één of andere manier verstaan. Voor militairen is het duidelijk dat vrede, vrijheid en verzoening nooit gratis zijn, maar met bloed betaald moet worden. Dat is voor hun geen theologie, maar de harde werkelijkheid die zij voelen bij de jaarlijkse dodenherdenkingen, en bij de monumentjes die her en der op de kazerne verspreid liggen. Dat je daarbij op heilige grond komt. En dat hierbij de grootste zorgvuldigheid, waardige rituelen en de noodzaak om te blijven herinneren op hun plek zijn.

Offeren is breder dan religie

De bevreemding die wij als moderne mensen misschien ervaren bij het doorlezen van Leviticus met zijn eindeloze details, ongelooflijke casuïstiek, en bloederige rituelen, krijgt op die manier een hele actuele klankbodem. Op het eerste gezicht staat het brengen van dieroffers immers ver af van de moderne christelijke spiritualiteit en zingeving. Tenminste, als wij religie vernauwen tot een beperkt domein van individuele ethiek en beleving van de werkelijkheid van God. Zo is feitelijk voor de meeste moderne mensen religie en levensbeschouwing een losstaand onderdeeltje van het leven, naast economie, politiek, werk, vrienden en familie.

Dat is in het oude Midden-Oosten van Leviticus anders. Daar komen we religie tegen die alle domeinen van het leven doortrekt. De tempel in Jeruzalem was volgens deze teksten niet alleen het religieuze centrum, maar ook het sociale centrum waar de grote nationale feesten gevierd werden. Tempels waren de slachthuizen, de ziekenhuizen, de onderwijsinstellingen, de discotheken en soms ook de bordelen van de oudheid. Oftewel, ze stonden midden in het leven en vormden het middelpunt van het leven.

Wat is je heilig?

Met dat alles heeft God te maken volgens de auteurs van Leviticus. Met veehouderij en akkerbouw, met oogsten en eten, met gender en seksualiteit, met recht en economie. Daar waar geleefd wordt, is God aanwezig, en daar past heilig ontzag. Het is aan de enorme creativiteit en inspiratie van de schrijvers van al die “saaie wetten” in de Thora te danken dat het hele leven van Israël doortrokken werd van dat gevoel. En het is die begeestering die ik probeer over te dragen aan de militairen die ik tegenkom. Al zijn zij volgens eigen zeggen “niet gelovig”, dan wijs ik er hen graag op dat hun taal anders verraadt. Dat zij terugvallen op een oud woord als “offer” voor het drama van het verlies van een vriend en collega, laat immers zien dat ze intuïtief aanvoelen dat het leven zich afspeelt onder een open hemel. Voor hen is het vaak een eye-openerom te horen dat het in de Bijbel en in het geloof in God niet gaat om lid worden van de kerk en je op een bepaalde manier leren gedragen, maar om die allerdiepste vragen van ons mens-zijn, om de vraag wat ons heilig is. En dat als je over díe vraag na gaat denken, je heel dichtbij Leviticus komt, en dichtbij God.

Advertenties

Op speurtocht in de Bijbel met Jezus

Preek over Lukas 24,13-35 gehouden in Everdingen bij Afsluiting winterwerk (jaarthema ‘Thuis in de Bijbel’).

Fritz von Uhde (1848-1911): Op weg naar Emmaüs

Gemeente van Jezus Christus,

Je hebt vast wel eens meegedaan aan een speurtocht of dropping. Je wordt ergens gebracht waar je de weg niet kent. Soms met een blinddoek om, zodat je ook niet ziet heb gezien welke kant je op ging. En dan moet je de weg naar huis terug vinden. Misschien door middel van pijlen die op de stoep getekend zijn. Lintjes die in bomen hangen. Spannend is dat. Vooral in het donker. Stel je voor dat je verdwaalt…

Kleopas en zijn vriend zijn ook op een speurtocht. Ze lopen van Jeruzalem naar Emmaüs, een dorpje 10 kilometer verderop. Maar die route kennen ze wel uit hun hoofd. Daar hoeven ze niet naar te speuren. Nee, eigenlijk zoeken ze Jezus. Ze zijn niet de weg kwijt, ze zijn Jezus kwijt. En daar begrijpen ze niets van. Ze piekeren en denken, ze praten en discussiëren. En ze zijn erg verdrietig. Hoe heeft dat nu kunnen gebeuren… 3 dagen geleden is Jezus gekruisigd, gestorven en begraven.

Terwijl zij daar zo lopen, schrijft Lukas, vers 15-16:

En het gebeurde, terwijl zij met elkaar spraken en van gedachten wisselden,  dat Jezus Zelf bij hen kwam en met hen meeliep. Maar hun ogen werden gesloten gehouden, zodat zij Hem niet herkenden.’

Hoe kon dat, dat ze Hem niet herkenden? Ze kenden Hem toch goed? Was Jezus na de opstanding dan veranderd of zo? Nee, Lukas schrijft echt ‘hun ogen werden gesloten gehouden’. Door God, moet je daar dan bij denken, door Jezus. Hij houdt hun ogen dicht. Jezus doet hen als het ware even een blinddoek om.

Dat is flauw van Jezus, vindt u niet? Hij weet dat die twee erg verdrietig zijn, omdat ze denken dat Hij dood is. Maar in plaats van dat Hij zegt: ‘Jongens, kijk eens goed, Ik ben het. Ik leef! We gaan samen terug naar Jeruzalem!’ stuurt hij hen op speurtocht met een blinddoek om. Ze lopen samen de hele weg naar Emmaüs. Waarom maakt Jezus het hen zo moeilijk?

Ja, dat denken wij wel vaker over God. Toch? Denkt u dat nooit? Waarom doet God het zo moeilijk? Alleen al ons jaarthema afgelopen winterwerk. ‘Thuis in de Bijbel’. We geloven dat we van God dit boek, de Bijbel, hebben gekregen. Dat Hij ons daarin vertelt Wie Hij is. Het boek met alle antwoorden over God. Maar een gemakkelijk boek is die Bijbel niet. Had God dat niet simpeler op kunnen schrijven voor ons? Waarom heeft Hij voor ons niet gewoon één A4-tje gemaakt met daarop heel simpel wat uitleg?… Maar nee, nu hebben we een boek, met daarin weer 66 boekjes, brieven, gebeden en profetieën. Er zijn genoeg mensen die vóórin beginnen te lezen en al snel de draad kwijt raken…

Waarom stuurt Jezus ons op zo’n speurtocht? Waarom moeten we er moeite voor doen Hem te leren kennen? En afgezien van de Bijbel, ik weet niet hoe u het ervaart, maar geloven in Jezus, is sowieso best moeilijk. Jezus zien we immers niet. Jezus laat zich niet zien. Hij heeft onze ogen zo gemaakt dat we wel de bloemen, de vogels, de lucht en elkaar zien, maar Hem niet…

‘Maar hun ogen werden gesloten gehouden, zodat zij Hem niet herkenden.’

Dat is niet alleen iets van die paar vrienden op weg naar Emmaüs. Datzelfde geldt ook voor ons. Als wij moeite hebben met Gods leiding in ons leven. Als we weinig van God merken. Als we geen touw kunnen vastknopen aan die Bijbel. Waarom doet Jezus zo moeilijk?

Laten we niet zielig doen. Wij zijn Hans en Grietje niet. Je kent dat sprookje vast wel. Hans en Grietje worden door hun ouders achtergelaten in het bos, maar zijn zo slim geweest een spoor van broodkruimeltjes achter te laten. En zo kunnen ze de weg weer terug vinden… als niet de vogels de kruimeltjes hadden weggepikt. En zo raken ze het spoor bijster, ze verdwalen ze als nog. Een zielig verhaal over twee arme kleine kindertjes.

Zo was het niet met Kleopas en zijn vriend. Dat zij verdwaald zijn, dat hebben ze echt aan zichzelf te danken. Het is niet Jezus die moeilijk doet, maar zijzelf doen moeilijk. Het is immers de dag van Pasen. Daar begint vers 13 mee:

‘En zie, twee van hen gingen op diezelfde dag…’.

Dat is de dag dat Jezus opstond uit de dood. De dag dat de vrouwen bij het graf kwamen, maar het open vonden. De steen weg! Het graf leeg! En twee engelen die zeiden (vers 5-8):

‘Waarom zoekt u de Levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt.  Herinner u hoe Hij tot u gesproken heeft, toen Hij nog in Galilea was: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in handen van zondige mensen en gekruisigd worden en op de derde dag opstaan. En zij  herinnerden zich Zijn woorden.’

Zo gemakkelijk had het moeten zijn! Jezus had, als het ware, de route die Hij zou gaan tot in detail aan hen uitgelegd. Jezus heeft er geen speurtocht van willen maken. Jezus heeft het zijn volgelingen juist gemakkelijk willen maken. Door vóóraf al te zeggen wat er allemaal te gebeuren stond.

Jezus is het niet die moeilijk doet, God is het niet die moeilijk doet… wij zijn het over het algemeen die moeilijk doen, de weg kwijt raken. Dat die twee kerels daar lopen op weg naar Emmaüs, dat betekent dat ze verdwaald zijn. Ze zijn op de verkeerde weg. Ze dwalen af. Ze haken af. De groep van de discipelen valt uit elkaar op die eerste paasdag.

Jezus informeert naar wat er gebeurd is in Jeruzalem. En dan vertellen zij hoe zij het beleefd hebben – en de teleurstelling druipt van hun woorden af: Jezus van Nazareth, van wie wij dachten dat hij een profeet was, machtig!, die is gekruisigd. We dachten dat Hij Israël verlossen zou… maar Hij is nu al drie dagen dood. Praatjes van vrouwen over visioenen en zo, die brengen ons alleen maar in verwarring. We weten het niet meer! We snappen het niet meer! We zijn de draad volledig kwijt!

Niet voor niets zegt Jezus dan:

‘O onverstandigen en tragen van hart!’

‘Domme, slome jongens, zijn jullie!’ Oei zegt Jezus dat echt? Ja, dat zegt Hij echt. Dat zouden wij misschien niet zo zeggen tegen mensen die zo verdrietig zijn – en dat moeten we ook maar niet doen – , die zo worstelen met alles wat er gebeurt in hun leven, die moeite hebben te geloven. Maar Jezus zegt het niet zomaar. Hij wijst hen terug naar de Bijbel: ‘Als jullie thuis waren geweest in de Bijbel, in Mozes en de profeten, dan was je nu niet zo ontredderd, verslagen en moedeloos.’

Zit daar ook voor ons iets in? Als wij moeite hebben met geloven vandaag de dag. Zou dat ook met ‘thuis zijn in de Bijbel’ te maken hebben? Niet voor niets zijn we daar een seizoen extra mee bezig geweest dit winterwerk. Bijbellezen, dat is niet per se onze hobby als christenen. Dat doe je niet altijd voor je lol. Nee, zegt Jezus, als je niet weet wat er in dit boek staat, dan ben je snel de weg kwijt. Dan maak je het jezelf moeilijk. Zoals die Emmaüsgangers het zichzelf erg moeilijk maakten, de weg kwijt raakten. Jezus kwijt raakten. Dan loop je geblinddoekt door de wereld.

Stel dat je verdwaald bent tijdens een speurtocht. Het wordt al donker en je wilt snel naar huis. Je komt iemand tegen. Fijn denk je, ik vraag de weg! Hoe zou zo iemand je kunnen helpen? Het gemakkelijkste: ‘Ja, ik weet de weg. Ik loop wel even met je mee ook. Kom maar, deze kant op.’ Of ook gemakkelijk: ‘Hier rechtdoor, derde weg links, met de bocht mee, en dan eerste weg rechts.’ Daar ben je op dat moment wel mee geholpen. Als je je maar heel simpel aan die routebeschrijving houdt, dan kom je er wel. Als je niet per ongeluk een straat verkeert telt… want dan ben je nog net zover als eerst. Veel beter is het als je een kaart, een plattegrond, van iemand meekrijgt. Dan vind je de weg naar huis altijd. Hoe vaak je ook nog verkeerd loopt, en niet alleen vandaag heb je daar iets aan, maar ook morgen. Als je nog een keer gaat wandelen of fietsen, je verdwaalt nooit meer.

Dat is wat Jezus aan de Emmaüsgangers geeft: een kaart. Het volledige plan van God. Hij had hen een korte routebeschrijving kunnen geven: ‘Hallo vrienden, Ik ben het, Jezus. Ik leef! Maak je geen zorgen, ga terug naar Jeruzalem.’ Daar hadden ze op dat moment iets aan gehad. Maar ze hadden er in feite niets van geleerd. Het feit van de opstanding was daarmee wel duidelijk geworden. Maar waarom dat hele gebeuren van kruisiging en opstanding nou nodig was, en hoe het nu toch kon dat Jezus weer leefde, dat hadden ze niet geweten. Ze hadden nog niet geweten hoe het nu verder moest!

‘Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus [=Messias] dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en  al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was.’

Jezus gaat met hen de kaart van God, de volledige plattegrond van Gods werk op aarde, bestuderen, zodat zijzelf de weg terug kunnen vinden. Zodat ze niet alleen simpel doen wat hun gezegd wordt, maar van binnenuit leren wat God van plan is.

Daar gaat het ook om hier in de kerk. Kijk, we kunnen de Bijbel heel simpel samenvatten. Wat wil God van ons? ‘Dat wij Hem liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.’ Ga daar maar heel simpel mee aan de slag. Dan kun je de Bijbel verder dicht laten… Daar zit een kern van waarheid in. We lezen de Bijbel als het goed is niet om het lezen op zichzelf. Zoals je een wegenkaart niet bestudeert, zonder op weg te gaan. Zo gaat het christelijk leven om het leven in die liefde tot God en de naaste.

En toch, zo simpel is dat leven in liefde tot God en de naaste niet. Dat merk je, zodra je daar serieus aan begint. Wat moet je als je buurman het bloed onder je nagels vandaan haalt? Liefhebben? En wat moet je met God als je ziek wordt? Liefhebben? Hoe komt het dat er zo weinig liefde is in de wereld? Voor je het weet ben je het overzicht kwijt, de weg kwijt.

Daarom maakt Jezus zijn vrienden thuis in de Bijbel. Hij gaat met hen in de Bijbel lezen.

En wat lezen ze daar dan? Ik denk dat wij het fantastisch zouden vinden als de Bijbel een soort boek met alle antwoorden zou zijn. Als we in de Bijbel een soort overzichtskaart van Gods hele plan met ons leven zouden vinden. Liefst met het handig register achterin, op onderwerp. Wat moet ik doen, nu ik verdriet heb? Welke opleiding moet ik kiezen? Ik heb ruzie, hoe los ik dat op? Waarom wordt ik ziek? Dat zou mooi zijn.

Onderweg naar Emmaüs gaat het daar niet over. Het gaat over Christus. Over de Messias.

‘Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en  al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was.’

Misschien moeten we dat ook maar toegeven: Thuis raken in de Bijbel, dat betekent niet dat je voor elke situatie wel een tekst weet, een antwoord. De Bijbel is geen toverboek met spreuken die altijd van pas komen. Niet al Gods wegen en plannen worden voor ons opengelegd.

Wat dan wel?

‘Moest de Christus niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan’.

De Bijbel vertelt ons het grote verhaal van Gods redding van de wereld. En hoe God daar mee bezig is. Daarvan hadden de Emmaüsgangers geen idee. Ze dachten over Jezus: Hij komt Israël verlossen, verzameld zijn legers, gooit de Romeinen het land uit, sticht Zijn koninkrijk, zit op de troon en wij met hem. Klus geklaard. God is toch machtig! En die macht van God die heeft Jezus!

Maar zo werkt Gods macht niet, laat Jezus zien. In het Oude Testament al niet. God is immers geen dictator. God onderdrukt niet. God spreekt. God wil niet dat mensen uiterlijk hem dienen, maar dat het van harte gaat. Heel het Oude Testament is getuige van die worsteling van God, om Zijn volk Zijn liefde te verklaren en hen voor Zich te winnen. God werkt niet door kracht en geweld, maar door Zijn Geest.

De wereld verlossen, redden van haar zonde, dat gaat niet in één klap, daar is geduld voor nodig. En dat heeft God, dat kun je wel zeggen. Keer op keer gaat God zelf door het stof, moet Hij de problemen van Zijn volk weer oplossen. Steeds duidelijker wordt het in de lange geschiedenis van het Oude Testament: oprechte liefde, gehoorzaamheid, trouw, dat moeten we niet van mensen verwachten, maar van God zelf. De redding zal niet van beneden moeten komen, van ons, maar van boven, van God. En dat is de belofte die God doet in het OT. Die keer op keer herhaald wordt. ‘Ik los het op’.

‘Dat is’, zegt Jezus tegen de Emmaüsgangers, ‘wat Jezus kwam doen. Jullie hoeven er dan toch niet van op te kijken dat de weg van de Gods gezant, de Messias, een weg van lijden is geworden, van kruisiging. Dat is immers de weg van de liefde, van zelfopoffering, van gehoorzaamheid en trouw. De bereidheid om voor een ander te lijden, door het stof te gaan, het gevecht met de dood eigenhandig te leveren. Zo ís de weg van God. En zo kunnen mensen werkelijk veranderen van binnenuit en zo kan de wereld veranderen in Zijn koninkrijk. Alleen zo kan Hij Koning worden.’ Of Jezus daarbij concrete bijbelteksten genoemd heeft of meer algemeen het grote verhaal van de Bijbel, dat weten we niet. Allebei waarschijnlijk.

Ziet u? Daarom is het belangrijk om thuis te zijn in de Bijbel. Die Emmaüsgangers kenden de Bijbel wel. Maar dit hadden ze er nog nooit in gelezen. Net als de joden van hun tijd lazen ze ‘Mozes en de profeten’ vooral met het oog op wat zijzelf moesten doen. De wet houden. 613 geboden. Dat hadden ze haarscherp. Maar dat het eigenlijk ging om de Messias, om Gods werk om de wereld te redden en Zijn Koninkrijk te stichten, van binnenuit, van onderop, via de weg van verzoening, dat hadden ze over het hoofd gezien.

Zo gemakkelijk gaat dat bij ons ook. We sluiten vandaag wel samen het winterwerk af, maar die Bijbel sluiten we maar niet. Elke zondag gaat die hier open in de kerk, tweemaal. Anders raken we zo de weg weer kwijt. En teleurgesteld. Omdat Gods wegen anders lopen dan de onze. Niet omdat God moeilijk doet, maar omdat wij van die moeilijke mensen zijn.

Jezus houdt de ogen van de Emmaüsgangers gesloten. Omdat Hij hen een lesje wil leren. Dat is niet de gemakkelijke weg, maar wel nodig. Hij doet het niet om hen te pesten. Dat blijkt wel aan het slot van het verhaal: Jezus komt bij hen thuis, gaat mee naar binnen, gaat met hen aan tafel. En dan opent Hij hun ogen. Ze zien Hem, ze herkennen Hem. Even daar is er een moment van echte ontmoeting. Dat wil Jezus zelf blijkbaar ook. Dat ze de Bijbel begrijpen, dat is noodzakelijk. Maar het doel is toch dit, dat ze Jezus ontmoeten. Hem herkennen in hun leven. Hoe nabij Hij is.

En dan is Jezus opeens weg. Zijn ze dan opnieuw verward en teleurgesteld? Raken ze opnieuw de weg kwijt? Nee, want nu hebben ze een stevige basis. Jezus heeft de Schriften voor hen geopend. Nu weten ze wat hen te doen staat. Ze gaan terug naar Jeruzalem! Al zal het inmiddels donker geworden zijn. Die paar uur lopen ze graag terug, om de anderen te vertellen dat ze Jezus gezien hebben!

Ze keren terug. Ze bekeren zich, zou je kunnen zeggen. Ze waren afgedwaald, hadden afgehaakt van de gemeenschap in Jeruzalem. Dáár gaan ze naar terug. De vlam van de hoop die in hun hart bijna gedoofd was, is weer helder gaan branden. Zo zeggen ze het ‘Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en voor ons de Schriften opende?’ Er heeft een innerlijke verandering bij hen plaats gevonden. Wat doen ze daarmee? Ze zoeken hun broeders en zusters op, om dat te delen.

Geloven in God, in Jezus, kan voor ons soms aanvoelen als een speurtocht. Niet altijd gemakkelijk. De Bijbel is ook geen gemakkelijk boek. En toch, toch gaat ons hart ervan branden. Als de Schriften opengaan, dan krijgt ons hart brandstof. Dan wordt onze ziel gevoed. Brood des levens. Omdat het gaat over Jezus. Omdat we Hem erin tegen komen. Omdat we horen dat als wij het niet redden, Hij ons komt redden. Dat als wij verdwalen, dat Hij het verlorene zoekt. Dat als de wereld in chaos ten onder dreigt te gaan, Hij er Zijn Koninkrijk van maakt.

En dan kunnen we niet anders dan samen komen als Zijn gemeente. Elkaar opzoeken, samen bidden, samen zingen. Voelt u dat ook zo? Dat als je de Bijbel leest, dat het je hart raakt, dat je dat dan wil delen? Dat je het verlangen hebt naar de kerk te gaan. Omdat je hart brandt! Dan maakt het niet zoveel uit of het winterwerk nou afgelopen is of niet, toch…?

Als je dat nog niet zo kent, – en dat kan zomaar, dat is geen schande, maar dat moet wel veranderen – dan stuurt Jezus je op speurtocht, speurtocht door de Bijbel. Om daarin thuis te raken. Dat is gezien dit verhaal van de Emmausgangers blijkbaar de enige goede manier om Hem te leren kennen, om je weg te vinden. Als je dat al wel kent, dat ‘brandende hart’, dan ben je geroepen om daar anderen bij te helpen. Zo samen lezen in de Bijbel, zo dat het een thuiskomen wordt. Thuiskomen bij Jezus. En thuis in de gemeente.

Amen

 

Kern van de Bijbel (2) – de sleutel

Leerdienst te Everdingen a.d.h.v. zondag 5-6 van de Heidelbergse Catechismus.

Philip Explains the Book of Isaiah to the Ethiopian Eunuch. BIBLE SCRIPTURE: Acts 8:35, "Then Philip opened his mouth, and began at the same scripture, and preached unto him Jesus."

Filippus bij de wagen van de Ethiopische eunuch.

Gemeente van Jezus Christus,

  1. Verwarring bij het lezen van de Bijbel

Filemon Wesselink van BNN zat pas bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel bij De Wereld Draait Door. Pas was de Bijbel in Gewone Taal uitgekomen en dat was voor Filemon een mooi moment, vertelde hij, om dat boek eens te lezen.

Hij was begonnen in Genesis en van de ene verbazing in de andere gevallen. Eva, de vrouw, die een hulpje van Adam, de man, is. Noach die naakt en dronken in zijn tent lag. Lot die met zijn beide dochters naar bed ging. Filemon kon er niet over uit. Wat een bizar boek die Bijbel! Je vraagt je af: Waar gaat dit over? Hij ging het wel proberen, maar dacht niet dat hij erdoor heen zou komen…

Het is wel verfrissend om zo door de ogen van een buitenstaander weer eens naar de Bijbel te kijken. Voor de meesten van ons is de Bijbel waarschijnlijk een vertrouwd boek. Je kent de verhalen in grote lijnen. Maar als je er even van een afstandje naar kijkt, ja, dan is het ook een raar boek. Want eigenlijk is de Bijbel niet één boek, maar een verzameling van 66 bijbelboeken, afzonderlijke geschriften, van verschillende schrijvers, over een periode van 1000 jaar, die gebundeld zijn in één band. De Bijbel is een bibliotheek op zichzelf. Wat is het doel daarvan? Er staan wetboeken in en liedboeken, een afdeling spreuken. Dikke geschiedenisboeken. Verhalen. Legendes. Brieven en visioenen.

En als we eerlijk zijn herkennen we de vragen van Filemon ook wel, toch? Wie van ons heeft dat niet regelmatig bij het lezen in de Bijbel, dat je een stuk leest waarvan je denkt: Waar slaat dit op? Geslachtsregisters. Verhalen over geweld. Onbegrijpelijke profetieën, hoofdstukken lang allemaal oordeelsteksten. Je vraagt je bijna af: Heeft de heilige Geest wel op zitten letten? Moest dit er werkelijk allemaal in? En had het allemaal niet wat duidelijker gekund? Iets meer lijn en samenhang?

Of, of zijn wij zo blind dat we dat niet zien? Het zijn niet alleen de vragen van Filemon Wesseling en ons, ook van een Ethiopische eunuch, die rond het jaar 35 in Jeruzalem een Jesajarol op de kop heeft getikt. Op weg naar huis zit hij op zijn wagen erin te lezen. En dan vertelt Lukas in Handelingen 8:

29En de Geest zei tegen Filippus: Ga ernaartoe en voeg u bij deze wagen. 30En Filippus snelde ernaartoe, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: Begrijpt u ook wat u leest? 31Maar hij zei: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus op de wagen te klimmen en bij hem te komen zitten. 32En het schriftgedeelte dat hij las, was dit: ‘Hij is als een schaap naar de slachting geleid en zoals een lam stemmeloos is bij de scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open. 33In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen en wie zal Zijn afkomst vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.’ 34En de kamerheer antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders?

Hier zien we al iets heel moois. Die eunuch uit Ethiopië stelt vragen. Hij legt zich er niet bij neer dat hij het niet snapt. Hij wil het begrijpen.

Misschien is de Bijbel expres een aanstootgevend en raar boek. Zodat mensen die ten diepste onverschillig zijn het ook gemakkelijk aan de kant gooien. De Bijbel is als een schat, die opgegraven moet worden. Als je niet gelooft dat er een schat is, doe je ook geen moeite. Als je wel gelooft dat er een schat is, dan graaf je net zo lang door tot je hem gevonden hebt.

In dit verhaal uit Handelingen zien we echter ook dat als we serieus graven in die Bijbel op zoek naar de samenhang, naar het doel, wat het ons te zeggen heeft, dat de heilige Geest ons dan wil helpen. Hier heel concreet door Filippus op zijn pad te sturen. En ook bij ons zal het meestal zo zijn dat de heilige Geest mensen gebruikt om de Bijbel aan ons uit te leggen.

  1. De rechtszaak en worsteling tussen God en mens

De catechismuszondagen die we gelezen hebben, mogen we ook zo horen. De catechismus heeft geen gezag uit zichzelf, maar is bedoeld om ons bij de Bijbel te brengen, bij de kern van de Bijbel. De vorige keer in deze prekenserie hoorden we over ‘het drama’. Door heel de Bijbel heen speelt zich het drama af dat God goed is en liefdevol, maar dat wij mensen meestal denken dat niet nodig te hebben, God niet nodig te hebben en onze eigen zin te kunnen doen. Hoe wordt dat drama opgelost? De catechismus zegt: ‘Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben?’

Ze presenteren dit probleem tussen God en mensen daarmee in juridische termen, als een rechtszaak tussen God en mens. Waarbij God de rechter is en de aanklager en wij in het beklaagdenbankje zitten. Dat beeld van die rechtszaak verzint de catechismus niet zelf, je komt het in Oude en Nieuwe Testament geregeld tegen. Bijvoorbeeld in Hosea 4:

1Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten, want de HEERE heeft een rechtszaak met de inwoners van dit land, omdat er geen trouw, geen goedertierenheid en geen kennis van God in het land is. 2Vloeken, liegen, moorden, stelen en overspel plegen zijn wijdverbreid; bloedbad volgt op bloedbad.

Logisch dat God dit niet zomaar laat passeren. Hij roept Zijn volk ter verantwoording, voor de Goddelijke rechtbank. En we mogen dat best uitbreiden: Hij roept ook ons tot verantwoording. Het is niet heel populair tegenwoordig om in die termen over God te spreken. Maar we kunnen daar denk ik niet onderuit. Dat zouden we wel willen, ervoor weg lopen, maar we kunnen er niet onderuit, want het is God zelf die gehoorzaamheid van ons vraagt.

Daarvoor is Hij God en wij mensen. Hij staat boven ons. Ver boven ons. Hij heeft recht op onze gehoorzaamheid, Hij verdient het én Hij eist het. Dat moeten we goed beseffen: Gods regels en plannen zijn geen suggesties of voorstellen. ‘Kijken jullie zelf maar wat je er mee doet.’ ‘Ik zou het fijn vinden als jullie Mij zouden willen dienen.’ ‘Maar je mag zelf kiezen.’ Nee, je bent ervoor gemaakt om God te dienen, en als je dat niet doet, heb je een probleem. Dan laadt je zonde op je. Dan mis je je doel. Dan verdien je straf ‘in tijd en eeuwigheid’. En als je dat niet ziet zitten, dan zul je het weer goed moeten maken. Wat kapot is gemaakt in de wereld door onze zonde, zal door ons gerepareerd moeten worden. Waarmee wij God gekwetst hebben en verdriet gedaan, ja, tot toorn verwekt, daarvoor zullen we Hem moeten compenseren.

Door de Bijbel heen, en in ons eigen leven, zien we daar niet zoveel van terecht komen. Integendeel, zoals de catechismus zegt, ‘wij maken de schuld juist elke dag groter.’ Het is die worsteling die door heel de Bijbel heen werkt. Het is het verhaal van God en mens die elkaar zijn kwijtgeraakt (door de schuld van de mens!) en die elkaar niet meer kunnen vinden. God zoekt de mens wel. Hij wil schikken in die rechtszaak. En soms krijg je het idee dat het lukt. Israël. Gods volk. Daar woont Hij. Maar het gaat mis. Er blijft een kloof die niet te overbruggen lijkt. En lijkt dat soms ook niet zo in ons leven? Er blijft God niets anders over dan ons te veroordelen tot de doodstraf, voor eeuwig. De hel.

  1. Jezus Christus als de sleutel

Toch niet. Heeft u dat nou ook, dat als je die Bijbel leest, dat je je langzamerhand begint te verbazen. En dat die verbazing groeit en groeit. Eerst denk je, bij de zondeval in Genesis 3: God zal er nu wel gelijk mee kappen, met die hele wereld en die eigenwijze mensen. Zoiets had Hij ook gezegd: ‘Als u van die boom zult eten, zult u sterven.’ Maar nee, er komt wel gebrokenheid in de wereld, doornen en distels. Het is geen paradijs meer, maar ze krijgen toch een tweede kans, die mensen. In Genesis 6 is het wéér zover dat je denkt: Nu zal God er wel mee ophouden, in die zondvloed wordt alles vernietigd. Maar nee, God gunt Noach en zijn gezin nog een kans. Verbazingwekkend. En zo gaat het verder. Met Abraham. Met Mozes. Met het volk Israël. Met de koningen en profeten. Elke keer denk je: En nu is het over en uit. Toch niet.

We noemen dat evangelie. Het evangelie, dat is niet alleen het verhaal over Jezus Christus in het Nieuwe Testament. Soms kunnen we dat denken: Het Oude Testament, dat is de wet, dat is het boek van de regels en de gehoorzaamheid en het oordeel. Het Nieuwe Testament, dat is blijde boodschap over vergeving en verzoening en nieuw leven. Maar dat is een vals onderscheid. In heel de Bijbel gaat het over gehoorzaamheid aan God en Zijn oordeel over ongehoorzaamheid, ook in de verhalen over Jezus. Maar in heel de Bijbel gaat het ten diepste over evangelie. En dat komt omdat het niet alleen in het Nieuwe, maar ook in het Oude Testament al over Jezus gaat.

Gaat het Oude Testament over Jezus Christus? Ja, volgens Hemzelf wel. Zo lezen we in Lukas 24:

25En Hij zei tegen hen: O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! 26Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? 27En Hij begon bij Mozes en al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was.

Na Pasen is dit, en dan zegt Jezus niet: ‘Nu is er iets geheel nieuws en onverwachts gebeurd, Ik ben opgestaan uit de dood. Dat hadden jullie gedacht!’ Eerder het tegenovergestelde: ‘Jullie kennen het Oude Testament toch? Jullie kennen de Bijbel toch?’ Als je de Bijbel kent, dan wist je dat God belooft alles eenmaal goed te maken. Dat Hij zichzelf daarvoor helemaal wil geven. Dat Hij bereid is onwaarschijnlijk ver te gaan in Zijn liefde, veel verder dan wij, zelfs de dood in voor Zijn vijanden. Dat er geen einde zit aan Zijn genade.

Als we het Oude Testament op zichzelf lezen, dan zou je dat over het hoofd kunnen zien. Zoals de Joden in Jezus dagen dat over het hoofd zagen. Zij geloofden dat het toch ook een groot deel van hun kant zou moeten komen.  Jezus Christus moet het hen zelf uitleggen, en legt het ons uit door Zijn Geest. Dan pas wordt ons eens en voor al duidelijk dat God altijd al van plan is geweest Zelf de kloof met ons te overbruggen. En als je het verhaal van Christus kent, dan werpt dat een heel ander licht op al die verhalen, wetten en profetieën van het Oude Testament.

Jezus Christus is als het ware de sleutel, waardoor die teksten opengaan. We kijken achter het menselijke falen, door de menselijke geschiedenis heen, tot op God, tot in Gods hart. En dan zien we daar dezelfde liefde van God die zich over zondaars ontfermt als in de verhalen over Jezus Christus. We krijgen oog voor de ene missie van God om deze wereld te redden. Een missie die niet pas begon met de geboorte van Jezus, maar zich over de hele geschiedenis uitstrekt, van den beginne, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

  1. Het wonder van Gods menswording

Herkent u die verbazing? Misschien is verwondering een beter woord. Verbazing, dat is dat je ergens gek van opkijkt, kan ook oppervlakkig zijn, zo weer weg. Verwondering, dat gaat dieper. Daarin zit ook iets van vreugde. Het is goed je dat voor jezelf eens af te vragen. Wat er gebeurt er als jij, als u de Bijbel leest? Verbaas je je alleen maar, zoals Filemon in DWDD, of, als je Jezus Christus als sleutel hanteert, komt er verwondering in je hart?

Ik vraag me af of de catechismus wat dat betreft de juiste toon treft in de zondagen die we gelezen hebben. Ze starten daar met die rechtszaak tussen God en mens, die onoplosbaar lijkt. Behalve als er iemand zou zijn, een Middelaar, die God en mens tegelijk is en die de straf wil dragen. En zo iemand is er, dat is Jezus. Probleem opgelost. Ze proberen verstandelijk te doorgronden wat de kern van de Bijbel is en de verlossing van ons mensen. Maar de toon is daardoor wel erg nuchter. Het lijkt pure logica. 1 + 1 = 2.

Toch zou je er ook wel in kunnen lezen: Wij zien als mensen wel het probleem, maar voor die oplossing zijn we op het evangelie aangewezen. ‘Waaruit weet u dat?’, vraagt de catechismus in vraag 19. ‘Antwoord: Uit het heilig evangelie.’ Dus niet: dat hadden wij ook zelf kunnen verzinnen. Logisch. God wordt mens en alles is voor mekaar.

De catechismus probeert met de Bijbel mee te denken, maar dit moest toch echt geopenbaard worden. De logica van de catechismus is de logica van het geloof. En van de verwondering. Dat God mens werd, dat is niet iets simpels. Het kostte de Zoon van God alles. Als je leest hoe het in Filippenzen 2 beschreven wordt:

6Die, hoewel Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, 7maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. 8En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood.

We hadden niet kunnen denken en zelfs niet kunnen dromen dat God zich zover zou willen vernederen. Hij heeft zichzelf ontledigd, ‘leeg gemaakt’, afstand gedaan van Zijn goddelijke heerlijkheid. God werd mens. Jezus was niet God in menselijke gedaante, of een soort halfgod, nog wel verheven boven ons. Nee, aan ons gelijk geworden. Jezus staat niet zomaar tussen God en mensen in, Hij is God zelf die helemaal aan onze kant is komen staan.

Waarom vieren wij Kerst? Goed om jezelf af te vragen deze weken. Waarom ga ik Kerst vieren? Ja, wij vieren de geboorte van Jezus. Maar waarom is dat zo bijzonder? Gebeurt het diepste van het christelijk geloof niet aan het kruis, waar Jezus voor onze zonden sterft. Of met Pasen, als Hij opstaat uit de dood? Is Kerst alleen maar Zijn verjaardag? Nee, het is dus meer. Kerst is een heilsfeit, er gebeurt iets ongelooflijk bijzonders. God wordt mens. Daarmee wordt de kloof tussen God en mensen al definitief overbrugd. De grootste stap is gezet. De verzoening tussen God en mensen, de oplossing van drama van het grote verhaal van God en mensen, begint met Kerst. De persoon van Jezus Christus, waarlijk God én waarlijk mens, is de sleutel tot de Bijbel en de kern van ons geloof. 

  1. De Bijbel open

Hoe werkt dat dan in de praktijk? Want we proberen dit jaar met elkaar thuis te raken in de Bijbel. Het is dan allereerst goed om je af te vragen waarom je dat doet, bijbellezen. We hebben het als goede gewoonte meegekregen van generaties voor ons en in de protestantse traditie wordt er sterk de nadruk op gelegd. Maar als je dan die Bijbel opendoet, waar doe je dat eigenlijk voor?

Dat kan uit pure interesse, zoals Filemon Wesselink. Het kan ook, en dat is wat veel gebeurd, dat je hoopt erdoor geïnspireerd te worden tot een goed leven. Je hoopt dat de Bijbel een boek is waar je wat van kunt leren, waar je wat aan hebt. Een boek dat je vertelt hoe je moet leven. Paulus zegt dat het zo ook werkte onder het Joodse volk: zij lazen de wet en de profeten om zo goed mogelijk te leven, zoals God dat wil. Zo schrijft hij aan de Romeinen in hoofdstuk 10:

1Broeders, de oprechte wens van mijn hart en mijn gebed tot God voor Israël is gericht op hun zaligheid. 2Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet met het juiste inzicht. 3Omdat zij immers de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand proberen te brengen, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen. 4Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.

Hij complimenteert de joden met hun ijver voor God. En toch, toch hebben ze niet begrepen waar het in de wet om gaat. Het doel is niet vertellen hoe we moeten leven, ‘het einddoel van de wet is Christus’, schrijft hij. Natuurlijk, van de Bijbel kun je veel leren over wat in Gods ogen goed en kwaad is, maar als je daarbij blijft staan, dan ga je langs de kern heen. En dan loop je ook vast. Dat zag Paulus gebeuren onder zijn volksgenoten: Als je alleen maar probeert goed te leven, dan blijft de Bijbel een kritisch en veroordelend boek, dat je op een gegeven moment geïrriteerd of ontmoedigd dicht doet. Het lukt toch niet.

De belangrijkste vraag als je je Bijbel gaat lezen is niet: ‘Wat kan ik hier mee?’, maar ‘Hoe brengt dit mij vandaag bij Jezus Christus?’. Hoe wordt de wet evangelie? Waarin zit de genadeboodschap? Hoe maakt dit mij vrij en blij? Als je die vraag stelt, ‘Hoe brengt mij dit bij Jezus Christus?’, dan gaat de Bijbel open. Dan ontmoet je God erin. Dan wordt bijbellezen een moment tussen jou en God.

Het Nieuwe Testament geeft een aantal mooie voorbeelden hoe je zo in het Oude Testament Jezus Christus al kunt vinden. Zo trekt Jezus zelf in Johannes 5 een lijn van Mozes als middelaar, naar Zichzelf als middelaar. Typologie noemen we dat: Zoals Mozes was, zoveel meer is Christus. Op een andere manier, betrekt Jezus een hoofdstuk later, in Johannes 6, wat in de woestijn gebeurde, dat het manna uit de hemel regende, op Zichzelf als ‘Brood uit de hemel’. Allegorie noemen we dat: De Goddelijke genade in het Oude Testament heeft alles te maken met de openbaring van Gods genade in Christus in het Nieuwe. Daarnaast kent het Oude Testament vele profetieën die vervuld werden in de komst van Christus, zie Jesaja 53, waarin de eunuch aan het lezen was. Zelfs in de praktijk van de offerdienst en het bloed dat vloeit, ziet de Hebreeënschrijver een schaduw, een voorafspiegeling van wat Jezus gaat doen aan het kruis. Zo wijst alles op Hem. Zo is Jezus Christus de sleutel waardoor de hele Bijbel gaat glanzen van Gods genade.

Tijdens het lezen van de Bijbel heb je daarin een grote vrijheid. Om zelf dat soort verbanden te leggen. Je erdoor te laten meeslepen. En bij Christus zelf uit te komen. Maar wees niet te gemakkelijk. Doe wel moeite om goed te blijven luisteren. Bij Jesaja 7,14 ‘Ziet de maagd zal zwanger worden en een zoon baren’, kun je snel denken: O, dat gaat over Maria, die zwanger is van Jezus.’ Punt. Maar je zult toch echt even dat hele hoofdstuk 7  uit moeten lezen om te begrijpen, waarom dat niet zomaar ‘een voorspelling’ is, maar genadeverkondiging in die tijd, voor die mensen en voor ons vandaag.

Als je dat niet doet, dan verdampt de Bijbel. Dan is het als dat jongetje op de zondagsschool en eigenlijk niet naar het bijbelverhaal had geluisterd. En toen de meester vroeg ‘Over wie ging het verhaal?’, zei: ‘Dat zal de Heere Jezus wel weer zijn, want dat is altijd zo.’ Dan is het geen sleutel meer om de Bijbel te openen, maar een sleutel om hem te sluiten.

De Bijbel gaat open, als we op het spoor gezet worden van Gods onmogelijke genade door Jezus Christus voor ons mensen die in feite de doodstraf verdienen. De Bijbel gaat open, als wij Jezus Christus zelf ontmoeten. Hem die de kloof tussen God en ons overbrugt. God met ons. Dan is er geen verwarring en verbazing meer, maar alleen nog onuitsprekelijke verwondering.

Amen

*Geciteerde bijbelteksten komen uit de Herziene Statenvertaling

Thuis in de Bijbel

Preek over het jaarthema bij Opening Winterwerk in Everdingen.

Schriftlezingen: Genesis 1:1-3; Johannes 1:1-3.14.17; 2 Timotheus 3:14-17.

Gemeente van Jezus Christus,

  1. De Bijbel, een moeilijk boek…

Een kasteel, daar ben je vast wel eens geweest. Je weet wel, zo’n middeleeuws kasteel, waar een ridder woonde. Gracht, ophaalburg. Torens. In Nederland hebben we bijvoorbeeld het bekende Muiderslot, en Slot Loevestein. Erg leuk en een beetje spannend om daar rond te kijken. De dikke muren. De wenteltrapjes. De ridderzaal. De kerkers. Je waant je honderden jaren terug. Maar: zou je er willen wonen? Ja, wel stoer. En toch: Nee, want het ziet er wel mooi uit. Maar er is geen verwarming. Geen verlichting. Er is geen moderne badkamer met warm water. Het is er kil, koud en het tocht. En het is vééél te groot. Leuk om eens te bekijken. Maar dan weer lekker naar huis.

Zo is de Bijbel ook een kasteel, zou je kunnen zeggen. Het is een boek van 2000 jaar oud. Sindsdien is er niets meer bijgeschreven of weggehaald. Het is niet up to date. Het wordt alleen zo nauwkeurig mogelijk vertaald. En zorgvuldig doorgegeven van generatie op generatie. En nog steeds lezen we er uit. Waarschijnlijk doen jullie dat thuis ook wel. Aan tafel misschien. Voor het naar bed gaan. Of op een ander moment. En we lezen de Bijbel hier in de kerk. En op alle momenten van komend winterwerk dat we samen komen. We zijn een gemeente bij de Bijbel: bij alle vergaderingen, clubavonden, kringen, gaat de Bijbel open en lezen we eruit.

Maar waarom eigenlijk? De Bijbel is een zo’n oud boek. En daardoor ook wel erg vreemd. Als je erin leest, begrijp je de helft van de keren niet goed waar het over gaat. Het is goed om dat ook zo te benoemen. De woorden  zijn moeilijk. De zinnen lang. Zeker als kind of tiener. Lezen is niet echt meer iets van onze tijd. We leven in de tijd van nieuwe media: internet, tv, facebook, film. Dat is allemaal veel gemakkelijker en leuker, comfortabeler. Boeken hebben iets ouderwets, en een oud boek als de Bijbel helemaal.

Waarom zou je er dan nog in lezen? We weten toch ook zo langzamerhand wel wat er in staat? Zoals je maar één keertje op bezoek hoeft in het Muiderslot om te weten hoe het eruit ziet. Dan ga je niet volgende week wéér.

Zo ken je de verhalen uit de Bijbel langzamerhand ook wel. De schepping, Noach en de ark, Abraham die op reis gaat, Jakob en Ezau, Mozes en de brandende braamstruik, de uittocht uit Egypte,  David en Goliath, Jona in de vis. De verhalen over de geboorte van Jezus, Zijn wonderen, het lijden en sterven, de opstanding. Zeker als je van jongs af aan opgroeit in de kerk, wéét je dat toch allang?

De Bijbel kan zo zelfs een saai boek worden. Wat er in staat weet je al: Het zijn verhalen van lang geleden, waar je nu niet zoveel meer mee kunt. De Bijbel is dan een beetje als een kasteelruïne voor ons: de eerste keer zijn de verhalen leuk en spannend, ook wel vreemd en interessant. Maar vervolgens ben je blij dat je het boek weer dicht kunt doen, en gewoon lekker in het comfortabele hier en nu kunt leven.

Paulus draagt Timotheüs op om wel bij de Bijbel te blijven, om daarin te blijven wonen als het ware. Ook Timotheüs kent de Bijbel van jongs af aan. Hij is opgevoed als joodse jongen bij het Oude Testament. Timotheüs is een jongeman die Paulus op een zendingsreis ontmoet heeft en meegenomen als assistent. Op een gegeven moment heeft Paulus hem de leiding gegeven over een nieuwe gemeente. En later schrijft hij hem deze brief om hem te bemoedigen, want het leiden van een gemeente valt die jonge Timotheüs vies tegen. Er komt meer bij kijken, dan hij had verwacht.

Waarom draagt Paulus Timotheüs dan op bij de  ‘heilige Schriften’ te blijven? Kan hij niet beter wat managementtips geven? Dat doet hij ook wel. Maar de kern vinden we toch wel in 2 Timotheüs 3,14-17.

  1. Wat staat er op het spel?

Waarom moet Timotheüs uit de Bijbel blijven lezen? Omdat de Bijbel volgens Paulus niet zomaar een boek met verhaaltjes is, dat je eens leest en dan wel kent. Zoals je een rondleiding krijgt in een monumentaal kasteel. Nee, de Bijbel lijkt meer op een bunker. Een bunker? Ja, je weet wel, zo’n betonnen bouwsel, zoals ze rond Fort Everdingen en langs de Diefdijk staan. Gebouwd voor soldaten om in tijden van oorlog in te kunnen schuilen. Veilig voor bommen en kogels. Een bunker is niet echt een mooi gebouw. Niet comfortabel ook. Ik ben toen het Fort een keer open was gesteld binnen wezen kijken in die bunkers, maar het is er donker, muf en krap, erg krap.

Hoezo lijkt de Bijbel dan op een bunker? Dat heeft alles te maken met de situatie waar Timotheüs in verkeerd. Er komt van alles op hem af. In het begin van dit hoofdstuk 3 vertelt Paulus hoe het er aan toe gaat in de wereld. En hoe het in de toekomst zal gaan. ‘Weet dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken. Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede, verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot dan liefhebbers van God.’

In zo’n wereld leef je, Timotheüs! En Timotheüs merkt dat ook. Dat die invloeden en verleidingen niet alleen buiten de kerk zijn, maar net zo goed in de christelijke gemeente binnensluipen, waar hij de leiding heeft. En omdat Paulus het Timotheüs zo op het hart moet drukken om te blijven bij wat hem geleerd is, om te blijven bij de Bijbel, kunnen we vermoeden dat dat alles Timotheüs ook zelf raakte en aan hem schudde.

Wat dat betreft is het voor ons toch niet zoveel anders? Er komt veel op ons af. Als je ziet wat men in onze tijd belangrijk vindt, dan herkennen we veel: mensen als ‘liefhebbers van zichzelf’, wij zouden zeggen ‘egoïsme’, jezelf het centrum van de wereld vinden. ‘Geldzucht’, op prinsjesdag zoals deze week zijn de koopkrachtplaatjes zo’n beetje het belangrijkste. En nu ja, hoogmoed, onverzoenlijkheid, roddelen, verwaandheid: Het lijkt wel alsof Paulus ons en onze tijd beschrijft…

Herken je die diagnose van de wereld om ons heen? En van onszelf? Ik heb soms het gevoel dat we in onze tijd niet helemaal door hebben hoezeer onderhuids we meegetrokken worden in de wereld. De heftige woorden van Paulus vinden we al snel overdreven. ‘Het valt met ons wel mee.’ Als we dat denken, wordt het wel echt tijd om de bunker van de Schrift in te duiken.

Naar Paulus’ overtuiging gaat het niet lang duren of de wereld zal ten onder gaan in die chaos en in het oordeel van Jezus Christus bij zijn wederkomst. De enige manier om veilig te zijn, dat is vasthouden aan het geloof in Jezus Christus, en dat geloof vinden we in de heilige Schrift. Als wij daarin blijven, daarbij blijven, en dat is: Lezen, Jezus ontdekken en volgen, dan zijn we veilig. De Bijbel is dan ons houvast, onze schuilplaats, onze reddingsboei. Dat is wat Paulus zegt met: ‘die u wijs kunnen maken tot zaligheid/redding, door het geloof dat in Christus Jezus is.’

Bijbellezen doen we niet voor de mooie verhalen, voor wat inspiratie, voor wat aanwijzingen hoe je goed moet leven of voor de leut, maar omdat onze redding op het spel staat. Dat kun je niet zwaar genoeg aanzetten: het gaat om ons eeuwig heil. Leven los van de Bijbel laat je afdrijven van God en Jezus Christus, je wordt misleid, je houdt het geloof niet vol, je houdt de liefde tot God niet vol. En uiteindelijk ga je eeuwig verloren. Er staat heel wat op het spel. De Bijbel maakt ons wat dat betreft wijs. Bijbellezen is niet zomaar een hobby voor de mensen die lezen leuk vinden en geschiedenis interessant. ‘De Heilige Schriften kunnen u wijs maken tot zaligheid/redding, door het geloof dat in Christus Jezus is.’

 

  1. God spreekt

Hoe dan? De Bijbel is toch maar een boek? Je kunt daar toch niet letterlijk in kruipen, in schuilen, in wonen? Nee, inderdaad niet letterlijk. Maar de Bijbel is niet zomaar een boek. Paulus noemt de Bijbel in vers 16 ‘door God ingegeven’. Geïnspireerd, zeggen we ook wel. Dat betekent dat we niet zomaar met een menselijk boek te maken hebben. Het is niet zomaar verzonnen door mensen, zoals andere boeken. Het zijn wel woorden die door mensen op zijn geschreven, maar God heeft die mensen gebruikt om Zijn boodschap door te geven, om Zelf te spreken.

Het is veelzeggend dat de Bijbel begint met het spreken van God. Gods spreken zorgt er zelfs voor dat alles ontstaat. ‘En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.’ God spreekt in de Bijbel. Dat is typisch voor heel de Bijbel: het gaat over een God die naar mensen toekomt, die mensen iets te zeggen heeft. Door Zijn woorden komt God dichtbij. Met Zijn woorden zet hij mensen in beweging, doet Hij wonderen, geeft Hij mensen het leven, oordeelt Hij en spreekt Hij vrij. Met Zijn woorden schept God de wereld, ze zijn de bron van ons leven, maar door Zijn woorden verandert God ook mensen. Gods woorden zijn niet zomaar woorden, maar ook daden. Ze hebben Goddelijke kracht en macht.

Johannes schrijft in Zijn evangelie dat Hij die Goddelijke kracht van het Woord, juist in Jezus ontmoet heeft. Het spreken van Jezus was het spreken van God. Door Jezus heeft Hij God leren kennen. In het bijzonder doordat Gods genade en waarheid door Jezus openbaar bekend werden. De beweging van God uit naar de mensen van toewending, liefde, ontferming, vergeving.

Je zou kunnen zeggen: ja, dat is allemaal iets van lang geleden. Schepping. De komst van Jezus Christus op aarde. Het is fijn dat dat toen allemaal is opgeschreven, maar het zijn woorden van lang geleden. Maar dan begrijpen we het niet goed. Die woorden van God zijn juist opgeschreven omdat ze zo’n geweldige kracht hebben. En dat is geen kracht van toen, dat is ook de kracht nu. De heilige Geest heeft niet alleen de Bijbelschrijvers geïnspireerd wat en hoe ze het op moesten schrijven, maar de heilige Geest gebruikt die woorden van de Bijbel ook om ons leven te veranderen, om  ons Gods genade uit te delen.

Jezus spreekt niet alleen in de Bijbel, Hij spreekt ook erdoor tot ons vandaag. We lezen de Bijbel niet als een geschiedenisboek, maar als Woord van God. Een Woord dat niet zomaar gesproken wordt, maar een Woord dat macht uitoefent, omdat de Geest zelf daarin meekomt, daardoor tot ons, tot u en mij spreekt. De Bijbel is dus niet zomaar een boek. Als je daarin leest komt je in de invloedsfeer van de heilige Geest.

Naast het beeld van de bunker, kun je het beeld van ziekenhuis onthouden: Hoe worden wij gered, zalig, door de Bijbel?

Wel je leest in de Bijbel over God die onze zonden vergeeft door het offer dat Jezus brengt. Maar met dat je dat leest, gaat de heilige Geest met je aan de slag, zorgt ervoor dat die woorden bij je binnenkomen. De woorden van de Bijbel werken als medicijn tegen de zonden. Met alles wat je dwars zit, met je vragen, zonden en zorgen, kun je de Bijbel openslaan, en dat is: daarmee bij God komen, en vervolgens horen wat Hij daarover te zeggen heeft. En genezing ontvangen. Veranderd worden. Bekeerd. Je leest er niet alleen over, er wordt tegen je gesproken. En die woorden doen wat met je.

  1. Luisterhouding

Misschien denk je: ‘Dat klinkt wel mooi, in theorie. De Bijbel als bunker waar je veilig bent, schuilplaats waar je redding vindt. De Bijbel als ziekenhuis, waar God tegen je spreekt en je leven geneest, herschept, en verandert. Maar als ik de Bijbel opendoe, hebben ik zelden het gevoel dat het mij iets zegt. Laat staan dat ik het gevoel heb, daarin God te ontmoeten, Hem daarin hoor spreken.’

Daar heeft u een goed punt. Dat klopt, dat ervaar ik zelf ook. Maar waaraan ligt dat? Aan de Bijbel of aan onszelf?

Ik denk dat je moet zeggen: Aan onszelf. God spreekt echt wel in en door de Bijbel, door de eeuwen heen hebben velen dat ervaren. De vraag is of wij luisteren. Allereerst heel praktisch: neem je de tijd en rust om de Bijbel echt te lezen. En het tot je door te laten dringen? Als ikzelf Bijbel lees, heb ik vaak echt moeite om mijn gedachten over van alles en nog wat even stil te zetten en me te concentreren op de Bijbeltekst. In onze tijd met veel drukte en veel prikkels en afleiding, is dat allereerst een uitdaging.

Alleen daarom is het al goed om met elkaar dit winterwerk ‘thuis te zijn in de Bijbel’, en dat wil zeggen dat we elkaar aansporen, stimuleren en helpen, en de tijd nemen om die Bijbel open te doen en te luisteren. Al de tijd die we in de kerk zitten, naar Bijbelkring gaan, club hebben of zondagsschool, moet je zien als luistertijd. We organiseren al die momenten, omdat je er zelf alleen niet zo aan toekomt. Toch? Doe uw en jouw voordeel daarmee en wees trouw aanwezig in de kerkdiensten, op de clubs, kringen en verenigingen. Je hebt het echt nodig.

Maar afgezien van dat het praktisch moeilijk is om te luisteren, gaat de moeite om te luisteren nog een slag dieper. Paulus zegt tegen Timotheüs dat de Bijbel nuttig is ‘om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid’. Met andere woorden: God deelt Zijn liefde en genade uit in de Bijbel, maar dat gaat op de manier van onderwijs, correctie, verbetering en opvoeding.

Nu weet ik niet zeker hoe die woorden bij u overkomen. Maar als ikzelf die woorden hoor, dan voel ik een innerlijke weerstand: ‘Onderwijs? Heb ik dat nodig dan? Ik weet toch zelf alles best? Correctie, verbetering? Ik leef toch goed?

Ik heb helemaal geen zin in kritiek op mijn leven en op hoe ik mij gedraag. En ik heb ook geen zin om te veranderen. Opvoeding? Ik ben toch geen klein kind meer?’

Wij staan uit onszelf helemaal niet zo open voor onderwijs. Dat merk je in de klas ook wel eens: Kinderen en jongeren verzuchten op school best wel eens: moet ik dat allemaal leren, waar heb ik dat voor nodig, wiskunde, biologie, geschiedenis, pff.

De Bijbel lezen is als het ware naar school gaan.  En dat houdt in dat je bereid bent te leren. Dat is: ontvangen. Niet zomaar te horen wat er in de Bijbel staat, maar dat het je leven verandert, dat je er zelf door verandert. Dat wil Gods genade in ons doen, maar daarom zitten we helemaal niet zo om die genade te springen. Als je de Bijbel leest, dan hoor je niet wat jij wilt horen, maar wat God aan je kwijt wil.  In de Bijbel staat niet wat wij belangrijk en relevant vinden, maar wat God belangrijk en relevant voor ons vindt. En als wij daar niets mee kunnen, dan is dat niet het probleem van de Bijbel, maar ons probleem.

Wil de Bijbel echt een thuis voor je worden, een bunker waar je veilig bent, een ziekenhuis van Gods genade, dan kan dat niet anders dan door het een school te laten zijn. En dat vraagt een luisterhouding van ons. Open handen, open oren, open harten. Als de Bijbel je niets zegt, als God je niets zegt, dan begint het daar: bidden om die nederige afhankelijkheid, om jezelf aan de kant te zetten en werkelijk te luisteren. En daar zit de belofte dan ook aan vast: Al had je er aanvankelijk zelf misschien geen interesse in of geen behoefte aan, je wordt er als mens door gered, herschapen, verbeterd, opgevoed in de rechtvaardigheid, ja zelfs, zegt Paulus: ‘opdat de mens die God toebehoort [= de christen], volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.’

  1. Thuis raken in de Bijbel

Hoe kun je nu de Bijbel lezen, dat het zo werkt? Dat je door de Bijbel te lezen groeit als christen, daarin God hoort spreken. Gericht op de praktijk. In staat tot elk goed werk. Daarvoor moet je thuis zijn in de Bijbel.

Ja, wanneer noem je iets ‘thuis’? Dat heeft allereerst iets van bekendheid. Thuis verdwaal je niet. Zelfs in het donker niet. Je weet waar je bed staat. In welke kast de kleren zitten en je speelgoed. Thuis is bekend. Thuis zijn in de Bijbel heeft daar ook mee te maken. Dat je weet waar wat staat. Dat je een soort basiskennis hebt over de opbouw van de Bijbel, hoe die in elkaar zit. Met Oude en Nieuwe Testament. Met de bijbelboeken. Als je zomaar een boek ergens openslaat en een pagina leest, of een paar minuten uit een film kijkt, snap je er ook niets van. Door heel het boek heen moet je de verhaallijnen en de karakters leren kennen. Dan pas kun je een stuk plaatsen. Zo is het met de Bijbel ook. We proberen dit jaar deze hoofdlijnen helder te krijgen, zodat je een kapstok hebt.

Thuis is ook eigen en vertrouwd. Het is iets van jezelf. Je voelt je er thuis. Dat gevoel heb je niet meteen als je in een nieuw huis gaat wonen, dat moet groeien, dat duurt soms jaren. De Bijbel wordt ook alleen maar je thuis, vertrouwd en eigen, als je zelf in leest. En niet één keer van voor tot achter, maar er in blijven lezen, je oefenen. Dat oefenen in bijbellezen gaan we dit seizoen ook samen doen. Dit doen we samen, omdat er wel allerlei manieren zijn om het lezen leuker en gemakkelijker te maken. Bijbellezen kun je leren.

Ten slotte: Thuis raken in de Bijbel, dat is uiteindelijk geen kwestie van bijbelkennis of leesvaardigheid. Dat zou suggereren dat je er slim voor moet zijn of van lezen moet houden. Uiteindelijk gaat het met een thuis, een huis, je ook niet om de muren of de spullen, maar om het leven ín het huis. Zo is het met de Bijbel ook: het gaat ons niet om het boek, of om het ijverig lezen, maar om het geloof dat in de Bijbel God woont. Dat de Bijbel lezen bij Hem thuis komen is. Hem ontmoeten. De drempels die ons daarvan kunnen weerhouden, die moeten we wegnemen. Als we inzetten op bijbellezen, dan is dat omdat we van God houden en Hem willen horen spreken. En voor Hem willen leven.

Amen