Over boosheid, o.a. van Wilders enz.

Preek gehouden in Hagestein, Lunteren en Poederoijen over Psalm 37.

Afbeeldingsresultaat voor Wilders boos

Foto ANP

Gemeente van Jezus Christus,

‘Wees niet boos op kwaaddoeners.’ Daarmee begint Psalm 37. Een rare zin. Onbegrijpelijk. Toch? Als iemand jou slaat, iets van je afpakt. Zelfs als je broertje of zusje dat doet. Dan wordt je boos toch? Ik heb zelf een paar kleintjes rondlopen van 2 en 3. En ze krijgen nu al wel eens slaande ruzie omdat de één het fietsje van de ander afpakt. En niet alleen bij kinderen gaat dat zo.

In de grote mensenwereld gaat het net zo. Daar is het geen kinderspel, maar serieus. Er lopen nogal wat kwaaddoeners rond in de wereld. Moordenaars, dieven, verkrachters, dictators, pesters, egoïsten, fraudeurs, corrupte politici. Genoeg om werkelijk, en écht serieus, kwaad over te worden en je kwaad over te maken. Terecht! Denk ik dan, en denken wij dan. Natuurlijk je moet je niet zomaar op je tenen laten trappen over peanuts. Een krasje op je auto omdat de buurkinderen onvoorzichtig waren met hun voetbal, dat is vervelend. Maar hopelijk hebben ze een WA-verzekering en het is opgelost. Daar hoef je niet over te ‘onsteken in woede’. Maar over écht onrecht, daar kun je niet, daar mág je toch niet zomaar aan voorbijgaan?

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Wat zit daar achter? Blijkbaar is deze psalm geschreven in een situatie waarin het de slechte mensen voor de wind gaat en de goede mensen het zwaar te verduren hebben. Boven de psalm staat als opschrift ‘Van David’, maar zoals bij veel psalmen zegt dat meer iets over de inhoud dan over de historische oorsprong. In de loop van de tijd begon men dit boven liederen te zetten die ‘davidische kwaliteit’ hadden, die zó goed waren dat ze in de tempel/synagoge gezongen mochten worden.

In de psalm zelf keert elke keer terug dat de vromen, de gelovigen, de rechtvaardigen het land niet meer in bezit hebben, niet meer vrij en in vrede kunnen wonen. Dat geldt voor een groot deel van Israëls geschiedenis. Dat gold in de tijd van de ballingschap in de 6e eeuw voor Christus wel het meest, maar eigenlijk is Israël sinds de tijd van Hizkia (8e eeuw voor Christus) constant schatplichtig geweest aan buitenlandse machten: Assyrië, Babylonië, Perzië, Griekenland, Rome. En in de binnenlandse politiek was het niet veel beter. De meeste koningen sinds Rehabeam waren corrupt en onrechtvaardig. De elite in Jeruzalem liet de armen in de stad en op het platteland creperen als het uit zo kwam. De boeken van de profeten staan vol met kritiek op de sociale ongelijkheid, hebzucht en hoogmoed.

Het was inderdaad voorstelbaar dat je als arme boer óf verschrikkelijk kwaad werd op deze hele bende óf jaloers keek naar degenen die wél in grote paleizen en in weelde konden leven…

En dan toch:

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Ik moest daarbij denken aan de aankomende Tweede Kamerverkiezingen. Geert Wilders van de PVV en andere populisten (50Plus, GeenPeil) léven juist van boosheid. Net als Trump in de VS, LePen in Frankrijk, Pegida in Duistland. Die melken dat uit en moedigen dat aan:

Boosheid tegen de zakkenvullers in Den Haag. Nu lijkt mij dat sowieso onterechte boosheid: onze regering is niet corrupt en onrechtvaardig. Maar zelfs als het terecht zou zijn, omdat er daadwerkelijke problemen zijn, zou de dichter van Psalm 37 zeggen: Op zulke partijen en politici die boosheid, verontwaardiging, woede vertegenwoordigen kun je als gelovige gewoonweg niet stemmen.

Maar waarom dan? Want u merkt wel, dit strijkt ons tegen de haren in. Zeker als het heel concreet wordt in een stemadvies, in een politieke werkelijkheid. Dat gaat in tegen waarden als zelfredzaamheid en assertiviteit die wij tegenwoordig van jongsaf aan aangeleerd krijgen. Als je ergens recht op hebt, moet je dat recht ook verdedigen, dat moet je erop af gaan. Voor jezelf opkomen. Op allerlei manieren leren we onze kinderen om ‘zelfstandig’ te zijn. Al op de basisschool leren ze te kiezen, te plannen, toch? Tot op zekere hoogte is dat goed, maar al heel snel gaan we oprecht denken dat ons leven maakbaar is en dat we er zélf iets van moeten maken. En frustreert het ons als het niet lukt. En worden we ontevreden. En boos.

Psalm 37 zegt dan: Dat is de weg van het ongeloof. Zulke boosheid is ongeloof. Zo’n levenshouding is wantrouwen. Wantrouwen in God, de HEERE. Dat gaat nog even een spa dieper. De dichter is geen moralist, die met een waarschuwend vingertje zegt dat je niet boos mag worden en dat je altijd lief voor elkaar moet zijn. Dat is te simpel. Het gaat veel meer over de onderliggende levenshouding, over je instelling, over je ‘hart’, zoals de Bijbel zo mooi kan zeggen. Het gaat er om of je met God rekent of buiten Hem om.

In vers 2 staat gelijk de reden waarom je niet boos of jaloers hoeft te worden:

Want als gras zullen zij snel verdorren, als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.

En vers 9 en 10 borduren daarop voort:

Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden, maar wie de HEERE verwachten, die zullen de aarde bezitten. Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn; u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.

Verderop in de psalm keert dezelfde gedachte steeds terug. In het kort: ‘boontje komt om zijn loontje’. De dichter die op leeftijd gekomen is – vers 25 ‘Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden’ – benadrukt dat dat zijn levenservaring is. Zo gaat dat in de wereld. Daar hoef je niets voor te doen, dat gaat vanzelf. Het kwaad heeft geen duur. Is zelfdestructief. Je ziet dat goed bij dictators als Napoleon en Hitler: ze liepen zichzelf kapot in hun oorlogen. Je ziet het bij populistische politieke partijen die voortkomen uit boosheid: de LPF, Trots op Nederland, de PVV, ze vallen uit elkaar, splinteren vanzelf weer af. Zo werkt ‘kwaad’, het is niet constructief, maar destructief.

Zo ziet deze dichter het. Als constatering niet eens moralistisch. Zoals ‘roken is dodelijk’: dat is gewoonweg een feit. Één op de twee mensen die roken, 50%, overlijdt er vroegtijdig. Negen van de 10 gevallen van longkanker komen door roken. 19.000 kankergevallen per jaar zijn aan roken te wijten in Nederland. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar zo werkt het. Wat slecht is voor een mens, wat slecht is voor een samenleving, heeft ook een slechte afloop.

Je hoeft het alleen maar uit te houden en geduld te hebben:

Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn;

Dat klinkt mooi en hoopvol, maar dat kun je niet bewijzen. Als je zelf onderdrukt wordt, lijdt, ziek bent, arm, vluchteling, dan is de werkelijkheid anders. In de praktijk gaat er toch een heleboel mis. En als het ene kwaad verdwenen is, steekt het andere wel weer de kop op. Assyrië werd afgelost door Babel, en die weer door de Perzen, en toen kwam Rome. Na Hitler had je Stalin, en toen Mao, en toen Saddam en Mugabe en Kim Jong Un en Assad. En wie weet scharen we over een aantal jaar ook Erdogan en Poetin of zelfs Trump in dat rijtje.

Daarom is alleen positivisme niet genoeg om het uit te houden, om geduld te hebben, maar komt het aan op geloof. Geloof in de HEERE, de God van Israël.

De dichter is namelijk niet iemand die gelooft dat het goede in deze wereld uiteindelijk zelf wel zal overwinnen. En dat de mens uiteindelijk toch ten dienste goed is, zodat  langzaam maar zeker deze aarde een fijne plek zal worden. Nee, vers 5 en 6:

Wentel uw weg op de HEERE en vertrouw op Hem: Híj zal het doen. Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het morgenlicht, uw recht doen stralen als de middagzon.

Zie je. Ook de dichter gelooft niet dat alles automatisch wel goed komt als je maar geduld hebt. ‘Wentel uw weg op de HEERE’, dat betekent zoveel als: leidt je leven in vertrouwen op de HEERE. Je levensweg, je doen en laten, je lot, alles wat je hebt en wat je overkomt, dat staat niet los van Hem, maar daar is Hij bij betrokken.

Tenminste, volgens de dichter is dat de keus die je moet maken. Zo te leven. Te leven in geloof. Geloof dat is in deze psalm, in heel de Bijbel trouwens, niet zomaar een theorie, een serie leerstellingen waarin je gelooft. Dat je gelooft dat Jezus de Zoon van God is, dat Hij is gekruisigd en opgestaan uit de dood. Dat zijn gewoonweg feiten. Geloof is, dat je jezelf daaraan toevertrouwd. Dat je leven in het teken van het kruis staat. Geloof is in die zin ook méér dan een persoonlijke relatie met God én meer dan een inspiratiebron voor je dagelijks leven.

Het woord voor vertrouwen dat in deze verzen gebruikt wordt, ‘vertrouw op de HEERE’, dat is geen gevoel, maar zekerheid. Zoals een kind op zijn ouders kan vertrouwen, er zeker van kan zijn dat zijn ouders ervoor zorgen. Je kunt erop rekenen dat je vader en moeder dat doen. Je kunt erop rekenen dat je droog zit in een huis. Je kunt erop rekenen dat je op school leert lezen en schrijven. Je kunt erop rekenen dat ze in het ziekenhuis álles doen om je behandelen voor je ziekte. Je kunt erop rekenen dat je geld bij de bank veilig is.

Zo kun je rekenen op de HEERE. Waarom? ‘Hij zal het doen.’ Alles waarop je rekent, kan soms tegenvallen. De bank let minder goed op je geld, dan je zou willen. Je dak kan lekken. Zelfs ouders laten steken vallen. Maar op de HEERE kun je rekenen. Hij staat garant voor het goede, voor je recht, voorje vrede, voor je toekomst, voor het land dat je toekomt, voor eeuwig.

Ik vind dat moeilijk, eerlijk gezegd. Om echt met de HEERE te rekenen. Op Hem te rekenen. In het leven van alledag. Niet voor niets staat deze psalm in de Bijbel. Niet voor niets is het een aansporing. Een wijze les. Blijkbaar vonden ze het toen ook al moeilijk. En ik denk dat het in onze tijd alleen maar moeilijker is geworden. Want we groeien op en leven in een tijd en in een land waar heel weinig met de HEERE gerekend wordt. Je hebt natuurlijk de vrijheid om te geloven wat je wilt, dat wel, maar de hele sfeer van onze tijd is toch ‘godloos’. En dat ademenen u en ik, en het laat mij niet koud.

Dan is deze psalm een verademing. Een realiteitscheck. O ja, ik sta er niet alleen voor. Wij staan er niet alleen voor. Alleen tegen het onrecht, tegen de ellende, tegen de zonde. We kunnen rekenen op God. Op Zijn doen. Zijn ingrijpen. Zijn handelen. Zijn optreden. Het slot van de psalm luidt, vers 40:

De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden; Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen, want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.

In Jezus Christus zijn deze woorden vervuld. God is zelf naar de aarde gekomen. Hij heeft ingegrepen. Hij is de dood ingegaan en heeft de dood overwonnen. Hij heeft het kwaad op zich genomen. Ook ons kwaad, onze zonden. Want niet automatisch kunnen wij ons identificeren met de ‘vromen’ in deze psalm. Misschien horen wij wel bij de ‘overtreders die weggevaagd worden’. Met de komst van Jezus Christus en in het geloof dat Hij regeert over de wereld in het groot, en dat Hij zich bemoeit met mijn kleine leven hier in Hagestein/Lunteren, daarin begint het morgenlicht te schijnen, dat eens zal stralen als de middagzon.

Daar staat de HEERE zelf garant voor. Zo is Hij. Zo doet Hij. Daar mag je op rekenen. Een verademing is dat. Weldadig.

Zo kun je vers 3 en 4 begrijpen:

Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met trouw. Schep vreugde in de HEERE, dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.

Dat betekent niet dat geloven in God als het ware een doekje voor het bloeden is, een soort terugtrekkende beweging. Alsof je denkt: ‘De wereld is slecht, ik trek me wel terug in mijn eigen huis en familiekring. Ik doe daar gewoon mijn best en over de rest bekommer ik me niet. En mijn geloof geeft mij een fijn gevoel.’

Nee, integendeel. Het is juist met beide benen in de modder staan, vechten tegen de bierkaai. Gekkenwerk van het geloof. Niet kwaad worden op de kwaden, maar kwaad met goed vergelden. Je vijand liefhebben. Als iemand je dwingt je jas af te staan, je trui erbijgeven. Het goede doen op een aarde die vergeven is van het kwaad. Gewoon omdat het kan.

Het is de weg van Jezus Christus. De theologie van het kruis. Totaal af kunnen zien van jezelf, omdat je rekent op de HEERE. Dat Hij alleen van doorslaggevende betekenis is. Omdat je met Hem alleen tevreden hebt leren zijn. Hij, God van hemel en aarde, legt méér gewicht in schaal dan al het andere samen.

‘Schep vreugde in de HEERE’, m.a.w. ‘geniet geweldig, met volle teugen van Hem’. Omdat onze God zo geweldig is: Zo geweldig goed. Zo’n bron van liefde. Onmetelijk wijs. Heerlijk. Onuitputtelijk in schoonheid. Onvoorstelbaar rechtvaardig, trouw, eerlijk. Hij is alles wat je nodig hebt. En je zit nooit meer om iets verlegen.

Dat vandaag de dag het populisme hoogtij viert – Wilders staat in de peilingen aan kop op bijna 30 zetels – dat komt door een diepliggende ontevredenheid. Een leegte van het hart. In die leegte groeit boosheid en jaloersheid welig. In die leegte is het ik alleen met zichzelf. En daarom alleen met zichzelf bezig. En dan wordt je bang voor een ander. Bang voor de islam. Omdat je er voor je gevoel alleen voor staat.

De HEERE vult de leegte in je hart. Hij vervult de verlangens van je hart, zegt de dichter zelf. Wees tevreden met Hem. Wees blij met de HEERE. Dat je Hem mag kennen. Dat je bij Hem mag horen. En dat Hij daadwerkelijk betrokken is op jou en op u. Dan ben je goed af, nu en voor eeuwig!

We mogen de rijkdom hiervan van onszelf herontdekken. De rijkdom van het geloof in Jezus Christus. Het is het beste, en enige echte, medicijn tegen. Omdat Jezus Christus echt is. Omdat Zijn kruis werkelijk in de wereld stond. Omdat Hij leeft.

‘Schep vreugde in de HEERE’, dat zijn woorden om mee te dragen, te overpeinzen. Uit te leven. Uit te stralen. Dat kan alleen als je Hem kent. Als je Hem hebt leren kennen. Dan wil je niet meer anders.

Heel deze psalm, heel het bijbelse geloof, heel de geschiedenis van Israël, heel het evangelie van Jezus Christus is hierin samen te vatten: ‘Schep vreugde in de HEERE’. Volhouden en volharden in het geloof dat deze wereld uiteindelijk om Hem draait, dat wij ten diepste op Hem aangelegd zijn, dat wij daarom alleen ten diepste gelukkig kunnen zijn als Hij in het middelpunt staat van ons leven. De HEERE, de Almachtige, die het in deze wereld niet uit de hand loopt. Omdat Hij goed is en het recht liefheeft. Omdat Hij woord houdt en trouw blijft.

Op Hem lopen daarom al ons kwaad en onze zonden stuk, ja de dood zelf heeft Hem niet stuk gekregen. Hij is de rots waarop je bouwt of de rots waarop je uiteindelijk stuk loopt. Om de HEERE heen kan uiteindelijk niemand. Je kunt maar beter op Hem rekenen en mét Hem rekenen dus…

Deze psalm heeft de toon van het evangelie van Jezus Christus. Bijna letterlijk keren teksten uit deze psalm terug in de bergrede, in het evangelie van Mattheus 5:1-12.

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

Let wel: dit alles, dit leven met God, dit genieten van HEERE om Wie Hij is, dat blijft onlosmakelijk verbonden met de aarde, met het land, met het concrete leven, met het wonen en werken. En het blijft daarom ook aangevochten. Stukwerk. Het is een pijnlijk contrast met de wereld die we om ons heen zien, en met de gebroken werkelijkheid die we soms aan den lijve ervaren.

De zaligsprekingen zijn geen echter geen wensdromen, geen opium voor het volk, maar een concrete verwachting. Zó zal de aarde eruit zien als het Koninkrijk van Jezus Christus in al zijn volheid gekomen is. En omdat alleen ‘nog maar even’ duurt, beginnen wij als gelovigen alvast te leven alsof het zover is. Verblijden en verheugen we ons. Of zwijgen we en verwachten we. Want ondertussen kan het best lang duren. Vers 7 ‘Zwijg voor de HEERE en verwacht Hem;’

Die zachtmoedigheid heeft alles met dat zwijgen te maken. Ze kenmerken de gelovige levenshouding. Het besef dat het leven ingewikkeld is, gecompliceerd. Goed en kwaad liggen soms heel dichtbij elkaar, vaak moeten we kiezen uit twee kwaden. Zeker in de politiek is dat zichtbaar: wat precies goed is voor de economie, of hoe de zorg georganiseerd moet worden, of hoe we omgaan met immigratie van vluchtelingen en asielzoekers en hoe inburgering dan plaats vindt, en of we nu méér of mínder Europa moeten hebben, daar heeft niemand het gouden recept voor.

Dat moeten we van politici dus ook niet verwachten. Zoals we dat ook van onszelf niet moeten verwachten. Soms past het ons onze mond te houden. Alleen maar te luisteren. Te zoeken. Te proberen. Te tasten. Samen. Daarin past niet het bouwen van muren of hekken en het slopen van moskees of het verbieden van de Koran, zoals Wilders wil. ‘Laat uw woede bedaren en laat uw grimmigheid varen; ontsteek niet in woede – het brengt slechts kwaad.’ Vers 8. In het politieke leven, maar zeker ook in het persoonlijk leven, in het gelovig leven, zoeken we de rust, de vrede.

We leven in het geloof dat we de echte tevredenheid, de vrede van ons hart, vinden bij de HEERE, en dat Hij zal zorgen dat eens de wereld vol is van die vrede. Ondertussen oefenen we ons in het geloofswerk van het zachtmoedig zijn: tegen de klippen op genadig zijn, gunnen, geven, lenen en ontfermen. Want alleen dat heeft de toekomst. Want de toekomst is van Jezus Christus.

Amen

Advertenties

Word niet boos! (Of anders: maak het snel goed!)

Preek over Mattheus 5,21-26. #5 in een serie over de Bergrede. Gehouden in Everdingen.

Titiaan: Kaïn en Abel (1542-4; Santa Maria della Salute, Venetië)

Gemeente van Jezus Christus,

Laat ik maar met deur in huis vallen. Wie van de jongens en meisjes en volwassenen hier in de kerk is nog nóóit boos geweest? [geen vingers…] Nou, dat zegt genoeg. Allemaal hebben we wel eens dat iemand het bloed onder onze nagels vandaan haalt. Dat kan iemand van je broers of zussen zijn, of iemand in de klas of op je werk. En dan kunnen we ook nog kwaad zijn op allerlei instanties, de overheid die ons onrechtvaardig behandelt. Allemaal kennen we dus dat gevoel van binnen, dat het begint te borrelen, en dat je je mond niet meer kunt houden. En dan kan er zomaar van alles uitvliegen.

En daarvan zegt Jezus nu : Al zeg je zo in boosheid alleen maar ‘sukkel’, ‘idioot’ of ‘dwaas’ tegen iemand, dan beland je daarvoor in de hel. Nou, dat is geen leuke boodschap dus voor ons, want wij werden allemaal wel eens boos, en dan hielden we niet onze mond, dus wij belanden allemaal in de hel. Jezus zegt het zelf: ‘al wie zegt: ‘Dwaas!’, die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur. Wij praten daar niet zo graag over, over de hel, maar Jezus doet het zelf. En heel absoluut, er is weinig ruimte om dit anders te lezen dan het er staat.

En dan heeft u, dan heb jij dus een probleem. Want je wilt niet naar de hel, toch? Naar dat helse vuur? Voor eeuwig branden als straf voor je boosheid? Nee, toch? Dat is geen plek waar je wilt zijn, nu niet en nooit niet. Maar volgens Jezus komen we daar wel als wij boos worden op onze broeder. En daar maken we ons allemaal wel eens schuldig aan. Jezus maakt hier ook geen onderscheid tussen terechte of onterechte boosheid. Dan zouden we er nog gemakkelijk onderuit kunnen: ‘Ja, ik wordt niet zomaar boos! Als ik boos wordt, dan is er ook wel echt wat! Dan heeft iemand anders ook echt iets misselijks uitgehaald of gezegd over mij.’ Ja, dat zullen de meesten van ons wel zeggen, dat als je boos wordt, dat je dan ook gelijk hebt en dat de ánder rot deed…

In uw bijbeltje staat in vers 22 wel ‘al wie ten onrechte boos is’. Maar dat ‘ten onrechte’, dat is waarschijnlijk een latere toevoeging. In de oudste handschriften die we hebben van het evangelie Mattheus, daar staat dat woordje nog niet in. Overschrijvers hebben dat er dus waarschijnlijk tussen gesmokkeld, om Jezus’ uitspraak iets te verzachten en begrijpelijker te maken…

Hoe komt Jezus erbij om ons, en de hele wereldbevolking, met deze woorden tot de hel te veroordelen? Nou, in vers 17-20 zegt Jezus dat Hij niet gekomen is om de wet af te schaffen, maar die te vervullen. Nu gaat hij in een aantal uitspraken aantonen dat dat ook werkelijk zo is. Hij begint met: ‘U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is’. Daarmee verwijst Hij naar het Oude Testament. ‘De ouden’, dat is het voorgeslacht, vele generaties eerder dan de mensen die Jezus daar toespreekt, het is de generatie die de woestijnreis meegemaakt heeft, zoals je die kunt lezen in het boek Exodus. En tegen hen werd gesproken door Mozes, de man Gods. Mozes gaf aan het volk de geboden door, die hijzelf weer gehoord had van de HEERE op de berg Sinaï.

En inderdaad, Mozes had de Tien Geboden zo doorgegeven aan het volk, en daarin klonk het 6e gebod: Gij zult niet doden. We hoorden het vanmorgen nog, Exodus 20 vers 13. En, voegt Jezus eraan toe, daarbij is ook gezegd: ‘Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden.’ Ook dat is terug te vinden in de wet van Mozes. Kijk maar mee in Exodus 21: 12-14

Wie iemand zó slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden. Maar voor het geval dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten. Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt en hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.’

Dus de wet die God via Mozes aan het volk had gegeven was glashelder: Doden en moorden is verboden. Doe je het toch, dan volgt daarop voor die persoon de doodstraf. Wie een leven neemt, diens leven zal genomen worden. Alleen in het geval dat het per ongeluk gebeurde, dan mag zo iemand vluchten naar een vrijstad. Er waren in het beloofde land door God een paar steden aangewezen, waar je dan heen kon vluchten. Daar was je in ieder geval veilig zolang het proces tegen je nog liep. Mocht daaruit blijken dat het tóch opzettelijk was, dan is zo iemand zélfs bij het altaar in de tempel niet veilig, maar zal zijn straf niet ontlopen.

Wist u dat we dit systeem ook heel lang in Nederland hebben gehad? Vianen is in de tijd van de Middeleeuwen en de Reformatie ook zo’n vrijstad geweest. Maar dat is tegenwoordig gelukkig afgeschaft. Politie en justitie doen nu zorgvuldig onderzoek en je schuld moet eerst bewezen worden, voordat je een straf ontvangt. En dat is maar goed ook. Vroeger werden ook heel veel onschuldigen gestraft, soms zelfs met de doodstraf, en dat is onomkeerbaar.

Maar de wet van Mozes is glashelder. Toch gaat die voor Jezus niet ver genoeg. Het is niet zo dat Jezus een nieuwe interpretatie geeft, nee, Jezus geeft echt een nieuwe, aanvullende regel. De doodstraf geldt niet alleen voor het doden van een medemens, maar zelfs voor boosheid tegen een medemens. ‘Al wie boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank’, dus: veroordeeld worden tot de doodstraf. Laat dat maar eens op je inwerken. En het is niet zomaar iemand die dat zegt. Niet zomaar iemand van onze tijd die vindt dat er zwaarder gestraft moet worden. Nee, het is Jezus Christus, de Messias van God, die het zegt.

Jezus legt zo de vinger bij een zere plek in ons leven. Bij een gebrokenheid die er bij ons allemaal in zit. Want wij zullen denk ik allemaal zeggen dat wij geen moordenaars zijn. Ik ga er even van uit dat niemand van ons écht een mens vermoord heeft. En misschien zult u ook zeggen: Ik zou dat ook niet kunnen, ik zou daartoe niet in staat zijn.

Maar als wij de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan valt daarin iets heel anders op. Namelijk dat iedereen, elk mens, in de juiste situatie, tot moorden en doden in staat is. De Bijbel zelf geeft dat al aan in één van de eerste verhalen die we lezen in het Oude Testament. Nadat Adam en Eva uit het paradijs verdreven zijn, en de paradijselijke wereld is veranderd in een gebroken wereld door hun ongehoorzaamheid aan God. Dan volgt een verhaal over hun twee zonen. Kaïn en Abel. De eerste twee geboren mensen. De eerste twee broers. Maar gelijk daar aan het begin gaat het goed mis. We lazen hoe Kaïn en Abel allebei een offer gaan brengen, maar Kaïn wordt jaloers als hij ziet dat Abels offers aangenomen wordt, maar zijn eigen offer niet. Wij zouden zeggen: Abels gebed wordt verhoord door God, maar dat van Kaïn niet. En Kaïn is daar zó kwaad over dat hij zijn broer Abel doodslaat.

Een ongelofelijk verhaal? Zoiets kan in werkelijkheid niet? Het is juist in de Bijbel terecht gekomen om ons te waarschuwen dat zoiets wél kan. Dat het ons ook kan overkomen als we niet oppassen. En dat het begint in ons hart. Begint met jaloersheid. En die jaloersheid leidt tot boosheid. En die woede leidt tot daden waar je eeuwig spijt van hebt. Dit verhaal komt ons dan al gruwelijk voor. Maar lezen we elke dag in de krant niet de bevestiging van de waarheid van dit verhaal. Dat mensen écht tot dit soort dingen in staat zijn, en nog wel erger ook.

Voor mijzelf is wat dat betreft altijd de Tweede Wereldoorlog en het geweld tegen het Joodse volk in de holocaust een baken in zee. Door boeken en films hebben wij soms het idee dat de mensen die meewerkten aan het vergassen van 6 miljoen joden een soort beesten waren. De beulen in het kamp, de organisatoren van de Endlösung, de SS-soldaten, de Nazipartij. Maar dat waren geen beesten, dat waren mensen. Zoals u en ik. Voor de oorlog waren dat boeren, chauffeurs, bouwvakkers, leraren. Keurige, nette mensen, christenen zelfs. Maar dat was de buitenkant. In het hart woont een wolf. Die er uit komt als het kan. En die wolf zit in ons allemaal.

Die wolf uit zich ook in onze maatschappij. Abortus en euthanasie zijn bij ons gelegaliseerd. Elk jaar worden er wereldwijd 46 miljoen abortussen uitgevoerd. 46 miljoen kleine baby’s die in de moederschoot niet veilig zijn voor mensenhanden die dit leven vernietigen. In Nederland gaat het om vele tienduizenden baby’s per jaar. Het is gelegaliseerde barbarij. Moord en doodslag zijn geen ver-van-onze-bed-show. Dat gebeurt op deze manier ook heel dichtbij. Ook de betrokken vrouwen en mannen raken er vaak voor hun leven beschadigd van. Wij willen het leven van onszelf én anderen in eigen hand hebben, maar daardoor ontheiligen we het en vernietigen we het. Dood en leven moeten een zaak van God blijven.

Maar die wolf, die zit in ons hart. En die roert zich zodra wij boos worden en gaan schelden. Schelden doet geen pijn zeggen we dan. Misschien zeggen jullie dat ook wel tegen elkaar op het schoolplein als er iemand uitgescholden wordt of gepest met woorden. Maar wat Jezus nu vanmorgen/vanmiddag tegen ons zegt is: Schelden doet wél pijn. God gebiedt ons dat het leven, het bestaan van de elke mens héilig is. Daar mag je geen inbreuk op maken. Maar boosheid is precies dat, de wil om die ander aan te tasten, te raken, te beschadigen. Een woord als een steek onder water. Een scheldwoord als een slag in het gezicht. Als een stoot naar het hart, het moet treffen, wonden, vernietigen. En dát zegt Jezus, dát is nu moord.

En dat zegt Jezus niet zomaar. Hij zegt het tegen zijn discipelen, zijn volgelingen die bij Hem horen. Zoals wij Zijn gemeente zijn. Jezus zegt het tegen ons, tegen u en jou. Zodat wij vooral onder elkaar geen ruzie hebben. Jezus zegt ook in vers 22 ‘al wie boos is op zijn bróeder’ en in vers 23: ‘als u zich herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft’. De broeder is in het evangelie altijd de medevolgeling van Jezus Christus. Als Jezus over mensen in het algemeen spreekt, dan heeft hij het over ‘de naaste’. ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf’. Dat gaat over álle mensen. Maar hier staat uitdrukkelijk: ‘wie boos is op zijn broeder’. Daaruit kunnen we afleiden dat Jezus hier een bijzondere regel geeft voor de omgang met elkaar binnen de gemeente. Alsof Hij wil zeggen: In de wereld is moord en doodslag een zonde, maar bij júllie, onder jullie, daar is ruzie, woede en boosheid net zo erg.

En waarom zegt Hij dat? Nou, juist hier in de kerk zouden we kunnen denken dat die relatie met de broeders en zusters er helemaal niet zo toe doet. Wij leggen in ons kerkzijn veel meer de nadruk op een goede relatie met God. Onze hele kerkdienst is daar ook op gericht: eer geven aan God. Wel met elkaar zingen en bidden, maar niet gericht op het contact met elkaar. En dat is precies wat in onze tijd past: ieder gelooft voor zichzelf, ieder is alleen verantwoordelijk voor zichzelf, ieder redt zichzelf. Maar in de discipelkring van Jezus kan dat niet zo zijn.

Jezus zegt in vers 23 en 24: ‘Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.’ Wij zouden ook geneigd zijn om te denken, net als de Joden: Als je met het brengen van een offer bezig bent, met de heilige zaken van God, dan heeft dat toch de grootste prioriteit. Dáár moet je je toch allereerst mee bezig houden en de rest moet je maar even laten zitten.

En dat vinden wij ergens ook wel de gemakkelijkste weg. Want naar de kerk gaan en je duit in het collectezakje doen, dat is best laagdrempelig. Dat kun je bijna doen zonder er bij na te denken, toch? En je kunt zo ook je schuldgevoelens kwijtraken, want je weet misschien wel dat je bepaalde dingen niet goed hebt gedaan of doet, en dat er tussen jou en een ander ook nog wel wat fout zit. Maar daar vraag je dan in de kerk maar vergeving voor, zodat het tussen jou en God in ieder geval goed zit.

Maar voor volgelingen van Jezus Christus kan dat niet. Jezus zegt dat je dan eigenlijk onmiddellijk je offer achter moet laten in de handen van de priester. Dat je moet stoppen met het dienen van God, en het dan éérst goed moet maken, je moet verzoenen met diegene die iets tegen je heeft. Want de dienst aan God valt niet los te maken van het leven met elkaar. In de kerk zitten terwijl je weet dat het niet goed zit tussen iemand anders en jou, dat is huichelachtig, schijnheilig en onwaarachtig. En dat gaat niet alleen over dat jij boos bent op iemand anders, maar dieper nog: als je weet dat iemand anders iets tegen jou heeft. Omdat je misschien bedoeld of onbedoeld iemand gekwetst hebt, op zijn tenen hebt gestaan. Het gaat er niet om of die ander nu terecht of onterecht boos op je is. Zodra je weet dat iemand iets tegen jou heeft, dan heb je de verplichting om daar de allerhoogste prioriteit aan te geven en er alles aan te doen om het goed te maken.

En nog niet eens voor je eigen bestwil of zo. Maar omdat je weet dat iemand die boos is, onder het oordeel van God valt en naar de hel gaat. Dus als jij bij je broeder die boosheid weg kunt nemen. Gewoon door er heen te gaan, te luisteren en misschien je excuses aan te bieden. Dat je hem dan redt van de hel. Dat je hem redt uit het oordeel van God. Want God kan ons wel redden en vergeven wat wij Hem aandoen. Hij verzoent Zichzelf met ons, maar de band die wij met elkaar in de gemeente van Jezus Christus hebben, die valt onder uw en jouw verantwoordelijkheid. En juist daar legt Jezus ál het gewicht op, zélfs het gewicht van onze eeuwige bestemming.

Jezus vraagt van ons dus een moeilijke weg. Dat mogen we wel zeggen. Want zo gemakkelijk als het is om aan God vergeving te vragen en voor Hem met onze zonden voor de dag te komen. Zo moeilijk vinden we dat om dat bij elkaar te doen. Misschien denk je ook wel: Jezus heeft gemakkelijk praten! Dit is toch totaal niet realistisch! Ja, zo gaat dat onder ons wel eens. De beste stuurlui staan aan wal. Zoals met dat cruiseschip dat in Italië aan de grond liep, of dat vrachtschip bij Wijk aan Zee. Dan zeggen we: hoe konden die kapiteins dat nu toch doen. Ze hebben toch allemaal prachtige instrumenten tegenwoordig, precieze zeekaarten, gps, computergestuurde besturing van het schip. Maar ja, wij hebben dan ook totaal geen verstand van het besturen van zo’n megagroot schip. Dus kunnen wij maar beter onze mond erover houden. Ook over dat die kapitein van dat cruiseschip voortijdig het schip verliet uit angst te verdrinken. Wat had jij in zijn plaats gedaan? Was jij zo moedig geweest om ten koste van je eigen leven mensen te gaan redden die in hun hutten opgesloten zaten? Nou dan.

Zo kunnen we die woorden van Jezus ook horen: Als van het heilige boontje dat ons wel eens verteld hoe wij met elkaar om moeten gaan, terwijl dat in de praktijk echt niet meevalt. Maar wat Jezus hier doet is nu juist het omgekeerde van gemakkelijk praten. Als wij Jezus íets kunnen verwijten dan is het niet dat Hij niet weet hoe moeilijk verzoening is. Want daarvoor kwam Hij toch juist als de Zoon van God naar onze wereld. Hij daalde af uit de hemel om mens te worden, en om hier op aarde te lijden en te sterven. Omdat er alleen op  die manier verzoening zou komen tussen God en ons. Het goed maken van die relatie die kostte Jezus zijn leven, zijn hele leven hier op aarde stond in dat teken. Dag in dag uit was Hij daar mee bezig. En dat draaide er uiteindelijk op uit dat Hijzelf nog vermoord werd ook. Onschuldig werd Hij door mensen zoals u en ik gekruisigd. En of daar die wolf uit ons hart zich roerde.

Als Iemand dus weet hoe moeilijk die weg van verzoening is, dan is het Jezus, dan is het door Hem ook God zelf. Maar we horen het Jezus zeggen: Ik ben gekomen om de wet te vervullen. En dat heeft Hij gedaan. Die verzoening is er gekomen tussen God en ons. Jezus heeft het gehaald en daarmee iets grenzeloos moois gecreëerd. Het bewijs dat het kán. Dat verzoening moeilijk is, véél kost, maar dat het niet onmogelijk is. Dat het weer goed kan worden tussen God en jou. Hoe vaak het ook mis gaat. Maar dat houdt ook in dat als het zélfs goed kan worden tussen God en ons, dat het ook moet kunnen tussen ons mensen onderling.

Jezus praat dus niet gemakkelijk. Hij is Zelf onze broeder geworden, een medemens, die het goedmaakt tussen Hem en u. Dat mag je laten gebeuren. Zijn betaling voor jouw zonden aanvaarden. En alleen Hij is degene die dan die wolf in je hart van boosheid kan vernietigen. Hij is het die ons de genade geeft om zelf genadig te worden.

En denk nou niet als je zo naar huis gaat: ‘Hier ga ik nog eens over nadenken’. Maar als je weet dat iemand iets tegen je heeft. Ga er dan gelijk langs. Maak het snel goed! Dat zegt Jezus in vers 25 en 26. Hij vertelt daar een klein gelijkenisje over twee mensen die samen op weg zijn naar de rechtbank omdat ze een geschil hebben. Zolang ze nog onderweg zijn, kunnen ze er nog samen uitkomen, maar zodra ze voor de rechter komen, dan neemt die het heft in handen, en dan loop je het risico zelfs in de gevangenis te komen.

Daar zit een hele praktische les is: Hoe langer je wacht met het uitpraten van ruzies of het oplossen van geschillen, hoe moeilijker het wordt, hoe groter de problemen worden. Dan escaleert de situatie. Het gebeurt heel vaak met familieruzies dat het begint met iets héél kleins. Vergeten een kaartje te sturen met kerst of zoiets. En dat wekt irritatie, en dan worden er lelijke dingen gezegd, en dan wordt er een paar weken niet met elkaar gesproken. En dat blijft van binnen lekker verder koken. En het wordt alleen maar erger. Neem dus van Jezus aan: Los nu conflicten en irritaties zo snel mogelijk op, dan voorkom je erger.

Maar, ik zei al, het is ook een kleine gelijkenis: Je kunt deze verzen ook zó lezen: Als gemeente, als mensen op deze wereld, zijn we samen onderweg naar het moment dat wij allen zullen verschijnen voor de troon van God. Op de dag van de wederkomst van Jezus Christus, zal Hij, de Zoon des mensen, zitten op de rechterstoel om te oordelen over levenden en doden. Dat beeld treffen we onder andere aan in Mattheus 25. Terwijl wij nu nog zo hier samen op de wereld zijn, zullen we dan ons moeten verantwoorden voor Jezus Christus zelf. En Hij zal ons vragen, ook naar hoe wij met elkaar als broeders en zusters zijn omgegaan. En Hij zal zeggen: Jullie wisten toch dat ik gezegd heb: Als je boos bent op je broeder, dan ben je schuldig tot het helse vuur.

En ja, als er op dat moment dan inderdaad boosheid in uw en jouw hart leeft. Dan zegt Jezus: Ga weg van mij. ‘U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste cent betaald hebt.’ Dat mag voor ons een stok achter de deur zijn. De angst voor die straf, het ontzag voor Jezus Christus zelf, die vormen een extra aansporing om haast te maken. Want de dag en het uur van de komst van de Zoon des Mensen, die kennen wij niet. Maar het kan vanavond nog zijn. Vandaar dat Jezus zegt: Zelfs al zit je op dit moment in de kerk. Ga liever eerst weg om het goed te maken.

Amen