Jimmie en Eugene: Een verhaal over de waarde van één mens.

Normandy American Cemetery, te Colleville-sur-Mère, France.

De locatie van dit ereveld aan de Normandische kust is bekend uit de film Saving Private RyanOp 6 juni 1944 kwamen hier op Omaha Beach de U.S. 1st en 29th Infantry Division aan wal. Ze veroverden met veel moeite de kuststrook en het plateau van de huidige begraafplaats. Alleen hier al sneuvelden die dag tussen de twee- en drieduizend militairen.

Nu liggen hier 9387 Amerikaanse militairen in graven en staan nog eens 1557 namen gebeiteld in de muur van de Garden of the Missing. En dan te bedenken dat dit 1 van de 10 grote Amerikaanse erevelden in West-Europa is, terwijl ook nog eens ongeveer 172.000 stoffelijke overschotten overgebracht zijn naar de Verenigde Staten. Als je rondloopt en al die graven ziet, dan gaat het je duizelen. Het is teveel om te verwerken. Je kunt het niet bevatten. Dat heeft een positieve kant: er groeit ontzag, respect en afschuw. Aan de andere kant komt het niet echt binnen, omdat al die doden geen gezicht voor je hebben.

Het verhaal van Jimmie Waters Monteith jr.

Jimmie W Monteith 1944.jpgDaarom vertel ik hier het verhaal Jimmie. Je vindt hem in Plot I; Row 20; Grave 12. Op zijn grafsteen staat een gouden ster, wat inhoudt dat hij de Medal of Honor heeft ontvangen, de hoogste militaire onderscheiding in de U.S. voor uitzonderlijke moed. Hier in Normandie tussen al die duizenden is hij één van maar drie gedecoreerden. Wat heeft hij daarvoor gedaan?

Jimmie Monteith (1917) is afkomstig uit Virginia en studeerde werktuigbouwkunde voor hij dienst nam in oktober 1941. (Dus vóór de U.S. betrokken raakten in WOII, want de aanval op Pearl Harbor was 7 december van dat jaar). Toen hij klaar was met zijn basic training en aansluitend een officiersopleiding, werd hij in april ’43 ingezet in Algerije en vervolgens in juli ’43 bij de landing op Sicilië. Met de nodige gevechtservaring werd zijn eenheid in november ’43 naar Engeland gestuurd om zich voor te bereiden op de invasie van West-Europa. Op 6 juni ’44, als hij 26 jaar oud is, neemt hij deel aan D-Day, oftewel Operation Overlord . Een vertaling van de tekst bij zijn medaille:

Eerste luitenant Monteith landde met de eerste aanvalsgolven aan de kust van Frankrijk onder zwaar vijandelijk vuur. Zonder rekening te houden met zijn persoonlijke veiligheid, rende hij voortdurend op en neer op het strand om mannen te reorganiseren voor verdere aanval. Hij leidde vervolgens de aanval door een smalle geul en over het vlakke terrein naar de relatieve veiligheid van een klif. Hij keerde terug over het veld naar het strand naar twee tanks die geblokkeerd werden en blind waren door hevige vijandartillerie en mitrailleurvuur. Volledig blootgesteld aan het intense vuur leidde eerste luitenant Monteith de tanks te voet door een mijnenveld in goede vuurposities. Onder zijn leiding werden verscheidene vijandelijke standpunten vernietigd. Daarna ging hij weer naar zijn compagnie en onder zijn leiding namen zijn mannen een betere positie op de heuvel. Tijdens de verdediging van zijn nieuw gewonnen positie tegen herhaalde heftige tegenaanvallen, bleef hij zijn eigen persoonlijke veiligheid negeren, door de 200 of 300 meter open terrein onder zware vuur herhaaldelijk over te steken om de verbindingen te versterken. Toen de vijand erin slaagde om de eerste luitenant Monteith en zijn eenheid volledig te omsingelen, werd de eerste luitenant Monteith gedood door vijandelijk vuur. De moed, dapperheid en het onverschrokken leiderschap van Eerste luitenant Monteith is jaloersmakend.

Tot zover het verhaal van Jimmie. Mocht je meer over hem willen weten: hij heeft zelfs een eigen Wikipedia-pagina… Hij is daadwerkelijk als held gestorven. Hij heeft zijn medaille verdiend. Niemand zal hem vergeten.

Maar wie ligt er eigenlijk naast hem? Ook hij heeft zijn leven gegeven! Moet zijn verhaal ook niet verteld worden?

Het verhaal van Eugene Sharp (35389233)

Op graf Plot I, Row 20, Grave 11 staat de naam van Eugene Sharp. Verder staat er dat hij afkomstig is uit Ohio, de rang van soldaat had en deel uitmaakte van de 30th Infantry Division.  Met de overlijdensdatum, 26 juli 1944. Maar wat is het verhaal achter deze summiere gegevens? Met veel moeite vond ik in een krantenarchief op internet een berichtje uit de lokale krant van Massillon, Ohio, The Evening Indepent, gedateerd op 23 augustus 1944 (zie foto):

Wounds Fatal to Orrville Youth

Een telegram ontvangen door mrs. Elizabeth Thomasset Sharp of Orrville, eerder van Wooster, van het ministerie van oorlog, om haar te informeren dat haar echtgenoot, PFC Eugene Sharp gewond raakte in Frankrijk, is gevolgd door een tweede bericht dat PFC Sharp overleed op 26 juli. Het eerste bericht meldde dat hij diezelfde dag gewond raakte, dus hij leefde blijkbaar nog enkele uren, het tweede bericht meldt dat hij overleed aan de wonden die hij opliep tijdens actie.

PFC Sharp ging school aan Orrville High School in 1942, maar verliet die ook weer voor een baan in de industrie. Hij werkte bij Tyson Roller Bearing Corp. [kogellagerfabriek, TdR] at Massillon toen hij dienst nam op 29 juli 1942, 8 dagen na zijn 19e verjaardag [hij overleed dus 5 dagen na zijn 21e, TdR]. Hij ontving basic training in Fort Riley (Kan.) waarna hij overgeplaatst werd naar Camp Cook (Cal.), waar hij oefende met anti-tankmiddelen en geplaatst werd bij een luchtmobiele divisie in Fort Benning, (Ga.), waar hij oefende met glider-infanterie. Hij voltooide zijn opleiding in South Dakota en op Camp Mackail (N.C.), om overzee te gaan in juni naar Engeland. Hij kwam in Frankrijk op 12 juli. Naast zijn weduwe zijn zijn nabestaanden zijn ouders mr. en mrs. John Sharp en zijn twee zussen mrs. Mildred Bergan en mrs. Elizabeth Gesaman van Orrville.

Dramatisch zijn de details van dit bericht. Blijkbaar had deze 21-jarige jongen een jonge vrouw, die nu weduwe is, nadat ze enkele dagen of weken in vreselijke zorg moet hebben gezeten na dat eerste telegram. Daarnaast horen we dat zijn thuisfront in ieder geval bestond uit ouders en 2 zussen. Naar de impact van zijn dood en het verdriet hoeven we niet te raden. Een man, zoon, broer, missen slaat een gat in je leven. Of Eugene stierf als een held of niet, dat maakt dan helemaal niet uit.

Weten we meer over het sneuvelen van Eugene? De eenheid waar hij deel van uitmaakt, 119th Infantry Regiment (30th Infantry Division), komt op 22 februari ’44 in Engeland aan na 2 jaar training. Op 11 juni landden ze hier op Omaha Beach, bijna een week na D-Day. Dat was zeker geen mosterd na de maaltijd. De eerste week werd er nauwelijks voortgang geboekt in de uitbreiding van het gevormde bruggehoofd. Als op 7 juli Eugene de rivier de Vire oversteekt zijn de geallieerden in een maand dus maar 20km opgeschoten… Op 24 juli start daarom Operation Cobra bij St. Lô om definitief uit te breken uit het bruggehoofd. 30th ID vormde daarbij de speerpunt, het 119th IR lag aan het front. Het kaartje laat zien wat de positie van Eugene Sharp ongeveer moet zijn geweest (gele ster).

Het front bij St. Lo op 24-jul, waar Eugene sneuvelde (gele ster).

Eerst zou er intensief gebombardeerd worden op de Duitse stellingen door 3000 geallieerde vliegtuigen, maar door het slechte weer en de laaghangende bewolking werd de actie op het laatste moment afgeblazen.  Bommenwerpers die al in de lucht waren, konden echter niet worden teruggeroepen en daardoor voltrok zich een drama:

On the 24th the attack was to have been preceded by 80 minutes of air and artillery bombardment by 3,000 planes and 50 battalions of artillery. In spite of the overcast, the attack planes and bombers appeared and dropped a large number of bombs, some within our lines. About 30 minutes before H-Hour, the attack was cancelled by First Army. Our casualties were five killed, 28 wounded, and one missing, almost all due to the bombing.

Om de laatste twijfel over het lot van Eugene weg te nemen: op internet trof ik de opmerking aan van Eugene’s zwager Richard V. Tomassetti:

‘HE WAS WOUNDED ON JULY 24, 1944 BY FRIENDLY FIRE FROM OUR P-47 BOMBER AIRCRAFT. PRONOUNCED DEAD JULY 26, 1944 AT A FIELD HOSPITAL.’

Slot

De graven van Jimmie (r.) en Eugene (l.)

Wat een dramatisch verschil met Jimmie. Jimmie stierf op de stranden van Normandië als een held, Eugene stierf als gevolg van een vreselijk ongeluk. En hier liggen ze dan naast elkaar. Je ziet hier de twee gezichten van oorlog. Soms haalt oorlog het beste in je naar boven: moed, toewijding, veerkracht. Soms is het goed om een oorlog te voeren, is het de moeite en de offers waard, omdat je aan de goede kant staat, voor het goede vecht. Aan de andere kant is oorlog ook de hel, vallen er nodeloze en onschuldige slachtoffers, is oorlog vies en smerig. Beide kanten zul je onder ogen moeten zien.

En wiens leven en sterven was nu méér waard, dat van Jimmie of van Eugene? Niet méér of minder dan jouw leven!

Kern van de Bijbel (8) – De opstanding van Jezus

Leerdienst in de serie ‘Kern van de Bijbel’, a.d.h.v. Zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus, gehouden in Everdingen.

Caravaggio: De ongelovige Thomas

Gemeente van Jezus Christus,

Regelmatig heb ik als dominee gesprekken over leven en dood, en over wat daarna komt.  Een zinnetje dat dan vaak terug komt is: ‘Er is nog nooit iemand terug gekomen.’ In de kerk geloven we in een leven na de dood, maar daar zijn we vandaag de dag onzeker over. Het leven hier en nu, dat kun je tasten, zien, ruiken, voelen. Maar wat komt er ná de dood?

Daar kunnen we alleen maar naar gissen: ‘Er is nog nooit iemand terug gekomen.’ ‘Eh, wacht even’, zeg ik dan vaak: ‘Heeft u nog nooit van Jezus gehoord?’ ‘Ja, ja, natuurlijk wel, maar dat is al zolang geleden, is dat wel echt gebeurd?’ Paulus schrijft in 1 Korinthe 15:

3 Want ik heb u ten eerste overgeleverd wat ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, overeenkomstig de Schriften, 4 en dat Hij begraven is, en dat Hij opgewekt is op de derde dag, overeenkomstig de Schriften, 5 en dat Hij verschenen is aan Kefas, daarna aan de twaalf. 6 Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nu nog in leven zijn, maar sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. 8 En als laatste van allen is Hij ook aan mij verschenen.’

We zuigen niet zomaar wat uit onze duim als we het over de opstanding van Jezus Christus uit de dood hebben. We baseren ons op ooggetuigen. Veel mensen denken dat de kerk een soort ‘doorfluistertje’ is, zo’n spelletje dat je in een kring zit en een zinnetje moet fluisteren, als dat de kring rondgaat, komt er meestal héél iets anders weer uit. Nee, Paulus schrijft dit 20 jaar na die bijzondere gebeurtenis uit de 1e hand, en wijst op velen die het ook zélf hebben meegemaakt. De mensen in Korinthe kunnen het zo navragen…

De moeite die wij tegenwoordig hebben om werkelijk te geloven, dat is dat wij in wereld leven waar gezegd wordt: ‘Maar dat kán toch niet, opstaan uit de dood!’ Wij denken in natuurwetten en wetenschap, en sluiten een wonder uit… Als je dat soort vooroordelen van ons wereldbeeld even los laat en naar de feiten kijkt die de Bijbel presenteert, dan is het toch wel een erg geloofwaardig verhaal.

Vrouwen hebben op de paasochtend het graf leeg gevonden. Vróuwen! Als die discipelen iets uit hun duim hebben gezogen, dan is dat al een misser, want het getuigenis van vrouwen was toen weinig waard. Feit dus.

Dat het graf leeg was, dat is wel zeker. Zelfs het Sanhedrin heeft dat niet bestreden, maar gezegd dat het lijk van Jezus gestolen was. Feit dus.

Dat er toch iets bijzonders moet zijn geweest, zien we daarin dat Jezus na Pasen opeens door heel veel Joden als God aanbeden wordt. Voor een Jood, die maar één God aanbidt, erg opmerkelijk. Hoe kwamen ze op dat idee? Wij denken dat toen mensen geen gezond verstand bezaten en heel goedgelovig waren, dat ze iets gedroomd hebben of gehallucineerd, maar een opstanding uit de dood dat kende men in het jodendom ook niet!  Er móet iets ongelooflijk bijzonders zijn gebeurd die dag. Feit dus.

En die volgelingen zijn vervolgens met een ongelooflijk vuur en enthousiasme dit verhaal overal gaan vertellen. Je kunt je niet voorstellen dat ze voor een uit hun duim gezogen verhaal zouden hebben willen sterven, maar dat hebben ze wel gedaan. Feit dus.

En als je het nog wat uit wil breiden: 2000 jaar lang hebben miljarden christenen ervaren dat Jezus leeft. Feit dus.

Alles bij elkaar genomen kan ik echt geen andere verklaring voor deze feiten bedenken – ondanks mijn verstandelijke/rationele/moderne bezwaren die zeggen dat het onmogelijk is – dan dat Jezus écht uit de dood is opgestaan. (Tussen twee haakjes: Daarom laat de catechismus deze twijfels en vragen ook liggen. Tussen Rome en Reformatie waren ze het op dit punt gewoon helemaal eens.)

Maar moeten we hier zo lang bij stil staan? Kunnen we niet tegen onszelf of mensen om ons heen zeggen: ‘Joh, maak je niet druk over of die opstanding nu wel of niet gebeurd is, dat is zo moeilijk allemaal, als je maar in God gelooft.’ De verleiding van onze dagen is om het maar in het midden te laten: Of de wereld geschapen is of niet? Ik weet het niet. Of Jezus over het water heeft gelopen? Ik weet het niet. Of er een hel is? Ik weet het niet. Of Jezus uit de dood is opgestaan? Ik weet het niet. Maar ik vind het allemaal wel mooie en inspirerende gedachten. Ik put er wel troost en kracht uit.’

Dan hebben we de apostel Paulus toch echt tegen ons (1 Korinthe 15):

17 En als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw zonden. 18 Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren. 19 Als wij alleen voor dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen.’

Als het allemaal maar verhalen zijn, dan is ‘geloof’ een soort doekje voor het bloeden. Zoals Karl Marx het noemde: ‘opium van het volk’. Iets waarmee je jezelf uiteindelijk voor de gek houdt. De catechismus voelt dat haarfijn als ze zeggen dat als Jezus niet is opgestaan we dan ook niet delen in de gerechtigheid, dat er ook geen nieuw leven in ons zal zijn, en dat er ook voor ons geen opstanding der doden zal komen. Als Jezus alleen maar de gekruisigde is, dan is dat een prachtig voorbeeld van opofferende liefde, en dat kan inspirerend zijn, maar dan is Hij voor ons geen Zaligmaker, geen Redder. Dan is Hij dood en dan staan we er vandaag toch alleen voor. ‘U bent dan nog in uw zonden’, zegt Paulus.

Paulus zegt dat de opstanding van Christus voor ons het fundament van het geloof is. Daarop rust alles. Het zakt als een kaartenhuis in elkaar. Haal de opstanding weg, en je houdt niets meer over. Zelfs God niet. Als God zelfs Zijn eigen Zoon niet kan redden uit de dood, dan stelt Hij niet veel voor of Hij is niet goed en rechtvaardig. Dan is er geen antwoord op de vraag naar het kwaad en lijden in deze wereld.

Gelukkig is Jezus de Levende. En is Hij er voor ons. Dat merkte Johannes op Patmos (Openbaring 1):

17 En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd,  Ik ben de Eerste en de Laatste, 18 en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen.  En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf. 

Hier verschijnt de nieuwe koning van hemel en aarde. Hij heeft de sleutels. Dat betekent: Hij heeft de macht. Hij regeert. De catechismus zegt dat deze Levende Jezus ons laat delen in Zijn gerechtigheid. Hij is niet alleen aan het kruis voor ons gestorven voor onze zonden, maar kan, omdat Hij leeft, ook actief betrokken zijn bij jou en mij, om ieder van persoonlijk erbij te halen, bij God te brengen en op basis van Zijn volbrachte werk de relatie met God te herstellen.

Maar ‘delen in de gerechtigheid’ is meer dan dat. Het betekent dat je als onderdaan van deze Koning verder door het leven mag. Dat je onder zijn ‘recht’ mag leven, onder zijn ‘hoede’. Jezus heeft zich niet teruggetrokken in de hemel, maar bemoeit zich met ons. Hij deelt uit. Hij zit zelf achter de wereldwijde zending, de  missie van de kerk. Hij zendt en deelt Zijn Geest als de drijvende kracht achter de verkondiging van het evangelie.

Jezus’ boodschap na Pasen is: ‘Wees niet bevreesd.’ Wees niet bang. Vanaf nu mag je leven met Mij, onder Mijn hoede. En Ik heb de dood verslagen. En Ík ben bij je!

Als die Paasboodschap tot je doordringt, als je die verkondiging aanneemt, komt de Levende Zijn opstandingskracht ook in ons hart leggen. Dat klinkt misschien een beetje vaag.  Paulus zegt het zo (Efeze 2):

4 Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, 5 ook toen wij dood waren door de overtredingen, met Christus levend gemaakt – uit genade bent u zalig geworden – 6 en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus.’

Eerst dood, toen levend. Daarbij moet ik altijd denken aan de wijnstokken in mijn tuin. Door de winterkou staan ze er kaal en dor bij, maar dan komt de lente. Er komen bladeren, bloemen en vruchten. Een beeld dat Jezus ook zelf gebruikt voor het effect van Pasen in ons leven. Er komen vruchten van bekering, van gehoorzaamheid aan God en liefde voor de naaste.

Het beste bewijs voor Pasen vind je als het goed is dan ook in je eigen leven. Dat Jezus opstond uit de dood is mooi. Dat de Levende regeert over de hele wereld, is prachtig. Maar het is ook Zijn kracht die je opwekt tot een nieuw leven.

Je bent opgewekt. Mooi woord is dat ‘opgewekt’, dat verbinden wij met een goed humeur, met vreugde en blijdschap. En dat gebeurt in de Bijbel ook. De Levende laat het opborrelen in ons hart, als een bron die nooit uitgeput raakt. Omdat het tot je doordringt: Met Hem, de Levende aan mijn zij, kan het leven niet meer stuk. Eeuwig leven, wordt dat genoemd. Niet iets voor straks, maar nu al.

De Levende wekt ook opstandigheid in ons. Je blijft niet bij de pakken van je zonde neerzitten en ook niet bij de zonden van anderen. Het gaat niet aan om gered te zijn en vervolgens op je lauweren te gaan rusten. De opstanding van Christus moet verkondigd worden in woorden en daden. Niet alleen mijn hart moet nieuw worden, maar de wereld ook. En daar worden we helemaal bij ingeschakeld! 

Als laatste effect van Pasen, noemt de catechismus, dat we er zeker van kunnen zijn dat we straks zullen ‘opstaan in heerlijkheid.’ Wat dat inhoudt wordt later besproken als het aan het einde van de Apostolische Geloofsbelijdenis gaat over de ‘opstanding der doden’.

Maar het gaat hier over de opstanding van Jezus Christus gaan we een stap terug. Dat is een lichamelijke opstanding, het graf was leeg. Dat legt alle nadruk daarop dat dit lichamelijke leven van ons ertoe doet. Het betekent dat het Jezus gaat om dit gebroken leven, om deze gebroken wereld, waarin de dood zo vreselijk bitter is.

22 Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Ieder echter in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna wie van Christus zijn, bij Zijn komst. 24 Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God en de Vader heeft overgegeven, wanneer Hij alle heerschappij en alle macht en kracht heeft tenietgedaan. 25 Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. 26 De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood.

Pasen is een feit in deze wereld waarin wij leven. Wij hebben het niet over iets symbolisch of spiritueels. We moeten het geloof in God niet vergeestelijken. De opstanding van Christus belijden wij met de voeten in de modder. Ja, soms letterlijk, als we rondom een open graf staan. En dat maakt ook dat – hoewel we zeker zijn van die opstanding! – we er toch ook ingehouden over spreken.

Het blijft een wonder, een mysterie hoe wij daarin zullen delen. We hebben geen reden om triomfantelijk te doen te midden van zoveel verdriet. We worden geroepen te volharden in de hoop. Het ondanks alles te blijven geloven. Ook als de moed ons in de schoenen zakt. Als wijzelf die laatste vijand ontmoeten. Dan is er maar één fundament: De Levende Christus is met ons.

Amen

Ik ga niet dood: Gegarandeerd rendement van Pasen.

Paaspreek gehouden in Everdingen over Psalm 16.

Duccio di Buoninsegna (ca. 1255-1315): Verschijning van Christus aan de apostelen

 

Gemeente van Jezus Christus,

Ze zeggen het altijd wel bij de reclames voor financiële producten: Let op, in de financiële bijsluiter staat, dat het risico van deze belegging zeer groot is. Heel vlug, weet u wel. Net als: ‘Geld lenen kost geld.’ Toen ik 19 was, had ik aardig wat geld gespaard met vakken vullen in de supermarkt en nog wat geld van de erfenis van mijn oma. Ik belegde al mijn geld in een teakplantage in Costa Rica. Gegarandeerd rendement van 12%! De eerste jaren ging alles goed, ik kreeg netjes de rente uitgekeerd elk jaar. En prachtige foto’s van groeiende teakbomen. Ik had het gevoel gebakken te zitten. Een melkkoetje voor mijn studententijd. Maar na een jaar of 4 hield het op: het verdienmodel bleek niet zo solide, bestuurlijk was het een chaos. Er volgde een faillissement. Ik ben mijn geld kwijt. Echt vreselijk balen. Achteraf denk ik: Zo stom, zo stom, om ál je geld daarin te stoppen. Dat doe ik nooit weer. Je moet risico altijd spreiden. Véél verstandiger.

Oei, oei, denk je dan ook bij het begin van Psalm 16: ‘Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen. Mijn ziel, u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;’ De dichter vertrouwt zich, met zijn hele hebben en houden, met huid en haar aan de HEERE toe. Alle kaarten op de Ene, de God van Israël. Niks risicospreiding: ‘Ik neem tot U de toevlucht.’ En niet voor het minste of geringste. In het verdere van deze psalm is duidelijk dat de dichter in doodsgevaar is. Hij vertrouwt er gewoonweg – naïef? – op dat het allemaal goed zal komen. Omdat de HEERE zijn God is. Omdat Hij zich volledig in de armen van God werpt.

Misschien ken je dat vertrouwenspelletje wel: Iemand gaat achter je staan, en jij moet je met je ogen dicht als een plank achterover laten vallen, in het vertrouwen dat diegene je opvangt. Wel eens gedaan? Echt vreselijk eng. Je met je ogen dicht overgeven aan een ander. Veel mensen durven dat ook niet. Omdat ze nare ervaringen hebben gehad in hun leven, met dat totale blinde vertrouwen. Daarmee kom je nog al eens bedrogen uit. Het gebeurt nog al eens dat anderen je, figuurlijk dan, laten vallen.

En als het al moeilijk is om mensen te vertrouwen. Gód vertrouwen, dat gaat nog veel verder. Dat gaat niet alleen over je geld en goed. Nee, dat gaat over je leven. Over leven en dood. Durf je je leven in Gods handen te leggen? Jezus durfde dat. Aan het kruis zei hij nog: ‘In Uw handen beveel ik mijn geest.’ Als er iemand was die Psalm 16 in de praktijk bracht, dat complete Godsvertrouwen, jezelf volledig in Gods hand geven, en daarmee je eigen leven uit handen, dan was dat Jezus Christus, onze Heere.

Al kun je denken: God heeft Jezus ook maar mooi wel laten vallen. Want Jezus stierf.

Jezus werd niet op het nippertje gered van de dood, zoals de dichter van Psalm 16. En heel dichtbij komt dat ook vandaag de dag. Afgelopen week was er een grote terroristische aanslag op een universiteitscampus in Kenia door Al-Shabaab. Ze vroegen de studenten in hun kamers of ze christen of moslim waren. ‘Als je een christen was, werd je ter plekke neergeschoten’, vertelt een overlevende. 147 broeders en zusters vermoord. Mensen die hun vertrouwen op onze God stelden.

Kom je met God bedrogen uit? Dat is de vraag. De vraag van Pasen. Aan het verdriet en de houding van de discipelen, zoals we hen tegenkomen in Markus 16, denk je: Ja, zij geloven er niet meer in.

Geloven dat Jezus is opgestaan uit de dood. Echt. Geloven dat de dood overwonnen is. Toen op die morgen. Dat is een bericht wat moeilijk tot ons doordringt. In de ogen van de wereld is het zelfs naïef om daarop te vertrouwen. Want wat voor bewijzen hebben we in handen dat Jezus daadwerkelijk weer leefde?

Daarom is het logisch dat ‘geloof in God’ bij ons niet iets is van een compleet toevertrouwen aan, jezelf in de handen werpen van Christus, maar meer ‘een inspiratiebron’. Misschien herken je dat wel. In de praktijk van alledag is het geloof vooral een bron van normen en waarden. We gedragen ons ‘christelijk’, belangrijke woorden zijn dan naastenliefde, tolerantie, vriendelijkheid, vrijgevigheid. Er zijn voor een ander. Klaarstaan voor een ander. Allemaal dingen die wij van Jezus leren kunnen.

Maar daar gaat het niet over met Pasen. Pasen gaat dieper. Pasen gaat over zaken van leven en dood. Over uw leven en uw dood. En hoe je daarmee omgaat. Of je werkelijk je leven in Gods handen veilig durft te weten, zelfs al ga je dood.

In Psalm 16 zijn er naast de dichter anderen, die aan risicospreiding doen. In vers 4 horen we daar iets van: ‘Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven; ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit en neem de namen ervan niet op mijn lippen.’ Ja, in de ogen van de wereld is het verstandig meerdere goden te dienen. Als de ene god het af laat weten, kun je nog bij een andere terecht. Afgoden van onze tijd, dat zijn geld, en sport, en familie, en vakanties, en seks, en.. vul maar in. Voor ieder weer anders, maar het zijn de dingen waar we denken gelukkig van te worden. De dingen die ons leven vullen, zin geven.

Psalm 16 is daarin tegendraads: Die dingen stellen juist uiteindelijk teleur, zegt de dichter. In die dingen in je leven investeren, daarop je vertrouwen stellen. Daaraan heb je als het over de zaken van leven en dood gaat, nou net niks.

Wat het meest treft met Pasen in Markus 16, dat is niet de vreugde om Jezus opstanding. Eerder het gebrek aan vreugde, omdat de discipelen er niet in durven te geloven. Ze geloofden er niet meer in toen Jezus stierf. En daar hoeven we niet op neer te kijken. Daarin komt Pasen ons heel nabij. Durft u, durf jij écht te geloven dat Jezus uit de dood opstond. Dat het geen verhaaltje is van een paar vrouwen bij een leeg graf. Maar realiteit!? Dat je je aan die boodschap kunt overgeven?

In ons hoofd springen met Pasen alle lichten op rood: Dit kan niet! Iemand die dood is is dood. Dat zijn de kaders waarin wij denken. Dat is de begrenzing die in ons hoofd lijkt ingebouwd. Ons vertrouwen is begrensd. We vinden de verhalen over kruisiging en opstanding van Jezus aangrijpend, mooi, inspirerend. Maar ook: verbijsterend, moeilijk te geloven. Of niet? Dat is de ongelooflijke uitdaging van Pasen. Van Psalm 16. Die keert het precies om. Niet de verstandige man die aan risicospreiding doet, maakt het uiteindelijk, maar degene die zich tegen alle begrenzingen in, volledig in Gods handen geeft.

Het onbegrensd vertrouwen op de HEERE, dat doorklinkt in vers 10: ‘Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten, U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.’ Heel simpel gezegd: ‘Ik ga niet dood. Daar zult U, mijn God, voor zorgen.’ En de toon waarop die dat zegt. Het zijn de tonen die de muziek maken, zeker in de psalmen. Zo frank en vrij. Niet met een misschientje of een slag om de arm, met mitsen en maren. Eerder tintelt er verwachting en hoop en vertrouwen en zelfs vreugde in door: Zo zál het gaan. Ga er maar eens goed voor zitten, je zult versteld staan!

‘U zult mij niet verlaten’. Dat lijkt een contrast, met waar het op Goede Vrijdag over ging: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten’. Toen schreeuwde Jezus dat aan het kruis. En Hij stierf. Maar Pasen is nu juist het bewijs: De Vader heeft de Zoon niet verlaten. Dat denken wij mensen dan ja. Dat maakt ons het geloven en vertrouwen moeilijk. Ja, als het geen Pasen was geworden, dan zouden we het niet kunnen geloven. Zo moet je het denk ik zeggen.

De weg van Jezus Christus, onze Heere, van het kruis, naar het graf, naar Paasmorgen, dat hebben wij nodig. Om te kunnen geloven. Om onszelf in een onbegrensd vertrouwen over te geven in Gods handen. Want Psalm 16 gaat nog niet over die overwinning door de dood in. In het hele Oude Testament is de dood een absolute grens. Zoals wij de dood ook als een absolute grens ervaren. Alleen de opstanding van Jezus Christus uit de dood gaat daar verder.

De feiten spreken voor zich. Het feit van Pasen is iets wat de discipelen op die ochtend nauwelijks kunnen bevatten. Jezus verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, staat er dan bij. Hoezo? Het is toch logisch dat zij dat niet kunnen geloven? Nee, dat is wel degelijk kwalijk. Want daaruit blijkt een gebrek aan vertrouwen op God. Een begrensd vertrouwen. Als ze werkelijk Psalm 16 serieus hadden genomen, was de Opstanding voor hen niet als verrassing gekomen.

Later zal Petrus in zijn Pinksterpreek dan ook Psalm 16 aanhalen, Handelingen 2: ‘Deze Jezus, Die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is,  hebt u gevangengenomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gespijkerd en gedood. God heeft Hem echter doen opstaan door de weeën van de dood te ontbinden, omdat het niet mogelijk was dat Hij daardoor vastgehouden zou worden. Want David zegt over Hem:  Ik zag de Heere altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen. … want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.’

Dat is het heerlijke van ons geloof: Wij hoeven ons niet in den blinde in de handen van een onzichtbare God te werpen. We hoeven niet onbegrensd te vertrouwen op een ondoorzichtig of onbegrijpelijk gebeuren, waarvan je maar moet afwachten wat ervan wordt. Nee, God heeft met Pasen bewezen dat je op Hem aan kunt. Zelfs als het gaat op leven en dood. ‘In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst’, wordt er dan in de financiële wereld bij gezegd. Maar dat is nu net het verschil met onze God: De door Hem bepaalde resultaten bieden nu juist wél garantie voor de toekomst.

Wat heb je daaraan? Als je dat al hebt, dat onbegrensde vertrouwen op God? Waarom zou je je leven zo compleet in Gods handen leggen? Vers 11 zegt: U maakt mij het pad ten leven bekend; overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.’ Een overvloed van blijdschap en ‘lieflijkheden’, fijne dingen. Je leven verlost van alle kramp en doodsangst. Pure positiviteit. Een gevuld leven, vol vreugde en vrede. Wie lijkt dat wat? Is dat niet wat je als mens ten diepste wilt? En juist dat is het resultaat van Pasen. Van het geloof in Gods onbegrensde mogelijkheden.

Daar zit trouwens een groot verschil met hoe wij uit onszelf denken. Ons wordt tegenwoordig geleerd: Je moet geloven in je eigen mogelijkheden. Je moet positief leren denken. We geloven in de onbegrensde mogelijkheden van de wetenschap, van artsen, van medicijnen, van techniek. En dat lijkt ook te werken. Er zijn immers heel wat mensen die zonder te geloven in Pasen toch heel gelukkig zijn. Die ook een fijn leven hebben, blijdschap kennen. Wat biedt God dan extra? Waar heb je dan God voor nodig?

Kijk maar naar Jezus. Dat onbegrensde Godsvertrouwen van Hem. Zorgde dat voor een lang en gelukkig leven vol fijne momenten? Nee, zeker niet. De afwezigheid van doodsangst in zijn leven, dat wendde Hij niet aan voor zichzelf. Zonder angst en met open vizier trad Hij de dood tegemoet. Tijdens Zijn leven sloeg Hij bewust die weg in: Hij kwam om de wereld te redden, om Zijn Koninkrijk op te richten, en Hij wist van meet af aan dat Hem dat Zijn leven zou kosten. Dat redt je niet met positief denken alleen…

Jezus durfde in te gaan tegen de gezagsdragers van Zijn tijd. Hij sprak de waarheid van God en niet het volk naar de mond. Hij ging de confrontatie niet uit de weg. Jezus maakte zich geen zorgen over de afloop van die ramkoers, omdat Hij die afloop veilig wist in de handen van Zijn Vader. Daarom hoefde Hij over Zijn eigen lot niet in te zitten, maar kon Hij zich volledig geven voor het lot van verloren mensen, mensen die Hem aan het hart gaan. Dat onbezorgde, onbekommerde, onbegrensde vertrouwen, dat bracht Jezus tot aan het kruis. En verder. Tot Pasen. Tot de Opstanding.

Die lijn doortrekt het hele evangelie van Jezus Christus. Natuurlijk, dat is niet allemaal blijheid. Jezus ging niet flierefluitend naar het kruis. Alsof het hem allemaal niets deed. Integendeel. Het was de zwaarste, de moeilijkste weg, die iemand ooit gegaan is. Het was vernederend, onterend, afgrijselijk. In de ogen van de wereld een dwaasheid en struikelblok. Maar dan kijk je alleen naar wat voor ogen is, oppervlakkig.

Daaronder tintelt het vertrouwen van Psalm 16. Dat al gaat alles mis, er nog niets mis gaat. Dat het geen afgang is, maar opgang. Dat gaat véél en véél verder dan positief denken. Dat is hoop. Dat is geloof. Dat is de weg van Jezus Christus naar het leven. Voor Hem én voor ons. Dat kan alleen dankzij God. Dat is Pasen. Dat al onze menselijke onmogelijkheden overwonnen zijn. Dat niet de dood, maar God het laatste woord heeft.

God heeft het laatste woord. Over deze wereld in het groot. In onze ogen gaat de wereld de verkeerde kant op. Nee dus. ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde’ zegt de Opgestane. En over ons eigen leven en hart. In je eigen ogen val je misschien telkens weer in zonde. Veroordeelt je eigen hart je. Lukt het niet om zo onbegrensd op God te vertrouwen. Bouw je op eigen zekerheden. Maar ook dat is niet het laatste. ‘Ik leef en u zult leven.’ zegt de Opgestane.

Aan deze Jezus mag je je gewonnen geven. Zoals dat gaat met die discipelen met Pasen. Het dringt moeilijk tot hen door. Tot Jezus zelf in hun midden verschijnt. Het onmogelijke gebeurt. Dat mogen we elke keer verwachten: Als wij dat onbegrensde vertrouwen niet op kunnen brengen, verwachten we dat Jezus Christus zelf er zal zijn.

Hoe zal ons leven eruit zien, als wij Psalm 16 meezingen? Als wij het Paasgeloof ons eigen maken? Als wij ons met ons hele hebben en houden veilig weten in Gods hand? Behalve dat er op de bodem van je hart dan altijd een onverslaanbare blijdschap is – en dat is niet niks – zal je toch ook anders leven. Uit Psalm 16 kun je wat dat betreft twee dingen leren: Terwijl de andere mensen druk zijn met het dienen en offeren aan afgoden, omdat ze niets tekort willen komen en alle mogelijkheden van het leven optimaal willen benutten, kan de dichter zich helemaal aan de HEERE wijden, vers 7-8: ‘Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven; zelfs ’s nachts onderwijzen mij mijn nieren. Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen;’

Dat gaat over concentratie: Uit al het vele dat deze wereld te bieden heeft, richt de dichter zijn leven totaal in op de dienst aan God. Het is opmerkelijk dat met Pasen met de discipelen hetzelfde gebeurt: Jezus roept ze opnieuw in Zijn dienst, om wereldwijd te gaan vertellen over Hem. Blijkbaar hoort dat erbij. Als de Opgestane Heer voor je daadwerkelijk de Levende is, wil je niets liever dan Hem dienen, met Hem bezig zijn, Hem loven, over Hem vertellen. Al die andere leuke dingen van deze wereld, die verbleken in Zijn licht. Kent u dat? Dat het je diepste vreugde is, gewoon hier in de kerk te zijn, te zingen, te bidden, uit de Bijbel te lezen. Mooi is dat, hè! Gewoonweg genieten van wie God is.

Als je dat niet kent, dan heb je nog nooit echt Pasen gevierd. Dan zit het niet goed tussen jou en God. Dan moet je vandaag Pasen gaan vieren, zou ik zeggen. Echt, doe niet langer aan risicospreiding, geef je over. Zet al je kaarten op de Ene, de Heere Jezus.

Dat is het eerste uit Psalm 16 ‘concentratie op Jezus Christus’. Het tweede is: frank en vrij leven. Vers 8b-9: ‘omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet. Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich, ook zal mijn lichaam veilig wonen.’ Een christen is een onbekommerd mens. Let wel: onbekommerd over zichzelf. Je hoeft niet zo nodig rijk te worden, gelukkig te worden, gezond te zijn, carrière te maken, jezelf groot te houden voor de mensen om je heen, je imago met leugentjes op te poetsen. Wat kan jou dat schelen? Je veiligheid en identiteit vind je in de liefde van Jezus Christus.

Daar kom je niet bedrogen mee uit. Psalm 16 zegt: ‘De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen, ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.’ Christenzijn is geen verbod op genieten van het leven, integendeel. Jezus belooft zijn volgelingen dat ze straks de hele aarde zullen bezitten. Alleen: Dat hoeven we niet met hard werken voor onszelf veilig te stellen, we zullen het straks van Hem erven. Met die garantie mag je in het leven staan. Onbekommerd om jezelf. Onbekommerd zullen de discipelen slangen oppakken lazen we, iets dodelijks drinken, het zal hen niet schaden. En dat geeft dan de ruimte om bekommerd te zijn over de ander: ‘op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.’

Dat onbegrensd vertrouwen. Die ondoofbare blijdschap. Dat krijg je van Pasen. Als je je volledig in handen geeft, van Jezus Christus, onze Heere. Hij leeft!

Amen

De tent wordt opgedoekt

Preek over 2 Korinthe 5,1-10 op Oudejaarsavond in Everdingen.

File:Molnár Ábrahám kiköltözése 1850.jpg

Abraham als nomade onderweg – József Molnár (1850)

 

Gemeente van Jezus Christus,

Kennen jullie het sprookje De nieuwe kleren van de keizer? Het is een sprookje verteld door Hans Christian Andersen. Hij vertelt van een keizer die erg op zijn uiterlijk is gesteld. De mooiste mantels en gewaden zijn niet goed genoeg. Op een dag komen er twee kleermakers bij het paleis die zeggen zúlke fijne en mooie stof te kunnen maken als nog nooit gezien. Een stof die alleen zichtbaar is voor slimme mensen. Ze vragen veel goud en sluiten zich op in hun atelier. Ze laten zich wekenlang verwennen met het lekkerste eten uit het paleis. De keizer wordt langzamerhand nieuwsgierig en ongeduldig. Hij staat erop te gaan kijken met zijn hele hofhouding. De kleermakers doen net alsof ze druk bezig zijn met spinnen en naaien. De keizer mag passen en de kleermakers zijn verrukt en vol bewondering hoe mooi het hem staat. De keizer zelf ziet de stof niet. Maar wil dat voor zichzelf niet toegeven, dat zou dom zijn. Zijn hofhouding ziet het ook niet, maar willen dat voor de keizer niet weten. Op een dag zijn de “nieuwe kleren” af en de keizer laat zich ermee rondrijden in de stad. Totdat daar een kind roept: ‘De keizer is in zijn blootje!’ En iedereen lacht de keizer uit. Dan snapt de keizer dat hij bedrogen is… teruggekomen in het paleis zijn de twee oplichters natuurlijk gevlogen.

Ik moest daaraan denken bij het gedeelte dat we lazen uit 2 Korinthe 5. Paulus heeft het daar ook over nieuwe kleren. Hij gebruikt dat als beeld om aan te geven wat je als christen mag verwachten van de dood. Hij zegt dat de dood zoiets is als het afbreken van een tent of het uittrekken als je oude kleren. Dit lichaam wat wij nu hebben, dat zal vergaan. Maar geen nood! We geloven dat God voor ons een nieuw eeuwig lichaam zal maken, waarin wij voor eeuwig bij Hem zullen mogen wonen. Zo schrijft hij in vers 1:

‘Wij weten immers dat, wanneer ons  aardse huis, deze tent, [=dus ons menselijk lichaam] afgebroken wordt [= het sterven], wij een gebouw van God [= een verheerlijkt/eeuwig lichaam] hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.’

Dat die tent en dat huis beelden voor het lichaam zijn, kun je opmaken uit het vervolg, bijvoorbeeld vers 6 ‘Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere’.

Maar naast dat beeld van een huis voor het lichaam, gebruikt Paulus, in 2 Korinthe 5 ook het beeld van kleding. De dood is als het uitkleden, vers 4 ‘wij willen niet ontkleed worden’. Nee, we willen ‘overkleed’ worden, aangekleed, met onze ‘woning uit de hemel’, met ons nieuwe lichaam dus. De oude kleren, ons sterfelijk lichaam gaat uit, maar we krijgen een nieuw eeuwig lichaam aan!

Waarom moest ik dan aan die nieuwe kleren van de keizer denken? Nou, Paulus kan dan wel mooi zelfverzekerd zeggen ‘Wij weten immers dat’! Zo is het! Zo gaat dat als een mens sterft. En ja, wij weten dat ook wel… in de zin dat dat is wat de Bijbel ons vertelt. Als zodanig vertelt Paulus ons niets nieuws. Maar zijn wij daar net zo zeker van als hij? Kunnen we erop vertrouwen? Of komen we dan bedrogen uit? Staan we uiteindelijk in ons hemd? Zo gemakkelijk als Paulus spreekt over het sterven, zo moeilijk hebben wij het daar vaak mee.

Al geldt dat niet alleen voor die uiterste grens, de dood. Op deze oudejaarsavond gaan we ook weer een grens over, een drempel. Naar het nieuwe jaar. Weer een jaar verder. We vieren dat, gezellig met familie en vrienden, we eten oliebollen, we steken vuurwerk af. Maar ten diepste vinden we het in onze cultuur maar niets dat die tijd voortgaat. Dat jaar na jaar verglijdt. Dat je weer een jaar ouder bent. 2014 is alweer voorbij. Als we de tijd stil konden zetten, dan deden we dat. We hebben nog zoveel te doen! Niet ouder worden, niet aftakelen. Geen zorgen voor de dag van morgen. Maar hoe intenser je leeft, hoe méér de tijd lijkt te vliegen.

Paulus kan daar ook over meepraten. Zijn levenstaak was het evangelie van Jezus Christus verspreiden. Zoveel en zovaak mogelijk. Ja, liefst over de hele wereld. Zijn werk, zijn dagelijks leven slokte hem op. De vreugde om het evangelie te verkondigen! Denken over de dood, over het einde, dat deed Paulus dan ook niet. De dood, die was ook helemaal niet meer relevant, vond Paulus. Christus was immers opgestaan! En Die zou straks weerkomen op aarde. Hij zou dus helemaal niet hoeven sterven, verwachtte hij.

Je kunt dat lezen in zijn eerdere 1e brief aan de Thessalonicenzen, hoofdstuk 4 ‘Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere,  dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.’

Maar dan, een paar jaar later, als Paulus op zijn derde zendingsreis is, kijkt hij opeens de dood in de ogen. In hoofdstuk 1 van deze brief schrijft hij, vers 8-9: ‘Want wij willen niet, broeders, dat u geen weet hebt van onze verdrukking, die ons in Asia overkomen is: dat wij het uitermate zwaar te verduren hebben gekregen, boven ons vermogen, zodat wij zelfs aan ons leven wanhoopten. Ja, wij hadden voor ons eigen besef het doodvonnis zelf al ontvangen,’ Tijdens zijn verblijft in Troas, is Paulus waarschijnlijk ernstig ziek geworden. Tot hij dacht dat hij ging sterven… dat is wat… als je dat meemaakt. Bij jezelf of in je omgeving. Dat je hele bestaan op losse schroeven komt te staan.

Of beter gezegd: Je ontdekt dat je hele bestaan altijd al op losse schroeven stond. We denken soms dat wij hier op aarde aardig stevig staan. Maar het is maar een tent. Wij vergeten dat zo gemakkelijk. Het is tot Paulus doorgedrongen: mijn lichaam, het gaat achteruit. Ik maak het niet lang meer. Hij is wel hersteld van die ziekte, heeft zijn reis vervolgt, maar weet nu dat het een reis is. Dat het leven een reis is. Wellicht heeft hij toen hij 2 Korinthe 5 schreef, gedacht aan Abraham. De vader van alle gelovigen. Die was een nomade, een tentbewoner, hij trok van plaats tot plaats.

In Hebreeën 10 wordt over dat bestaan van Abraham gezegd: ‘9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. … 13 … Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden  dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. … 16 … Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen  om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt.´

Het is een valkuil voor ons: Dat wij onze haringen, de tentpinnen, te diep in de grond slaan. Dat wij te zeer gaan hechten aan ons aardse bestaan. Ons huis, ons thuis, is niet hier. Dat is een wezenlijk onderdeel van het christelijk geloof. Willen we dat weten? Wilt u het weten voor uzelf?

Maar nu weer even terug naar die nieuwe kleren van keizer. Hoe weet Paulus dan zo zeker te vertellen dat er ná ons aardse bestaan, ná de dood, een eeuwig bestaan bij God wacht? Is dat niet een mooi verhaaltje om troost te bieden aan mensen die opzien tegen het sterven? Voelt Paulus dan niet hoe moeilijk dat in feite te geloven is?

‘Wij hebben dus altijd goede moed’, zegt Paulus in vers 6. Put hij die moed uit zichzelf? Uit zijn sterke geloof? Nee, het belangrijkste vers uit dit gedeelte is vers 5: ‘Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God,  Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft.’ Paulus heeft het dus niet van zichzelf, die zekerheid, dat vertrouwen. Hij heeft het ook niet zonder slag of stoot kunnen aanvaarden. Dat heeft God moeten doen. Zijn bijna-dood-ervaring die hij in hoofdstuk 1 beschrijft, vervolgt hij met ‘Ja, wij hadden voor ons eigen besef het doodvonnis zelf al ontvangen,  opdat wij niet op onszelf zouden vertrouwen, maar op God, Die de doden opwekt. Hij heeft ons uit zo’n groot doodsgevaar verlost, en Hij verlost ons nog. Op Hem hebben wij de hoop gevestigd dat Hij ons ook verder verlossen zal’.

Paulus gelooft dus niet in de onsterfelijkheid van de ziel. Dat er iets in hem is, wat eeuwig zal voortbestaan, als een soort automatisme. Hij bouwt zijn zekerheid niet op iets in hemzelf, maar totaal op God. ‘God zal ons ook verder verlossen.’ Steeds meer is Paulus zijn leven gaan verbinden met het leven van Jezus Christus. Die ook stierf. Aan het kruis. Maar die uit de dood werd opgewekt door God. Met een nieuw verheerlijkt lichaam. Het oude lichaam, maar verheerlijkt, getransformeerd, veranderd, verhoogd.

Als God dat voor Jezus deed, zal Hij dat toch ook voor ons doen. Hoezo? Omdat God ook ons als Zijn kinderen aangenomen heeft, door het geloof. Dat ervoer Paulus heel diep, in de ervaring dat hij de heilige Geest ontvangen had. De Geest van Christus leefde in hem. En in alle gelovigen. Zo schrijft Paulus: ‘Hij nu Die ons hiervoor heeft toegerust, is God,  Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. [Daarom!] Wij hebben dus altijd goede moed’.

In het leven van een christen is die Geest onomstotelijk aanwezig. Want je merkt dat je lichaam bij het ouder worden inderdaad aftakelt. De jaren gaan tellen. Maar innerlijk, spiritueel, is er sprake van vernieuwing, van groei, van nieuw leven. Paulus merkte bij zichzelf dat hij steeds meer en meer van de Heere Jezus ging houden, zich aan Hem ging toewijden, zich aan Hem verbonden voelde. Dat is het werk van de Geest van Christus. Dat gebeurt in ons!

Ik hoop dat u daar ook iets van merkt bij uzelf. Het kan geen kwaad zo eens terug te kijken op 2014. Inderdaad een jaar ouder geworden, lichamelijk… maar geestelijk, hoe is het u vergaan? Kunt u het Paulus nazeggen die in 4,16 zegt: ‘ook al vergaat onze uiterlijke mens, toch wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd.’ Nee, dat hoeft niet te betekenen dat je een veel beter mens bent geworden, voorbeeldig in je gedrag. Bij Paulus is het vooral geweest in het jaar dat hij deze brief schreef, dat hij beseft zwak te zijn, sterfelijk, en daardoor heeft hij geleerd afhankelijk te zijn van God. Verderop in de brief zal hij zeggen: ‘Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.’

De verkondiging van het evangelie, zijn levenstaak, die komt door zijn lichamelijke ziekte en zwakheid niet in gevaar, maar wordt daardoor juist krachtiger. Omdat de mensen aan Paulus zien dat zijn geloof geen succesverhaal is, dat Paulus geen mannetjesputter is, dat het niet om hem draait, om zijn werk, maar dat het echt Jezus Christus is, die leeft, die werkt, die zegent, die behoedt en beschermt.

Het is de Geest van Christus, die uit de dood is opgestaan, die in Paulus werkt, en dat geeft hem goede moed. De verkondiging van het evangelie is geen sprookje van nieuwe kleren voor de keizer, maar echte werkelijkheid. Ja, veel echter en harder, dan de onze. Want dit bestaan is maar een tent, een doek die opgerold wordt. Maar het bestaan bij God is een gebouw, een huis, eeuwig.

En wat verwacht hij daarvan? Dat is de goede vraag, die ook wij mogen stellen. Voor Paulus is dat nieuwe bestaan namelijk aantrekkelijk. Aantrekkelijker zelfs dan het huidige. Zo zegt hij in vers 8: ‘Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen.’

Paulus laat zijn aftakelende lichaam graag achter. Soms hoor ik dat ook wel van ouderen onder ons, die erg tobben. En soms hoor ik het ook van families die iemand begraven hebben. Als iemand op hoge leeftijd gekomen is, dan is de rek eruit. Een verlenging van het leven, is dan alleen maar een verlenging van lijden. Als iemand dan komt te sterven, zeggen we ook wel eens: ‘Het is beter zo. Het is mooi geweest.’

Let wel: Voor Paulus is het dus niet zo dat hij per definitie zegt dat het aardse leven er niet toe doet. Voor de Grieken in zijn dagen was dat wel zo. De materie, het aardse slijk, dat trok de mens naar beneden, dat was vol zonde en begeerte. Het ging om de ziel, die was goddelijk. De dood zag men daarom als bevrijding!

Nee, zo spreekt de Bijbel niet en zo spreekt Paulus ook niet. Het is niet de slechtheid, maar de gebrokenheid van de schepping die hem doet zuchten. Maar het aardse leven, het lichaam, is Gods schepping en goed.

Paulus maakt dus geen onderscheid tussen hier, de aarde, de materie, en dáár, de hemel, het geestelijke. In vers 1 staat ook niet ‘in de hemel’, maar letterlijk ‘uit de hemel’. Zoals in Openbaring 21 het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaald op aarde. Het gaat ook in het hiernamaals om dít lichaam, om déze aarde, om Jezus Christus die ook hier aanwezig is. Onze ogen zijn alleen niet geschikt om die nieuwe werkelijkheid te zien. Die transformatie vindt plaats bij onze dood, dan krijgen wij nieuwe ogen. Nu ‘wandelen [wij] door geloof, niet door aanschouwing’, vers 7.

Zoals Abraham al rondwandelde in het land Kanaän. Het was hem beloofd! Maar hij had het nog niet. Het enige stuk wat hij had, was op een gegeven moment het graf van Sara. Daar werd ook hijzelf begraven. Zo is het graf van Christus, dat leeg is!, het lapje grond van de nieuwe schepping, dat garandeert dat eens deze hele werkelijkheid, ook ons lichaam, vereeuwigd zal zijn.

Zo heeft Paulus immers Jezus ontmoet, de opgestane, op de weg naar Damascus. De aardse Jezus, met zijn menselijk lichaam, maar dan verheerlijkt! Dat was maar een moment… maar het smaakt naar meer! Zo, zo zullen ook wij zijn. Wij zullen bij de Heere wonen, waar? Hier op aarde, in Zijn komende Koninkrijk. Dáár gaat het voor Paulus om. De gemeenschap, de band met Christus, zal dan volledig zijn. Die is er nu ook wel, maar moeilijk, breekbaar. Christus is soms heel dichtbij in Zijn spreken, door Woord en Geest, maar we zouden zo graag zien, tasten. Wel, dat komt. Dat komt.

Dat is het aantrekkelijke voor hem. Voor u ook? Voelt u zich ook een beetje vreemdeling, emigrant, ver van huis? Zou u ook het liefst bij de Heere Jezus zijn?

U merkt wel, hoe je denkt over het leven ná dit leven, zegt ook alles over het leven nú. Straks is het eeuwige huis, een onverwoestbaar lichaam, dan is nú de tent, ons huidige lichaam dat aftakelt. Straks is het ‘inwonen’, immigreren bij Christus, dan is nú ‘uitwonen’, ge-emigreerd zijn, vreemdeling zijn. Waar je naar onderweg bent, kleurt je huidige leven.

Het besef wat tot Paulus doorgedrongen is, dat ook hij sterfelijk is, heeft voor hem dan ook een hele praktische spits. Vers 9 en 10: ‘Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden,  opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.’ Hij heeft nu voor zichzelf helder dat hij daarnaar onderweg is. Naar Christus en naar Zijn rechterstoel. Dan kun je daarmee vast beter vandaag rekening houden.

Op de achtergrond speelt voor hem hier de relatie met de gemeente van Korinthe een grote rol. Die was namelijk aardig verziekt. In Korinthe trokken ze Paulus’ apostelschap in twijfel. Er waren nadat Paulus de gemeente had gesticht andere evangelisten gekomen. Joodse christenen die veel beter spraken, veel spectaculairder optraden, en die de gemeente opdroegen zich aan de joodse leefregels te houden. Paulus’ boodschap stak daarbij maar mager en moeilijk af.

In de 1e Korinthebrief probeert Paulus veel daarvan te weerleggen, één voor één de vragen van de gemeente te behandelen. Daarna is hij nog eens op bezoek gegaan, maar dat werd een fiasco. Ze luisterden niet naar hem. En toen heeft hij een hele scherpe en emotionele brief gestuurd, die wij niet meer hebben, die is verloren gegaan. Deze 2e Korinthebrief is dus eigenlijk de 3e. Hij verdedigt hierin vooral zijn autoriteit, gezonden door Christus.

Uit het oogpunt van het eeuwige leven met Christus, weigert hij om de gemeente van Korinthe te pleasen, zoals die andere predikers doen. Hij voelt zich alleen verantwoording verschuldigd aan Christus, niet aan mensen. ‘De rechterstoel van Christus’, dat is voor hem geen dreiging ‘o, o, kijk uit!’, het is een relativering. Het oordeel over zijn leven, zijn gedrag, zijn prediking, zijn verhouding met de gemeente van Korinthe, dat is niet aan hen, en ook niet aan Paulus zelf. Het zal ‘openbaar worden’, doorzien worden, bekeken worden, door Jezus Christus. En uit alles blijkt dat Paulus niet bang is voor dat oordeel. Hij ziet het met vertrouwen tegemoet. Want hij weet van zichzelf dat hij oprecht Christus heeft willen dienen.

Het is goed om het oordeel over 2014 aan Christus te laten. Het gaat er niet om of wij vonden dat het een goed of slecht jaar was, maar wat Hij ervan vond. Kunt u dat met vertrouwen aan Hem overlaten?

En het is goed met dat besef 2015 in te gaan. Het zal er niet om gaan dat de mensen om ons heen vinden dat we goed bezig zijn, of dat we niet goed bezig zijn. Het zal er om gaan dat wij voor Hem welbehaaglijk leven. Dan kun je met goede moed het oude jaar uit en het nieuwe in. En als het zover komt: ook het leven uit, en het nieuwe leven in.

Amen

Leven en laten leven?

Preek over het 6e gebod ‘Gij zult niet doden’

File:Peter Paul Rubens - Cain slaying Abel, 1608-1609.jpg

Paul Rubens – Cain slaying Abel (1608-9)

1. Niet moorden

Dat we elkaar de hersens niet in moeten slaan, dat weten we gelukkig wel. Hier in Nederland gaat het er vredig aan toe, wat dat betreft. Je zou het meer plaatsen in de wereld gunnen, want niet overal gaat het zo zachtzinnig toe als bij ons. In Nederland is het motto ‘Leven en laten leven’. Dat wil zeggen dat we elkaar de ruimte gunnen om te leven zoals ieder wil. Al ben je het niet eens met hoe een ander zijn leven inricht, met zijn geloof, normen en waarden, laat hem maar. Als ik dan ook maar de ruimte heb om het op mijn manier te doen.

Leven en laten leven: Blijf met je vingers van elkaar af en bemoei je niet teveel met de ander. Als je het zo zegt, denk ik dat of je nu christen bent of niet, we allemaal wel de redelijkheid van dit gebod inzien: Gij zult niet doden. Zodra mensen zich daaraan niet houden, krijg je situaties als in Syrië, waar de burgeroorlog nog steeds verergert, of van Mexico waar drugsbendes ieder omleggen die in de weg loopt.

Zo lijkt ‘niet doden’ vooral een afspraak tussen mensen onderling: ‘Als jij mij laat leven, laat ik jou leven’. Toch is het dat in de Bijbel niet. Daar is het een gebod van God. En dat wil wat zeggen, dat heeft een meerwaarde. Lees maar uit Genesis 9:5-6:

5 Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens. 6 Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want  naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.

God zegt dit na de zondvloed tegen Noach en zijn gezin. Het is een nieuwe start voor de mensheid. Vanaf de tijd van Adam en Eva was het snel bergafwaarts gegaan. Nadat Kaïn Abel had gedood, ging het van kwaad tot erger. Zo erg dat God besloot weer overnieuw te beginnen met de enige rechtvaardige die nog overgebleven was: Noach. De rest komt om in de zondvloed. Na de zondvloed geeft God Noach duidelijke regels, de zgn. noachitische geboden. Een basis van regels die moeten voorkomen dat het wéér mis gaat.

Centraal daarin staat de regel dat je geen bloed mag vergieten, m.a.w. niet mag doden. Want het bloed is het leven. God beschermt het leven, omdat Hij het leven heeft gegeven. Ja, het blijft zelfs van Hem. In de Bijbelse tijd werd het leven gezien als de adem, de ziel, iets geheimzinnigs wat alleen God kan geven, en wat na het sterven ook weer naar Hem terug gaat. Je moet van het leven afblijven, niet omdat dat een goede afspraak is tussen mensen, maar omdat je met je vingers af moet blijven van wat van God is, wat heilig is.

Dat geldt zelfs niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren. Ook dat bloed mag niet zomaar vergoten worden. En we mogen daar denk ik best aan toevoegen dat ook het plantaardig leven onder Gods bescherming valt. Al wat leeft is niet van ons, maar van God, het is heilig. En dat geeft aan dit gebod een groot gewicht. Expliciet staat hier dat als je hebt gedood, je ook je eigen leven verspeelt: ‘diens bloed zal vergoten worden’. God eist vergelding.

Zeker als het menselijk leven betreft. Hier wordt tegen Noach nog eens herhaald dat de mens geschapen is ‘naar het beeld van God’. Tegenover het huidige evolutionisme, waaruit men afleidt dat afzondelijke levens niets waard zijn, er is immers al miljoenen jaren een ‘survival of the fittest’, een ‘struggle for life’, wordt hier duidelijk gesteld dat íeder afzonderlijk mens van hoge waarde is, omdat wij iets van God weerspiegelen.

Elkaar niet de hersens inslaan, dat is dus niet alleen een goede afspraak tussen mensen, maar vooral zou dat een schending zijn van ons geloof, van hoe God ons gemaakt heeft. Dit gebod komt op uit het geloof dat God het leven geeft en dat het daarom waardevol is.

Daaruit komt gelijk de vraag op: Zijn we er dan als we elkaar de hersens niet in slaan? Als ons motto is: Leven en laten leven? Zit er in dat zinnetje wel iets van die waardering, van dat waardevolle? Ik denk zelf van niet. Tolerantie is bij de meeste mensen eerder een vorm van desinteresse in de ander. Je zoekt het maar uit, ik doe het op mijn eigen manier. De vraag is: Nemen we de ander dan wel serieus als beeld van God? We leren nu toch net, dat het leven méér is dan het lichamelijke leven?

2. De wortel van het kwaad

De catechismus stelt daarom ook terecht de vraag: ‘Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?’ Antwoord: Nee. Het gaat niet alleen om de letterlijke moord, het benemen van iemand leven, het vergieten van iemands bloed. ‘Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst, haat, toorn en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is.’ Dat hebben de schrijvers niet zelf bedacht, het is direct afgeleid van woorden van de Heere Jezus uit de Bergrede, Mattheus 5:21-22:

21 U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is:  U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden. 22 Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur.

Dat zijn heftige woorden. Ik heb er al wel eens in een preek bij stil gestaan. Jezus brengt het gebod ‘gij zult niet doden’ veel dichter bij ons. Iemand doden, dat is de relatie met kapot maken, afsnijden, of dat nu door letterlijke moord is, of door boosheid en boze woorden. En dat is niet minder strafbaar: De rechtbank zou je ook hiervoor de doodstraf moeten geven. En zelfs God zal je straffen ‘in het helse vuur’.

Het is goed om dat nog weer eens goed tot je door te laten dringen. Het is geen algemene regel, over het leven in het algemeen, maar hij betrekt het op onze relatie met onze broeder, onze naaste. Het gebod gaat in het Oude Testament heel concreet over lichamelijke moord, maar Jezus heeft ons geleerd, dat we daar geen grens mogen trekken. Jezus’ boodschap is klip en klaar: doden kan ook met je eigen gedachten. Je kunt iemand dood wensen. En met woorden. Je kunt iemand dood schelden. En dat is minstens net zo erg als daadwerkelijk iemand vermoorden. Misschien weet je dat uit eigen ervaring wel.

De uitdrukking ‘wortel van deze zonde’ laat dat ook wel merken. Als je wel eens onkruid wied, dan weet je dat het belangrijkste van veel onkruid niet het loof is, maar de wortel. Als je de wortels van paardenbloemen, brandnetels en bramen niet weghaalt, dan blijven ze maar opkomen. De Bijbel leert ons ten diepste daarom over de zonde, niet dat de daad het ergste is, maar dat de zondige neiging van ons hart het ergst is. Gedachten, woorden en daden, komen op uit de zondige wortels, als brandnetels uit de wortelkluit.

Er wordt dus veel meer gemoord dan we soms denken. Ook hier in Everdingen. Ja, je zou zelfs kunnen zeggen dat mensen die roepen: ‘Leven en laten leven’, bezig zijn met moorden. Want is die uitdrukking niet vaak een reden om elkaar te negeren, langs elkaar heen te leven. Elkaar niet te hoeven spreken en ontmoeten? En is dat dan niet juist ook het blokkeren van elke relatie met je naaste, je broeder? Heel simpel gezegd: Een land waar mensen elkaar doden, zoals Syrië, is onleefbaar. Maar een land waarin men elkaar niet ‘laat leven’, door vooroordelen, tolerantie, onverschilligheid, niet goed naar elkaar willen luisteren, daar is ook geen samenleving mogelijk!

Daarom hebben wij Jezus nodig. Ik hoop dat u en jij dat ook zien. Hij geeft ons dat zelfinzicht dat de wortels van het onkruid dat zonde heet, in het bijzonder de variëteit ‘moord’ bij ons allemaal zitten. De schuld daarvoor en de doodstraf die wij verdiend hebben, heeft Hij op zich genomen. Wij hoeven niet naar de hel, omdat Jezus in onze plaats is ‘gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle’. En alleen Jezus kan in ons hart grondig wieden door Zijn heilige Geest. Nog niet alle wortels worden tijdens ons leven verwijderd, maar we hoeven niet meer te vrezen voor overwoekering.

3. Leven om lief te hebben

‘Leven en laten leven’, dat motto, daar kunnen wij het als volgelingen van Jezus niet mee redden. Omdat het gebod vérder gaat dan letterlijke moord en ook onverschilligheid, jaloersheid, boosheid en haat eronder vallen. Ja, zó zelfs dat de catechismus zegt: ‘God haat de haat’. God is daar tegen. Maar dat is niet omdat God zomaar dingen wil verbieden, tegen van alles is. Natuurlijk niet. God verbiedt ons sommige dingen, omdat Hij vooral ergens voor is. Prachtig heeft Johannes dat geschreven in zijn eerste brief (3:11-15):

11 Want dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt, dat wij elkaar moeten liefhebben; 12 niet zoals Kaïn: hij was uit de boze en sloeg zijn broer dood. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig. 13 Verwonder u niet, mijn broeders, als de wereld u haat. 14 Wij weten dat wij zijn overgegaan uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben; wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood. 15 Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar; en u weet dat geen moordenaar het eeuwige leven blijvend in zich heeft.

In deze tekst wordt duidelijk in welke spanning ons leven staat: we kunnen kiezen tussen liefde en haat voor onze naaste. Kaïn koos voor de haat en sloeg zijn broer dood. Johannes roept ons op te kiezen voor de liefde, de liefde voor de broeder. Dat broeder, dat is in deze brief het mede-gemeentelid. Broeder of zuster in Christus. Daar gaat het allereerst over: dat er in onze gemeente geen tweespalt is, geen boosheid, geen schuine ogen naar de ander, geen vooroordelen, maar liefde. Als je die dingen wél in je hebt, dan hoor je er feitelijk niet bij. Dan heb je het eeuwige leven niet. Ja, dat is hard, maar dat maakt wel heel duidelijk waar het op aan komt.

Leven is eigenlijk alleen echt leven, als het een leven in liefde is. Een leven in harmonie met God en de naaste. Een leven in haat, dat is geen leven, dan heb je geen leven. Tegenover het denken in onze tijd wordt zo heel scherp wat toch het extra is van dit gebod als gebod van Christus: Het leven is niet iets wat je hebt en waar ieder maar het zijne mee moet doen. Leven is geen doel op zichzelf. Waar je allang blij mee mag zijn als een ander je dat gunt en het je niet ontneemt. God geeft ons het leven, zodat wij lief kunnen hebben. Het leven is het toneel, de ruimte, waarin wij lief mogen hebben. God boven alles en onze naaste, onze broeder en zuster, als onszelf.

Niet langs elkaar heen leven, maar de relatie aangaan en daarin investeren. Heel concreet. De catechismus vult het begrip liefde vanuit de vrucht van de heilige Geest met de woorden: geduld, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig, vriendelijk, schade voorkomend. Ik denk dat we bij al deze woorden ons wel ongeveer een plaatje kunnen vormen, hoe God graag wil hoe onze omgang met elkaar eruit zou moeten zien. Precies zoals Jezus is. Hij heeft geduld met onze zwakheden en gebreken. Met het onkruid wat keer op keer weer uit ons hart opkomt. Hij is uit de hemel gekomen om vrede te sluiten tussen ons en God, koste wat het kost. Niet met het zwaard, maar met Woord en Geest is Hij gekomen om zich over ons te ontfermen en ons te redden.

Wat zegt dat u over hoe u omgaat met de mensen om u heen? Leeft u zo uit de liefde van Christus? Of kan er hier en daar nog wat bijgeschaafd worden?

4. Sterven om lief te hebben (1 Johannes 3:16-17)

Vaak zijn wij toch een beetje blind voor hoe we ons ten opzichte van elkaar gedragen. Wat doen we elkaar vaak pijn zonder het te beseffen. Door gebrek aan belangstelling bij ziekte en zorg, omdat we te druk met onszelf waren. Door een goed bedoeld woord, dat totaal de plank mis slaat. Door ons onvermogen over onze eigen drempels, bezwaren en ideeën heen te stappen. Ja, zo ‘leven en laten leven’, oftewel ‘langs elkaar heen leven’, is in feite moord en het tegenovergestelde van de liefde die Jezus zo graag zou zien.

Daarom roept Hij ons week in week uit samen in de kerk. Waar wij dit gebod horen klinken. Maar waar Hij bovenal onze ogen wil openen voor Zijn liefde. Johannes schrijft namelijk na zijn opdracht dat wij elkaar als broeders en zusters lief moeten hebben verder (1 Johannes 3:16-17):

16 Hieraan leerden wij de liefde kennen, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gegeven. Ook wij moeten voor de broeders het leven geven. 17 Wie dan de goederen van de wereld heeft, en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn hart voor hem toesluit, hoe kan de liefde van God in hem blijven?

Hier in de kerk leren wij die liefde kennen. Niet allereerst hoe wij moeten liefhebben, wat wij moeten. Allereerst leren wij de liefde kennen, namelijk de liefde van Christus, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gegeven. Dat klinkt wel heel krom: wij leren liefhebben, wij leren leven, doordat Hij zijn leven heeft gegeven. Ja, dat klinkt nog heel mild. In feite is Jezus vermoord. Hij is immers onschuldig ter dood veroordeeld. Hij heeft alleen niets gedaan om het tegen te houden.

Dat alleen al gaat boven onze pet. Zoals Paulus het verwoordt in zijn brief aan de Romeinen: Iemand zal zijn leven nog wel willen geven voor een goed mens, maar Jezus is voor ons gestorven, terwijl wij nog Zijn vijanden waren. Ja, alleen dat mag werkelijk liefde heten. Veel wat wij liefde noemen in de wereld, is in feite romantiek, geven en nemen ter wederzijds voordeel. Maar God gaat veel verder. Hij heeft niet gezegd: ‘Laat ze maar op aarde die mensen, ze zoeken het maar uit, als ze zo nodig hun eigen zin willen doen.’

Hij zoekt u en jou op. Dat deed Hij door Zijn Zoon naar de aarde te sturen. Dat doet Hij door vandaag hier in de kerk tegen je te spreken. Hij wil je niet zomaar ‘laten leven’, Hij wil je Zijn eeuwige liefde leren kennen. Hij wil een band met je. Het is belangrijk dat je dat merkt in de kerk. God geeft ons Zijn geboden niet uit de hoge hemel, om het ons verder lekker zelf uit te laten zoeken. Dat zou hopeloos zijn. Getuige al het nieuws uit de krant wat lijnrecht tégen de geboden in gaat.

Jezus Christus is niet alleen het model waar we op moeten gaan lijken, Hij is vooral Zelf ook het middel daarvoor. Hij is voor je gestorven om je Zijn liefde te laten kennen. En daarin vinden wij het leven zelf. Daarin hervinden wij ons. Bij het kruis mogen wij al onze haat, jaloersheid, vooroordelen en al die andere zonden, neerleggen en kwijtraken, daar worden ze vergeven. Het leven van Jezus was een voortdurend sterven uit liefde. De liefde kostte Zijn leven. Hij heeft het aan ons gegeven.

Leven is dus geen doel in zichzelf, dat was het voor Jezus niet, dat kan het dan ook voor ons niet zijn. Als je je openstelt voor anderen, dan gaat het je ook wat kosten. Dan geef je misschien ook wel je leven: je liefde, je inzet, je tijd, je geld. ‘Neem mijn leven, laat het Heer, toegewijd zijn aan Uw eer’. Leven voor God. Leven voor je naaste. Langs elkaar heen leven is dan onmogelijk. ‘Leven en laten leven’ een gruwel. Christen zijn is leven in alle openheid: met open hart, open ogen en open handen. Klaar om lief te hebben, om de ander te zien, om te geven waar nodig, wat het ook kost.

5. Ethische problemen

Vandaar dat Jezus de tweede tafel van de Tien Geboden, ook dit 6e gebod, samen kan vatten als (Mattheus 22:39):

U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

De catechismus haalt dat terecht naar voren als de kern van het 6e gebod. Dat maakt duidelijk dat de geboden niet direct gaan over wat er allemaal wel en niet mag, maar waar het leven eigenlijk voor bedoeld is. Toch levert dit gebod wel veel vragen op. Zeker tegenwoordig. Op het blad heb ik even kort opgesomd waar je het in verband met ‘Gij zult niet doden’ allemaal over zou kunnen hebben: abortus, euthanasie, zelfmoord, oorlog, doden van dieren, etc. Hoe moeten we dat zien in het licht van dit gebod?

Ik kan al die dingen onmogelijk allemaal in deze preek uitwerken. Het is ook de vraag of voor al deze dingen harde regels van God te geven zijn. Neem bijvoorbeeld euthanasie. Je kunt eenvoudig zeggen: Daar zijn wij tegen. Wij mogen het leven van mensen niet beëindigen. Dat is immers heilig, van God, hebben we aan het begin van de preek gezegd. Maar uit onze omgeving kennen velen van ons wel ernstig zieken, die door medische zorg en medicijnen op de been worden gehouden. Mogen we zo wél eindeloos het leven rekken? Nemen we het dan ook niet in eigen hand? Dat zijn hele ingewikkelde vragen, die je niet zomaar in het algemeen kunt beantwoorden. Moet je die laatste chemokuur nog nemen om het leven een paar maanden te rekken, terwijl je doodziek bent? U kent misschien de worsteling met die vragen van zeer nabij.

Het is belangrijk dat wij bij het beantwoorden van deze vragen niet zwaaien met Gods geboden of met onze eigen overtuigingen, maar dat we proberen te denken vanuit de hele Bijbel, die zijn samenvatting vindt in de liefde tot God en tot de naaste. Moeten we zeggen dat mensen die zelfmoord plegen naar de hel gaan, zoals vroeger werd gedaan? Of mag je vanuit het Bijbels getuigenis als geheel zeggen dat God hun zwakheid kent, hun ellende, hun wanhoop. Het leven dat een hel geworden is. En dat God er nu juist op uit is om van onze hel een hemel te maken. Dat Hij hoop geeft in wanhoop, lijkt me de kern van de Bijbel.

Het lijkt mij heel belangrijk dat overal waar wij in aanraking komen met vragen rond leven en dood, wij proberen als christenen daar antwoorden te vinden. Vanuit de Bijbel, vanuit het geloof in God, vanuit de liefde tot God en de naaste. Juist dan ontdek je dat dit gebod ‘Gij zult niet doden’ ook een onverwachte brede zeggingskracht heeft.

Zo merkt de catechismus op dat het bijvoorbeeld inhoudt: ‘Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen of moedwillig in gevaar begeven.’ Dat zet wel aan het denken over allerlei risicosporten die men tegenwoordig beoefent. En trouwens: Al die mensen die overspannen raken of burn-out door het vele werken. Hebben die hun eigen lichaam, hun leven ook geen schade/letsel toegebracht? Respect voor het leven van de mens als beeld van God, slaat dan toch ook op jezelf. Zuinig zijn op jezelf.

Ziet u, gemeente, dit korte gebod ‘Gij zult niet doden’, heb je niet zomaar onder de knie. Het roept op tot nadenken, tot bezinning. Over de omgang met elkaar. Over de grote vragen van leven en dood. Ik hoop dat u dat meeneemt naar huis. Dat u aan het denken bent gezet. Maar vooral dat het gáát om de liefde. Niet ‘leven en laten leven’, maar leven en sterven om lief te hebben. In navolging van onze Heere Jezus Christus. Die ons bevrijdt van de zonde en roept tot een nieuw, eeuwig leven.

Amen.