Ruïne of bouwplaats?

Preek over Haggai 2,1b-10 gehouden op de 2e zondag na Pasen.

Afbeeldingsresultaat voor second temple haggai

Ruin or Work in progress?

Gemeente van Jezus Christus,

1. Generatiekloof

Heb je dat ook wel eens gehad? Dat je kleren kapot waren? Of je schoenen? Een gat op in je broek, een versleten zool. Misschien ook gewoon te klein geworden. Want jullie groeien zo hard! Jou maakt het niet zoveel uit, je vindt met misschien wel prima: nu heb je nieuwe kleren nodig, nieuwe schoenen. Altijd leuk om weer iets nieuws aan te hebben! Die oude was je eerlijk gezegd ook wel een beetje zat. Papa en mama denken daar vast anders over: die vinden het zonde van die schoenen, die hadden best wel wat gekost. Nieuwe schoenen moeten ook betaald worden…

Jullie zien allebei hetzelfde: versleten kleding, een kapotte schoen, maar je kijkt er heel anders tegenaan: verdrietig of … blij.

Zo was het ook in de tijd van Haggai. Toen het volk Israel terugkwam uit de ballingschap in Babel en terugkwamen in Jeruzalem, lag daar alles in puin. Alles stuk. Muren, huizen en de tempel. Dat laatste vond men wel het ergst, maar men kon de moed niet opbrengen aan de herbouw te beginnen. Want waar moet je beginnen? 18 jaar lang laat men het maar zo. Maar dan, in het jaar 520 voor Christus, op 29 augustus (alle profetien in dit boek zijn exact gedateerd!), is daar in één keer Haggai, een profeet.

Iemand met een boodschap van God, die zegt: ‘en nu, nu, is het toch echt de hoogste tijd om aan de slag te gaan met die tempel: dit kan toch zo niet! Je hebt allemaal wel je eigen huis gebouwt, je eigen zaakjes voor elkaar, maar daar rust geen zegen op, zolang je niet aan het huis van God begint te bouwen. Want zeg nou zelf: Als je overal in je leven aandacht aan besteed, behalve aan God, dan blijft het leeg en zinloos…’

Over Haggai zelf weten we niets, maar wel dat zijn boodschap doel trof: men begint te bouwen aan de tempel. Zo staat er in hoofdstuk 1 van Haggai. Maar dan komt hoofdstuk 2. (In de hoofdstukken 1-6 van Ezra kun over deze geschiedenis trouwens meer lezen.) En dat is een heel ander verhaal. Na 7 weken komt de bouw stil te liggen, lijkt het. 29-aug begon de bouw, op 17-okt, 7 weken later, spreekt Haggai opnieuw. Waarom? De jongeren zijn wel blij, maar de oude mensen staan erbij te janken. Vers 4:

Wie is er onder u overgebleven die dit huis gezien heeft in zijn eerste heerlijkheid? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?

In Ezra 3 kun je nalezen hoe de jongeren staan te juichen als het fundament gelegd is, een nieuw huis voor God! Geweldig! Maar de ouderen vergelijken dit nieuwe gebouw met het oude, met de prachtige tempel van Salomo, die hier eerst stond. Het is niets! roepen ze. Dit wordt niks! Het is dan 67 jaar geleden dat die tempel verwoest is. Deze ouderen moeten dan ook 70+ en 80+ zijn om zich daar nog iets van te herinneren.

Nu zou je kunnen denken: Die oude mensen ook altijd, met hun ‘vroeger was alles beter’, die staan altijd op de rem, daar moet je niet bij stilstaan. Hun herinnering van 70 jaar terug is ook erg gekleurd. Als uzelf oud bent, dan kent u dat misschien wel: Ergens hem je heimwee naar de wereld van je jeugd. Naar je geliefden van toen, het huis waar je opgroeide, het eenvoudige leven, de winkeltjes en gezelligheid in het dorp, het spelen op straat. Maar dan zullen we het niet hebben over het eentonige menu, de slechte gezondheidszorg, het ontbreken van wasmachines, cv-ketels en auto’s. Sommige dingen waren vroeger zeker beter, maar niet alles…

2. Hoe kan dit nu? – Voelen wij ook de spanning?

Voor jongeren is het toch goed naar de ouderen te luisteren, want deze ouderen in Jeruzalem hebben toch wel een punt. Het gaat hier niet zomaar om een generatiekloof. De bouw van deze tempel stelt echt niet zoveel voor. En dat is iets anders dan God had beloofd, dan waar ze als gelovigen op vertrouwden en naar uitkeken.

De profeet Ezechiël had in de tijd van de ballingschap geprofeteerd over de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land en hoe dan een geweldige tijd aan zou breken, een geweldige nieuwe tempel gebouwd zou worden. Veel mooier en groter dan de oude van Salomo! Werkelijk een wereldwonder! Je leest het hele bouwplan in Ezechiel 40-43. En Ezechiël was niet de enige, ook Jeremia en Jesaja konden er wat van. Met andere woorden: De mensen die terugkeerden uit de ballingschap verwachten een nieuwe tijd, iets wat in ieder geval beter, mooier, grootser, heerlijker zou zijn dan voorheen. Echt een diepgaande verandering.

Iets daarvan proef je na Pasen ook bij de discipelen van Jezus. Ze vragen in Handelingen 1 aan Hem: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Nu Jezus uit de dood is opgestaan, nu vang het nieuwe leven aan. Zo zongen we ook aan het begin van de dienst.  ‘Een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.’

Ziet u, het was niet enkel een kwestie van wat stenen met die tempel.

Van iets dat stuk was, en dat gerepareerd moet worden. Waarmee de ouderen verdrietig zijn en de jongeren blij. Het gaat veel dieper. Misschien voelen wij die spanning ook wel. Ik wel. Eigenlijk altijd als ik hier kom, vallen mijn ogen op de grafstenen rond de kerk. We vieren de opstandingsdag van Jezus, de zondag, de dag dat het leven het wint van de dood, op een kerkhof. En dat zijn geen 2000 jaar oude graven, van vóór Pasen, maar dat zijn ook graven van kort geleden. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan’, zongen we. O nee?

En dat bepaalt ons bij de hele diepe vraag: Is het er sinds Pasen nu echt beter op geworden in de wereld? En in mijn eigen leven? Pasen 2000 jaar geleden, maar ook Pasen 2 weken geleden. Wat valt er te merken van die opstandingskracht van Jezus Christus? Wat valt er van te zien? De ouderen in de tijd van Haggaï zien er niets van. Het is ‘als niets in hun ogen’, die nieuwe tempel. De jongeren zijn enthousiast, maar ja, die zijn altijd enthousiast, die hebben nog geen vergelijkingsmateriaal, geen levenswijsheid. Het is niet zo, dat als je maar lekker aan het metselen gaat, dan dat alles vanzelf goed komt.

De ouderen kijken niet alleen terug, ze verlangen naar meer. De dag van deze profetie, de 21e dag van de 7e maand, is de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het is het oogstfeest in het najaar, het feest van de overvloed, het feest van de uittocht uit Egypte, van het begin in een nieuw land, vloeiend van melk en honing, maar in dit 2e jaar van Darius, is het een jaar van economische en politieke crisis, weten we uit buitenbijbelse bronnen.

Momenteel moeten we het in de wereld doen met leiders als Poetin, Trump, Erdogan, Xi en dergelijke. Spanningen lopen wereldwijd op rond Syrie, Noord-Korea, Rusland. Het klimaatverdrag van Parijs lijkt alweer vergeten te zijn. (huh, klimaatverdrag van Parijs, wat is dat? Precies). Europese landen, de NAVO, China, verhogen hun defensiebudgetten en verlagen hun ontwikkelingswerk. De grootste humanitaire crisis ooit dreigt momenteel in Afrika en Jemen waar dagelijks duizenden kinderen sterven van de honger. De vluchtelingen verdrinken nog steeds in de Middellandse Zee.

Je wilde dat het een keer anders kon.

3. De HEERE is er weer – Onbevreesd: het gaat om Hem!

Niet zomaar nieuwe schoenen als de oude versleten zijn. Dat is gewoon doorgaan op dezelfde weg met ups en downs. Doormodderen. Ook nieuwe schoenen verslijten immers weer. Hoe blij je kan zijn met je nieuwe auto, die eerste kras of deuk komt veel te snel! Ze verlangen naar meer in de tijd van Haggai. En ik hoop dat u dat verlangen ook deelt. Niet meer van hetzelfde in de wereld, in je leven, maar meer van God.

Vandaar de fantastische bemoediging die Haggai toen en nu mag geven, die die kern helemaal raakt, de kern van onze ziel, vers 5:

‘Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE, wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, heel de bevolking van het land, spreekt de HEERE. Werk door, want Ik ben met u, spreekt de HEERE van de legermachten.’

Zerubbabel is de joodse gouverneur van Judea namens de Perzen op dat moment, de burgemeester van Jeruzalem, zoiets. En Jozua is de hogepriester, de paus van het Jodendom, zoiets. En heel het volk, een ‘rest’ wordt het in vers 3 genoemd, qua aantallen niet echt groot.

Ik ben met u. God is bij jullie, Zerubbabel, Jozua, heel het volk. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Driemaal herhaalt Haggai het. Om te benadrukken: dit zijn niet mijn woorden, dit is echt. Dit is Gods woord: God Zelf is met jullie. Ik ben met u.

Wees sterk: dat is niet lichamelijk bedoelt. Ze hadden echt wel de kracht om die stenen van de tempel op te tillen en te metselen tot een mooi gebouw. Uiteindelijk zal deze 2e tempel ook groter worden dan die van Salomo was. Nee, wees sterk: dat gaat over de innerlijke kracht, over moed, geloof, vertrouwen. Om verder te kijken dan die stenen. Om te zien waar het echt op aan komt.

‘Ik ben met u’. Dat betekent: Ik sta aan jullie kant. Ik help jullie. Ik zorg voor jullie. Ik zorg dat jullie krijgen wat jullie nodig hebben. Ik zorg dat er iets van terecht komt. Sterker nog: In de allerdiepste betekenis ís het project van die tempelbouw al geslaagd, want God is er al. En daar gaat het toch om bij een tempel. Een huis van God. Hij komt niet pas als de tempel af is, maar is nu al present.

In vers 6 wordt verwezen naar de Geest van God die er al was toen Israël uit Egypte trok. God was daar in een wolk- en vuurkolom. Hij kwam niet pas toen de tabernakel er stond, of later de tempel in Jeruzalem, maar Hij was er vanaf het begin al bij. Daar moeten we het van hebben. Daarom hoeven de ouderen toch niet verdrietig te zijn. Daarom hoeven we niet bang te zijn.

‘Wees niet bevreesd.’ ‘Ik ben met u.’

Het is niet toevallig, denk ik, dat Mattheus als laatste woorden van Jezus optekent aan het einde van zijn evangelie: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’

In alles is dat ons houvast. Dat kan alleen dankzij Goede Vrijdag en Pasen. In de tijd van Haggai lag de periode van Gods oordeel en toorn en afwezigheid achter hen. De straf was geweest, een nieuwe periode van genade en Gods nabijheid brak aan. Dat is het diepste en mooiste om te weten en te geloven. Dat u en ik ook in zo’n tijd mogen leven. Pasen is het bewijs dat Jezus leeft, maar bovenal dat de straf gedragen is, mijn zonden verzoend, dat God weer bij mij kan zijn, bij jou, bij u. Dat Hij niet bij u komt met straf en oordeel, maar met Zijn liefde, met Zijn hulp.

Al heeft je leven soms wel wat weg van een ruïne, al zijn er nog genoeg ruïnes in de wereld (kijk maar eens op YouTube naar beelden van Aleppo), God voelt zich niet te goed om in die ruïnes te komen wonen. Zo spreekt Paulus over het werk van God in zijn leven, zo lazen we in 2 Korinthe 4-5. God ontleent niet zijn heerlijkheid aan de pracht en praal van ons leven en werk, wij ontlenen de heerlijkheid aan Zijn leven, Zijn werk, Zijn aanwezigheid. De tempel in Jeruzalem is maar steen en hout en goud en zilver, waardeloos, in zichzelf, maar is waardevol omdat God er is. Ons leven is waardeloos in zichzelf, maar ontzettend waardevol omdat God bij je wil zijn. Dán krijgt het leven glans. Glans zoals nooit tevoren.

4. Geen zilver en goud, maar wel vrede

Met God is immers alles mogelijk. Als Hij de Levende bij je is, dan verslijten zelfs je schoenen niet. Dat staat in Deuteronomium 29:5. Aan het einde van 40 jaar in de woestijn, merkt Mozes op dat ‘uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten.’ Alles is dan mogelijk, als de HEERE bij je is. Wordt alles dan een succesverhaal? Wordt die nieuwe tempel een pronkpaleis? De verzen 7-10 lijken daar wel op te duiden.

Net als andere profeten spreekt Haggaï erover dat in de nabije toekomst alle volken ter wereld zullen ‘beven’ en zullen komen naar Jeruzalem met hun schatten, zilver en goud. En ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste’ (vers 10).

Nu was dat iets wat Haggai deels al zag gebeuren: de heidense koning Cyrus had de Joden toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Cyrus had daarbij al de kostbaarheden van de oude tempel, de gouden en zilveren schalen, bekers en offergerei teruggegeven. Koning Darius financierde de bouwmaterialen, het hout van de Libanon, later aangevuld door koning Arthasasta. In de ogen van Haggai en zijn tijdgenoten regelrechte wonderen en bewijs van Gods macht en zegen dat heidense koningen dit deden. Zo concreet werd het gewoon!

Haggai’s woorden hadden dan ook effect: Nu hij de gebeurtenissen van zijn tijd zó duidt, nu ziet het volk het ook. Ze vatten moed en bouwen door. Het hele boekje Haggai beslaat een periode van 4 maanden. Een scharniermoment in het bestaan van het volk Israël, een kantelpunt. De volgende 600 jaar zal deze 2e tempel er staan als centrum van het Jodendom, als centrum van de wereld, als woonplaats van God, als bewijs van Gods verbond en trouw en liefde.

Dat succes zat niet in het vele goud en zilver. Vers 9 luidt ‘Van Mij is het zilver en van Mij is het goud’. Dat kan claimend klinken: ieder moet z’n geld en goed aan Mij afstaan, ter meerdere eer en glorie van Mijn huis. Toch was dát niet de bedoeling. Elders in het OT worden dergelijke dingen gezegd om het geloof in de de wereldheerschappij en soevereiniteit van de HEERE te benadrukken. God is per definitie Heer over alles en iedereen. We hebben daarom sowieso alles te leen, ons huis, ons leven, onze tijd, we ontvangen het van God in beheer. God heeft overal recht op, maar laat dat recht niet altijd gelden. Hij stelt niet per se prijs op tempels of kerken die met goud overtrokken zijn, de hele wereld is immers al van Hem.

Waarin zit dan toch die ‘grotere heerlijkheid’ van de nieuwe tempel die Haggai voor ogen krijgt? ‘In deze plaats zal ik vrede geven.’

Het is niet dat dat huis er niet toe doet. Goud en zilver zijn prachtig en nodig. Het Jodendom kon niet zonder tempel. Wij kunnen niet zonder kerk. Niet zonder het gebouw. Niet zonder de gemeenschap. De dienst aan God moet vaste vorm aannemen. In woorden, in zang, in rituelen. In onze levensstijl. In catechisatie en kring. Er moet diaconie zijn en kerkrentmeesters. We moeten allemaal daaraan onze steentje bijdragen, zoals ook Zerubbabel en Jozua en de rest van het volk heel letterlijk met stenen moesten sjouwen. Dat doet er allemaal toe bij God. Omdat het middelen zijn die God gebruikt.

Omdat God op die manier ons vrede kan geven. De tempel is niet alleen een plek waar we allemaal onze offers voor moeten brengen. Het geloof in God is niet alleen veeleisend, dat is het soms ook. Maar het is vooral een plaats van uitdeling. Van vrede. Voor iedereen. Voor die hooggeplaatsten, Zerubbabel en Jozua, maar ook voor de eenvoudige plattelanders én voor de heidenvolken. Uitdeelplaats van vrede. Dat is pas heerlijkheid.

Ik geef jou vrede, zegt God, vandaag ook tegen u en jou. Nieuwe kleren en nieuwe schoenen, ook heel belangrijk. Die krijg je wel van je ouders. Of van de diaconie. Belangrijk! Maar ik heb ook iets voor jullie: Vrede.

Dat is méér dan de afwezigheid van oorlog en ruzie. Het is een soort compleet pakket. Dat het goed is. Goed tussen God en jou.

En dat daarom het leven goed is, zoals het is. Tevreden. En dat het met de wereld de goede kant op gaat. Als een olievlek breidt het zich uit via de tempel in Jeruzalem, naar Jezus Christus, naar de kerk wereldwijd, overal waar de Geest werkt, waar God is. Dat is heerlijk. Zo in de wereld kunnen staan, zo kunnen leven! Dat is wat God je geeft.

5. Aan de slag met het oog op de toekomst

‘Werk door’, zegt Haggai namens God, vers 5. ‘Aan de slag nu!’

Mooi, vindt u niet? Voor ons als doeners. Na Pasen is niet alles af en klaar. Er valt nog genoeg te doen. Te bouwen aan de tempel, in het Nieuwe Testament beeld voor de gemeente van Christus, voor het samen leven met God. Er valt nog genoeg te zorgen voor elkaar. Te zorgen voor de wereld. Toen Jezus riep aan het kruis ‘Het is volbracht.!’ betekende dat niet dat wij nu bij de pakken neer mogen zitten, maar zoals je moeder roept: ‘Het eten is klaar!’ Dan begint het pas.

De ouderen hebben gelijk met hun verdriet, want ze verlangen naar meer, naar de vervulling van Gods beloften. Haggai leert hen en ons zien vanmorgen dat we daarvoor niet moeten kijken naar stenen of goud en zilver, maar naar de Levende God, Jezus Christus, die ons bijstaat en ons vrede biedt. De jongeren leert Haggai zo zien dat ze niet hoeven te bouwen alsof hun leven ervan afhangt, dat het niet aankomt op hun prestatie, maar dat God gewoonweg Zijn vrede biedt. Dat daarin de heerlijkheid van het leven gelegen is.

Samen mogen wij zo leven. Met het oog op de toekomst. Terwijl we doen wat er gedaan moet worden in Gods naam.

Amen

Advertenties

Kern van de Bijbel (9) – Jezus in de hemel

Leerdienst over de hemelvaart en wederkomst a.d.h.v. Zondag 18-19 van de Heidelbergse Catechismus.

Christus Pantocrator in de Heilig Grafkerk te Jeruzalem

Gemeente van Jezus Christus,

Onze dochter is deze week jarig. Ze wordt 2. Maar ze weet het zelf nog niet. Het leek ons beter er niet nu al over te beginnen. Als we haar vandaag zouden vertellen dat er allemaal visite komt, en dat er taart zal zijn en cadeautjes. Dan zegt het haar nog niets dat ze eerst nog 4 nachtjes moet slapen. We zouden haar alleen maar gek maken. Van dagen en weken heeft zo’n klein kind nog helemaal geen besef. Je schept alleen maar verwachtingen en vervolgens teleurstelling…

Ik moest daaraan denken bi j het voorbereiden van deze dienst. Jezus heeft eigenlijk wel aan ons verklapt dat er iets moois staat te gebeuren. Dat was ook onvermijdelijk. Toen Jezus opstond uit de dood en Zijn leerlingen Hem weer ontmoeten, toen zagen ze de cadeaus als het ware al voor zich uitgestald staan: Jezus heeft de dood overwonnen! Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Daar wil Hij ons in laten delen. Na Pasen brandt in hen dan ook de verwachting en het ongeduld. We lazen dat ze in Handelingen 1:6 tegen Jezus zeggen:

‘Zij dan die samengekomen waren, vroegen Hem:  Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’

U laat ons toch niet langer wachten, Heere! We houden het niet meer! We willen er geen nachtje meer over slapen!

Ik hoop dat u dat ook zo gelooft.  Als je tenminste denkt dat er iets van waar is wat er in de Bijbel staat, in het bijzonder over de opstanding van Jezus uit de dood, dan kunnen er mooie dingen gebeuren. Vorige week stonden we erbij stil dat de opstanding van Jezus ook een soort garantie is dat Hij die Goddelijke kracht aan zal wenden om ons persoonlijk van binnen nieuw te maken, maar ook de wereld nieuw te maken. De dood de wereld uit. Geweldig zal dat zijn!

Als geloven in Jezus iets is, dan is het wel een vuurtje dat in je hart is aangestoken, een verlangen dat in je brandt, dat Hij zichzelf in al Zijn glorie zal openbaren. Dat Hij Zijn Koninkrijk definitief zal vestigen. Dat alles wat nu krom en scheef zit in de wereld eindelijk recht zal zijn. Al die beloften staan al in de Bijbel opgetekend. We zijn al lekker gemaakt, zogezegd.

Maar het duurt wel lang, hè. Ik weet niet of u dat wel eens denkt, maar ik wel. Zeker als je geraakt wordt door vreselijke nieuwsberichten over de vervolgde kerk, over natuurrampen of conflicten. Dan denk ik: Nú zou een mooi moment zijn, Heere Jezus, om er eens een punt achter te zetten. Laat ons toch niet verder lijden. Kyrie eleison. Heer, ontferm u. En in je meest twijfelachtige ogenblikken kun je zelfs denken: ‘Dat Koninkrijk van U, komt daar nog wat van?’ Is God er wel? Of is het Hem uit de hand gelopen? Hoe kan dit allemaal?

De hemel kan voor ons dan zo ver weg voelen.

We belijden het prachtig met de catechismus dat hij ‘ons ten goede’ in de hemel is. Hij bidt voor ons bij de Vader. Hij zit als Hoofd van de Kerk aan de rechterhand van de Vader. Hij zendt Zijn Geest uit. Maar het is allemaal zo onzichtbaar. En de hemelvaart van Jezus is al 1985 jaar geleden.

Dit zijn geen verkeerde vragen om te stellen. We hoeven ze niet uit de weg te gaan. De discipelen legden hun vraag bij Jezus neer, en die reageerde niet afwijzend of bestraffend. Ook Johannes de Doper, toen hij in de gevangenis zat, liet zijn leerlingen naar Jezus gaan met de vraag: ‘Bent u het die komen zou, of verwachten wij nog iemand anders?’

Als je jezelf dit soort dingen nooit afvraagt, moet je denk ik eerder vraagtekens zetten bij je geloof als andersom. Als er geen verlangen in je is naar gerechtigheid, naar Gods nieuwe wereld, als je het allemaal wel best vindt, dan is er iets mis. Zoals een kind dat niet uitkijkt naar zijn of haar verjaardag en cadeautjes…

Probleem is dat Jezus zelf niet erg duidelijk is geweest over de exacte tijd tot de wederkomst. Hij zegt ergens dat Hij dat zelf ook niet weet, alleen de Vader weet het. Als je de evangeliën leest, dan kom je echter regelmatig teksten tegen als Mattheus 16:27-28:

‘Want de Zoon des mensen zal komen in de  heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen,  en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.’

Hoe je het ook wendt of keert, blijkbaar heeft Jezus zelf, in ieder geval vóór zijn kruisiging en opstanding, zelf ook gedacht dat het heel snel zou zijn, dat die generatie van toen het echt mee zou maken, die volkomen vervulling van al Gods beloften: ‘de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk’. Mattheus, Markus en Lukas geven alle drie uitgebreide preken van Jezus over het einde der tijden, waarvan de tekenen zich al aan kondigen.

In ieder geval hebben zijn leerlingen, de apostelen en Paulus ook, deze woorden zo begrepen dat zijzelf het nog mee zouden maken. Paulus schrijft in zijn brieven regelmatig zó over de wederkomst en de opstanding der doden  (zie 1 Kor 15:51; 1 Thess 4:15) dat je de indrukt krijgt dat hijzelf het elke dag nog verwachtte. Vanmorgen hoorden we ook over de haast en de ernst waarmee Paulus daarom ook door Europa trok om daarvóór nog snel over de redding door Jezus te gaan vertellen. Het is zelfs een teleurstelling geweest voor de eerste christelijke gemeenten toen er gemeenteleden overleden. Die zouden het niet meer mee maken.

Je vraagt je af: Heeft Jezus zich misschien vergist? Dat klinkt ons als een rare, ongepaste vraag in de oren: ‘Jezus, zich vergissen?! Dat kan toch niet!’ Maar vergissen is menselijk. En Jezus was volkomen mens. Dat moeten we niet vergeten.

Vanuit het Jodendom is dit ook het cruciale punt waar de wegen uiteenlopen. Als Jezus werkelijk de Messias was, de Redder, en als het werkelijk zo is dat Hij aan het kruis riep: ‘Het is volbracht’. Waarom ziet de wereld er dan nog ongered en onverlost uit? Waarom is het dan niet overduidelijk dat Hij regeert? Waarom zit Hij niet in Jeruzalem op de troon, maar in de hemel?

Ziet u, de hemelvaart en de wederkomst, die wij elke week belijden met de Apostolische Geloofsbelijdenis. Dat is allemaal niet zo simpel. Dat zouden wij graag willen, dat ons geloof simpel was. Gemakkelijk te begrijpen. Gemakkelijk uit te leggen. Maar zo zit de wereld nu eenmaal niet in elkaar. De Bijbel is ook geen boek met kant-en-klare antwoorden. Ook niet hier over. We tasten. We zoeken. We bidden. We wachten…

Op zich is dat wel heel Bijbels. God laat op zich wachten. Hoelang moesten Abraham en Sara niet wachten op de geboorte van een zoon? 25 jaar. Hoelang moesten de Israëlieten in Egypte niet wachten op de verlossing uit de slavernij? 430 jaar. Hoelang trok het volk niet door de woestijn? 40 jaar. Hoelang moest Israël wel niet in ballingschap? 70 jaar. En hoelang duurde het toen nog tot Jezus geboren werd? 500 jaar. Heel de Bijbel is eigenlijk vol met periodes van wachten en bidden en verlangen naar de vervulling van Gods beloften. 

Heeft Jezus zich vergist? Een betere vraag zou zijn: Hebben wij Hem wel goed begrepen?

Als we het Johannes-evangelie naast die woorden Mattheus leggen, die we net lazen, dan wordt het beeld toch anders. In zijn afscheidswoorden zegt Jezus in Johannes 14:18-23:

‘Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe. Nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, maar u zult Mij zien, want Ik leef en u zult leven. … Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.’

Volgens Johannes is het ‘weggaan’ van Jezus verbonden met de dagen dat Jezus in het graf was. En zijn ‘wederkomst’, zogezegd, waren zijn verschijningen na Pasen. De kruisiging is het moment geweest dat Jezus Zijn heerlijkheid toonde als Messias. Toen kwam de Zoon des Mensen in Zijn Koninkrijk. Alle evangelisten vertellen dat er boven Jezus’ hoofd aan het kruis stond: ‘Dit is de koning der Joden’. Een heel ander soort koning, ja, dat wel, dan machthebbers van deze wereld.

Maar Jezus kreeg gelijk: Ze hebben Hem gezien als Koning! Hangend aan het kruis. Stervend voor de verzoening van hun zonden. Biddend voor Zijn vijanden.

En deze Jezus is nooit weggegaan. Ja, lichamelijk is hij in de hemel, zegt de catechismus zo mooi, maar: ‘ naar zijn godheid, majesteit, genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer’. Dat is wat Jezus zegt: ‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.’

Te vaak denken we dat Jezus ‘weg’ is. Maar dan hebben we nog niet goed begrijpen dat de heilige Geest de Geest van Christus is. Dat door de heilige Geest, Jezus Christus en de Vader in ons wonen. Beter dan dat kan het niet worden. Daarvoor geldt absoluut: ‘Het is volbracht.’ Die boodschap van het evangelie staat echter zo haaks op onze aardse, menselijke verwachtingen en ideeën, dat we moeite hebben om dat te zien, te ervaren en te waarderen.

In het bijzonder als het dan gaat om de kerk. De kerk is het ‘Lichaam van Christus’ op aarde. Wij denken vaak: De kerk is ook maar een cluppie mensen. Een bijelkaar geraapt zootje soms. Zeker in de wereld is het imago van de kerk ronduit slecht. Maar dat juist in het kerk-zijn en het gemeente-zijn God zelf aanwezig is in ons midden. Dat waar mensen in Zijn Naam samen zijn, Jezus zelf daar is, dat vergeet je zo gemakkelijk.

De catechismus legt er alle nadruk op (antwoord 50): ‘Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk’. Het is als Hoofd van de kerk dat Jezus in de hemel is. En als we ergens moeten zoeken naar Zijn aanwezigheid, naar Zijn werk, naar Zijn regering, dan is het in de kerk. In de eenvoud van de gemeenschap die wij met elkaar vormen, ook hier in Everdingen. In de verkondiging van het evangelie. In de praktijk van ons christelijk leven met elkaar. Daarin voltrekt zich de komst van Jezus Christus in de wereld.

‘Is dat alles?’ Ja, het is allemaal misschien wel wat minder spectaculair dan wij over de wederkomst denken. Onze ideeën daarover zijn sterk gekleurd door de visioenen van Johannes op Patmos. Over legioenen engelen die de wereld overtrekken. Rampen waardoor de wereld vergaat. Mega-oorlogen. Bovennatuurlijke tekenen. Maar dan vergeten we dat dat visioenen zijn, die we niet zo letterlijk moeten lezen. Als het daar gaat over beesten uit de afgrond, en de antichrist, dan dacht men in die tijd aan de hele concrete macht van het Romeinse Rijk dat christenen vervolgde.

De heerlijkheid en de glorie van de Zoon van God bestaat niet in legioenen engelen, paleizen, goud en geweld. Als Hij gewild had, had hij het zo kunnen doen. Maar de Messias, Jezus, kwam ter wereld als de zoon van een timmerman uit Nazareth. ‘Zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis.’

Deze nederigheid en dienstbaarheid, de lijdensweg en de grenzeloze liefde, dat waren toen al struikelblokken. We moeten niet denken dat Jezus ná de kruisiging en opstanding opeens heel anders is geworden. Dat nu Hij zit aan de rechterhand van Zijn Vader, dat Hij nu opeens wel het zwaard ter hand zal nemen.

Ja, langzamerhand verovert onze Heere, Jezus Christus, de wereld, maar niet in één grandioze grote klap. Zacharia profeteerde het al:

‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest, zegt de HEERE van de legermachten.’ (Zacharia 4:6)

Dat zijn hele diepe woorden, die laten zien hoe haaks Gods gedachten en plannen en manier van werken staan op deze wereld.

Het verklaart helemaal het misverstand tussen het Jodendom en het Christendom. De joden hadden zolang op de Messias gewacht, dat ze dachten dat alles in één keer nieuw en anders zou worden bij Zijn komst. Deze huidige wereld zou ophouden te bestaan bij de komst van de Messias, en Gods nieuwe wereld zou aanbreken.

God had dat zo kunnen doen. Jezus hád dat zo kunnen doen. Zijn macht is daarvoor groot genoeg. Maar God kón het niet doen, Jezus kón het niet doen, omdat Hij zo niet werkt. Omdat Hij zo niet is. Omdat Hij niet deze hele wereld in één klap weg wil vagen, maar uit onze gebroken wereld een vernieuwde herschapen wereld wil maken. Het blijkt daarom zo te zijn dat de komst van Jezus Christus, Zijn werk als Messias, veel méér werk is, veel díeper werk is, dan wij konden vermoeden.

In het Nieuwe Testament wordt duidelijk dat met de kruisiging en opstanding van Jezus Christus de eindtijd is aangebroken. Wij leven daar ook vandaag de dag midden in. Wij zijn er in de kerk getuige van hoe Hij mensen nieuw maakt. Hoe Hij de wereld nieuw maakt. De tijd tussen de hemelvaart en het laatste oordeel is geen ‘lege tijd’, geen ‘tussentijd’ waarin niets gebeurt. Integendeel: In onze dagen gebeurt het! Zo mogen we om ons heen kijken, zo mogen wij onze tijd beleven.

En van die beweging mogen wij deel uitmaken. Dat is natuurlijk helemaal mooi. Het Koninkrijk van God, dat is niet iets wat straks van boven over ons uitgegoten wordt, maar dat is iets wat in ons hart groeit en in ons leven vruchtdraagt. Jezus is geen dictator, geen alleenheerser, maar Hij schakelt u en mij in. Wij zijn Zijn voeten voor de verspreiding van Zijn boodschap. Wij zijn Zijn mond in het spreken van Gods trouw en genade. Wij zijn Zijn handen om voor de ander te zorgen en te leiden. Wij zijn Zijn armen om te dragen en te troosten. ‘Niet door kracht of geweld, maar door Mijn Geest.’

Misschien zakt de moed je daarbij in de schoenen. Als het van ons moet afhangen… Zit er dan werkelijk vooruitgang in de geschiedenis? Gaat het niet van kwaad tot erger?

Ook dan is het er gevaar dat wij ónze verwachtingen en ideeën  van wat beter is en vooruitgang aan God willen opdringen. We hoeven ons niet ongerust te maken. Hij doet het zoals het goed is. En Zijn werk zal echt ooit wel af Zijn. Petrus schrijft daar zo mooi over in zijn 2e brief (2 Petrus 3:9-10): 

‘De Heere vertraagt de belofte niet  (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen),  maar Hij heeft geduld met ons  en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heere zal komen  als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden. ‘

Waarom het zolang duurt van hemelvaart tot laatste oordeel? ‘Hij heeft geduld met ons.’ Ook wanneer ons geduld al lang op is… En het is geen traagheid, maar ‘Hij wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat alleen tot bekering komen.’ Nou, dan kun je lang wachten. Dat doet Jezus dus ook. Ondanks al het kwaad en het lijden in de wereld, het verdriet en de tranen.  Als wij het niet meer zien zitten. Dan heeft onze Heere Jezus geduld, en wil dat allen tot bekering komen. Geweldig is dat.

Maar Petrus laat er geen onduidelijkheid over bestaan. Ooit, ooit, zal einde er zijn. Als een dief in de nacht. Zo stilletjes. Zo onverwacht. Het komt echt wel. Daar hoeven we niet over in te zitten. En ook voor het einde hoeven we niet bang te zijn. Als Christus als Rechter zal verschijnen en oordelen zal over levenden en doden, dat doet Hij dat niet als een onbekende, maar als de Gekruisigde. Zoals de catechismus het prachtig zegt in antwoord 52: ‘Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft.’

Wees blij met de genadetijd. Merk de voetstappen van Christus in de wereld door Zijn kerk, door ons leven dat vrucht draagt.

Amen