Leeservaring: Van den Brink – En de aarde bracht voort

Sinds ik in 2002 zelf biologie ging studeren en geconfronteerd werd met de overweldigende bewijslast voor de evolutietheorie, wachtte ik al op dit boek. Tot nu toe combineerde ik zelf al het geloof in schepping en evolutie met elkaar (zie deze preek uit 2012 over Genesis 1; en over schepping en evolutie uit 2014). Ik merkte dat ik er soms raar op aan werd gekeken. Want vaak worden scheppingsgeloof en evolutietheorie met elkaar in tegenspraak geacht. Dat dat niet zo is, bewijst dit boek. Grondig en creatief combineert Van den Brink in dit boek orthodox-christelijk geloof en evolutie. Is dat mogelijk? Ja, dat is mogelijk. Het is heel knap dat de auteur laat zien de belangrijkste uitdagingen niet liggen in de scheppingsleer, maar in de hermeneutiek, theodicee, theologische antropologie en voorzienigheidsleer. Dit verbreedt de discussie en zet het ook in de juiste proporties.

De auteur doet dat ook op uiterst sympathieke wijze. Het debat over geloof en wetenschap tussen gelovigen en atheïsten – maar ook tussen gelovigen onderling – wil nog wel eens emotioneel gevoerd worden. Om bij voorbaat alle weerstand weg te nemen, gaat Van den Brink daarom uit van een puur hypothetisch standpunt: “Stel dat de evolutietheorie juist is, moeten wij dan bepaalde geloofswaarheden opgeven?” Zo kan iedereen met hem meelezen en -denken zonder zijn eigen positie onmiddellijk op te geven. Heel eerlijk en zorgvuldig is hij ook over zijn eigen huidige positie in 3 lagen die op elkaar verder bouwen:

  1. Deep time (de tijdschaal van miljoenen jaren): empirisch buitengewoon sterk (geologie, astronomie)
  2. Tree of life (gemeenschappelijke afstamming): gevestigde status en aannemelijk (fossielen, genetica)
  3. Survival of the fittest (natuurlijke selectie): serieuze wetenschappelijke discussie
    • NB. ‘fit’ is niet ‘de sterkste’, maar de ‘best aangepaste’, dus kan ook ‘meest sociale’ zijn…

Ik hoop dat in reacties vanuit orthodox-christelijke kring en dan vooral de ‘jongeaardecreationisten’ door zal klinken dat ze dit boek echt hebben gelezen en overwogen. Maar omdat een voor hen bepaalde geliefde manier van Bijbellezen ter discussie staat (‘letterlijk’ of ‘prima facie’) zal het moeilijk worden echt open te staan. Hierin ligt ook een beetje het tekort van dit boek, namelijk dat het geen goed alternatief biedt voor hoe we Genesis 1-3 dan wél moeten lezen. Dat kan Van den Brink niet aangerekend worden: hij is dogmaticus en geen bijbelwetenschapper. Het zou fijn zijn als er een orthodox-christelijke oudtestamenticus de handschoen op zou nemen en Genesis 1-11 uit zou leggen vanuit dit nieuwe evolutionair-creationistische wereldbeeld.

N.a.v. Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voor: Christelijk geloof en evolutie, Utrecht: Boekencentrum, 2017, 364 pag.

Moeilijke vraag (4): Schepping of evolutie?

Creazione di Adamo

Creazione di Adamo – fresco van Michelangelo, c. 1512

Gemeente van Jezus Christus,

1. Wat weten we nu eigenlijk?

We doen soms een beetje lacherig over evolutie. Geloof je dat nou echt dat de mens van de apen afstamt? Rare, vreemde, gedachte lijkt dat. En ook de miljoenen jaren waren ze het dan over hebben. Nee, geef ons maar Genesis 1. Lekker duidelijk. 6 dagen en toen was het af. Alles in een nette volgorde. Je kunt het zo nalezen. Doortimmerd en goed was het. Daar kun je ophouden met denken en over gaan tot de orde van de dag.

Dat kan inderdaad, zolang wij ons niet buiten de kerkmuren begeven. Als we niet het gesprek aangaan met mensen die helemaal niet in een schepping in 6 dagen geloven. Dat kan als we onze ogen sluiten voor de ontdekkingen die de wetenschap de afgelopen eeuwen heeft gedaan. Dat kan. Dan blijft alles bij het oude. Uit onszelf blijven we het liefste in die comfort-zone van het vertrouwde. Op het punt van schepping en evolutie daagt de wetenschap ons uit. Stelt vragen bij ons geloof. En daar mogen we denk ik blij mee zijn.

In de Middeleeuwen dacht men dóór te hebben hoe de wereld in elkaar zat. Maar de ontwikkeling van de wetenschap door onze menselijke nieuwsgierigheid laat ook vandaag de dag nog zien dat we nog maar een fractie weten van hoe het heelal, onze werkelijkheid in elkaar zit. Wetenschappers graven fossielen op uit de grond van dinosauriërs, wonderlijk grote dieren die miljoenen jaren geleefd hebben. Er wordt met grote telescopen de ruimte in gekeken. Een onmetelijk heelal strekt zich rondom ons uit. In feite laat de wetenschap daarmee zien hoe hoogmoedig wij mensen waren. Het is allemaal niet zo simpel. De wereld zit niet zo eenvoudig in elkaar als we dachten. Van het allergrootste, supernova’s, zwarte gaten tot het allerkleinste, atomen, kwantummechanica. De wetenschap rolt de afgelopen jaren van de ene verbazing in de andere.

Je kunt het wel een beetje vergelijken met het boek Job. Job is een vrome man, wordt daarin verteld. Maar hem overkomt groot onheil, en daar is hij kwaad om. Want daarmee houdt God zich niet aan zijn eigen regels, klaagt Job. Job denkt precies te weten hoe God is en hoe de wereld in elkaar zit en hoe God de wereld moet besturen. Als God Job antwoordt op zijn klacht, doet God eigenlijk maar één ding: Hij wijst Job zijn plek als mens. De tekst , Job 38:4-5:

‘Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers wel.
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?’

Het is niet leuk als dit soort dingen tegen je gezegd worden. Het wijst Job erop dat hij eigenlijk zoveel niet weet. Job is er natuurlijk niet bij geweest toen God de aarde schiep. Hij weet niet hoe God dat gedaan heeft. God zegt dat niet om hem zijn geloof te laten verliezen, maar juist om zijn geloof te verlossen van zekerheden die geen zekerheden waren. Job steunde teveel op zijn eigen mening en oordeel. Zoveel dat hij zijn vertrouwen in God verloor. God zegt nu: ‘Job, keer dat nou eens om. Vertrouw nu eens minder op je eigen zekerheden en iets meer op mij.’ Misschien stelt de wetenschap vandaag de dag ons wel precies voor dezelfde vragen.

Bij de opkomst van de moderne wetenschap, o.a. de evolutietheorie van Darwin, is een reflex van vooral christenen in Amerika geweest, begin 20e eeuw, om heel erg vast te houden aan een letterlijke lezing van Genesis 1. Wetenschappers zijn anti-christenen, die ons geloof willen afpakken, dachten ze. Een begrijpelijke gedachte, die ook onder ons nog wel leeft. Je mag geen vragen stellen bij wat de Bijbel vertelt, want dat is per definitie waar.

Dat lijkt me dezelfde heilloze weg waarop Job in al zijn vroomheid zich begaf. We mogen ons best afvragen of we de Bijbel wel altijd goed begrepen hebben. En of Genesis 1 nu echt een letterlijk-historisch verslag geeft van de schepping. En of de wetenschap met de evolutie-theorie misschien wel iets heel moois heeft ontdekt.

Die openheid betekent echt niet dat je van je geloof afvalt. Die sfeer hangt er soms wel eens: als we de schepping in 6 dagen loslaten, wat blijft er dan overeind van de rest van het Bijbelverhaal? Alsof de bijbel en God een kaartenhuis vormen, dat bij het minste of geringste omvalt. Dat getuigt wel van bijzonder weinig vertrouwen in God… God en de Bijbel kunnen wel tegen een stootje.

2. Ruimte voor evolutietheorie (Genesis 2:7)

De wereld is door God geschapen, vertelt de Bijbel. Maar hoe God dat gedaan heeft, dat vertelt de Bijbel zelf al op vele verschillende manieren. Die hoofdstukken in Job vertellen er heel anders over dan Genesis 1. De Bijbel kent niet één scheppingsverhaal, maar meerdere. Zelfs in Genesis. U moet Genesis 1 en 2 maar eens naast elkaar lezen. In Genesis 2 wordt een heel ander scheppingsverhaal verteld, dan in hoofdstuk 1. In hoofdstuk 1 schept God alles, ook de mens door te spreken. In hoofdstuk 2 wordt opnieuw de schepping van de mens verteld in andere woorden (Genesis 2:7):

‘Toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.’

Hier is God heel concreet aan het kleien, het vormen van aarde. En later wordt de vrouw door God ‘gebouwd’ uit de rib van deze mens. Een hele menselijke voorstelling. De Bijbel zelf is dus niet eenduidig in hoe God de wereld en het leven heeft geschapen. Bijbelwetenschappers hebben bovendien ontdekt, door teksten en kleitabletten die terug gevonden zijn in het Midden-Oosten, dat ook de andere volken in de omgeving van Israël dit soort verhalen kenden, over schepping en zondvloed. Waarvan vele teksten veel ouder zijn dan de Bijbeltekst zoals wij die kennen. De Bijbel sluit aan bij de voorstellingen en taal van de mensen toen.

Dat kan ook niet anders. Als God zich openbaart, moet Hij dat altijd doen in voor ons begrijpelijke taal, beelden, ideeën. In een tijd dat men dacht dat de aarde plat was, een schijf die op een oerzee dreef, was het zinloos geweest om te openbaren dat de aarde een ronde planeet was die om de zon draaide. Dat had de mensen niets gezegd. We moeten goed zien dat God in de Bijbel geen nieuwe natuurwetenschappelijke informatie openbaart aan Zijn volk, maar Zichzelf. De Bijbel vertelt ons wie God is, in de woorden, taal en ideeën van drieduizend jaar geleden, niet hoe de wereld in elkaar zit.

Als we dat in de Bijbel zelf al zien, als we de Bijbel zó lezen, dan geeft dat denk ik heel veel ruimte. Ook voor de moderne wetenschap. Als een astronoom ons vertelt: Het licht van de zon naar de aarde doet er 8,3 minuten over voor het bij ons is. Hetzelfde effect kennen we goed van geluid dat naar onze oren onderweg is. Een straaljager is vaak al voorbij vóór je hem hoort, omdat het geluid er een poosje overdoet voor het je oor bereikt. Zo is het ook met licht. Alleen gaat licht véél sneller als geluid (300 m/s): 300.000 km/s. Het verschil merk je goed met onweer: de flits komt bijna direct, het geluid later hoe verder het onweer weg is. Maar ook de lichtflits is dus wel héél eventjes onderweg. Vanaf de zon dus ruim 8 minuten.

De dichtst bijzijnde ster is Proxima Centauri op 4,22 lichtjaar afstand. Als je die ster ziet, is dat licht vanaf die ster al 4,22 jaar onderweg voor het je ogen bereikt. Het centrum van onze Melkweg, ons sterrenstelsel, is 28.000 lichtjaar ver. De diameter 100.000 lichtjaar. Dat licht van al die sterren kunnen wij met het blote oog zien en is dus al 100.000 jaar onderweg. Het wordt nog gekker: ons melkwegstelsel is niet het enige. Op 2,2 miljoen lichtjaar afstand staat de Andromedanevel. Met een verrekijker goed te zien. Licht dat dus al 2,2 miljoen lichtjaar onderweg is. En dat is nog lang het einde niet. Ver daar achter ligt het Virgocluster. Een groep melkwegstelsels op 60 miljoen lichtjaar afstand. Toen dat licht van die sterren vertrok, leefden er nog dinosauriërs op aarde, vertellen paleontologen ons.  Daarachter is de ruimte niet leeg. Radiotelescopen ontvangen nog signalen van quasars tot op 13,6 miljard lichtjaar afstand…

Onderzoek aan de ouderdom van gesteenten op aarde laat alles erop wijzen dat onze aarde zo’n 3 á 4 miljard jaar geleden gevormd is. Geologen ontdekten dat de ons bekende werelddelen, aardplaten zijn, die langzaam uit elkaar drijven, je ziet het nog aan de vorm van Latijns-Amerika en Afrika die in elkaar passen. Of tegen elkaar aan drijven. Waardoor bergen ontstaan. De Alpen vormden miljoenen jaren geleden de zeebodem. Op de toppen van de Alpen kun je in kalksteen nog de versteende schelpjes terugvinden.

Die biologen dan weer voor raadsels stellen: het zijn hele andere schelpensoorten dan tegenwoordig op aarde leven. En dat is niet alleen met schelpen, maar ook met dieren en planten zo: in die miljoenen jaren oude gesteenten zitten levensvormen ingekapseld die nu niet meer voorkomen, en de soorten die nú voorkomen, zitten er niet in. Dat is het begin geweest van de evolutietheorie: planten- en diersoorten veranderen langzaam door veranderende omstandigheden en natuurlijke selectie, ze ontwikkelen zich. In het erfelijk materiaal, het DNA vinden spontane veranderingen plaats en de beste mutaties worden doorgegeven aan het nageslacht. Sommige soorten sterven uit. Nieuwe soorten ontwikkelen zich.

Door het DNA van planten en dieren te vergelijken zien evolutie-biologen familieverwantschappen die soms miljoenen jaren terug gaan. Van al het leven op aarde is een soort familiestamboom op te zetten, die laat zien dat al het leven ontwikkelt is van eenvoudige eencelligen, tot de ongelooflijke variatie van leven die we nu om ons heen zien. En ja, ook mensen hebben in die stamboom hun plekje. Wij stammen niet van de apen af, zoals soms gezegd wordt, maar we delen in die stamboom van het leven een gemeenschappelijke voorouder. Genetisch, op cel-niveau, zijn we voor 98% gelijk aan chimpansees. Onze gemeenschappelijke voorouder leefde 7 miljoen jaar geleden. In die 7 miljoen jaar is 2% van ons DNA veranderd. Zo langzaam gaat dat.

Dat is wat de moderne wetenschap ons vertelt. Ik dacht, ik zet het nog maar even voor u op een rijtje. Nu zitten we hier niet bij sterrenkunde, geologie of biologie, maar in de kerk. Misschien vindt u het ook wel moeilijk te volgen. De enorme afstanden en tijden waarover men spreekt zijn ook niet te overzien. Waar het mij om te doen is: We moeten niet bij voorbaat zeggen dat wetenschappers ernaast zitten, omdat het niet klopt met een letterlijke lezing van Genesis 1. In de bijbel is het er niet om te doen te vertellen hoe God de wereld geschapen heeft. We hoeven niet moeilijk te doen over evolutie en oerknal en 13,8 miljard jaar. Als ik voor mezelf spreek: God wordt er alleen maar groter van. De wereld is veel indrukwekkender en bijzonderder dan ik al dacht.

3. God is schepper. Wat bedoelen we daar dan mee?

Het kan wel zo zijn dat je de vraag aangrijpt: ‘Maar de Bijbel dan? Hebben die bijbelschrijvers dan maar wat verzonnen? Is er eigenlijk niets van waar?’ Zo moet je het niet zien. We moeten door de vormen, door de taal van hun tijd heenkijken naar wat de Bijbel ons over onze wereld vertelt. Daar zit wel degelijk openbaring in, iets wat God ons over onze wereld wil zeggen. Dat is geloof, zoals Hebreeën 11:3 zegt:

‘Door het geloof zien wij in dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God, en wel zo dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit wat zichtbaar is.’

De overweldigende grootheid van het heelal, de grillige loop van het leven, het zou ons kunnen overweldigen. Maar dan zegt God via de Bijbel: ‘Vrees niet! Groter dan het heelal, ben ik. Miljarden jaren? Niets vergeleken met Mijn eeuwigheid. Vóór de wereld gegrondvest werd, was Ik er. En Ik ben nog steeds dezelfde.’ God staat aan het begin van alles. Verder terug dan de oerknal kan de wetenschap niet kijken. De Bijbel wel. Ons geloof dat God de wereld geschapen heeft, zegt ons dat deze wereld er niet toevallig is. Dat God het heelal, de aarde, ons mensen, u en ik, gewild heeft. Wij mogen er zijn. De weg die God bewandeld heeft is misschien miljoenen jaren langer dan wij ooit dachten, en hoe Hij het gedaan heeft zullen we wel nooit helemaal snappen, maar het resultaat blijft hetzelfde: Hij had ons van eeuwigheid af al op het oog.

Dat wij leven in deze wereld. Dat beschouwen wij dan ook niet als toeval, maar als Zijn gave. Als Hij groter en eeuwiger is dan alles wat we om ons heen zien. Als Hij dat alles kan overzien en laten bestaan, dan geeft dat ook vertrouwen op Zijn macht voor ons kleine leven. Is er dan iets wat Hij niet kan? Zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis het zegt:  ‘Ook nu nog houdt Hij [alle schepselen] in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen…. Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heeft prijsgegeven, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking.’

Dat is helemaal in lijn met het bijbelse spreken over het goede begin van de schepping. We mogen geloven in een Schepper die het goede met ons voor heeft. Dat het heelal voor ons gemaakt is als een huis om in te wonen. Waarin het goed en veilig toeven is. Dat de Bijbel ons dat vertelt, dat is openbaring. Dat is méér dan we met de ogen kunnen zien, soms zelfs tegenstrijdig met onze ervaring van gebrokenheid, ziekte en natuurrampen. Het is een geloofszaak.

4. Schepping en evolutionisme botsen wel! 

Maar kunnen we dan de evolutietheorie zomaar omarmen? Nou, daar zou ik wel voorzichtig mee zijn. Sowieso omdat wetenschappelijke theorieën altijd voorlopig zijn, voor verbetering vatbaar. De wetenschap heeft niet de Waarheid met een hoofdletter in pacht. Dat merken we: Ons geloof en de moderne wetenschap botsen toch vaak wel. En dat komt omdat door alle ontdekkingen van de wetenschap sinds de 19e eeuw veel mensen het hoog in hun bol hebben gekregen. De grenzeloze ontdekkingen maakten niet iedereen klein en nederig, maar vaak ook juist hoogmoedig. Nu de menselijke kennis en techniek zoveel kan verklaren en produceren, had voor veel mensen daarom God ook afgedaan. Hij was al verklaring overbodig. Ze hebben Hem niet meer nodig.

De afgelopen eeuw is de evolutietheorie steeds meer evolutionisme geworden: een nieuwe levensbeschouwing, atheïstisch en materialistisch. Dat wil zeggen: Mensen die geloven dat God niet bestaat en dat de materie, de 3-dimensionale werkelijkheid die we natuurwetenschappelijk kunnen onderzoeken, het enige is wat er bestaat. Het mag duidelijk zijn: al is de evolutietheorie op zichzelf niet strijdig met het christelijk geloof, dit evolutionisme overduidelijk wel!

Men denkt dan dat de natuurwetten ons de enige moraal leveren. De biologische wet ‘the survival of the fittest’, wordt dan ook waar in de samenleving. Dat was wat Hitler voorstond met zijn Übermenschen, het Germaanse ras dat het beste zou zijn. Zieken, gehandicapten, homoseksuelen, Joden, alles wat zwak was, daar moest de maatschappij van af. Dat is evolutionisme in zijn meest extreme vorm. Het trekt echter nog steeds door onze maatschappij, waarin we vooral oog hebben voor wie succesvol en geslaagd is, voor wie sterk is en beroemd. Dat je vooral voor jezelf moet kunnen zorgen.

Nee, dan wat Paulus schrijft in 2 Korinthe 12:

‘Maar Hij heeft tegen mij gezegd: Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen. Daarom heb ik een behagen in zwakheden: in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig.’

Hier botsen evolutionisme en een bijbelse visie, een scheppingsvisie, op het leven heel duidelijk. Christus, onze Schepper, is zelfs in alle zwakte ons aardse leven komen delen.

Het maakt wel duidelijk dat geloof en wetenschap twee verschillende manieren zijn om naar het leven te kijken. Manieren die allebei hun eigen plek hebben. Maar zich niet op elkaars terrein moeten begeven, want dan kan het gruwelijk mis gaan. De wetenschap vraagt naar het hoe en het wat van het leven. Het geloof vraagt naar het waarom en het waartoe.

Wetenschap op de goede manier is niet gericht op hoogmoed en verheerlijking van de menselijke kennis. Op het verdringen van God uit de werkelijkheid, maar om steeds verder onder de indruk te raken. Om te beseffen hoe klein wij zijn en hoe groot God is.

5. In gesprek: Verwondering en bescheidenheid

‘HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel. […]
Wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt,
en het mensenkind, dat U naar hem omziet?’

Die psalm 8 maakt dat ook christenen wetenschapper kunnen zijn. Dat is niet tegenstrijdig. Ik zou zelfs zeggen: Júist als christen mag je nieuwsgierig en bewonderend rondkijken op aarde en naar de sterren staren en diep graven in oude steenlagen. Om overal de macht en de majesteit van de HEERE terug te vinden.

Dat is de interpretatie die wij vanuit ons geloof daaraan geven. De overweldigende schoonheid om ons heen, vraagt daar wat ons betreft om. Maar wij christenen zijn niet de enigen die deze schoonheid zien. Die onder de indruk zijn van de wereld. Die indruk hebben wij gemeen met de meeste mensen, christen of niet. Voor veel wetenschappers die ongelovig zijn, zijn nieuwsgierigheid en verwondering kernwoorden. Die gedeelde diepe ervaring geeft een openheid in het gesprek met elkaar. Dat is de manier waarop deze moeilijke vraag in het missionaire gesprek terug mag komen.

We hoeven niet de confrontatie aan te gaan tussen een scheppingsleer (in 6 dagen) en een evolutieleer, maar een gezamenlijke zoektocht in alle bescheidenheid. We weten nog maar zo weinig van de wereld. Er is nog zoveel te ontdekken. En hoe meer we ontdekken, hoe wonderlijker het wordt. Je kunt toch niet geloven dat dit alles er ‘zomaar’ is? Als je om je heen kijkt, is het toch geen gekke gedachte om aan een God te denken? Zo in elkaar met gesprek, in alle openheid, dat zorgt ervoor dat wij verrijkt worden door de wetenschap dat God nóg groter is dan we al dachten. En hopelijk zorgt dat ervoor dat wetenschappers of voor iedereen die dacht dat God afgedaan had, deze prachtige wereld weer schepping wordt, een verwijzing naar de Schepper.

Amen