Ruïne of bouwplaats?

Preek over Haggai 2,1b-10 gehouden op de 2e zondag na Pasen.

Afbeeldingsresultaat voor second temple haggai

Ruin or Work in progress?

Gemeente van Jezus Christus,

1. Generatiekloof

Heb je dat ook wel eens gehad? Dat je kleren kapot waren? Of je schoenen? Een gat op in je broek, een versleten zool. Misschien ook gewoon te klein geworden. Want jullie groeien zo hard! Jou maakt het niet zoveel uit, je vindt met misschien wel prima: nu heb je nieuwe kleren nodig, nieuwe schoenen. Altijd leuk om weer iets nieuws aan te hebben! Die oude was je eerlijk gezegd ook wel een beetje zat. Papa en mama denken daar vast anders over: die vinden het zonde van die schoenen, die hadden best wel wat gekost. Nieuwe schoenen moeten ook betaald worden…

Jullie zien allebei hetzelfde: versleten kleding, een kapotte schoen, maar je kijkt er heel anders tegenaan: verdrietig of … blij.

Zo was het ook in de tijd van Haggai. Toen het volk Israel terugkwam uit de ballingschap in Babel en terugkwamen in Jeruzalem, lag daar alles in puin. Alles stuk. Muren, huizen en de tempel. Dat laatste vond men wel het ergst, maar men kon de moed niet opbrengen aan de herbouw te beginnen. Want waar moet je beginnen? 18 jaar lang laat men het maar zo. Maar dan, in het jaar 520 voor Christus, op 29 augustus (alle profetien in dit boek zijn exact gedateerd!), is daar in één keer Haggai, een profeet.

Iemand met een boodschap van God, die zegt: ‘en nu, nu, is het toch echt de hoogste tijd om aan de slag te gaan met die tempel: dit kan toch zo niet! Je hebt allemaal wel je eigen huis gebouwt, je eigen zaakjes voor elkaar, maar daar rust geen zegen op, zolang je niet aan het huis van God begint te bouwen. Want zeg nou zelf: Als je overal in je leven aandacht aan besteed, behalve aan God, dan blijft het leeg en zinloos…’

Over Haggai zelf weten we niets, maar wel dat zijn boodschap doel trof: men begint te bouwen aan de tempel. Zo staat er in hoofdstuk 1 van Haggai. Maar dan komt hoofdstuk 2. (In de hoofdstukken 1-6 van Ezra kun over deze geschiedenis trouwens meer lezen.) En dat is een heel ander verhaal. Na 7 weken komt de bouw stil te liggen, lijkt het. 29-aug begon de bouw, op 17-okt, 7 weken later, spreekt Haggai opnieuw. Waarom? De jongeren zijn wel blij, maar de oude mensen staan erbij te janken. Vers 4:

Wie is er onder u overgebleven die dit huis gezien heeft in zijn eerste heerlijkheid? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?

In Ezra 3 kun je nalezen hoe de jongeren staan te juichen als het fundament gelegd is, een nieuw huis voor God! Geweldig! Maar de ouderen vergelijken dit nieuwe gebouw met het oude, met de prachtige tempel van Salomo, die hier eerst stond. Het is niets! roepen ze. Dit wordt niks! Het is dan 67 jaar geleden dat die tempel verwoest is. Deze ouderen moeten dan ook 70+ en 80+ zijn om zich daar nog iets van te herinneren.

Nu zou je kunnen denken: Die oude mensen ook altijd, met hun ‘vroeger was alles beter’, die staan altijd op de rem, daar moet je niet bij stilstaan. Hun herinnering van 70 jaar terug is ook erg gekleurd. Als uzelf oud bent, dan kent u dat misschien wel: Ergens hem je heimwee naar de wereld van je jeugd. Naar je geliefden van toen, het huis waar je opgroeide, het eenvoudige leven, de winkeltjes en gezelligheid in het dorp, het spelen op straat. Maar dan zullen we het niet hebben over het eentonige menu, de slechte gezondheidszorg, het ontbreken van wasmachines, cv-ketels en auto’s. Sommige dingen waren vroeger zeker beter, maar niet alles…

2. Hoe kan dit nu? – Voelen wij ook de spanning?

Voor jongeren is het toch goed naar de ouderen te luisteren, want deze ouderen in Jeruzalem hebben toch wel een punt. Het gaat hier niet zomaar om een generatiekloof. De bouw van deze tempel stelt echt niet zoveel voor. En dat is iets anders dan God had beloofd, dan waar ze als gelovigen op vertrouwden en naar uitkeken.

De profeet Ezechiël had in de tijd van de ballingschap geprofeteerd over de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land en hoe dan een geweldige tijd aan zou breken, een geweldige nieuwe tempel gebouwd zou worden. Veel mooier en groter dan de oude van Salomo! Werkelijk een wereldwonder! Je leest het hele bouwplan in Ezechiel 40-43. En Ezechiël was niet de enige, ook Jeremia en Jesaja konden er wat van. Met andere woorden: De mensen die terugkeerden uit de ballingschap verwachten een nieuwe tijd, iets wat in ieder geval beter, mooier, grootser, heerlijker zou zijn dan voorheen. Echt een diepgaande verandering.

Iets daarvan proef je na Pasen ook bij de discipelen van Jezus. Ze vragen in Handelingen 1 aan Hem: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Nu Jezus uit de dood is opgestaan, nu vang het nieuwe leven aan. Zo zongen we ook aan het begin van de dienst.  ‘Een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.’

Ziet u, het was niet enkel een kwestie van wat stenen met die tempel.

Van iets dat stuk was, en dat gerepareerd moet worden. Waarmee de ouderen verdrietig zijn en de jongeren blij. Het gaat veel dieper. Misschien voelen wij die spanning ook wel. Ik wel. Eigenlijk altijd als ik hier kom, vallen mijn ogen op de grafstenen rond de kerk. We vieren de opstandingsdag van Jezus, de zondag, de dag dat het leven het wint van de dood, op een kerkhof. En dat zijn geen 2000 jaar oude graven, van vóór Pasen, maar dat zijn ook graven van kort geleden. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan’, zongen we. O nee?

En dat bepaalt ons bij de hele diepe vraag: Is het er sinds Pasen nu echt beter op geworden in de wereld? En in mijn eigen leven? Pasen 2000 jaar geleden, maar ook Pasen 2 weken geleden. Wat valt er te merken van die opstandingskracht van Jezus Christus? Wat valt er van te zien? De ouderen in de tijd van Haggaï zien er niets van. Het is ‘als niets in hun ogen’, die nieuwe tempel. De jongeren zijn enthousiast, maar ja, die zijn altijd enthousiast, die hebben nog geen vergelijkingsmateriaal, geen levenswijsheid. Het is niet zo, dat als je maar lekker aan het metselen gaat, dan dat alles vanzelf goed komt.

De ouderen kijken niet alleen terug, ze verlangen naar meer. De dag van deze profetie, de 21e dag van de 7e maand, is de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het is het oogstfeest in het najaar, het feest van de overvloed, het feest van de uittocht uit Egypte, van het begin in een nieuw land, vloeiend van melk en honing, maar in dit 2e jaar van Darius, is het een jaar van economische en politieke crisis, weten we uit buitenbijbelse bronnen.

Momenteel moeten we het in de wereld doen met leiders als Poetin, Trump, Erdogan, Xi en dergelijke. Spanningen lopen wereldwijd op rond Syrie, Noord-Korea, Rusland. Het klimaatverdrag van Parijs lijkt alweer vergeten te zijn. (huh, klimaatverdrag van Parijs, wat is dat? Precies). Europese landen, de NAVO, China, verhogen hun defensiebudgetten en verlagen hun ontwikkelingswerk. De grootste humanitaire crisis ooit dreigt momenteel in Afrika en Jemen waar dagelijks duizenden kinderen sterven van de honger. De vluchtelingen verdrinken nog steeds in de Middellandse Zee.

Je wilde dat het een keer anders kon.

3. De HEERE is er weer – Onbevreesd: het gaat om Hem!

Niet zomaar nieuwe schoenen als de oude versleten zijn. Dat is gewoon doorgaan op dezelfde weg met ups en downs. Doormodderen. Ook nieuwe schoenen verslijten immers weer. Hoe blij je kan zijn met je nieuwe auto, die eerste kras of deuk komt veel te snel! Ze verlangen naar meer in de tijd van Haggai. En ik hoop dat u dat verlangen ook deelt. Niet meer van hetzelfde in de wereld, in je leven, maar meer van God.

Vandaar de fantastische bemoediging die Haggai toen en nu mag geven, die die kern helemaal raakt, de kern van onze ziel, vers 5:

‘Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE, wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, heel de bevolking van het land, spreekt de HEERE. Werk door, want Ik ben met u, spreekt de HEERE van de legermachten.’

Zerubbabel is de joodse gouverneur van Judea namens de Perzen op dat moment, de burgemeester van Jeruzalem, zoiets. En Jozua is de hogepriester, de paus van het Jodendom, zoiets. En heel het volk, een ‘rest’ wordt het in vers 3 genoemd, qua aantallen niet echt groot.

Ik ben met u. God is bij jullie, Zerubbabel, Jozua, heel het volk. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Driemaal herhaalt Haggai het. Om te benadrukken: dit zijn niet mijn woorden, dit is echt. Dit is Gods woord: God Zelf is met jullie. Ik ben met u.

Wees sterk: dat is niet lichamelijk bedoelt. Ze hadden echt wel de kracht om die stenen van de tempel op te tillen en te metselen tot een mooi gebouw. Uiteindelijk zal deze 2e tempel ook groter worden dan die van Salomo was. Nee, wees sterk: dat gaat over de innerlijke kracht, over moed, geloof, vertrouwen. Om verder te kijken dan die stenen. Om te zien waar het echt op aan komt.

‘Ik ben met u’. Dat betekent: Ik sta aan jullie kant. Ik help jullie. Ik zorg voor jullie. Ik zorg dat jullie krijgen wat jullie nodig hebben. Ik zorg dat er iets van terecht komt. Sterker nog: In de allerdiepste betekenis ís het project van die tempelbouw al geslaagd, want God is er al. En daar gaat het toch om bij een tempel. Een huis van God. Hij komt niet pas als de tempel af is, maar is nu al present.

In vers 6 wordt verwezen naar de Geest van God die er al was toen Israël uit Egypte trok. God was daar in een wolk- en vuurkolom. Hij kwam niet pas toen de tabernakel er stond, of later de tempel in Jeruzalem, maar Hij was er vanaf het begin al bij. Daar moeten we het van hebben. Daarom hoeven de ouderen toch niet verdrietig te zijn. Daarom hoeven we niet bang te zijn.

‘Wees niet bevreesd.’ ‘Ik ben met u.’

Het is niet toevallig, denk ik, dat Mattheus als laatste woorden van Jezus optekent aan het einde van zijn evangelie: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’

In alles is dat ons houvast. Dat kan alleen dankzij Goede Vrijdag en Pasen. In de tijd van Haggai lag de periode van Gods oordeel en toorn en afwezigheid achter hen. De straf was geweest, een nieuwe periode van genade en Gods nabijheid brak aan. Dat is het diepste en mooiste om te weten en te geloven. Dat u en ik ook in zo’n tijd mogen leven. Pasen is het bewijs dat Jezus leeft, maar bovenal dat de straf gedragen is, mijn zonden verzoend, dat God weer bij mij kan zijn, bij jou, bij u. Dat Hij niet bij u komt met straf en oordeel, maar met Zijn liefde, met Zijn hulp.

Al heeft je leven soms wel wat weg van een ruïne, al zijn er nog genoeg ruïnes in de wereld (kijk maar eens op YouTube naar beelden van Aleppo), God voelt zich niet te goed om in die ruïnes te komen wonen. Zo spreekt Paulus over het werk van God in zijn leven, zo lazen we in 2 Korinthe 4-5. God ontleent niet zijn heerlijkheid aan de pracht en praal van ons leven en werk, wij ontlenen de heerlijkheid aan Zijn leven, Zijn werk, Zijn aanwezigheid. De tempel in Jeruzalem is maar steen en hout en goud en zilver, waardeloos, in zichzelf, maar is waardevol omdat God er is. Ons leven is waardeloos in zichzelf, maar ontzettend waardevol omdat God bij je wil zijn. Dán krijgt het leven glans. Glans zoals nooit tevoren.

4. Geen zilver en goud, maar wel vrede

Met God is immers alles mogelijk. Als Hij de Levende bij je is, dan verslijten zelfs je schoenen niet. Dat staat in Deuteronomium 29:5. Aan het einde van 40 jaar in de woestijn, merkt Mozes op dat ‘uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten.’ Alles is dan mogelijk, als de HEERE bij je is. Wordt alles dan een succesverhaal? Wordt die nieuwe tempel een pronkpaleis? De verzen 7-10 lijken daar wel op te duiden.

Net als andere profeten spreekt Haggaï erover dat in de nabije toekomst alle volken ter wereld zullen ‘beven’ en zullen komen naar Jeruzalem met hun schatten, zilver en goud. En ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste’ (vers 10).

Nu was dat iets wat Haggai deels al zag gebeuren: de heidense koning Cyrus had de Joden toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Cyrus had daarbij al de kostbaarheden van de oude tempel, de gouden en zilveren schalen, bekers en offergerei teruggegeven. Koning Darius financierde de bouwmaterialen, het hout van de Libanon, later aangevuld door koning Arthasasta. In de ogen van Haggai en zijn tijdgenoten regelrechte wonderen en bewijs van Gods macht en zegen dat heidense koningen dit deden. Zo concreet werd het gewoon!

Haggai’s woorden hadden dan ook effect: Nu hij de gebeurtenissen van zijn tijd zó duidt, nu ziet het volk het ook. Ze vatten moed en bouwen door. Het hele boekje Haggai beslaat een periode van 4 maanden. Een scharniermoment in het bestaan van het volk Israël, een kantelpunt. De volgende 600 jaar zal deze 2e tempel er staan als centrum van het Jodendom, als centrum van de wereld, als woonplaats van God, als bewijs van Gods verbond en trouw en liefde.

Dat succes zat niet in het vele goud en zilver. Vers 9 luidt ‘Van Mij is het zilver en van Mij is het goud’. Dat kan claimend klinken: ieder moet z’n geld en goed aan Mij afstaan, ter meerdere eer en glorie van Mijn huis. Toch was dát niet de bedoeling. Elders in het OT worden dergelijke dingen gezegd om het geloof in de de wereldheerschappij en soevereiniteit van de HEERE te benadrukken. God is per definitie Heer over alles en iedereen. We hebben daarom sowieso alles te leen, ons huis, ons leven, onze tijd, we ontvangen het van God in beheer. God heeft overal recht op, maar laat dat recht niet altijd gelden. Hij stelt niet per se prijs op tempels of kerken die met goud overtrokken zijn, de hele wereld is immers al van Hem.

Waarin zit dan toch die ‘grotere heerlijkheid’ van de nieuwe tempel die Haggai voor ogen krijgt? ‘In deze plaats zal ik vrede geven.’

Het is niet dat dat huis er niet toe doet. Goud en zilver zijn prachtig en nodig. Het Jodendom kon niet zonder tempel. Wij kunnen niet zonder kerk. Niet zonder het gebouw. Niet zonder de gemeenschap. De dienst aan God moet vaste vorm aannemen. In woorden, in zang, in rituelen. In onze levensstijl. In catechisatie en kring. Er moet diaconie zijn en kerkrentmeesters. We moeten allemaal daaraan onze steentje bijdragen, zoals ook Zerubbabel en Jozua en de rest van het volk heel letterlijk met stenen moesten sjouwen. Dat doet er allemaal toe bij God. Omdat het middelen zijn die God gebruikt.

Omdat God op die manier ons vrede kan geven. De tempel is niet alleen een plek waar we allemaal onze offers voor moeten brengen. Het geloof in God is niet alleen veeleisend, dat is het soms ook. Maar het is vooral een plaats van uitdeling. Van vrede. Voor iedereen. Voor die hooggeplaatsten, Zerubbabel en Jozua, maar ook voor de eenvoudige plattelanders én voor de heidenvolken. Uitdeelplaats van vrede. Dat is pas heerlijkheid.

Ik geef jou vrede, zegt God, vandaag ook tegen u en jou. Nieuwe kleren en nieuwe schoenen, ook heel belangrijk. Die krijg je wel van je ouders. Of van de diaconie. Belangrijk! Maar ik heb ook iets voor jullie: Vrede.

Dat is méér dan de afwezigheid van oorlog en ruzie. Het is een soort compleet pakket. Dat het goed is. Goed tussen God en jou.

En dat daarom het leven goed is, zoals het is. Tevreden. En dat het met de wereld de goede kant op gaat. Als een olievlek breidt het zich uit via de tempel in Jeruzalem, naar Jezus Christus, naar de kerk wereldwijd, overal waar de Geest werkt, waar God is. Dat is heerlijk. Zo in de wereld kunnen staan, zo kunnen leven! Dat is wat God je geeft.

5. Aan de slag met het oog op de toekomst

‘Werk door’, zegt Haggai namens God, vers 5. ‘Aan de slag nu!’

Mooi, vindt u niet? Voor ons als doeners. Na Pasen is niet alles af en klaar. Er valt nog genoeg te doen. Te bouwen aan de tempel, in het Nieuwe Testament beeld voor de gemeente van Christus, voor het samen leven met God. Er valt nog genoeg te zorgen voor elkaar. Te zorgen voor de wereld. Toen Jezus riep aan het kruis ‘Het is volbracht.!’ betekende dat niet dat wij nu bij de pakken neer mogen zitten, maar zoals je moeder roept: ‘Het eten is klaar!’ Dan begint het pas.

De ouderen hebben gelijk met hun verdriet, want ze verlangen naar meer, naar de vervulling van Gods beloften. Haggai leert hen en ons zien vanmorgen dat we daarvoor niet moeten kijken naar stenen of goud en zilver, maar naar de Levende God, Jezus Christus, die ons bijstaat en ons vrede biedt. De jongeren leert Haggai zo zien dat ze niet hoeven te bouwen alsof hun leven ervan afhangt, dat het niet aankomt op hun prestatie, maar dat God gewoonweg Zijn vrede biedt. Dat daarin de heerlijkheid van het leven gelegen is.

Samen mogen wij zo leven. Met het oog op de toekomst. Terwijl we doen wat er gedaan moet worden in Gods naam.

Amen

Advertenties

Komt Hij op tijd? (Advent met psalm 102)

Preek over Psalm 102, gehouden in een doopdienst in Everdingen.

Gemeente van Jezus Christus,

Als iemand de baas is in ons leven, dan is het wel de klok. Dat begint ’s morgens vroeg, zelfs op zondag met ‘opstaan, het is tijd, we moeten zo naar de kerk!’ En dat gaat door tot je ’s avonds te horen krijgt: ‘Kijk eens op klok! Het is bedtijd.’ Voor de ouderen onder ons die niet meer in het drukke gezinsleven of werkzame leven staan is dat gelukkig wel minder, maar over het algemeen staat de agenda van ons leven aardig volgepland, tot op het uur en soms de minuut nauwkeurig. Iemand die zich niet aan de tijd houdt, die kan op onze afkeuring rekenen. Te laat komScreenClipen op afspraken, terwijl iedereen al zit te wachten. Te laat komen op school, dat kan je op nablijven komen te staan of strafwerk. Wij houden niet van wachten. Als iemand de baas is in ons leven, dan is het wel de klok. Dat is helder, duidelijk, en het geeft zekerheid.

Daarom zou het ook handig zijn als met God ook zulke duidelijke afspraken te maken waren, op tijd. Waar en wanneer Hij iets van zich zou laten horen. Want dat is voor ons mensen het allerlastigste: in het verleden heeft God wel van zich laten horen, dat horen we uit de Bijbel, daarin lezen we dat God af en toe hardhandig in heeft gegrepen in de wereld, in de geschiedenis van het volk Israël. Maar daar zit een grote onregelmatigheid en onvoorspelbaarheid in. God heeft een verbond gesloten met het volk Israël dat Hij voor hen zou zorgen, maar ze zijn vergeten om heldere afspraken te maken over wannéér dat zou moeten zijn. Komt God op tijd? Dat is de vraag. Komt God op tijd? Kun je van God verwachten dat Hij er zal zijn als dat nodig is? Op het juiste moment. Dat Hij zal ingrijpen als de nood het hoogst is, als de tijd het vraagt.

Psalm 102 lijkt dat wel te zeggen, in vers 14 lezen we: ‘U zult opstaan, U zult zich ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de vastgestelde tijd is gekomen.’ De dichter van de psalm gaat ervan uit dat God zal opstaan, zegt hij. Dat is beeldtaal die voortkomt uit het idee dat God in de hemel op Zijn troon zit, maar dan zal opstaan, dus in actie zal komen. En wat doet God dan, wel, ‘zich ontfermen over Sion’. Sion, dat is een andere naam voor de stad Jeruzalem. ‘Want de tijd om haar genadig te zijn is gekomen’. Genadig zijn, dat houdt hier in: te hulp schieten. In het Oude Oosten was ‘genade’ iets wat zich afspeelde tussen de koning en zijn onderdanen. De onderdanen beloofden een koning te dienen en gehoorzaam te zijn, als een koning op het moment als dat nodig was, zijn onderdanen zou beschermen en te hulp zou schieten met zijn leger of rechtspraak. Zo’n afspraak tussen koning en onderdanen noem je een verbond.

Nu, zo’n verbond is er ook tussen God en Sion, of breder: tussen God en het volk Israël. En waarom zegt de dichter dat de tijd voor God om genadig te zijn, om in actie te komen, gekomen is? Dat lees je in vers 15: ‘Want uw dienaren zijn haar stenen goedgezind en hebben medelijden met haar gruis’. Van Sion, de stad Jeruzalem, is alleen nog sprake als ‘stenen’ en ‘gruis’. Dat betekent niet veel goeds. Deze psalm komt blijkbaar uit de tijd dat Jeruzalem in puin ligt. Zo kun je dat wel zeggen. In puin.

En dan komt bij mij en misschien bij u ook wel de vraag op: Is God dan al niet veel te laat? Als die stad in puin ligt, dan is er toch iets goed misgegaan? God is in ieder geval niet op tijd gekomen om dát te voorkomen. Dat verbond met God dat bestaat wel uit harde afspraken, maar er is niets afgesproken over de tijd. Dat is lastig. Vorige week hoorden we ook in de preek over de vraag ‘Wanneer zult U tot mij komen?’ Wanneer komt God nu eens? Dat vroegen de mensen zich in het Oude Testament af, maar in het Nieuwe Testament net zo goed, waar Jezus ons zegt dat niemand weet wanneer de wederkomst zal zijn, dan alleen Zijn Vader in de hemel.

Dus: komt God op tijd? Nee, God komt niet op tijd. Want de klok mag dan de baas zijn over ons, maar de klok is niet de baas over God. God is de baas over de tijd. En dat betekent dus voor u en mij een grote onzekerheid. Je weet nooit wanneer je iets van God kunt verwachten. Dat geldt heel simpel ook voor de kerkdienst vanmorgen. We mogen geloven dat God vandaag hier is met Zijn Geest, maar of u daar vandaag wat van merkt in uw hart. Of de preek u vandaag aanspreekt. Ja, daar hebben we geen afspraak met God over gemaakt. Wij hebben niet in Gods agenda kunnen schrijven: Op 11 december om 10 over 10 toont U zich op bijzondere manier aan de gemeente in Everdingen.

Zo werkt het ook niet als je stille tijd houdt. Als je voor jezelf een moment neemt om te bidden en uit de Bijbel te lezen. Dan wil het niet zeggen, dat God als het ware op afroep dan óók laat merken aanwezig te zijn. Nee, God komt niet op ónze tijd. God laat ons meestal wachten. En langer dan ons lief is. God komt op tijd? Nee, God komt helemaal niet ‘op tijd’.

Dat zie je dus ook wel in deze psalm. Sion ligt in puin. God heeft niet, toen het er op aan kwam, die stad gered, en ingegrepen op het moment dat het nodig was! En dat horen we ook uit de mond van de dichter zelf. Niet alleen de stad Sion ligt in puin, de dichter zelf ook, in vers 4 zegt hij: ‘Mijn dagen zijn als rook vervlogen, mijn beenderen zijn uitgebrand als een haard.’ Dat zijn woorden die passen bij ziekte en een naderend levenseinde. Over zichzelf heeft de dichter in deze psalm alleen maar te klagen. Hij gaat sterven.

Een deadline. In onze maatschappij kom je nogal wat deadlines tegen. Misschien u ook wel op uw werk en op school kunnen ze er ook wat van. Dan en dan moet het project af zijn, dan moet je je werkstuk inleveren. Een uiterste datum, dat is een deadline. Daarna kan het niet meer, dan is het te laat. Dat is letterlijk ook ‘deadline’, ‘doodslijn’. De dood is een uiterste grens. Dan is het definitief te laat.

De vraag is nu: Oke, met God zijn geen afspraken te maken over het tijdstip van Zijn ingrijpen en handelen. Dat weten we, en dat snappen we. Maar God zal zich toch wel zeker aan deadlines houden? God zal toch zeker wel ingrijpen voor het definitief te laat is? Dat hopen wij wel tenminste. Als je ziek bent, dan bidt je om genezing. Als je iets moeilijks moet doen, dan vraag je om Gods hulp. Als je problemen hebt, dan vraag je God om een oplossing. Je mag toch wel verwachten dat God dat dan ook doet als jij dat écht nodig hebt!? Dat God je op cruciale momenten niet in de steek laat?

Het rare van deze psalm is, dat daarin iets anders gezegd wordt. De dichter geeft zich eigenlijk over. ‘Mijn dagen zijn voorbij’, zegt hij. Daar berust ik in. Ik verwacht juist níet dat God vandaag of morgen nog in zal grijpen. Hij bidt ook niet meer voor zichzelf. Mijn dagen zijn geteld. Nee, wat hem het meeste bezig houdt, dat is de toekomst. Hoe het nu verder moet met volgende generaties, met de stad Sion. Hij heeft het er wel over dat God op tijd zal komen, op de vastgestelde tijd zelfs, maar niet om hemzelf genadig te zijn, maar om zich over Sion te ontfermen.

Daar valt voor ons veel van te leren. Want maar al te vaak verwachten wij toch een beetje dat God op één of andere wonderlijke manier een wending brengt in onze persoonlijke problemen die wij Hem voorleggen. Wij verwachten half en half toch de verhoring van onze gebeden om Zijn persoonlijke, bovennatuurlijke ingrijpen. Wij verwachten min of meer dat God wonderen zal doen als u in het leven stukloopt. Maar als we eerlijk zijn: God houdt zich niet aan die deadlines. De meeste zieke mensen bidden om genezing, maar sterven toch.

Zo wordt in de Bijbel gesproken over Gods voorzienigheid: Dat is een algemene voorzienigheid. God geeft ons deze wereld om op te leven. God heeft deze wereld ingenieus bedacht met natuurwetten en ons als mensen talenten gegeven om daarmee om te gaan, om geneesmiddelen te bedenken. Maar nergens blijkt in de Bijbel dat God daarnaast ook nog een bijzondere voorzienigheid hanteert om mensen die in de problemen zitten te helpen. Al in de Bijbelse tijd gebeuren er zélden wonderen, net zoals dat nu ook zeldzaam is. Natuurlijk, God kán wonderen doen, maar over het algemeen doet Hij dat niet.

God komt dus niet ‘op tijd’ of wanneer het wat ons betreft een ‘deadline’ is. Dat ervoer de dichter van deze psalm, en dat ervaren wij ook. Laten wij die verwachting niet te veel koesteren, want daarvan zullen we eerder teleurgesteld raken. God werkt niet op de manier van bovennatuurlijk ingrijpen.

Dat betekent niet dat wij helemaal geen verwachtingen van God mogen koesteren. Want dat gebeurt in deze psalm wél. Maar dat is, vers 13: ‘U blijft voor eeuwig, de gedachtenis aan U van generatie op generatie’. En vers 19 ‘Dit wordt beschreven voor de volgende generatie’. En vers 29 ‘De kinderen van Uw dienaren zullen veilig wonen, hun nageslacht zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.’ De dichter beseft dat hij deel uitmaakt van een groter geheel. Dat, al maakt hijzelf het ingrijpen van God, dat God genadig zal zijn, niet persoonlijk mee, hij weet dat de generaties ná hem dat wel zullen meemaken.

En nu wij hier vanmorgen dopen, beseffen we dat ook extra. Dat is weer een nieuw generatie. Jullie als ouders zijn er, en grootouders. Maar overgrootouders kunnen hier niet meer aanwezig zijn. Zo worden mensen geboren, ze leven en ze sterven. Maar we weten ook deel uit te maken van een groter verband. De Heilige Doop zoals we die vanmorgen hier bedienen, laat ons immers horen bij het verbond. Het verbond tussen God en Israël. Net als die psalmdichter, maken wij deel uit van het grote geschiedenis verhaal dat wij lezen in de Bijbel. Wíj zijn eigenlijk die volgende generaties, waarvoor deze psalm is geschreven. Zodat wij eraan herinnert worden: De wereld draait niet om ons, om onze dagelijkse beslommeringen, maar om God.

Want deze psalm leert ons, om te kijken naar wat God wél doet in deze wereld. Op welke tijd God wél komt. En wat God dan komt doen. In de woorden van de psalm, vers 21 ‘om het gekerm van de gevangenen te horen, om los te maken wie ten dode zijn opgeschreven’. Het is dus niet zo dat God onze wereld en ons maar aan ons lot overlaat. Dat kan Hij niet maken. Want Hij heeft wel een verbond met de mensheid gesloten dat God zelf zorg zou dragen voor de wereld, voor het goed en de redding daarvan. En dan gaat het juist om de mensen die zichzelf niet kunnen redden.

In Oeganda is een medische kliniek waar 95% van de mensen niet levend uitkomt. De arts die de kliniek leidt doet zijn uiterste best en hij weet ook hóe hij die zieken moet helpen. Het is een kankerkliniek. In Nederland zijn de meeste vormen van kanker tegenwoordig te behandelen, waardoor het sterftecijfer enorm is teruggelopen. Maar daar in Oeganda zit die arts met zijn handen in het haar omdat hij die medicijnen voor zijn patiënten niet aan kan schaffen. Ze zijn te duur. De mensen hebben er het geld niet voor en 95% van de zieken overleeft het dus niet. Wij kunnen in Nederland dan blij zijn met medicijnen en ziekenhuizen. Wij kunnen blij zijn met dat éne wonder dat soms gebeurd. Maar dat is voor God niet genoeg. Heel de Bijbel is vól van de verwachting dat God zal komen om álles recht te zetten. Juist het feit dat de allerarmsten in de wereld zo ontzaggelijk moeten lijden… Zoals de patiënten in Oeganda.

En het gaat nog dieper als we van deze dichter horen, dat het er ook om gaat dat de Naam van HEERE weer geprezen en geloofd zal worden in Sion. Het herstel van deze wereld komt er niet alleen met het oog op ons mensen, maar ook met het oog op God. De doop wil ook zeggen dat God zeggenschap krijgt over het leven, zoals het bedoeld is. Dat wij als mensen Zijn dienaren zouden zijn en leven voor Hem. Het is Gods doel dat eenmaal de hele aarde, al de heidenvolken, alle mensen Hem toegewijd zullen zijn. Díe verwachting mogen wij dus koesteren, net als de dichter van deze psalm, dat God dát doorzet in de wereld waarin wij leven. Dat God ook u en jou, oud en jong, op het oog heeft, ziet en hoort. God heeft een reddingsplan, een heilsplan voor deze wereld.

En het mooie is: Wij hoeven niet zoals deze psalm daarvoor in de toekomst te kijken. Nee, wij mogen terug kijken. De dichter van deze psalm moest het nog zeggen: Het zal zijn ná mijn tijd, voor volgende generaties. Nu ligt Jeruzalem in puin, maar ‘de kinderen van Uw dienaren zullen veilig wonen’. Maar wij weten wanneer die tijd was, waarin God zich over Sion ontfermde. Wij weten wanneer die vastgestelde tijd kwam toen God omzag naar Zijn volk en in Zijn volk naar de hele wereld.

Eindelijk is het zover! Dat is de boodschap van dat lied dat Zacharias zong bij de geboorte van Johannes de doper. En met zijn geboorte, was ook duidelijk dat de Messias geboren zou worden. Zacharias zingt dan: ‘Geprezen zij de Heere, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht, zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn!’

Komt God op tijd? Jazeker, in Zijn Zoon Jezus Christus is Hij gekomen naar deze wereld. Dat weten en geloven wij. Daarom wordt er vandaag gedoopt. Omdat jullie geloven in de redding die Jezus Christus ons bracht. De redding van de wereld in het groot, maar ook voor jullie en jullie kinderen. Dat reddingsplan van God Zelf heeft Hij uitgevoerd toen Jezus geboren werd, en in het verdere leven van Jezus. Hoe Jezus ook zelf omzag en met innerlijke ontferming bewogen was over alle ellende die Hij in zijn tijd alleen al aantrof in Israël. De redding die Jezus bracht  was heel concreet genezing van mensen, vergeving van zonden, opstanding uit de dood zelfs. Zodat mensen bevrijdt en zonder angst God weer konden loven en leven vol liefde tot Hem.

Wij leven nog steeds van wat er toen gebeurd is. De belofte die dat optreden van Jezus in zich draagt voor onze toekomst en de toekomst van de wereld. Voor alle generaties die nog gaan komen. Wij horen ook vandaag over Gods genade. Dat God ís opgestaan en zich ontfermt, ook vandaag nog over alle mensen die Hem nodig hebben. Dat betekent geen onmiddelijke oplossing van je problemen, maar wel de belofte dat alle problemen, ook die van jou opgelost gaan worden. Die belofte is niet onzeker, maar zeker omdat wij weten van Jezus Christus, van Zijn sterven en opstanding uit de dood.

Het geweldige is dat wij hier in de kerk weten en horen over die redding die God ons biedt. Stel je voor dat je daar niets over weet. Dan zou je toch bij de pakken neer gaan zitten van de ellende in deze wereld. Of je moet je ervoor afsluiten en lekker je eigen weg gaan in de welvaart die ons land kent. Maar als je met open ogen in deze wereld staat, dan kan dat alleen maar als je weet dat God ons niet verlaten heeft. Ik zeg expres: ons. Omdat de wereld groter is dan je eigen ego en groter dan Everdingen alleen. Het geldt voor ieder hij alleen met dat geloof goed af is en staande kan blijven in alles wat nog staat te gebeuren in zijn leven.

God kwam op zijn tijd in Jezus Christus naar de wereld. Dat betekent dat wat er ook in je leven gebeurt, je ten diepste een gelukkig mens bent. Dat je kunt leven in de vreugde om Gods trouw. Dat God zich aan Zijn afspraken heeft gehouden. Dat Hij trouw is gebleven aan het verbond met Abraham, zijn knecht. Dat Hij trouw is gebleven aan deze wereld. Dat Hij trouw blijft, ook aan u en jou als je door de doop in dat verbond bent ingelijfd. Dat Gods belofte vervuld wordt dat wij ‘verlost van onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven.’, zoals Zacharias zo mooi zingt.

De dichter van psalm 102 beseft deel uit te maken van een estafetteploeg. Misschien heb je het wel eens gedaan op school. Er is een parcour uitgezet en je moet zo snel mogelijk een rondje rennen, en als je rond bent geef je een estafettestokje door aan een ploeggenoot, die pas mag vertrekken als jij het stokje aan hem overdraagt. Die ploeg die als eerste alle ploegleden een rondje heeft laten lopen, die wint. Over zo’n estafette gaat het in de Bijbel en in de kerk eigenlijk ook. Dat is dat verbond van God dat alle generaties overstijgt. U, jij, je bent een schakeltje in de grote ketting van Gods heilsplan. U, jij, je bent één van de lopers in de estafetteploeg van het geloof in God. Wij delen nog steeds het geloof in dezelfde God als die voorkomt in psalm 102 en die wij herkennen in Jezus Christus, omdat alle generaties voor ons hebben volgehouden in het geloof en het overgedragen hebben op de volgende generatie. Soms kan dat heel concreet worden als je bij het overlijden van oma, haar stukgelezen bijbeltje erft met notities en onderstrepingen erin.

Je zou meteen ook kunnen zeggen dat dat onze belangrijkste en grootste taak is. Het dóórgeven van het geloof in Jezus Christus. Want wij kunnen er niet van uit gaan dat wij de laatste generatie mensen op deze aarde zullen zijn. Daarom is het zo mooi dat jullie vandaag beloven jullie kinderen ook op te zullen voeden in het christelijk geloof. En hem zo de benodigde bagage meegeven vanuit de Bijbel om zélf dat geloof in de drie-enige God ook verder te dragen op zijn eigen levensweg. Als estafetteloper voor God.

En dat is breder gezien ook de belangrijkste taak van ons als gemeente. Aan de ene kant om het evangelie zo veel mogelijk te verspreiden in Everdingen, over de wereld, maar dus aan de andere kant ook om het evangelie te bewaren voor onze kinderen, kleinkinderen, en toekomstige achterkleinkinderen. Dat ook zíj zullen mogen horen over Jezus Christus die Zijn eigen leven gaf aan het kruis om ons te redden. Dat wij onderweg zijn naar de complete vervulling daarvan. Die doorgaande lijn is véél belangrijker voor de dichter van Psalm 102, dan zijn eigen gezondheid.

Geholpen door de heilige Geest is dat ook de bedoeling voor uw en mijn leven. Dat ons leven zo gericht is de dienst en lof aan God. Dat is de climax van psalm 102: ‘zodat men van de Naam van de HEERE zal vertellen te Sion en Zijn lof in Jeruzalem, wanneer de volken tezamen bijeen zullen komen, en de koninkrijken, om de HEERE te dienen.’ Dát doen wij als de kerk: vertellen over de HEERE, Hem loven en Hem dienen. Dáárom komen wij ook in de kerk. Het gaat er niet alleen om in Hem te geloven, maar het gaat er om Hem te loven. Dat gaat een stap verder. Dat is die estafette: het gaat er niet alleen om dat estafettestokje in handen gedrukt te krijgen door je ouders, maar ook om er vervolgens iets mee te dóen. Zélf hard te lopen, de longen uit je lijf, bij wijze van spreken.

Ook u en jij mag deel uit maken van die grote estafetteloop door heel de geschiedenis heen. Dóórvertellen en doorgeven in woord en daad wat ons door God verkondigd en getoond is. Het is niet de vraag of God op tijd zal komen. Hij is gekomen in Jezus Christus. En toen Hij kwam was dat overtuigend, reddend, en afdoende. God zij geloofd, die Zijn verbond houdt van kind tot kind.

Amen