Leeservaring: Den Admirant: Hij is niet ver

Het thema van Gods aan- of afwezigheid is een hot issue binnen en buiten de kerk. De auteur bedoelt ook op die vragen in te gaan. Maar door de opzet van het boek, waarin niet gestart wordt vanuit onze vragen, maar massief vanuit de openbaring en theologie, lijken juist die vragen niet echt serieus genomen te worden.
Natuurlijk kun je vanuit de Bijbel stellen dat God zich openbaart en van zich laat horen, theologisch is dat juist, maar het rare is dat dat voor moderne mensen nauwelijks nog geloofwaardig is. Als antwoord op de secularisatie en onze moeite met geloven wijst Den Admirant op de opwekkingsbewegingen van de 18e en 19e eeuw met de conclusie dat de Heilige Geest uiteindelijk degene is die onze geestelijke luiheid moet doorbreken. Ook dat is theologisch correct, maar geeft geen dieper inzicht in waar onze geestelijke luiheid in onze postmoderne tijd nu eigenlijk vandaan komt. Het boek spoort aan om Gods aanwezigheid te zoeken in kerkdienst, gebed en bijbellezen, en dat is te prijzen, maar als niet een spa dieper gekeken wordt naar de oorzaken van het betekenisverlies (zie: Wisse – Zo zou je kunnen geloven) van juist die traditionele heilsmiddelen, helpt dit niet veel verder.
Omdat er commentaar kwam op de eerste druk, heeft de auteur in deze tweede druk een hoofdstuk toegevoegd waarin hij meer ingaat op het gevoel van de afwezigheid van God. Echter, dit is meer een pastoraal hoofdstuk, dan een theologische verdieping. Daarvoor kun je beter terecht bij Plaisier – Overvloed en overgave.
De indeling van het boek in ultrakorte hoofdstukjes en kleine verdiepingen maakt dat je er niet echt lekker in komt en dat geen enkel thema echt de ruimte krijgt die het nodig heeft. De schrijfstijl is verder wel erg afstandelijk en prekerig. De tweede ster krijgt de auteur van mij dan ook alleen cadeau omdat ik wel zijn positieve intentie proef om met deze thema’s bezig te zijn, en zijn verlangen naar meer aanwezigheid van God.

Ruïne of bouwplaats?

Preek over Haggai 2,1b-10 gehouden op de 2e zondag na Pasen.

Afbeeldingsresultaat voor second temple haggai

Ruin or Work in progress?

Gemeente van Jezus Christus,

1. Generatiekloof

Heb je dat ook wel eens gehad? Dat je kleren kapot waren? Of je schoenen? Een gat op in je broek, een versleten zool. Misschien ook gewoon te klein geworden. Want jullie groeien zo hard! Jou maakt het niet zoveel uit, je vindt met misschien wel prima: nu heb je nieuwe kleren nodig, nieuwe schoenen. Altijd leuk om weer iets nieuws aan te hebben! Die oude was je eerlijk gezegd ook wel een beetje zat. Papa en mama denken daar vast anders over: die vinden het zonde van die schoenen, die hadden best wel wat gekost. Nieuwe schoenen moeten ook betaald worden…

Jullie zien allebei hetzelfde: versleten kleding, een kapotte schoen, maar je kijkt er heel anders tegenaan: verdrietig of … blij.

Zo was het ook in de tijd van Haggai. Toen het volk Israel terugkwam uit de ballingschap in Babel en terugkwamen in Jeruzalem, lag daar alles in puin. Alles stuk. Muren, huizen en de tempel. Dat laatste vond men wel het ergst, maar men kon de moed niet opbrengen aan de herbouw te beginnen. Want waar moet je beginnen? 18 jaar lang laat men het maar zo. Maar dan, in het jaar 520 voor Christus, op 29 augustus (alle profetien in dit boek zijn exact gedateerd!), is daar in één keer Haggai, een profeet.

Iemand met een boodschap van God, die zegt: ‘en nu, nu, is het toch echt de hoogste tijd om aan de slag te gaan met die tempel: dit kan toch zo niet! Je hebt allemaal wel je eigen huis gebouwt, je eigen zaakjes voor elkaar, maar daar rust geen zegen op, zolang je niet aan het huis van God begint te bouwen. Want zeg nou zelf: Als je overal in je leven aandacht aan besteed, behalve aan God, dan blijft het leeg en zinloos…’

Over Haggai zelf weten we niets, maar wel dat zijn boodschap doel trof: men begint te bouwen aan de tempel. Zo staat er in hoofdstuk 1 van Haggai. Maar dan komt hoofdstuk 2. (In de hoofdstukken 1-6 van Ezra kun over deze geschiedenis trouwens meer lezen.) En dat is een heel ander verhaal. Na 7 weken komt de bouw stil te liggen, lijkt het. 29-aug begon de bouw, op 17-okt, 7 weken later, spreekt Haggai opnieuw. Waarom? De jongeren zijn wel blij, maar de oude mensen staan erbij te janken. Vers 4:

Wie is er onder u overgebleven die dit huis gezien heeft in zijn eerste heerlijkheid? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?

In Ezra 3 kun je nalezen hoe de jongeren staan te juichen als het fundament gelegd is, een nieuw huis voor God! Geweldig! Maar de ouderen vergelijken dit nieuwe gebouw met het oude, met de prachtige tempel van Salomo, die hier eerst stond. Het is niets! roepen ze. Dit wordt niks! Het is dan 67 jaar geleden dat die tempel verwoest is. Deze ouderen moeten dan ook 70+ en 80+ zijn om zich daar nog iets van te herinneren.

Nu zou je kunnen denken: Die oude mensen ook altijd, met hun ‘vroeger was alles beter’, die staan altijd op de rem, daar moet je niet bij stilstaan. Hun herinnering van 70 jaar terug is ook erg gekleurd. Als uzelf oud bent, dan kent u dat misschien wel: Ergens hem je heimwee naar de wereld van je jeugd. Naar je geliefden van toen, het huis waar je opgroeide, het eenvoudige leven, de winkeltjes en gezelligheid in het dorp, het spelen op straat. Maar dan zullen we het niet hebben over het eentonige menu, de slechte gezondheidszorg, het ontbreken van wasmachines, cv-ketels en auto’s. Sommige dingen waren vroeger zeker beter, maar niet alles…

2. Hoe kan dit nu? – Voelen wij ook de spanning?

Voor jongeren is het toch goed naar de ouderen te luisteren, want deze ouderen in Jeruzalem hebben toch wel een punt. Het gaat hier niet zomaar om een generatiekloof. De bouw van deze tempel stelt echt niet zoveel voor. En dat is iets anders dan God had beloofd, dan waar ze als gelovigen op vertrouwden en naar uitkeken.

De profeet Ezechiël had in de tijd van de ballingschap geprofeteerd over de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land en hoe dan een geweldige tijd aan zou breken, een geweldige nieuwe tempel gebouwd zou worden. Veel mooier en groter dan de oude van Salomo! Werkelijk een wereldwonder! Je leest het hele bouwplan in Ezechiel 40-43. En Ezechiël was niet de enige, ook Jeremia en Jesaja konden er wat van. Met andere woorden: De mensen die terugkeerden uit de ballingschap verwachten een nieuwe tijd, iets wat in ieder geval beter, mooier, grootser, heerlijker zou zijn dan voorheen. Echt een diepgaande verandering.

Iets daarvan proef je na Pasen ook bij de discipelen van Jezus. Ze vragen in Handelingen 1 aan Hem: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Nu Jezus uit de dood is opgestaan, nu vang het nieuwe leven aan. Zo zongen we ook aan het begin van de dienst.  ‘Een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.’

Ziet u, het was niet enkel een kwestie van wat stenen met die tempel.

Van iets dat stuk was, en dat gerepareerd moet worden. Waarmee de ouderen verdrietig zijn en de jongeren blij. Het gaat veel dieper. Misschien voelen wij die spanning ook wel. Ik wel. Eigenlijk altijd als ik hier kom, vallen mijn ogen op de grafstenen rond de kerk. We vieren de opstandingsdag van Jezus, de zondag, de dag dat het leven het wint van de dood, op een kerkhof. En dat zijn geen 2000 jaar oude graven, van vóór Pasen, maar dat zijn ook graven van kort geleden. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan’, zongen we. O nee?

En dat bepaalt ons bij de hele diepe vraag: Is het er sinds Pasen nu echt beter op geworden in de wereld? En in mijn eigen leven? Pasen 2000 jaar geleden, maar ook Pasen 2 weken geleden. Wat valt er te merken van die opstandingskracht van Jezus Christus? Wat valt er van te zien? De ouderen in de tijd van Haggaï zien er niets van. Het is ‘als niets in hun ogen’, die nieuwe tempel. De jongeren zijn enthousiast, maar ja, die zijn altijd enthousiast, die hebben nog geen vergelijkingsmateriaal, geen levenswijsheid. Het is niet zo, dat als je maar lekker aan het metselen gaat, dan dat alles vanzelf goed komt.

De ouderen kijken niet alleen terug, ze verlangen naar meer. De dag van deze profetie, de 21e dag van de 7e maand, is de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het is het oogstfeest in het najaar, het feest van de overvloed, het feest van de uittocht uit Egypte, van het begin in een nieuw land, vloeiend van melk en honing, maar in dit 2e jaar van Darius, is het een jaar van economische en politieke crisis, weten we uit buitenbijbelse bronnen.

Momenteel moeten we het in de wereld doen met leiders als Poetin, Trump, Erdogan, Xi en dergelijke. Spanningen lopen wereldwijd op rond Syrie, Noord-Korea, Rusland. Het klimaatverdrag van Parijs lijkt alweer vergeten te zijn. (huh, klimaatverdrag van Parijs, wat is dat? Precies). Europese landen, de NAVO, China, verhogen hun defensiebudgetten en verlagen hun ontwikkelingswerk. De grootste humanitaire crisis ooit dreigt momenteel in Afrika en Jemen waar dagelijks duizenden kinderen sterven van de honger. De vluchtelingen verdrinken nog steeds in de Middellandse Zee.

Je wilde dat het een keer anders kon.

3. De HEERE is er weer – Onbevreesd: het gaat om Hem!

Niet zomaar nieuwe schoenen als de oude versleten zijn. Dat is gewoon doorgaan op dezelfde weg met ups en downs. Doormodderen. Ook nieuwe schoenen verslijten immers weer. Hoe blij je kan zijn met je nieuwe auto, die eerste kras of deuk komt veel te snel! Ze verlangen naar meer in de tijd van Haggai. En ik hoop dat u dat verlangen ook deelt. Niet meer van hetzelfde in de wereld, in je leven, maar meer van God.

Vandaar de fantastische bemoediging die Haggai toen en nu mag geven, die die kern helemaal raakt, de kern van onze ziel, vers 5:

‘Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE, wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, heel de bevolking van het land, spreekt de HEERE. Werk door, want Ik ben met u, spreekt de HEERE van de legermachten.’

Zerubbabel is de joodse gouverneur van Judea namens de Perzen op dat moment, de burgemeester van Jeruzalem, zoiets. En Jozua is de hogepriester, de paus van het Jodendom, zoiets. En heel het volk, een ‘rest’ wordt het in vers 3 genoemd, qua aantallen niet echt groot.

Ik ben met u. God is bij jullie, Zerubbabel, Jozua, heel het volk. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Driemaal herhaalt Haggai het. Om te benadrukken: dit zijn niet mijn woorden, dit is echt. Dit is Gods woord: God Zelf is met jullie. Ik ben met u.

Wees sterk: dat is niet lichamelijk bedoelt. Ze hadden echt wel de kracht om die stenen van de tempel op te tillen en te metselen tot een mooi gebouw. Uiteindelijk zal deze 2e tempel ook groter worden dan die van Salomo was. Nee, wees sterk: dat gaat over de innerlijke kracht, over moed, geloof, vertrouwen. Om verder te kijken dan die stenen. Om te zien waar het echt op aan komt.

‘Ik ben met u’. Dat betekent: Ik sta aan jullie kant. Ik help jullie. Ik zorg voor jullie. Ik zorg dat jullie krijgen wat jullie nodig hebben. Ik zorg dat er iets van terecht komt. Sterker nog: In de allerdiepste betekenis ís het project van die tempelbouw al geslaagd, want God is er al. En daar gaat het toch om bij een tempel. Een huis van God. Hij komt niet pas als de tempel af is, maar is nu al present.

In vers 6 wordt verwezen naar de Geest van God die er al was toen Israël uit Egypte trok. God was daar in een wolk- en vuurkolom. Hij kwam niet pas toen de tabernakel er stond, of later de tempel in Jeruzalem, maar Hij was er vanaf het begin al bij. Daar moeten we het van hebben. Daarom hoeven de ouderen toch niet verdrietig te zijn. Daarom hoeven we niet bang te zijn.

‘Wees niet bevreesd.’ ‘Ik ben met u.’

Het is niet toevallig, denk ik, dat Mattheus als laatste woorden van Jezus optekent aan het einde van zijn evangelie: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’

In alles is dat ons houvast. Dat kan alleen dankzij Goede Vrijdag en Pasen. In de tijd van Haggai lag de periode van Gods oordeel en toorn en afwezigheid achter hen. De straf was geweest, een nieuwe periode van genade en Gods nabijheid brak aan. Dat is het diepste en mooiste om te weten en te geloven. Dat u en ik ook in zo’n tijd mogen leven. Pasen is het bewijs dat Jezus leeft, maar bovenal dat de straf gedragen is, mijn zonden verzoend, dat God weer bij mij kan zijn, bij jou, bij u. Dat Hij niet bij u komt met straf en oordeel, maar met Zijn liefde, met Zijn hulp.

Al heeft je leven soms wel wat weg van een ruïne, al zijn er nog genoeg ruïnes in de wereld (kijk maar eens op YouTube naar beelden van Aleppo), God voelt zich niet te goed om in die ruïnes te komen wonen. Zo spreekt Paulus over het werk van God in zijn leven, zo lazen we in 2 Korinthe 4-5. God ontleent niet zijn heerlijkheid aan de pracht en praal van ons leven en werk, wij ontlenen de heerlijkheid aan Zijn leven, Zijn werk, Zijn aanwezigheid. De tempel in Jeruzalem is maar steen en hout en goud en zilver, waardeloos, in zichzelf, maar is waardevol omdat God er is. Ons leven is waardeloos in zichzelf, maar ontzettend waardevol omdat God bij je wil zijn. Dán krijgt het leven glans. Glans zoals nooit tevoren.

4. Geen zilver en goud, maar wel vrede

Met God is immers alles mogelijk. Als Hij de Levende bij je is, dan verslijten zelfs je schoenen niet. Dat staat in Deuteronomium 29:5. Aan het einde van 40 jaar in de woestijn, merkt Mozes op dat ‘uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten.’ Alles is dan mogelijk, als de HEERE bij je is. Wordt alles dan een succesverhaal? Wordt die nieuwe tempel een pronkpaleis? De verzen 7-10 lijken daar wel op te duiden.

Net als andere profeten spreekt Haggaï erover dat in de nabije toekomst alle volken ter wereld zullen ‘beven’ en zullen komen naar Jeruzalem met hun schatten, zilver en goud. En ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste’ (vers 10).

Nu was dat iets wat Haggai deels al zag gebeuren: de heidense koning Cyrus had de Joden toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Cyrus had daarbij al de kostbaarheden van de oude tempel, de gouden en zilveren schalen, bekers en offergerei teruggegeven. Koning Darius financierde de bouwmaterialen, het hout van de Libanon, later aangevuld door koning Arthasasta. In de ogen van Haggai en zijn tijdgenoten regelrechte wonderen en bewijs van Gods macht en zegen dat heidense koningen dit deden. Zo concreet werd het gewoon!

Haggai’s woorden hadden dan ook effect: Nu hij de gebeurtenissen van zijn tijd zó duidt, nu ziet het volk het ook. Ze vatten moed en bouwen door. Het hele boekje Haggai beslaat een periode van 4 maanden. Een scharniermoment in het bestaan van het volk Israël, een kantelpunt. De volgende 600 jaar zal deze 2e tempel er staan als centrum van het Jodendom, als centrum van de wereld, als woonplaats van God, als bewijs van Gods verbond en trouw en liefde.

Dat succes zat niet in het vele goud en zilver. Vers 9 luidt ‘Van Mij is het zilver en van Mij is het goud’. Dat kan claimend klinken: ieder moet z’n geld en goed aan Mij afstaan, ter meerdere eer en glorie van Mijn huis. Toch was dát niet de bedoeling. Elders in het OT worden dergelijke dingen gezegd om het geloof in de de wereldheerschappij en soevereiniteit van de HEERE te benadrukken. God is per definitie Heer over alles en iedereen. We hebben daarom sowieso alles te leen, ons huis, ons leven, onze tijd, we ontvangen het van God in beheer. God heeft overal recht op, maar laat dat recht niet altijd gelden. Hij stelt niet per se prijs op tempels of kerken die met goud overtrokken zijn, de hele wereld is immers al van Hem.

Waarin zit dan toch die ‘grotere heerlijkheid’ van de nieuwe tempel die Haggai voor ogen krijgt? ‘In deze plaats zal ik vrede geven.’

Het is niet dat dat huis er niet toe doet. Goud en zilver zijn prachtig en nodig. Het Jodendom kon niet zonder tempel. Wij kunnen niet zonder kerk. Niet zonder het gebouw. Niet zonder de gemeenschap. De dienst aan God moet vaste vorm aannemen. In woorden, in zang, in rituelen. In onze levensstijl. In catechisatie en kring. Er moet diaconie zijn en kerkrentmeesters. We moeten allemaal daaraan onze steentje bijdragen, zoals ook Zerubbabel en Jozua en de rest van het volk heel letterlijk met stenen moesten sjouwen. Dat doet er allemaal toe bij God. Omdat het middelen zijn die God gebruikt.

Omdat God op die manier ons vrede kan geven. De tempel is niet alleen een plek waar we allemaal onze offers voor moeten brengen. Het geloof in God is niet alleen veeleisend, dat is het soms ook. Maar het is vooral een plaats van uitdeling. Van vrede. Voor iedereen. Voor die hooggeplaatsten, Zerubbabel en Jozua, maar ook voor de eenvoudige plattelanders én voor de heidenvolken. Uitdeelplaats van vrede. Dat is pas heerlijkheid.

Ik geef jou vrede, zegt God, vandaag ook tegen u en jou. Nieuwe kleren en nieuwe schoenen, ook heel belangrijk. Die krijg je wel van je ouders. Of van de diaconie. Belangrijk! Maar ik heb ook iets voor jullie: Vrede.

Dat is méér dan de afwezigheid van oorlog en ruzie. Het is een soort compleet pakket. Dat het goed is. Goed tussen God en jou.

En dat daarom het leven goed is, zoals het is. Tevreden. En dat het met de wereld de goede kant op gaat. Als een olievlek breidt het zich uit via de tempel in Jeruzalem, naar Jezus Christus, naar de kerk wereldwijd, overal waar de Geest werkt, waar God is. Dat is heerlijk. Zo in de wereld kunnen staan, zo kunnen leven! Dat is wat God je geeft.

5. Aan de slag met het oog op de toekomst

‘Werk door’, zegt Haggai namens God, vers 5. ‘Aan de slag nu!’

Mooi, vindt u niet? Voor ons als doeners. Na Pasen is niet alles af en klaar. Er valt nog genoeg te doen. Te bouwen aan de tempel, in het Nieuwe Testament beeld voor de gemeente van Christus, voor het samen leven met God. Er valt nog genoeg te zorgen voor elkaar. Te zorgen voor de wereld. Toen Jezus riep aan het kruis ‘Het is volbracht.!’ betekende dat niet dat wij nu bij de pakken neer mogen zitten, maar zoals je moeder roept: ‘Het eten is klaar!’ Dan begint het pas.

De ouderen hebben gelijk met hun verdriet, want ze verlangen naar meer, naar de vervulling van Gods beloften. Haggai leert hen en ons zien vanmorgen dat we daarvoor niet moeten kijken naar stenen of goud en zilver, maar naar de Levende God, Jezus Christus, die ons bijstaat en ons vrede biedt. De jongeren leert Haggai zo zien dat ze niet hoeven te bouwen alsof hun leven ervan afhangt, dat het niet aankomt op hun prestatie, maar dat God gewoonweg Zijn vrede biedt. Dat daarin de heerlijkheid van het leven gelegen is.

Samen mogen wij zo leven. Met het oog op de toekomst. Terwijl we doen wat er gedaan moet worden in Gods naam.

Amen

Wat moet een dominee in het leger?

Preek over 2 Koningen 6,8-23 bij mijn afscheid van Everdingen en bevestiging als krijgsmachtpredikant.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

Gemeente van Jezus Christus,

Wat moet een dominee in het leger? Wat dóet een dominee eigenlijk in het leger? Die vraag heb ik veel gekregen afgelopen maanden. Tja, leg dat maar eens uit.

Aan de hand van Elisa moeten we een eind komen. Elisa, de godsman, de profeet, 9e eeuw v.Chr. bewees zijn nut wel in het leger. We lazen het in 2 Koningen. Door Goddelijke openbaring weet hij welke aanvalsplannen de koning van Syrië met zijn generaals bekokstoofd. En hij geeft ze door aan het leger van Israël. Zo´n dominee zou het Nederlandse leger ook wel willen hebben, denk ik.

Maar nee, dat is niet het werk dat ik ga doen. En je kunt je afvragen: Waarom doet Elisa dit wel? Waarom gaat hij zich bemoeien met die oorlog die er kennelijk gaande is tussen Syrië en Israël? Dat is toch helemaal geen werk voor een profeet, een religieuze persoonlijkheid, laat hem lekker bidden en naar de tempel gaan.

De achtergrond van die oorlog kennen we niet eens. De namen van de betreffende koningen staan er niet bij in dit verhaal, dus wie er precies tegen wie vecht is onduidelijk. Waarschijnlijk gaat het over wie er zeggenschap heeft over de winstgevende handelroutes naar het zuiden, naar Arabia. De hoofdstukken hiervóór en hierná in de Bijbel vertellen over meerdere conflicten die er tussen beide landen zijn geweest. Omdat beide koninkrijken ongeveer even groot en sterk zijn, heeft geen van beiden de overhand en moddert het conflict eindeloos voort.

Waarom gaat Elisa zich daar dan mee bemoeien? Een wespennest is het. Hij vertilt zich er ook aan, lijkt in ieder geval in het begin. De koning van Syrië pikt het niet en stuurt een gigantisch leger op Dotan af, waar Elisa verblijft. En Elisa’s hulpje krijgt ’s ochtends vroeg de schrik van zijn leven als hij de totale omsingeling ziet. Hij schreeuwt het uit: ‘Ach, mijn heer, wat moeten wij doen?’

Ja, daar zit je dan met je goede bedoelingen. Elisa probeert de oorlog buiten de deur te houden, maar opeens zit hij er zelf midden in. Misschien heeft u dat ook wel eens zo ervaren. Je probeert grip te houden op je leven, je best te doen op je werk, gezond te blijven, maar al die belangrijke dingen heb je uiteindelijk niet zelf in de hand. Ik heb als dominee de afgelopen jaren in pastorale gesprekken de verhalen gehoord, de pijn geproefd, wat het is om ontslagen te worden, om ziek te worden en niets meer te kunnen, wat het met je doet als relaties stuklopen, in het gezin, tussen vrienden en buren.

En ik heb ook zelf persoonlijk die momenten gehad de afgelopen 5 jaar in mijn werk als jullie dominee.

Toen ik hier kwam, probeerde iets van enthousiasme over te dragen voor de kerk, van liefde voor Jezus Christus, van de rijkdom van de Bijbel. Ik verlangde naar groei in geloof in de gemeente, naar groei in vrijmoedigheid in het uitdragen daarvan in het dorp, naar groei in gemeenschap rond het Avondmaal als broeders en zusters. Maar ik merkte al snel: dat zijn mooie idealen, maar dat is niet maakbaar. Ik had er geen grip op en kreeg er geen grip op.

Ik ging me eigenlijk steeds meer zorgen maken over de toekomst van de kerk in Nederland, maar dan ook in Everdingen, zo’n kleine kwetsbare gemeente als we zijn. Financiën in de rode cijfers, vacatures in het jeugdwerk. Veel werk rust op de schouders van een paar kartrekkers. Jongeren die afhaken van catechisatie. Het zijn signalen van de tijdgeest, van ‘secularisatie’ zoals we dat noemen: de afnemende interesse die we hebben in God en de afnemende relevantie van geloof.

‘Wat moeten we doen?’ roept de dienaar van Elisa. Hij ziet er geen gat meer in.

Wat een contrast met Elisa. Die blijft doodkalm. Irritant kalm bijna. Elisa lijkt wel eens soort supermens in de verhalen over hem. Met een bijzonder lijntje naar de hemel. Wij herkennen onszelf eerder in zijn dienaar, toch? ‘Wees niet bang’, zegt Elisa. ‘Hoezo, wees niet bang?! Zie je die paarden en wagens niet, Elisa?! Waar haal je die kalmte vandaan?’ Dat is misschien wel de belangrijkste vraag vanmiddag. Waar haalt Elisa het vandaan?

Bij God vandaan. Dat antwoord klinkt heel simpel. Maar vanzelfsprekend is het niet. Je zou kunnen zeggen: Wie is nu de belangrijkste speler in dit verhaal? Waar gebeurt het belangrijkste? Dan zijn wij geneigd om te zeggen: Elisa natuurlijk. Hij is de hoofdpersoon. En wat is het belangrijkste: Nou, dat is de afloop van het verhaal. Die prachtige levensles die we daar meekrijgen: Als je een vijandelijk leger goed te eten geeft, gaan ze je daarna niet meer aanvallen. ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Of iets dergelijks. Dat vinden we mooi.

Maar dan denken we wel heel plat. Een beetje zoals de koning van Syrië: Hij denkt ook dat Elisa het probleem is. En dat hij Elisa, die slimmerik, wel te grazen kan nemen als hij ook maar slim is. Daarom stuurt hij zijn leger ’s nachts op Elisa af. Daar verkijkt hij zich op. Hij houdt geen rekening met de God van Wie Elisa zijn kennis ontvangt…

Trouwens de koning van Israël denkt op hetzelfde militair strategische niveau. Als dat Syrische leger zijn stad Samaria binnen komt marcheren, ruikt hij zijn kans. ‘Zal ik hen doden? Zal ik hen doden?’ Het wordt in de tekst twee keer herhaalt. Hij staat te popelen. Hij zál die ellendige Syriërs eens. Daarom moet Elisa hem terechtwijzen. Vers 22 is een beetje gek in de HSV terecht gekomen, in de Nieuwe Bijbelvertaling staat het zo: ‘Hebt ú ze soms met uw eigen wapens krijgsgevangen gemaakt, dat ú hen zou doden?’ Met andere woorden: Koning, denk eens even na Wiens gevangenen dit zijn? Aan Wie danken we dit? Oh ja, God…

En het is die dienaar van Elisa, die ook zo plat denkt. Hij ziet wagens en paarden, een omsingeling, en denkt: ‘Wij zijn verloren. Daar kan niets en niemand nog wat aan doen.’

Herkenbaar toch? Ook voor ons eigen leven. Wij denken zelf de meeste dagen ook zo plat. We geloven al of niet dat er ergens wel iets is, dat God daarboven is, en dat Hij misschien ook wel iets kan. Maar de problemen en vreugden van alle dag, zijn toch meer ons eigen pakkie aan, denken we dan. Daar heeft Hij niet zoveel mee van doen. Wanneer zijn wij nu echt bewust met geloof, met God bezig? Staat dat op de voorgrond in ons leven?

Vaak vergeten wij God gewoon. Dat Hij belangrijk is. Ik ook, hoor. Zeker tijdens de afgelopen intensieve opleidingsweken. Dan zijn er dagen dat je helemaal niet aan Hem denkt. Dat is best wel ernstig. Maar vooral jammer. Als er iets is in ons leven, waar dit verhaal over Elisa ons bij stilzet, dan is het wel dit: Dat als wij geen rekening houden met God, dat wij dan het belangrijkste in ons leven vergeten.

Dat is misschien te gemakkelijk gezegd. Want die dienaar van Elisa, zíet het gewoon niet. Elisa zegt niet tegen zijn dienaar: ‘Jongen, geloof het nou maar. Do’nt worry, be happy. Het komt wel goed.’ Nee, die jongen kán het niet zien.

Daar komen we op een spannend punt. Veel mensen haken af van kerk en geloof, juist omdat ze er niets van zien. We zien de wereld om ons heen, maar God zien wij niet. En op die momenten dat we iets van Hem zouden willen zien, van Zijn ingrijpen, Zijn macht, zijn bescherming, blijft het stil.

Ja, oke. Het is goed om pastoraal bij die ervaring stil te staan.

Een ervaring van alle tijden. Een worsteling van alle tijden, een worsteling die ik zelf ook ken, en die u vast ook kent, maar dat is niet het enige. Hier in de kerk gaat het verhaal vérder. Er is méér. Er is evangelie.

Elisa bidt. ‘HEER, open toch zijn ogen.’

Elisa moet eerst voor zijn dienaar bidden, dat zijn ogen geopend worden, en dán pas ziet hij vurige wagens en paarden die een cordon vormen rond Elisa. In de Bijbel staan die vurige wagens en paarden voor een hemels leger, een leger van engelen, geesten die God gehoorzamen. Een leger dat God nooit werkelijk op aarde inzet overigens. Het staat symbool voor de overweldigende macht en bescherming van God. Voor Gods eigen aanwezigheid. Éven ziet de dienaar met eigen ogen hoe de zaken er werkelijk voorstaan in de wereld. Hoe de werkelijke machtsverhoudingen zijn.

Dat kan dus wel. Dat God je ogen opent. Dat je tot inzicht komt. Tot het inzicht dat God er toe doet. Dat Hij er is. Dat Hij er voor jou is, voor u.

En dat is hier duidelijk een geschenk van boven, het is een geschenk van openheid, van verlichting, van inzicht.

In de loop van mijn jaren hier in Everdingen is dat voor mijzelf steeds belangrijker geworden. Omdat ik merkte dat ikzelf ook vaak was als die dienaar. Dat ik dacht dat ikzelf het werk moest doen. Maar ik zag niet hoe! Ik zag zo weinig van God in mijn eigen leven, in de wereld om mij heen, in de gemeente.

Pas het afgelopen jaar heb ik geleerd (of beter: heeft God mij geleerd, door jullie hier in Everdingen) om ánders te kijken, om nóg eens te kijken. Om oog te hebben voor Gods aanwezigheid. Om het wonder te zien van het kleinste bloemetje in de berm van de Lekdijk. Om elk vriendelijk woord onderling in de gemeente te zien als zegen van God. De fijne sfeer van Avondmaal vieren. De trouwe bezoekers van de Bijbelkring. De kinderen van de zondagsschool die heel zachtjes hun psalm zingen bij sluiting winterwerk.

Je kunt denken: Is dat het nou? Ja, dat is het. Dat wat er is, is al zoveel. Het is een leerproces, om te leren zien. Écht te leren zien. Mensen te zien. Zoals ze zijn. Gods werk te zien. Zijn aanwezigheid. In álles. In al die dingen die wij soms zo gewoon zijn gaan vinden, zo vanzelfsprekend.

Daar hebben wij God zelf voor nodig. Onze verblinding kan Hij verhelpen. Bij ons zitten de luiken zo snel dicht. Zo op onszelf gericht als we zijn. We moeten open gezet worden.

En dat kan dus. Elisa hoeft er maar om te vragen, of het gebeurt. Ik zou zeggen: Dat is iets waarmee wij elkaar moeten helpen. Om God in het oog te houden. Daarom moeten wij voor elkaar bidden.

Daarvoor ga ik nu ook het leger in. Als dominee ben ik daar voor iedereen een levende herinnering aan het feit: Er is méér. Meer dan met wapens bezig zijn, trainen, je land verdedigen, de internationale rechtsorde beschermen. Je bent als militair méér dan een wapensysteem. Je bent een mens. Een mens onder Gods hemel. Scan niet alleen het terrein voor vijandelijke troepen, maar kijk ook eens omhoog.

Daar valt méér te zien dan je denkt. In het Nieuwe Testament is er het opvallende parallel-verhaal van de arrestatie van Jezus. Net als Elisa wordt ook Jezus omsingeld door een grote menigte gewapend met zwaarden en stokken. Op het eerste gezicht denk je: Dit gaat helemaal mis. Één van de discipelen trekt nog zijn zwaard en hakt er op los.

Jezus is hier degene die alles met een andere bril bekijkt. Ook Hij weet zich omringt door meer dan twaalf legioenen engelen. Een legioen in die Romeinse tijd was 6000 man. Oftewel: Jezus is zich bewust van de ware krachtsverhoudingen, zoals ook Elisa dat was. Maar Jezus weet dat uiteindelijk de zwaarden in deze wereld niet in staat zijn de vrede te brengen. Dat je daar God voor nodig hebt. Oorlogen blijven eindeloos. Geweld zorgt alleen maar voor méér geweld.

En daarom geeft Jezus zich gevangen. Dat is Gods weg, zegt Jezus. Gods wil. Op het eerste gezicht lijkt dat onzin. Hoe kan jezelf gevangen laten nemen, laten mishandelen, jezelf laten kruisigen, Gods wil zijn? Hoe kan dat vrede brengen? Dat slaat helemaal nergens op. Had Elisa niet beter die vurige wagens en paarden op de Syriërs los kunnen laten? Dan waren ze vernietigd. Dit verhaal in het Oude Testament lijkt goed te eindigen, maar in vers 24 gaat de oorlog toch gewoon door. Had Jezus niet gewoon ook die twaalf legioenen engelen moeten gebruiken om vrede op aarde te brengen?

Op het eerste gezicht wel. Maar dan verkijken we ons op God, op Jezus. Jezus verdient het dat we nóg eens en nóg eens naar Hem kijken. Hem in het oog houden. Hem op de voet volgen. Want dan zien we, zoals Jezus het ziet ‘dat de Schriften van de profeten vervuld worden.’

Wat is Elisa’s doel? Dat de ogen van de koning van Syrië en de koning van Israël open gaan. Daarom brengt hij die Syrische legers ook even naar Samaria. Zodat die koningen zien dat de wereld niet om hen draait. Dat ook in de politiek en de militaire macht zij totaal afhankelijk zijn van de Ene, de Eeuwige, JHWH, de God van Israël. Dat de wereld altijd al om Hem draait. Dat macht niet iets is wat afgedwongen kan worden, maar wat gegeven wordt. Dat niet wapens, maar genade het werkelijke machtsmiddel is. De kunst om te vergeven. De kunst van het opnieuw bekijken. De kunst van de tweede kans.

Zo is God, zo is Jezus. Dat wil Hij ons geven. Die openheid, die lichtheid, die genade. Met ontzag vertelt de Bijbel het verhaal dat Jezus daarom niet in het graf kon blijven. De dood had geen grip op hem. Zelfs de dood verkeek zich op Hem.

Op het eerste gezicht een ongeloofwaardig verhaal. Maar het verdient onze aandacht. Er is méér dan je denkt. Kijk nog eens. Wees niet te snel met je mening, vertrouw niet teveel op je eigen ervaring en waarneming. Je ogen kunnen je bedriegen. Bid dat God je daarvoor bewaart. Bid om open ogen.

Of de koningen van toen zo blij waren met Elisa, weet ik niet. In dit verhaal probeert de koning van Syrië Elisa te grijpen en te doden. Vanaf vers 24 probeert de koning van Israël hetzelfde. Ook Jezus onderging het lot van arrestatie, omdat Hij de leiders voor de voeten liep. Ook ik zal mijzelf niet heel erg populair maken bij militairen als ik zeg dat ze vooral hun wapens niet moeten gebruiken, omdat geweld geen oplossing is. Al is er ruimte voor nuancering en uitzonderingen, in de kern brengen de Bijbel en de christelijke traditie deze pittige boodschap.

En die moet gezegd worden. Hier in de kerk blijft gepreekt worden, daar ben i,k niet bang voor. Ook nadat ik vandaag afscheid genomen heb. Daar zorgt God zelf voor. Op die macht mogen we vertrouwen als gemeente.

Maar het moet ook gezegd worden in de wereld, in de wereld van Defensie. Dat ga ik doen. Niet arrogant, niet belerend. Misschien zelfs niet eens met woorden, maar met daden. Gewoon door er te zijn. Door mijzelf open en kwetsbaar op te stellen. Door mijn eigen zwakheden te laten zien. Door oprechte aandacht en liefde.

Dat is de weg die ook u als gemeente hier in Everdingen mag gaan. Die blik in de hemel van de dienaar van Elisa, waarin hij de vurige wagens en paarden ziet, dat is geen eindpunt. Juist als je weet van God. Als je Hem gezien hebt in de persoon van Jezus Christus. Als je gezien hebt dat het kruis geen symbool van lijden is, maar de plek van de overwinning van de liefde op de dood. Van de verzoening en genade op het kwaad. Dan ben je geroepen ook zelf die weg te gaan.

Zet de deur van je hart open. Zie de mensen om je heen. Ontferm je. Help ze. Heel concreet wordt dat in deze dagen door vluchtelingen die op de drempel van Nederland staan. Maar ook in het klein. Schrijf nooit mensen af. Ook niet als ze je kwaad berokkenen. Kijk nog eens. Kijk ze in de ogen. En kijk eens in de spiegel. Zie wat God aan het doen is. Met u, met jou, met onze gemeente, met de kerk, met de wereld. Kijk eens goed, en je staat verstelt van Zijn goedheid en trouw, nu en tot in eeuwigheid.

Amen

Op het nippertje!

Preek over Psalm 124 op Israëlzondag te Everdingen.

Marc Chagall (1887 – 1985) – Psalm 124 for Stained Glass at Assy 1956-1957. Drawing: Pencil and Chinese ink on paper 50 x 65.3 cm. Musée national Message biblique Marc Chagall, Nice

Gemeente van Jezus Christus,

Heb je wel eens ongeluk gehad? Gevallen met de fiets? Of van de trap? Of met de auto? Dat is schrikken, he? Dan ben je blij als het goed afloopt. Van de week was er een ongeluk in Haaksbergen, waar een monstertruck op het publiek inreed. Daar waren doden te betreuren.

Op het journaal vertelde een moeder dat de truck op zo’n stukje van haar kleine dochtertje tot stilstand kwam. Het scheelde maar een haar of ook zij was in het ziekenhuis beland of erger. Dan zit de schrik er goed in. Maar ook de opluchting: Gelukkig, ik ben er nog! Wij zijn er nog! Ik leef nog!

Normaal gesproken sta je daar niet zo bij stil. Dat je leeft. Dat je bestaat. Dat is iets heel normaals. Niet iets waar je raar van staat te kijken of diep van onder de indruk bent. Toch? Toen je vanmorgen opstond, was je toen gelijk blij? Liep je te zingen door het huis? Omdat je zomaar weer een nieuwe dag krijgt?

De dichter van Psalm 124 is er wel helemaal vol van: ‘ Als de HEERE niet bij ons geweest was, – zeg dat toch, Israël – als de HEERE niet bij ons geweest was, toen mensen tegen ons opstonden, dan, dan… waren wij er niet meer geweest.’ Leven, dat is niet zomaar iets, dat komt omdat de HEERE bij ons is! Maar je proeft al ergens, door die oproep ‘zeg dat toch, Israël’, dat die dichter iets heeft ontdekt, waar Israël zelf blijkbaar niet aan denkt. Israël ziet het nog niet zo. Ze leven wel, maar ze zingen het niet zomaar mee. Ze moeten aangespoord worden. Ze moeten erop gewezen worden. Want ze zijn zich er zelf niet zo van bewust. Dat het bijzonder is dat ze nog leven. En dat ze dat danken aan de HEERE.

Zeker dat laatste, dat komt inderdaad niet zomaar bij ons op. Rond dat ongeluk in Haaksbergen heb ik er in ieder geval niet van gehoord dat mensen zeiden: ‘Ik ben de HEERE dankbaar dat ik er goed afgekomen ben. Het had erger voor me af kunnen lopen’. Wees eerlijk, zo denken wij vandaag de dag niet meer. Als ons erge dingen overkomen, of juist fijne, dan laten we dat eerder gelaten over ons heen komen. ‘Dat heb ik weer’, zeggen we dan. Of: ‘Ik mag wel in mijn handjes knijpen.’ We leven niet echt in het bewustzijn dat bij alles wat er gebeurt in ons leven God ook op één of andere manier betrokken is. Zo kijken we niet naar ons eigen leven, maar ook niet naar gebeurtenissen in de wereld.

Ergens ook wel begrijpelijk. Want zo gemakkelijk is dat ook helemaal niet te zien. Als het gaat over de nabijheid van God en de hulp van God in deze psalm, dan komt de vraag op: Wat merk je daar dan van? Hoe merk je dat? We beginnen elke kerkdienst met ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE’. En we bidden voor zieken en zorgen dat we mogen merken dat God met ons is, bij ons zal zijn. Ons zal helpen of de problemen zal verminderen of oplossen. Maar het blijft vaag wat dat dan precies is. En het is dan ook niet zo gek dat mensen afhaken van het geloof in God en van de kerk. Als het zo weinig tastbaar is wat het oplevert om God bij je te hebben.

Misschien kunnen wij juist dat wel van Israël, van het Joodse volk, leren op deze Israëlzondag.

Want Psalm 124 is een dankgebed van Israël. Zo is het in de Bijbel terecht gekomen. Het volk is mee gaan zingen en belijden: ‘Als de HEERE niet bij ons was geweest, dan… ja, dan waren wij er niet meer geweest. Onze hulp is in de Naam van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.’

In deze psalm klinkt de geschiedenis van Israël door. En het wonder dat dat volk nog bestaat tot op de dag van vandaag. Je proeft die verbazing in deze psalm. En het moet ons ook verbazen. Ga maar na hoe vaak dit volk door het oog van de naald is gekropen.

Dan gaan we allereerst terug naar het begin, naar de nakomelingen van Abraham, Izak en Jakob, die als slavenvolk werken in Egypte. Onderdrukt en afgebeuld. De Farao vindt het volk te gevaarlijk worden, en besluit om alle jongetjes bij de geboorte te doden. Het moet afgelopen zijn met dit volk. Definitief onder de duim. Het volk roept en kermt tot de HEERE, en de HEERE luistert. Hij bevrijdt zijn volk, vernietigt de Farao en zijn wagens in het water van de Schelfzee. Op het nippertje aan de dood ontsnapt.

Keer op keer wordt het volk aangevallen. Door de Amalekieten in de woestijn. Door de Midianieten en de Filistijnen in het beloofde land. Maar met de hulp van de HEERE overwint Gideon met zijn bende het leger. Met de hulp van de HEERE wordt Goliath met één steen geveld. Even is er rust onder Salomo. Maar dan komen de legers van Assyrië en Babylon. Eerst wordt het tienstammenrijk onder de voet gelopen en weggevoerd rond 700 v.Chr.. Jeruzalem blijft nog even gespaard. Maar honderd jaar later maakt Nebukadnessar alles met de grond gelijk. Het lijkt definitief afgelopen. Het land Israël is van de kaart geveegd, letterlijk.

Maar het volk Israël bestaat nog. Er blijven gelovige Joden die zich blijven houden aan de wet van Mozes. De boekrollen met de bijbelboeken hebben ze meegenomen in ballingschap. Zelfs in Babel blijven ze geloven in de HEERE. Dieptepunt is het voornemen van Haman, de minister van Ahasveros, om alle Joden in het Perzische rijk uit te roeien. Afgelopen moet het zijn, niet alleen met het land, maar met dat hele volk van God. Door Gods bijzondere zorg is daar koningin Esther, die opkomt voor haar volk en haar geloof niet verloochent. Het is wel op het nippertje. De Joden vieren het nog steeds als het Poerimfeest.

En zo is het doorgegaan. Ook in Europa. Ik weet niet hoeveel u weet van de verdere geschiedenis van Israël. Maar de Farao en Haman zijn niet de laatsten geweest die het volk hebben proberen te vernietigen.

In het Middeleeuwse Europa werden Joden met de nek aangekeken, bezien als ketters, omdat ze de schuld droegen van de kruisiging van Jezus Christus. Joden werden bij vlagen vervolgd, gedwongen zich te bekeren tot het christenen en anders bij duizenden verbrand op de brandstapel, verbannen uit Spanje en Portugal. Verdreven van hot naar her.

Met als absolute dieptepunt Nazi-Duitsland. In het hart van het christelijke Europa werden tussen 1930 en 1945 zes miljoen joden geëxecuteerd, vergast, leven verbrand. Hitler noemde het de ‘Endlösung’, de ‘eindoplossing’, de vernietiging van het wereldjodendom. En in Europa is het hem zo goed als gelukt. De bloeiende joodse gemeenschappen van Duitsland, Polen, Oekraïne, maar ook van Nederland, zijn nagenoeg verdwenen. Veel van de laatste overlevenden hebben na de Tweede Wereldoorlog getraumatiseerd hun toevlucht gezocht in Palestina. Maar zelfs daar was in 1948 nog een oorlog nodig om hun bestaan en het land veilig te stellen.

De Arabische landen en de Palestijnen hebben in 1967 en 1973 nog tweemaal geprobeerd om het land weer van de kaart te vegen. De Joden de zee in te drijven. In 1973 vielen Syrië en Egypte gezamenlijk aan op Jom Kippoer, de belangrijkste Joodse feestdag waarop iedereen vrij was en bij familie. Ten koste van veel mensenlevens. Maar op wonderlijke wijze wist Israël te winnen. En toch veilig is het er nog steeds niet. Hamas heeft nog steeds maar één doel: de vernietiging van Israël. En daarin staan ze niet alleen. Iran, Syrië, IS, ze maken er geen geheim van wat hun diepste wens is.

Dat alles overziend, kun je je voorstellen dat Israël zingt: ‘als de HEERE niet bij ons geweest was, toen mensen tegen ons opstonden, Farao, Sanherib, Nebukasnessar, Haman, Hitler, dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun toorn tegen ons ontbrandde; dan hadden de wateren ons overspoeld en was een woeste stroom over onze ziel gegaan; dan waren de onstuimige wateren over onze ziel gegaan. Geloofd zij de HEERE, Die ons niet overgaf tot een prooi voor hun tanden. Onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvanger; de strik is gebroken en wíj zijn ontkomen.’

Waar zien wij wat de hulp, de trouw, de nabijheid van de HEERE inhoudt? Dat leren wij uit de geschiedenis en het geloof van Israël. En dat is geen gemakkelijk geloof. De hulp van de HEERE, dat is niet iets wat er dus voor zorgt dat je een zorgeloos leven kunt leiden. Integendeel. Eerder het omgekeerde: Al die dieptepunten in het leven Israël, al die keren dat ze het op nippertje overleefden als volk, dat kwam ook juist door hun geloof in de HEERE, omdat zij volk van God zijn.

Omdat de HEERE in Zijn volk present is, is dat volk een struikelblok, een steen des aanstoots. De aanwezigheid van de HEERE roept weerstand op. Die werkt als een rode lap op een stier. Wie denkt dat ‘uitverkoren’ volk wel niet dat het is? Want zo concreet is ons geloof: Als we het hebben over de aanwezigheid van God in de wereld. Over Zijn werk. Zijn hulp. Dan hebben we het niet over een gevoel dat wij hebben van binnen, over fijne ervaringen, over warmte, liefde en geborgenheid. Maar dan gaat het allereerst om Israël. Gods werk, Gods hulp, Gods trouw, Gods openbaring is zichtbaar en tastbaar aan dat volk gegeven. Nog steeds. De HEERE blijft trouw.

Als wij worstelen met die vraag: Wat heb je aan de nabijheid van de HEERE? Helpt dat? Doet dat wat? Kijk dan naar Israël. En het antwoord is overduidelijk: ‘ Als de HEERE niet bij ons geweest was, – zeg dat toch, Israël – als de HEERE niet bij ons geweest was, dan waren wij er niet meer geweest.’ Dat is tot op vandaag het getuigenis van Israël in de wereld. Ondanks henzelf. Want een aantal van die dieptepunten, de ballingschap, de vernietiging van het land door de Romeinen, waren ook een oordeel over hun zonden en afvalligheid. Israël is uit zichzelf zeker niet ‘voorbeeldig’. Heel diep voelen wij dat ook doordat ze Jezus als Messias hebben afgewezen. Maar voor God is het daarmee niet opgehouden.

‘Een pelgrimslied’, staat er boven de psalm. Net als boven alle psalmen van 120-134. Ze werden waarschijnlijk gezongen door de Israëlieten die een aantal keer per jaar optrokken naar Jeruzalem, naar de tempel, om daar de grote feesten te vieren en te offeren. Maar ze zijn zo bij elkaar gezet in het Psalmboek dat ze een nieuwe betekenis kregen tegen de achtergrond van de terugkeer uit de ballingschap onder Ezra en Nehemia. De totale vernietiging van het volk is afgewend, ze zijn als het ware uit de dood weer opgestaan.

Pelgrimslied, is letterlijk ‘lied van de opgang’: uit het dieptepunt is er nu een opgaande lijn. Het ergste is achter de rug. Ik las ergens dat iemand Psalm 124 daarom ‘het oudste paaslied’ noemde. En dat klopt. Zeker als wij als christelijke gemeente Psalm 124 meezingen en belijden. Het ergste is achter de rug. Dan denken wij aan Jezus Christus die stierf. Toen alles donker werd. Dat is het dieptepunt van de wereldgeschiedenis geweest. Dieper dan dat konden we als mensen niet zinken: De Messias, de Zoon van God, gekruisigd. Maar ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft.’ De dood kon Hem niet houden. De Schepper heeft de macht leven te geven, de chaos klein te krijgen. Het kwaad te breken. En het graf brak open….

In geloof mogen wij ons daarmee verbonden weten. Achter Jezus aan, door het geloof in Hem, ligt die dood ook achter ons. De strik is gebroken en wij zijn ontkomen. Wij zijn vrij om met Hem te leven. Vrij van duivel en dood, zonde en schuld. Vanaf nu leven we in de ruimte en vrijheid van de HEERE.

We mogen opgelucht ademhalen. We zijn op het nippertje ontsnapt! In de gang van de dagen die komen en gaan, zien we dat niet altijd zo. Maar in de gang van geschiedenis, in het licht van het Grote Verhaal van de Bijbel, van de gang van het volk Israël door de geschiedenis, van de gang van Jezus Christus dóór de dood heen, in dat licht bezien mogen we opgelucht ademhalen. Mag er blijdschap zijn om ons bestaan. Wij kijken soms zo klein naar de dag van gisteren en naar de zorgen van de dag van morgen. De Bijbel leert ons groter te kijken: verder terug, naar de diepte van het kruis, en verder vooruit, naar de komst van het Koninkrijk. Ons leven is door Jezus Christus vanuit het kruis een opgaande lijn. Die lijn loopt regelrecht de hemel in.

Zo bemoedigt Petrus tenminste de gemeenten in zijn brief, waaruit we ook lazen: ‘Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus,  Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop,  door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis,  die in de hemelen bewaard wordt voor u.’ Dit gedeelte uit Petrus is het nieuwtestamentische spiegelbeeld van Psalm 124.

Als we die grote lijn niet in het oog houden, ja, dan ga je twijfelen. De aanwezigheid en hulp van de HEERE is niet altijd zo gemakkelijk aan te wijzen in je eigen leven. De gebeurtenissen in je leven zijn soms helemaal niet te plaatsen in de leiding en trouw van de HEERE. In de tijd dat Petrus zijn brief schreef werden de christenen vervolgd. ‘U wordt bedroefd door allerlei verzoekingen’, schrijft Petrus. En: ‘U ziet Hem nu niet’. Dat kan inderdaad zo zijn. En voor Israël is het ook zo geweest. Psalm 124 zongen ze met grote opluchting en blijdschap na de terugkeer uit ballingschap. Maar, denk je dan, waar was God dan in Auschwitz, tijdens de Holocaust? En waar is God als ik ziek wordt? Dat zijn inderdaad onmogelijke vragen. Maar ons geloof hangt niet aan dat soort momenten. Hangt er niet van af. ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft.’

De Naam, HEERE, Jahweh, ‘Ik ben die Ik ben.’ Majesteitelijk en soeverein. Schepper van hemel en aarde. En tegelijk: ‘Ik ben er echt. Ik ben er bij.’ God met ons in Jezus Christus. In kruis en opstanding.

Dat staat als een huis. Daar zak je nooit doorheen. Omdat Hij ons leven en bestaan vangt in zijn liefdevolle handen.

Niet dat dat vanzelf gaat. Psalm 124 is een opwekking om het te zeggen, te geloven, daarvoor te gaan staan. Deze woorden over te nemen en je eigen te maken. Het mee te bidden met en voor Israel. Zingen is in de Bijbel niet altijd het uiten van je geloof, gevoel en ervaring, maar zoals hier soms ook het innen van het geloof, het je toe-eigenen wat iemand anders je voorhoudt, voorzegt, voorbidt. Misschien herken je dat wel. Dat je soms gewoon moet beginnen met zingen en muziek maken, en het gevoel er dan vervolgens bij kan komen. Zelfs had je de woorden niet gevonden, ze worden je gegeven.

Binnen het Jodendom kent men daarom ook vele vaste gebeden. Onder andere de psalmen. Bidden is niet alleen maar iets aan God vragen, maar je voegen in de vele eeuwen aanbidding en lofprijzing. Geloven doe je op de schouders van het voorgeslacht, door de generaties heen. Je hoeft niet op eigen benen te staan, maar mag het doen met hoe dichters vanaf David het gezegd hebben en geloofd hebben. Voor ons is dat soms wat moeilijk mee te maken, wij leggen veelal de nadruk op het persoonlijke van het geloof, het individuele, de eigen ervaring. Maar zien we de gevolgen daarvan niet om ons heen, en in ons eigen leven: Wij zitten vaak helemaal niet zo ‘op toonhoogte’, de lofzangen komen niet gemakkelijk van onze lippen. Wij komen niet uit onszelf en uit eigen beweging naar de kerk om de verering van de HEERE, de God van Israël, gaande te houden.

Dat heeft Israël zelf ook altijd al moeite gekost, en kost nog steeds moeite. Een groot deel van de Joden die in Israël wonen is geseculariseerd. Doet niets meer met het geloof in God. Net als in Nederland. Als wij vandaag Psalm 124 lezen en zingen, dan zingen en bidden wij dat ook met het oog op hen, dat Israël de lofzang op hun God niet zal vergeten, en daarmee hun afkomst én hun toekomst.

En ook met het oog op onszelf. Dat wij ons leven weer durven beleven als geleid en gedragen door de HEERE zelf. Dat we soms ook heel concreet durven benoemen en het zeggen: Dit heeft de HEERE voor mij gedaan! Hierin zie ik Zijn goedheid. Als je een opleiding volgt en werk vindt dat bij je past, mag je daarin de hand van God zien. Als je een levenspartner vindt en kinderen ontvangt, dan is dat Gods genade. In de rust en veiligheid van ons dorp en deze kerk, vinden wij de beschutting van de Allerhoogste. In de liefde van de mensen die ons omringen, zien we de spiegeling van Gods liefde. En ook als we door de diepte moeten door tegenslag, en ziekte, dan zijn we geroepen om te belijden dat dit de weg is die God met ons wil gaan.

Al kun je dat bijna niet over je lippen krijgen. Klamp je er aan vast. Want dát vergeten, dat haalt de blijdschap uit het leven weg. De blijdschap te bestaan. De opluchting dat het ergste achter de rug is. Dan komen we terecht in een wereldbeschouwing die bepaalt wordt door het toeval. Dan zien we eerder een neergaande lijn in de wereld. En dan verliest ons eigen leven doel en richting. Hoe erg het ook nog kan zijn en worden, de weg loopt omhoog. Echt. Want ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.’

God, laat het leven van Israël, laat ons leven een lied van opgang zijn. Geloofd zij de HEERE!

Amen

Beeldenstorm (2e gebod)

Preek over het 2e gebod a.d.h.v. bijbelteksten en Zondag 35 (Heidelbergse Catechismus).

Tintoretto – The Worship of the Golden Calf (1563)

Gemeente van Jezus Christus,

Het merkwaardige van het christelijk geloof is dat we er helemaal niets van zien. Je staat toch met een mond vol tanden als mensen je zeggen: Sorry hoor, maar ís die God van jullie dan? En daarop valt niet zoveel terug te zeggen. Je kunt niet antwoorden: Kijk maar hier of daar. Dáár heb je duidelijk bewijs. Híer zie je dat God er echt is. En dat maakt het voor onszelf ook vaak moeilijk in God te geloven. Zeker in moeilijke situaties steekt twijfel vaak de kop op: Is God wel bij me? Helpt Hij wel? Je zou dan graag iets meer houvast hebben. Waarom laat God niet iets meer van zich zien en merken?

Precies dát verlangen leefde ook onder het volk Israël toen ze uit Egypte door de woestijn trokken. Mozes vertelde hun dat God tegen hem gesproken had. En ja, er gebeurden bijzondere dingen. Maar van die God zélf hadden ze nog geen glimp opgevangen. En toen ging Mozes ook nog van hen weg, degene die nog een soort verbindingslijntje met God vormde. Hoe zouden ze nu weten dat de HEERE met hen was? In Exodus 32 lezen we wat er gebeurde:

1 Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op,  maak voor ons goden die vóór ons uit gaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is. 2 En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij. 3 Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron. 4 Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben. 5 Toen Aäron dat zag, bouwde hij er een altaar voor, en Aäron kondigde aan: Morgen is er een feest voor de HEERE! 6 Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten ook dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.

Let goed op die woorden van Aäron: ‘Morgen is er een feest voor de HEERE’. In het bewustzijn van het volk deden ze niets verkeerd. Ze gingen niet opeens over op een andere religie, een andere god. Want dat gouden stierkalf symboliseerde de aanwezigheid en de kracht van de HEERE God, naar hun idee. Ze dienden de HEERE ermee, dachten ze, ‘het is een feest voor de HEERE’. Zo was Hij hun nabij. Later doet Jerobeam hetzelfde als hij gouden stierkalveren laat oprichten in Dan en Bethel. En op veel meer plaatsen in het Oude Testament lezen we over cultusplaatsen die ingericht worden met een gegoten beeld, een bewerkte steen of houten paal, die de HEERE voor moet stellen.

Zo werden de goden van de heidenen gediend, en zo dacht Israël dat God ook wel gediend kon worden. Het is zo begrijpelijk: iets zichtbaars willen hebben, iets tastbaars. Maar hoe wij ook denken daar God mee te dienen, Hij is er helemaal niet van gediend. Daarom is er dan uitermate strenge tweede gebod:

‘U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.’

Het eerste gebod ging over de vraag: Wélke God dien je? Het Bijbels gezien enig juiste antwoord moet zijn: de HEERE, Jahweh, de God van Israël. Dan stelt het tweede gebod de vraag: Hóe moet je die God dienen? Daar gaat het nu over. En dat is ook vandaag de dag een belangrijke vraag. Je kunt God niet zomaar dienen, zoals je denkt dat het goed is, op je eigen manier. Veel mensen denken dat vandaag de dag wel. Je hoort ze rustig zeggen: Ja, ik geloof wel in God, maar op mijn eigen manier. Als je zo denkt, dan ga je mee in de grote zondeval van het volk Israël. De afloop van het verhaal van het gouden kalf is dat de stenen tafelen die Mozes op de berg ontvangen heeft als bevestiging van het verbond verbroken worden en dat drieduizend Israëlieten sterven als straf.

Waarom, vraag je je af? Waarom mogen we niet zelf bepalen hoe we God dienen? Dat vinden we toch juist fijn: We zingen liederen die we zelf gemaakt hebben op een wijs die ons aanspreekt. We bidden als we daar zin in hebben. We lezen de stukken uit de Bijbel die we mooi vinden. We gaan naar de kerk als het ons uitkomt. Het geloof moet toch uit onszelf komen? Geloven kun je toch niet doen met opgelegde vormen?

Dat lijkt ons een logische redenatie, maar in de Bijbel en de kerkgeschiedenis zien we dat zodra je op die manier gaat denken het dan faliekant mis gaat. In de tijd van de Bijbel ging dat vooral door het maken van beelden. Voor mensen toen maakte het tastbaar en concreet waarin ze nu eigenlijk geloofden. Het maakt het dienen van God ook heel praktisch: je bouwde aan huis, een tempel, voor dat beeld, daar bracht je offers en dat was de plek waar je kon bidden. Met andere woorden: het geeft aan geloven en religie een hoop duidelijkheid. Dat spreekt ons aan. Ik hoor het van veel mensen: Laat het niet zo vaag zijn in de kerk. Laten we het concreet en praktisch maken.

Waar dat toe leidt lezen we in 1 Samuel 4. Het volk Israël is in oorlog met de Filistijnen en het gaat niet: ze verliezen een veldslag.

3 Toen het volk in het kamp teruggekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden. 4 Toen zond het volk boden naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten,  Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. … [Toen] 7 werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is er sinds jaar en dag niet gebeurd. 8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze machtige goden? Dit zijn dezelfde goden die de Egyptenaren met alle plagen getroffen hebben, bij de woestijn. 9 Filistijnen, vat moed en wees mannen, anders zult u de Hebreeën moeten dienen  zoals zij u gediend hebben. Wees mannen, en strijd! 10 Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend man voetvolk. 11 En  de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.

Hier zie je gebeuren wat de gevolgen van die menselijke gedachten zijn: Als wij de HEERE betrekken bij onze strijd – gesymboliseerd in de ark van het verbond – dán is God met ons en dan wínnen we de oorlog. Hier zie je hoe gemakkelijk het idee binnen is geslopen dat wij door onze godsdienstige vormen grip krijgen op God, Hem dingen kunnen laten doen die wij willen. Over Hem kunnen beschikken. Of er blind op vertrouwen dat God wel bij ons zal zijn op de weg die wij gekozen hebben. Dat is echter ten diepste heidendom: Het Bijbels Godsgeloof is er niet voor ons eigen gevoel, om ons gerust te stellen, voor onze troost en bemoediging, om het leven aan te kunnen. Alle menselijke religie drááit daar om. En zo hoor je ook vandaag de dag mensen spreken over geloof in God. Maar het merkwaardige aan ons geloof in de God van Israël: wij beschikken niet over Hem, maar Hij over ons. God is er  – in de eerste plaats – niet voor ons, maar wij voor Hem.

Tenminste, als het goed is… Als het goed is, is dat de structuur van het geloof in ons leven. Maar telkens weer betrap ik mezelf erop, en misschien is het bij u niet anders, dat je gebeden zo snel egoïstisch worden. Ik bedoel dat je vooral bidt voor jezelf, de dingen die je nodig hebt of je geliefden om je heen. Terwijl het omgekeerde: het aanbidden van God, het luisteren naar Zijn geboden, jezelf aan de kant zetten in dienst van Gods Koninkrijk keer op keer tekort komt. In wezen maken we ons dan schuldig aan precies hetzelfde als de Israëlieten die een gouden kalf maken of de ark van het verbond inzetten in de strijd met de Filistijnen: We denken dat het leven vooral draait om ons, om ons religieuze gevoel, om ons levensgeluk, en dat God vooral daaraan mee moet helpen.

Ondertussen staat de belangrijke vraag op het spel: Hoe moet het dan wel? Je kunt zeggen wat je wilt, maar de beeldendienst ten tijde van het Oude Testament, kwam voort uit een soort oprecht verlangen naar de nabijheid van God, ja, naar de ontmoeting met God. Dat het volk Israël graag een beeld van de HEERE wilde, in de vorm van het gouden stierkalf was de foute manier, maar het idee was goed. En dat Israël hun God wilde betrekken bij de oorlog was een goed idee. En zo verlangen wij allemaal dat God dicht bij ons is. Dat wij ons veilig weten bij Hem. Ook wij hebben daarvoor onze vormen. De kerkdienst, de stille tijd, een tegeltje aan de muur, het zijn allemaal manieren om ons dichtbij God te voelen.

Maar God kent ons nog beter, dan wij onszelf kennen. Al die gebruiken, gewoonten en ideeën om toegang tot God te krijgen, hebben de neiging om na verloop van tijd een doel op zichzelf te worden. Dat zie je bijvoorbeeld alleen al aan de omgang met discussies rond de liturgie. We denken al snel dat een bepaalde vorm of een bepaalde traditie die toegang tot God garandeert. Aan de ene kant is er dan een partij die dat helemaal verwacht van de psalmen oude berijming, maar aan de andere kant is minstens een even felle groep die het verwacht van nieuwe liederen uit opwekking. Beide groepen verwachten van hun vorm dat het beter of meer kan dienen als manier om tot God te naderen, om Hem te ontmoeten. Maar dáár zit het niet in. Gelukkig niet. Dat is het bevrijdende van het 2e gebod.

Precies deze vraag ‘Hoe krijg je toegang tot God’ is aan de orde in Johannes 4, in het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw. Zij vraagt:

20 Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden. 21 Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden. 23 Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden. 24 God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

Hier is precies de vraag: Waar moet je zijn en wat moet je doen om God te ontmoeten, om bij Hem te komen, om toegang tot Hem te krijgen? Tussen de Joden en Samaritanen was het twistpunt: Je moet daarvoor in Jeruzalem zijn of op de berg Gerizim. Op de heilige plek. En daar moet je de juist heilige woorden spreken en de juiste rituelen uitvoeren. En dán, dán heb je toegang tot God. Maar Jezus rekent daar helemaal mee af, zoals in het 2e gebod met die andere methode om toegang tot God te hebben, het maken van beelden, afgerekend wordt.

Heel simpel zegt Jezus: ‘Maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden.’ Het is véél eenvoudiger dan wij mensen vaak denken. Je kunt je gewoon direct tot God richten, Hij hoort alles, en belooft Jezus, mensen die zich zo oprecht tot God richten, die zoekt de Vader op.

Alle rituelen en magie rond de beeldendienst en religie worden daarmee radicaal buiten de deur gezet. Mét de bijbehorende angst/onzekerheid. Want het heidendom kent de martelende gedachte dat als je níet op de goede plek bent, als je níet de juiste mooie liederen zingt of heilige woorden gebuikt in je gebed, dat de hemel dan gesloten blijft en dat je er alleen voor staat. Israël is niet alleen bevrijd uit Egypte, maar in de Tien Geboden óók bevrijd van die angst. Voortaan hoeven ze nooit meer in te zitten over de nabijheid en de toegang tot God. Daar hoeven ze zélf niet nog heel veel voor te doen. Daar heeft God alles al aan gedaan om dat mogelijk te maken. Dat is de kern van wat Jezus geeft als antwoord aan die Samaritaanse vrouw: Omdat Ík er ben heb ook jij toegang tot God en mag je weten dat Ík met je ben.

Dankzij Jezus Christus mogen wij christenen oernuchter in de wereld staan: Er zijn geen heilige plekken, dieren, woorden of mensen nodig om ons toegang tot God te verschaffen. We hoeven niet te geloven in de werking van meditatie, wierook, rituelen, etc. Wij geloven in een hele directe relatie met God, een eenvoudige manier om Hem te ontmoeten en dat is door het woord. Het Woord van boven, God die spreekt in Zijn Woord en de verkondiging daarvan. En wij praten terug in het gebed. Die weg wordt ons getoond door het evangelie van Jezus Christus. Die bevrijding en belofte ligt er in het 2e gebod.

Het beeldverbod voorkomt dat wij tussen God en ons nog allerlei tussenstappen inbouwen, die onverhoopt blokkades gaan vormen. Dat is niet alleen jammer voor ons, maar dat maakt God ook jaloers. Dat onze aandacht dan op gaat aan andere dingen, in plaats van aan Hem. Er mag niets tussen God en ons in komen. Ja, alleen Jezus Christus. In het Nieuwe Testament wordt over Hem gesproken als het ‘beeld van de onzichtbare God’:

14 In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden. 15 Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping. 16 Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn: tronen, heerschappijen, overheden of machten; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. 17 En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem.

Wij mensen hebben graag zichtbare beelden, houvast in rituelen en woorden. Dat wordt ons dus ontnomen. Daarover zou je kunnen treuren: dan vervluchtigd, vervaagt, vergeestelijkt het allemaal wel erg. Maar dat is niet de Bijbelse lijn: het beeldverbod is geen vergeestelijking, alsof er in onze werkelijkheid dan helemaal nergens enig houvast voor het geloof te vinden is, geen echte, werkelijke toegangspoort tot God. Het is geen vergeestelijking, maar een verpersoonlijking! Wil je toegang vinden tot God, dan moet je bij Jezus Christus zijn. In Hem zien en ontmoeten wij God zelf. Het gaat om de persoonlijke relatie tot Hem.

Wanneer wij moeite hebben met Gods afwezigheid in ons leven. Als je het gevoel hebt dat God zover weg is. En je je afvraagt of Hij je wel hoort. Dan moet je niet vluchten in allerlei religieuze vormen. Maar je richten op Jezus Christus, je voor de geest halen wie Hij is en hoe Hij is. Door het evangelie te lezen. Zijn woorden je eigen te maken. En zo ontdek je dat God wel degelijk een God van nabij is. Ook voor jou. En dat Hij je echt hoort. Want daar getuigt de Schrift van. Zo vertellen de evangelisten het ons.

Al onze spiritualiteit moet dan ook Jezus Christus als kern hebben. Helpen om ons op Hem te richten. Zo niet, dan moeten we een flinke beeldenstorm houden. Al onze gedachten over God, die niet op één of andere manier te maken hebben met het verhaal van Jezus, staan alleen maar in de weg.

Dat maakt gelijk duidelijk dat je geen vrije keuze hebt hóe God te dienen. Voor onze eigen bescherming, bevrijding en voor ons eigen welzijn, moeten we gaan op de wegen die God ons wijst in Jezus Christus. Als wij God willen ontmoeten, Hem nabij willen weten in ons leven, zullen we Hem bovenal serieus moeten nemen. Vandaar dat de catechismus zo radicaal afscheid neemt van de heiligenbeelden in de Rooms-katholieke kerk: er mogen helemaal geen beelden gemaakt worden, zelfs niet met de positieve gedachte dat mensen er wat van kunnen leren, ‘de boeken der leken’.

Dit is geen verbod op beeldende kunst, maar op het geloof dat wij mensen hulpmiddelen nodig hebben om de toegang tot God te vinden. Waarom zou je zo’n omweg nemen, antwoordt de catechismus? ‘God wil zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen.’ De enige manier om God werkelijk te ontmoeten, is door naar Hem te luisteren. De verkondiging van het levende Woord ter harte te nemen.

Misschien ook wel om die reden vinden wij heidendom aantrekkelijk: Je gaat af en toe een keertje naar een tempel om je religieuze plicht te vervullen. En dan ben je er ook weer even van af. Dan neem je weer wat afstand van God, zodat je je eigen ding kan doen. Maar in Jezus Christus is God altijd met ons, is er een directe relatie, daar zit geen afstand tussen, en dat breng het hele leven onder beslag van Zijn wil. Zoals Paulus dat verwoordt in Romeinen 12:

1 Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst. 2  En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

Wij dienen God niet door beelden, die we ook een beetje buiten ons leven kunnen houden, een zekere afstand toe kunnen houden, of juist het gevoel hebben te kunnen beheersen of gebruiken. Nee, God wil door ons helemaal en totaal gediend worden. Met alle vezels van ons lichaam, met elke greintje verstand, met volledige toewijding. Erkennen dat wij niet over Hem beschikken, maar Hij over ons. Dat niet wij bepalen hoe wij Hem dienen, maar dat doen zoals Hij wil. En het evangelie, de goede boodschap, daarin is: Zie, daarin de bevrijding, de genade, dat dat een zegen is, dat het geloof gericht op Jezus Christus vrij is van angst en onzekerheid. Dat wij nooit meer van Hem af kunnen, maar door Jezus Christus in Hem een God hebben die ons voor altijd nabij is.

Amen

(geciteerde bijbelteksten uit de Herziene Statenvertaling)