Transpiratie en inspiratie

Pinksterbezinningsmoment voor militairen te velde in Normandië.

  1. Koffie en cake

Muziek: Simon & Garfunkel – The Sound of Silence

  1. Welkom

Goed dat jullie hier zijn. Ik wens jullie in Gods naam een mooie dienst. Ik steek de kaars aan als symbool van de stille kracht van het licht, van al het goede, het ware, het mooie in ons leven. Voor mij als gelovige bij uitstek daarom ook symbool van de aanwezigheid van Jezus Christus.

  1. Binnenkomer

Afbeeldingsresultaat voor army chaplain 1944De foto hierbij is genomen op de stranden van Normandië in juni 1944. Na de transpiratie van de landing en de vorming van het bruggehoofd moest er bevoorraad worden. Niet alleen met eten, munitie en andere zaken, maar ook met spiritueel voedsel, inspiratie. Deze aalmoezenier deelt de eucharistie uit. Want niet alleen je lichaam moet herstellen na inspanning, je geest heeft ook iets nodig: troost vanwege gevallen kameraden, moed om door te vechten, hoop op de overwinning die allerminst zeker is. Zo zijn ook wij hier bij elkaar om inspiratie op te doen. Zodat we weer op kunnen staan of onze mond open kunnen doen.

     4. Muziek Janne Schra – Speak Up

Don’t hide your mouth behind your hand

Say it now, you’re allowed, I’m waiting

Don’t pretend you know it all, I’m waiting

Don’t be scared to fall

  1. Kaarsjes

Muziek: Salvador Sobral – Amar pelos Dois

‘Ik weet dat je niet in je eentje van elkaar kan houden’

  1. Bijbelverhaal Handelingen 2:1-13 (Bijbel in Gewone Taal)

‘Toen het Joodse Pinksterfeest begon, waren alle gelovigen bij elkaar in een huis. Opeens kwam er uit de hemel een vreemd geluid. Het klonk alsof het hard begon te waaien. Het was overal in het huis te horen. Ook zagen de gelovigen iets dat op vuur leek. Dat vuur verdeelde zich in vlammen, en op iedereen kwam een vlam neer. Zo kwam de heilige Geest in alle gelovigen. Daardoor begonnen ze te spreken in vreemde talen.

Op dat moment waren er in Jeruzalem veel Joden uit alle delen van de wereld. Ze waren gekomen om het Pinksterfeest te vieren. Toen het geluid uit de hemel klonk, kwamen ze er allemaal op af. Ze begrepen er niets van. Want iedereen hoorde de gelovigen spreken in zijn eigen taal. Iedereen was erg verbaasd en zei: ‘De mensen die daar praten, komen allemaal uit Galilea. Hoe kan het dan dat we ze allemaal horen spreken in onze eigen taal? Wij komen allemaal ergens anders vandaan….’

De mensen snapten er helemaal niets van, en ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. Ze vroegen aan elkaar: ‘Wat betekent dit toch allemaal?’ Maar anderen lachten om de gelovigen en zeigen: ‘Die mensen zijn gewoon dronken!’’

  1. Mijmering Transpiratie en inspiratie

Als infanteristen vertrouwen we op onze fysieke kracht. De groepen hebben dat karakter getoond afgelopen dagen in Strong Fusilier. En we denken hier natuurlijk terug aan de enorme krachtsinspanning van de lui die hier op D-Day zijn geland. Dat was niet misselijk. Toch is fysieke kracht niet alles. Met transpiratie alleen redt je het niet. Je hebt ook inspiratie nodig: mentale kracht. Maar ook die mentale kracht is niet onuitputtelijk. Het zou fijn zijn als je in zou kunnen pluggen op een soort mega-batterij zodat je nooit kracht te kort komt.

Vandaag is het Pinksteren, een feest dat daarover gaat. Pinksteren is één van de grote christelijke feesten, waarvan we gelezen hebben in de Bijbel. Even kort: Nadat Jezus gestorven was aan het kruis (Goede Vrijdag) is Hij opgestaan uit de dood (Pasen), meerdere keren verschenen aan zijn leerlingen, maar uiteindelijk definitief naar God de Vader gegaan (Hemelvaartsdag). Dat betekende dat de club van gelovigen in Jeruzalem een beetje beteuterd achterbleven: wat moesten ze nu? Ze hadden gedacht dat Jezus de wereld zou veranderen in een paradijs, maar nu is Hij weg… Dan op het Pinksterfeest zijn ze dus in Jeruzalem bij elkaar en ontvangen ze de Heilige Geest. Dat betekent dat God zelf ín hen kwam, hen van binnen veranderde, bekrachtigde, herschiep.

Wat hebben jij en ik hier nu aan? Het idee van Pinksteren, van deze uitstorting van de Heilige Geest, is dat deze krachtbron, dit lijntje met God voor iedereen beschikbaar is. In de Bijbel lees je van vóór de tijd van Jezus dat alleen bijzondere mensen een lijntje met God konden hebben. Alleen koningen, profeten, priesters. Hier wordt dat doorbroken. Een soort democratisering van het geloof. Nu hebben niet meer alleen de BC’n of de CC’n verbinding met de grote Romeo, maar iedereen. Voor God is iedereen gelijk. Dat zit ook achter dat talenwonder in dit gedeelte: God spreekt nu ieders persoonlijke taal.

Misschien zeg je: mooi idee, maar ik heb geen behoefte aan een speciaal lijntje met God. Ik zou zeggen: misschien niet in die woorden. Misschien is dat niet de taal die je van huis uit hebt meegekregen. Het woord ‘God’ zegt je misschien niet zoveel. Het is de taal die ik als dominee wel spreek in de kerk. We zitten soms zo vast in onze gewoonten, we hebben soms zo oogkleppen op (zoals die lui die suggereren dat de volgelingen van Jezus dronken zijn…), dat we geen verandermogelijkheden zien. Toch hebben we allemaal wel de ervaring dat er wonderen gebeuren in deze wereld, dat het leven een wonder is, dat we soms boven onszelf uitgetild worden, dat er soms dingen gebeuren die “toevallig” perfect zijn, dat er liefde in je leven komt. Waar het dan vandaan komt? Soms van de woorden van je maten, van thuis, of dit moment van bezinning, maar je vat weer moed, je ziet het weer zitten, je zet die stap waar je zolang tegen aan hikte, je spreekt de woorden die gesproken moeten worden. Hoe jij die inspiratie noemt, maakt mij niet uit. Ik noem het ‘Heilige Geest’.

Pinksteren is het feest waarop gezegd wordt, wat er gezegd moet worden, verstaanbaar voor ieder. Daarin zit ook iets van een wensdroom, van een toekomstvisie: openheid en eerlijkheid, de ruimte en vrijheid van meningsuiting. Zo is de wereld nog niet. Maar laat het jou er niet van weerhouden alvast zó te leven.

  1. Muziek Stef Bos – Lied van Petrus: Vlees en bloed

Ik heb mijn huis en mijn haard verlaten

Wie ik liefhad nog één keer gekust

De veilige haven verlaten

En ik wist ik kom hier nooit meer terug

Want beter een  oorlog

Dan gewapende vrede

Beter opzoek gaan

Dan altijd gewacht

Beter gevallen

Dan nooit gesprongen

En beter de liefde verloren

Dan nooit liefgehad

  1. Gebed (Onze Vader)
  1. Muziek Ramses Shaffy – Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
  1. Zegen

Laten Gods vrede en de rust van dit moment je lang bij mogen blijven.

Rode draad (6) – Evangelisten

Themapreek over de vier Evangeliën en Handelingen in de serie ‘Rode draad van de Bijbel’ gehouden in Everdingen.

De vier evangelisten omringen de verheerlijkte Christus op het tympaan van St. Trophime in Arles.

Gemeente van Jezus Christus,

Met wat voor soort boek zou je de Bijbel vergelijken? Als je in de bibliotheek rondloopt zie je allerlei soorten boeken. Een leesboek met spannende verhalen? Een encyclopedie? Een dik boek waar over van alle onderwerpen wat in staat. Een reisgids: informatie over verre en vreemde landen. Sprookjesboeken staan er ook. Zouden die net als de Bijbel zijn? Sommige mensen zeggen van wel.

Er staan ook ‘biografieën’. Een moeilijk woord voor een ‘levensbeschrijving’. Daarin lees je alles over een bepaald persoon, over zijn leven, zijn werk, zijn tijd en achtergrond. Over allerlei beroemde mensen zijn biografieën geschreven, vaak een dikke pil. Ik denk dat je daar de hele Bijbel wel mee kunt vergelijken. Want er staan 1000’en verhalen in de Bijbel uit allerlei verschillende tijden, maar het gaat altijd over één Persoon. Over God. Als je de Bijbel van voor tot achter uit leest, dan heb je vooral met Hem kennis gemaakt.

Heel in het bijzonder geldt dat voor de evangeliën. Die geven de ‘biografie van Jezus’. Ze vertellen over Jezus’ leven van zijn geboorte in Bethlehem tot zijn dood en opstanding.

Het gekke is natuurlijk dat er vier evangeliën zijn. Mattheus, Markus, Lukas en Johannes hebben alle vier hetzelfde gedaan: een biografie van Jezus geschreven. Is dat niet overdreven? Hadden we er aan ééntje niet genoeg gehad? Al in de vroeg-christelijke kerk heeft men geprobeerd om deze vier samen te voegen tot één. Dat is toch handiger om alle feiten op een rij te hebben. Nu is veel dubbel, driedubbel of vierdubbel op. Víer keer wordt bijvoorbeeld verteld dat Jezus gekruisigd werd…

Toch is het erg jammer als we dat zouden doen. Niet voor niets noemen deze vier hun boekje niet ‘biografie’, maar ‘het evangelie van Jezus Christus’. Hun bedoeling is niet om netjes het leven van Jezus voor ons op een rij te zetten als een soort droge wetenschappelijke kost. Informatie is niet hun doel. Nee, ze presenteren Jezus expres zó dat je onder de indruk van Hem komt. Je komt Hem als het ware tegen in hun boekjes, je ontmoet Hem. Heeft u die ervaring wel eens gehad? Zo nee, dan heeft u waarschijnlijk nog nooit in een avondje één evangelie van vóór tot achter gelezen. Moet u eens doen in de vakantie. Dan kom je Jezus tegen. Dat is een bijzondere ervaring. Dat doet wat met je. Ga er maar eens voor zitten.

Markus’ ontmoeting: toekomst!

Als je ergens wilt beginnen, begin dan bij Markus. Markus is het oudste evangelie. Rond het jaar geschreven. Zonder opsmuk presenteert hij het leven van Jezus: Zó ging het. Dit zei Hij. Zo was Hij.

Markus 1,14 En nadat Johannes overgeleverd was, ging Jezus naar Galilea en predikte het Evangelie van het Koninkrijk van God, 15 en Hij zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen;  bekeer u en geloof het Evangelie.

Gelijk valt op dat de dingen die Jezus hier zegt heftig zijn en radicaal. In Israël wachtten velen op de vervulling van de beloften uit het Oude Testament, dat God eens de wereld níeuw zou maken, dat Hijzelf het Koninkrijk van David weer op zou richten en ditmaal over de hele wereld zou uitstrekken. Markus zegt het tegen ons: Weet je, dat is wie Jezus beweerde te zijn en wat hij kwam doen.

Dé kern van het hele evangelie van Markus vinden we in hoofdstuk 8:

8:27 En onderweg stelde Hij Zijn discipelen een vraag; Hij zei tegen hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben? 28 En zij antwoordden:  Johannes de Doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Een van de profeten. 29 En Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zei tegen Hem:  U bent de Christus. 30 En Hij gebood hun streng dat zij met niemand over Hem zouden spreken. 31 En Hij begon hun te onderwijzen dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.

Twee dingen treffen mij hierin: Wij ontmoeten hier Jezus, die tegen zijn discipelen in de kleine kring zegt, als ze een beetje aarzelend naar voren brengen wat voor ideeën er zoal over Jezus leven: ‘Maar u, wie zegt u dat Ik ben!’ En als je dat leest, dan komen die woorden uit de tekst omhoog, die komen ook naar u en mij toe: ‘En jij, u, wie denk jij dat Ik, Jezus ben!’ Spreek je uit! Ga de confrontatie aan! In onze postmoderne tijd laten we dat soort vragen het liefst open. Maar Markus daagt je uit nu eens knopen door te hakken in je leven: Wil je wat met Jezus of niet? Erken je Hem als je Messias, je Heer en volg je Hem door dik en dun. Óf haak je af. Tot die beslissing wordt je uitgenodigd.

Het tweede dat mij treft: Jezus blijkt héél anders te zijn dan je denkt. Gelijk erachteraan spreekt Jezus over zijn lijden en opstanding. Dat is niet iets wat je van je nieuwe koning verwacht. Markus presenteert Jezus als een koning-knecht: Via de weg van dienen en lijden, de weg door de diepte, zal Hij koning zijn en zo zal Hij in eeuwigheid regeren, en jíj mag daarbij horen.

Als het goed is, heeft Jezus Christus, zoals Markus Hem presenteert, zoals wij Hem ontmoeten in zijn evangelie, iets van een openbaring van God, een blikseminslag van Boven. Jezus is zó anders, zó geweldig, zó liefdevol, zó radicaal, dat je stilvalt: je gaat anders denken over God, over jezelf, over de wereld, het doel van je leven. Alsof je altijd in een donkere kamer zat en je plotseling het licht inloopt: verblindend, maar ook schitterend! Je leven neemt een ongedachte wending: in plaats van je uitgestippelde planning en al je plannen, is er nu opeens een nieuwe toekomst tot in eeuwigheid. Je leven krijgt door Jezus Christus te ontmoeten opeens een hele nieuwe dimensie.

Johannes’ ontmoeting: binnen!

Johannes is de evangelist die daar dieper met ons op in gaat. Wat doet het met je als je Jezus leert kennen? Als de liefde van God je leven gaat vullen?

Johannes heeft dat zelf meegemaakt, hij is zelf een discipel geweest, heeft jaren met Jezus opgetrokken, niet alleen die drie jaar dat Jezus op aarde was, maar ook daarna. Pas rond het jaar 90 is zijn evangelie af. Johannes is dan een oude man. Een leven lang ervaring met Jezus ligt erin besloten. Hij schrijft dan:

Johannes 1,14 En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond  (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader),  vol van genade en waarheid. …  17 Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon,  Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.

U voelt wel: Hier zegt Johannes véél méér dan alleen de droge informatie dat Jezus de Zoon van God was. Je voelt de vreugde hierin tintelen. God heeft geen geheimen meer voor mij! Ik heb Hem leren kennen, echt, ten diepste, door Jezus. Niet dat ik het nu snap, maar Hij heeft mijn hart gestolen. De Jood Johannes heeft Jezus leren kennen als de definitieve openbaring van de God van Israël. Hij heeft Zijn volk bezocht om te redden en te herstellen. Op het oog was Jezus niet zo bijzonder. En zijn weg was een weg van vernedering. Maar wat is het heerlijk om met Hem op te trekken. Nog nooit had iemand Hem zo líef gehad, zoals Jezus hem lief had. En vergis je niet: Geen softe liefde, maar koninklijke liefde. Reddend van de zonde. Sterker dan de dood. En Johannes gunt dat ook zo aan u en jou. Aan het slot schrijft hij:

20,30 Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel  veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, 31 maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.

Geloof, dat is dat Jezus je hart steelt. Dat je je overgeeft aan Hem. Johannes schrijft dat dat nu ‘wedergeboorte’ is. Je wordt een nieuw mens, je ontvangt een nieuw leven, een eeuwig leven door met Jezus te leven. Door Jezus sta je innerlijk in verbinding met God zelf. De ontmoeting met Jezus verandert je. Je kunt dat mystiek noemen, spiritualiteit, maar maak het niet te zweverig: het gaat nog steeds om dezelfde Jezus van Nazareth, die met Zijn Geest binnen in ons woont. Lees de Bijbel niet als je niet veranderen wilt, als je tevreden bent met jezelf en de wereld om je heen…

Mattheus’ ontmoeting: verleden!

Daar zit natuurlijk een spannend punt, dat staat voorop in het evangelie van Mattheus. Er zijn altijd mensen geweest die niet van verandering houden. Ten diepste houdt misschien wel niemand daarvan. Zeker als iemand ánders tegen jou zegt dat je iets anders moet gaan doen! In Jezus’ tijd was dat heel duidelijk in de stroming van de Farizeeërs die zich strikt hielden aan al de wetten van Mozes en de mondelinge overlevering.

Ze hadden voor hun gevoel alles helder en onder controle tot Jezus daar doorheen kwam fietsen. Wat haalt Jezus zich in Zijn hoofd? Waar haalt Hij het vandaan?

Mattheus schrijft zijn evangelie, een bewerking van het Markus-evangelie, aangevuld met extra preken en daden van Jezus, rond het jaar 70 n.Chr. Tot dan is het christendom een stroming binnen het jodendom, maar die spanning loopt al maar op. Tegen alle beschuldigingen van nieuwlichterij laat Mattheus zien dat Jezus de ware voortzetting is van het Oude Testament. Lees maar mee in de Bergrede bijvoorbeeld:

Mattheus 5,1 Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem. 2 En Hij opende Zijn mond en onderwees hen. Hij zei: 3 Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen. … 17 Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik en niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. … 43 U hebt gehoord dat er gezegd is:  U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. 44 Maar Ik zeg u:  Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en  bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; 45 zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Mattheus portretteert Jezus hier als de nieuwe Mozes die Gods geboden doorgeeft vanaf de berg. Jezus zegt heel duidelijk dat Hij geen breuk wil met dat grote verleden van Gods openbaring. Alleen wel met wat mensen daarvan gemaakt hebben. De geboden van God brengt Jezus terug tot hun essentie en radicaliteit.  Er is inderdaad een conflict tussen de weg die Jezus gaat en de weg die de Farizeeën gaan, maar Mattheus laat zien dat Jezus’ weg Gods weg is met Israël. De erfenis en het koningschap rust op de schouders van Jezus Christus en het staat Hem vrij dat uit te delen aan wie Hij wil.

Zo ontmoet je Jezus in het evangelie van Mattheus: Hij nodigt ook u uit om u in die grote geschiedenis van God met Zijn volk in te voegen.  Om je kleine leven te beleven in die grandioze verbondsgeschiedenis. Volg mij! Maak deel uit van Mijn Koninkrijk, van een gemeenschap van discipelen. Je eigen veiligheid en ideeën geef je op, om je te laten leren door de ware Koning van Israël, Jezus Christus.

Lukas’ ontmoeting: buiten!

De komst van Jezus Christus in deze wereld zorgde niet alleen in Israël voor opschudding. Het is ook een steen in de vijver. Na de grote plons, zie je kringen wijder en wijder worden tot het hele oppervlak van de vijver in beweging is en de golfjes klotsen tegen alle kanten. Het evangelie van Jezus Christus gaat zo vanuit Israël de hele wereld over, naar buiten toe, steeds verder, tot de einden van de aarde. Lukas beschrijft dat hele proces van de grote plons, geboorte, kruis en opstanding van de Zoon van God, en vervolgens de zending gedreven door de Geest van Christus van Jeruzalem, naar Samaria, naar de heidenen, naar het hartje van Rome. Hij doet dat in twee delen: Het eerste deel, het evangelie van Lukas is een bewerking van het Evangelie van Markus. Hij vult het aan met deel 2: De Handelingen der Apostelen.

Voor Lukas is duidelijk dat Pinksteren en de zending helemaal bij het werk van Jezus horen. Want Jezus is Heer. Wat dat betekent probeert Lukas zo nuchter en feitelijk mogelijk op te schrijven, zodat het ook voor buitenstaanders begrijpelijk is:

Lukas 1,1 Aangezien velen ter hand genomen hebben een verslag op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben, 2 zoals zij die van het begin af ooggetuigen en dienaren van het Woord zijn geweest, aan ons overgeleverd hebben, 3 heeft het ook mij goedgedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het geordend voor u te beschrijven, hooggeachte Theofilus, 4 opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u onderwezen bent.

Lukas wil serieus genomen worden, merk je. Hij vertelt geen praatjes. En dat geldt ook voor Jezus, zoals wij Hem bij Lukas ontmoeten. Niet zomaar een plattelandsmessias, maar één die alle verwachtingen waarmaakt én overstijgt.

Handelingen 1,6 Zij dan die samengekomen waren, vroegen Hem:  Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen? 7 En Hij zei tegen hen:  Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, 8 maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal;  en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.

De discipelen stelden geen verkeerde vraag, maar een te beperkte vraag. Ze dachten nog te klein over Jezus. Al lezend in deel 1 en deel 2 van Lukas zie je de grote daden van God om héél te wereld te redden van zonde en oordeel. Jezus ontmoeten wij en Hij nodigt ons door de kracht van Zijn Geest uit om Zijn regering over ons leven en héél de wereld te erkennen en Hem te aanbidden als onze God.

Zo ontmoeten wij Jezus op vier manieren in de vier evangeliën. Dat is de rode draad: Jezus ontmoeten. Op vier manieren wordt je leven opengebroken: je krijgt een ander toekomstperspectief door te leven met Jezus, je leven verandert erdoor, je gaat deel uitmaken van Gods volk en Koninkrijk, je leeft onder de regering van Jezus Christus.

Amen

Droom lekker verder, Petrus!

Preek van 1e Pinksterdag over Handelingen 2,14-36

Masolino da Panicale - St. Petrus prekend (fresco, 1426-7)

Masolino da Panicale – St. Petrus prekend (fresco, 1426-7)

Gemeente van Jezus Christus,

Droom je wel eens? Vast wel. Ik ook. Ik ben alleen niet zo goed in het onthouden van wat ik gedroomd heb. ’s Morgens als ik wakker wordt, dan staat me vaag nog wel iets bij. Maar het is heel moeilijk om precies na te vertellen wat je nu precies in mijn dromen allemaal heb meegemaakt. Dat weet je nog het best nét als je wakker wordt, nog een beetje slaapdronken, maar daarna lijkt het wel alsof die herinneringen als los zand door je vingers glippen. In je dromen kan alles…

Als we horen over Pinksteren, lijkt het ook wel een beetje een droom. Er gebeurt van alles wat normaal niet gebeurt: De 12 apostelen en andere leerlingen zijn bij elkaar in de tempel als plotseling op hun hoofden vuurvlammen verschijnen en er een geluid klinkt als van een geweldige stormwind. En opeens beginnen zij allemaal te praten. Te preken. Over de grote daden van God. En de omstanders horen hen allemaal in hun eigen moederstaal. Het is niet normaal wat daar gebeurt. Het klinkt ons vreemd in de oren. En niet alleen ons. Heel wat van de omstanders zelf zeggen ook: ‘Ze zijn dronken.’

Maar dan staat Petrus op: ‘Nee, beste mensen, wij zijn niet dronken! ’t Is pas negen uur ’s ochtends. Wat denken jullie wel van ons! Dit’, zegt Petrus, ‘dit is wat Joël al gezegd heeft: ‘En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees en uw zonen en  uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen.’

Ah, Petrus is niet dronken… Hij droomt… Hij is een beetje vaag aan het doen. Hij is ‘vol van de heilige Geest’. Ik weet niet wat u zich daarbij voorstelt, maar in de ogen van zijn tijdgenoten lijken hij en zijn collega’s een beetje dronken. Ze worden loslippig. Raken een beetje doorgedraaid. Je herkent het wel als je wel eens een glaasje teveel hebt gedronken. Het programma Op zoek naar God ging met Gordon een paar jaar geleden op bezoek bij een charismatische pinkstergemeente in Amerika. Hij geloofde zijn ogen niet. De gemeenteleden dansten in het rond, lagen te lachen op de grond, spraken in onverstaanbare tongentaal. Wat is dit, dacht Gordon. En hij flapte het eruit: ‘Het lijkt wel of ik een gekkenhuis ben beland!’ En hij voelde zich er echt niet op zijn gemak.

En moet je horen wat Petrus verder zegt: ‘En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt.’

Petrus bedoelt: Dat gebeurt op dit moment, die uitstoring van de Geest, die vlammen van vuur! Dat is wat Joël heeft voorzegd! Lang geleden heeft Joël geprofeteerd dat er een dag zou komen, waarop de wereld zou vergaan. Een dag waarop God zelf uit de hemel af zou dalen met zijn engelenlegioenen. Ten oorlog tegen het kwaad. Uit toorn over alle zonde op de wereld. Op die dag zal de aarde verteert worden door vuur. De grote laatste oorlog, de definitieve slag. Ieder die het tegen God durft op te nemen, legt het af. De zon gaat uit. De maan en sterren worden verduisterd. Een dag van grote donkerheid. Maar het volk van God zal blij en verheugd zijn, ze zullen God prijzen, en mogen wonen in het beloofde land, veilig en in overvloed. Met God te midden van hen.

Eindelijk, roept Petrus, eindelijk is het zover. Dit gebeurt nu! Dit is Pinksteren!

Eh, meneer Petrus… droomt u niet een beetje? Ok, er zitten gekke vuurvlammen op jullie hoofden, die ik niet helemaal kan verklaren. Maar om nu te zeggen met Joël: ‘En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed.’ Dat zie ik toch allemaal niet zo… Verbeeld je je het niet? Wil je misschien zó graag dat dat gaat gebeuren, dat je erover gaat dromen? Dat kan, hè. Dat waar je vandaag over loopt te denken of piekeren, dat dat ’s nachts terugkomt in je dromen. De wens is de vader van de gedachte, zegt men wel eens.

En zo zegt men ook wel eens van ons christenen: Jullie verbeelden je het allemaal maar. En daar kunnen we ons inderdaad best iets bij voorstellen. Het is ook bijna te mooi om waar te zijn. Een God in de hemel die van ons houdt. Die zijn enige Zoon voor ons over heeft en Hem laat kruisigen, om onze schuld te betalen. Hij, die nu over alles regeert. Daar kun je inderdaad van alles tegen in brengen. Wat zie je daar nu werkelijk van om je heen? Wat merk je daar nu echt van? In werkelijkheid is het allemaal niet zo spectaculair in de kerk. Ook niet met Pinksteren. Vandaag zijn er hier zelfs geen vuurvlammen en geen geluid van een stormwind.

Het is allemaal niet zo spectaculair als Joël geprofeteerd heeft. Zie je dat wel goed, Petrus? Droom je niet? Nee. Toch niet. We zitten toch ook niet in de kerk omdat dat zo spectaculair is. Ik weet wel, wij mensen houden daar wel van. Hoe meer spektakel hoe beter. Films in de bioscoop houden ons vanaf de eerste beelden aan het scherm gekluisterd. Deze week begint het WK, de tv-verkoop zit in de lift. We willen het allemaal volgen. De hoogtepunten niet missen. Zelfs met het nieuws in de krant en op tv is het tegenwoordig zo dat men scoort met heftige beelden, met vette koppen. Als het nodig is worden de kleinste dingen opgeklopt tot iets groots. En iedereen buitelt over elkaar heen met meningen en commentaar om schande te roepen.

Maakt Petrus zich daar ook schuldig aan? Wil hij het spectaculairder maken dan het is? Nee. Het gaat hem niet om het spektakel, om die tekenen van Joël die inderdaad niet letterlijk allemaal in vervulling gaan met Pinksteren. Dat ziet hij trouwens zelf ook wel. Het citaat uit Joël is een klein beetje aangepast. Petrus zegt ‘Het zal zijn in de laatste dagen…’. Dat staat er in Joël niet. Bij hem is het: ‘Op die dag!’ Petrus smeert het wat uit. Creëert wat ruimte. Het gaat in vervulling, zegt Petrus, maar niet allemaal vandaag, maar vanaf vandaag. Nu gaat het beginnen. We leven hiernaar toe.

De kern zit dan ook niet in de tekenen, in het spectaculaire, maar in de uitstorting van de heilige Geest. Waar zoveel mee gezegd is als: God komt zelf naar de mensen toe. En dat is een indrukwekkende gedachte. Het uitstorten van de heilige Geest, dat is niet zoals met een klein gietertje hier en daar wat water bij de plantjes in de vensterbank doen, een slokje per dag. Het is meer een stortbui. Een stortvloed. Waarvan je tot op de draad toe nat wordt. Of, daar kun je het ook mee vergelijken met een waterkanon. De ME gebruikt dat wel eens bij ernstige rellen. Een soort brandweerauto met een gigantische waterspuit, waarmee ze een menigte mensen zo uit elkaar kunnen spuiten. Een keiharde waterstraal, die je niet kunt trotseren, waarvan je niet op de voeten blijft staan. Nou, zo, zo is de heilige Geest. Zo werkt Hij.

En dat zit niet in de vlammen en de wind. Daarvan zijn de mensen met Pinksteren nog niet zo onder de indruk. Nee, het zit in de woorden. In de preek van Petrus. Het is een preek, het zijn Woorden van God, die mensen omver blazen. Petrus droomt dat niet. Na afloop van de preek, lees je dat er 3000 mensen geraakt zijn, tot bekering komen en zich laten dopen.

Het spektakel zit met Pinksteren in de preek.

Want Petrus droomt niet. De heilige Geest laat hem juist scherp zien. De heilige Geest laat ons profeteren, staat er, en dromen dromen en visioenen zien. Dat betekent niet dat we dingen zien die er niet zijn. Eerder andersom: Wij gaan de dingen zien zoals ze zijn. In hun juiste verhoudingen. We gaan zien wat er toe doet en wat niet. En verder nog: Je gaat zien waar God aan het werk is. Wat Hij van je wil. De heilige Geest wil voor ons zijn als een bril. Zonder bril, zie ik nog wel aardig, ik zie nog kleuren en vormen, maar ik herken jullie niet meer en kan dat bord nauwelijks lezen. Maar met bril, wordt alles opeens duidelijk en helder.

Zo is het met Pinksteren. De heilige Geest geeft Petrus en de apostelen een diep inzicht. Allereerst is dat dan een inzicht in het Woord, in het Oude Testament. In deze preek staan drie uitgebreide citaten. Eerst uit Joël en later ook nog twee uit de psalmen. Uit psalm 16 en psalm 110. Die schriftgedeelten kenden alle joden die naar Petrus stonden te luisteren. Want op het Pinksterfeest kwamen alle vrome, wetsgetrouwe Joden naar Jeruzalem voor het feest. En dat is Petrus’ publiek. Met bijbelkennis zit het bij hen wel snor. Maar Petrus zegt: ‘Hebben jullie het ooit wel goed gelezen. Heb je wel gezien waar het daar eigenlijk over gaat? Over wie het daar gaat?’

Beste mensen, het gaat over Jezus. Ja, die Jezus van Nazareth. Want Hij mag dan gekruisigd zijn. Hij is opgestaan uit de dood. De dood kon Hem niet vasthouden. Dat is toch wat David heeft geschreven: ‘want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.’ Maar David is dood en begraven en zijn graf is hier in Jeruzalem. Maar het graf van Jezus is leeg, want Hij is opgestaan! Jezus is de Heer over wie David het had!

De Pinksterpreek van Petrus is in feite een paaspreek: Met Pinksteren gaat het over dat feit, over diezelfde opgestane, levende Jezus. Met Pinksteren wordt het niet opeens allemaal vaag en zweverig. Gaan we het niet opeens hebben over allerlei geestelijke dingen. Nee, Petrus drukt ons, ook u en mij, met de neus op de feiten. Zie het nou maar eens onder ogen, zegt hij tegen zijn publiek en tegen ons. Die Jezus die jullie gekruisigd hebben. Die Jezus waarvan je denkt dat hij dood en begraven is. Die Jezus waar je gehoopt had vanaf te zijn. Die Jezus leeft. En die Jezus stort Zijn Geest uit over ons. Die Jezus laat mij hier verkondigen.

Wat je met Pinksteren ziet en hoort is niet minder dan een bewijs van de waarheid van het evangelie. Het betekent dat je er vanaf nu niet meer omheen kan. Niet meer om Jezus heen. En Petrus klinkt aardig overtuigd. En dat niet alleen. Zijn woorden zijn raak. Hij is niet alleen getuige, en overtuigd, maar overtuigt ook. Dat is de heilige Geest, kun je beter zeggen. Hij verslaat de schriftgeleerden met hun eigen Schrift. Het Woord gaat leven. Is als een tweesnijdend scherp zwaard.

En het treft ook ons. Door datzelfde Woord spreekt Jezus ons door Zijn Geest ook aan. Diezelfde ernst, dat ontzag. Dat diepe inzicht, dat treft ook ons. Die lange citaten uit het Oude Testament spreken ons misschien niet zo aan. Die spreken niet echt tot onze verbeelding. Maar ook tot u en jou klinkt het daaruit: Jezus Christus is de Heere. Dat wil zeggen: Hij is uw God.

Heel veel mensen in ons land geloven wel in iets, of zelfs: in God. Maar we hebben zelden scherp wat we daarmee bedoelen. Petrus zegt nu tegen ons: God? Jezus, zul je bedoelen. Hij is de Heere. Met Hem heb je als mens te maken. Of je wilt of niet. Petrus confronteert behoorlijk. En je kunt je een beetje voorstellen hoe het bij zijn hoorders overgekomen is. Want die Jezus hebben zij net vermoord. En nu blijkt Hij toch de messias te zijn geweest, de Zoon van God, God zelf. O, schrik.

De feiten die Petrus nog eens voor hen uiteen zet, blazen hen van hun sokken.

Waarom moeten ze daarvan schrikken? Waarom zouden wij daarvan moeten schrikken?

Omdat Jezus ten hemel gevaren is, en Hij nu zit aan de rechterhand van God. De heilige Geest doet Petrus denken aan psalm 110, waar staat: ‘De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.’ En dat is precies het probleem, want die vijanden, dat kunnen ze heel goed op zichzelf betrekken…. Dat slaat op hen.

De ernst en de urgentie van Pinksteren zit daarin dat Petrus zegt: Vanaf nu worden de rollen omgedraaid. Nu gaat blijken wie er werkelijk de baas is in de wereld en over de mensen. Het laatste oordeel komt eraan. De komst van Jezus in heerlijkheid. Dat wat je vandaag ziet en hoort is daar een voorbode van. En in principe is dat vandaag voor ons net zo: Deze preek, die u nu hoort, is een voorbode, een boodschap vooraf, gedrongen door de Geest, ook aan u: Bereidt u voor, want straks is het zover. Straks staat u voor Jezus Christus. En dan?

Pinksteren is als D-day. Eergisteren werd het herdacht in Normandië. 6 juni 1944. 70 jaar geleden. Toen landden de geallieerden in de grootste vloot ooit op aarde geweest met 130.000 man op het vaste land van Europa. Het begin van de ondergang van het rijk van Hitler. Het begin van het einde. Dat is Pinksteren. Vanaf Pinksteren krijgt God de heilige Geest vaste voet aan de grond op aarde. Vanuit Jeruzalem wordt het Koninkrijk van Christus uitgebreid, gaat doorbreken, verslaat de vijanden, de zonde, de duivel, het kwaad.

Pinksteren is de start van het laatste grote offensief van Christus om de hele wereld voor zich te winnen. Nee, niet zoals met D-day met wapens. Niet, zoals de islam is gegroeid, met een jihad, een heilige oorlog. Maar met de Geest, met het Woord. Waar wapens alleen mensen lichamelijk kunnen raken, raken Geest en Woord ons hart, onze ziel. God treft ons dieper dan kogels ons kunnen treffen. Hij treft ons in onze zonde, in onze zelfzucht, in ons verlangen om zelf uit te maken wat goed voor ons is. Hij treft ons in onze eigen koninkrijkjes van status en schone schijn, van genot en geluk. Hij haalt ons hele leven over hoop en dwingt ons tot één keus: Knielen voor Jezus of dienen als voetbank voor Zijn voeten.

U en ik, wij leven in die laatste fase van de wereldgeschiedenis. De wereldgeschiedenis loopt ten einde. De belangrijkste, beslissende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. In Jezus Christus. We kunnen niet anders dan telkens terugverwijzen naar Hem. Heel de Pinksterpreek van Petrus is één grote schijnwerper op het leven en werk van Jezus. Niet voor niets rekenen we in onze jaartelling in jaren vóór Christus en jaren ná Christus. Hij vormt het centrum, het midden van alles. Deze Jezus, zegt Petrus in vers 23. Deze Jezus, zegt Petrus in vers 32. Deze Jezus, zegt Petrus in vers 36: ‘Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.’

Ja, dat is schrikken. We denken vaak dat het ons leven wel een beetje zo voortkabbelt. De ene dag lijkt op de ander. Voor je het weet zijn er weer wat weken, maanden of jaren om. We leven ons leven, doen ons ding. Gaan naar school. Maken plannen voor de toekomst. Genieten van het mooie weer. En dat mag allemaal. Daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat je wel goed moet kijken, dat je de bril van het Woord en de Geest op zet. De tijd waarin wij leven is niet zo onschuldig als we soms denken. In ons beschermde wereldje, in Everdingen, daar lijkt het allemaal rustig. Maar miljoenen broeders en zusters die vervolgt worden, die vandaag in het geheim bij elkaar zijn, die gevangen zitten, die ervaren aan den lijve dat er een strijd bezig is in deze wereld.

En kunnen we dat ergens niet in onszelf ook ervaren? De strijd van de Geest is niet alleen iets van het verscheurde wereldtoneel, maar ook van ons verscheurde hart. Ook in ons laat de Geest de strijd ontbranden tegen zonde en ongeloof, tegen wereldgezindheid, schijnheiligheid en liefdeloosheid. Het vuur van Pinksteren zet ook onze ziel in vuur en vlam. Om te verteren alles wat tegen Jezus in gaat. Zoals Paulus schrijft in Galaten: ‘Want het vlees begeert tegen de Geest in, en de Geest tegen het vlees in; en die staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u zou willen.’

Vanuit Psalm 110 en Psalm 16 toont Petrus aan dat Jezus de messias, de Heer is. En daarmee krijgt die ene zin uit Joël opeens een diepe glans (vers 21): ‘En het zal zo zijn dat ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.’ Pinksteren is wel ernstig, en urgent, maar het is niet alleen een oorlogsverklaring. Het is ook een laatste vredesaanbod. Een laatste kans. Om zalig te worden. Dat is: gered te worden. Gered van de toorn van God. Dat is nog mogelijk. Dat we als mensen Jezus vermoord hebben, dat zou onze ondergang moeten betekenen, zou je denken. Daarmee hebben we onze laatste kans verspeeld. Maar Jezus, onze Goede Heere en Heiland, zegt van niet. Door Zijn Geest. Ook tot u vandaag: U kunt nog worden gered. U kunt zalig worden. Als u de naam van Jezus aanroept. Dat wil zeggen: Als je je bekeert tot Hem. Als je je afwendt van je zonden, en je aan Hem toevertrouwt. Naar Hem overloopt. Maar dan ook helemaal. Je hele hebben en houden voor Hem neerlegt: ‘Heere, hier ben ik. Neem mij in uw genade aan. Ik weet dat ik een zondig mens ben. Dat ik u grenzeloos veel verdriet heb gedaan en nog doe. Maar U bent de Heere. U bent Christus. Ontferm u over mij.’

Zo ligt in het Pinksterfeest, in de uitstorting van de heilige Geest ook onze enige troost in leven en sterven. We mogen zeker zijn van de waarheid van Petrus’ woorden. Het is het Woord van God dat in vervulling gaat. 3 citaten uit het Oude Testament, want door 3 getuigen staat iets werkelijk vast. Jezus houdt woord. ‘Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft…’ Het gaat niet om allerlei dromerijen en verbeelding met Pinksteren. Geen vaag geloof en spiritueel gevoel, maar de harde feiten van kruis en opstanding, van hemelvaart en wederkomst, die zijn het waarop wij ons leven mogen bouwen.

Boven zichzelf uit spreekt Petrus. Dat wel. Gedreven en bewogen door de Geest ziet hij al meer dan wat met onze ogen zichtbaar is. En met dat citaat uit Joël, geeft hij aan dat wij dat ook mogen doen. Boven onszelf uitstijgen. Uit ons eigen leventje opkijken naar de hemel. Niet meer in onszelf en onze eigen zorgen gevangen. Maar Jezus’ Naam aanroepend zeker van de grote morgen die daagt aan de horizon, van het Koninkrijk van Christus dat doorbreekt.

Laat het u ook dromen? Het bijzondere van christelijk dromen is, dat we er niet dromerig en slaperig van inzakken, maar erdoor in beweging komen. Petrus kan zijn mond niet houden. De andere apostelen ook niet. Ze laten zich door hun dromen en visioenen de hele wereld over drijven. Niet kijkend naar de golven, maar Jezus Christus in het oog houdend. Dat mag vandaag ook: Ik weet wel. Als je kijkt naar de kerk, naar de gemeente, dan denk je soms: Het is ook maar een zootje ongeregeld bij elkaar. Wat komt er terecht van alle mooie woorden van ware liefde, van oprecht geloof, van vurige hoop. Wat vallen mensen en medechristenen soms tegen. Ja, dan verlies je Jezus Christus uit het oog. Vul mij opnieuw met Uw heilige Geest. Laat mij dromen dromen en visioenen zien. Geef mij de bril van Uw Geest. Leer mij door alles heen, U zien, Uw werk, Uw regering, Uw koninkrijk dat komt!

Gemeente, het is elke dag Pinksteren als je zo leeft bij het Woord van God, bij zijn beloften en daarop bouwt.

Amen

Wees geen hemelstaarder!

Preek gehouden op Hemelvaartsdag 2014 te Everdingen over Handelingen 1:6-14


 

hemelstaarders

Houtschildering ca. 1200 n.Chr. (detail)

Gemeente van Jezus Christus,

Je hebt vast wel eens iemand uitgezwaaid. Iemand die bij jullie op bezoek was. Opa of oma. Vriendjes of vriendinnetjes. Heel gezellig is het als er een poosje mensen logeren bij jullie in huis, blijven eten, spelletjes doen. Het zorgt voor leven in huis, drukte. Je verveelt je geen moment. Het heeft iets feestelijks. Mama kookt iets lekkers. Je krijgt taart of snoep bij het drinken. Maar aan alle pret komt een einde. Het bezoek vertrekt ook weer een keer. Enthousiast zwaai je de gasten uit tot je hun auto om de hoek ziet verdwijnen. Op één of andere manier voelt het dan vreemd leeg in huis.

Je kunt je wel voorstellen dat de leerlingen van Jezus zich ook zoiets hebben gevoeld. Jezus gaat ook van hen weg. Drie jaar lang is hij bij hen geweeest. Ze hebben zich geen moment verveeld. De laatste 40 dagen na Pasen waren heel bijzonder geweest. Jezus verscheen keer op keer aan hen, at met hen en sprak met hen. En nu gaat Hij weg. Voor hoe lang weten ze eigenlijk niet. Voor een paar weken? Voor een half jaren? Of jaren? Jezus vertrekt naar de hemel. Vers 9 en 10: ‘En nadat Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En zij hielden, terwijl Hij van hen wegging, hun ogen naar de hemel gericht’. Ze staren Hem na. Jezus verdwijnt uit het gezicht. Achter de wolken. Dan is Hij weg.

En Hij is nog steeds weg. Zoveel kunnen we vandaag op Hemelvaartsdag wel zeggen. Ook wij staren Hem vandaag als het ware na. En misschien voelen we ons daarbij wel een beetje hetzelfde als Zijn leerlingen. Hemelvaartsdag mag dan een christelijke feestdag heten, het feestelijke ervan dringt maar moeilijk tot ons door. We kunnen ons als christenen ook wel een beetje leeg en verloren voelen. We mogen dan geloven dat Jezus in de hemel is, wij zijn hier op aarde. Het enige dat we kunnen doen is naar de hemel staren.

Voor ons gevoel is er een kloof gekomen tussen het aardse. Ons leven hier en nu, werk, school, gezin. En het hemelse: ons geloof in Jezus. Een kloof tussen het geestelijke en het lichamelijke. Thuis en doordeweeks gaat het om het aardse. ’s Zondags hier in de kerk staren we als het ware naar de hemel. En als wij bidden, bidden we naar de hemel. Dan zijn onze gedachten gericht op God. Christenen zijn hemelgerichte mensen. Niet werelds, maar hemels.

Het christelijk geloof is voor veel mensen daarom maar vaag. ‘Jullie geloven in dingen die je niet kan zien.’ Het gaat over het ‘hogere’. We kunnen het zelfs een beetje als houding verheerlijken. De verachting van het aardse leven. De overdenking van het hemelse! Of zien we dat als achterhaald? Dat kan ook. Dat je Jezus helemaal niet zo nakijkt en mist. Laat hem maar lekker naar de hemel gaan, dan hebben wij het rijk weer alleen. Als je gasten vertrokken zijn thuis, kan het ook lekker rustig zijn…

Als je het niets kan schelen dat Jezus naar de hemel gaat, als vandaag je niets doet, dan moet je je afvragen hoe je relatie met Jezus is. De leerlingen staren Jezus na, omdat ze van Hem zijn gaan houden. Ze zijn ‘hemelgericht’ omdat ze met hun gedachten bij Hem zijn. Het is geen goed teken als Hemelvaartsdag voor ons er maar een beetje bij hangt. Dat kan er op wijzen dat waar Jezus op dit moment uithangt ons ook niet zoveel kan schelen. Mist u Jezus wel eens? Zou u willen zijn waar Hij is? Dat lijkt me een kenmerk van ware liefde en betrokkenheid.

De hemel. Wie wil er niet naar toe? Het is met de hemelvaart ook een beetje alsof we iemand uitzwaaien met een prachtige wereldreis voor ogen. De buren die met vakantie gaan naar de zon. Lekker luxe en comfortabel. Bruinverbrand en met prachtige foto’s zullen ze over een paar weken terugkomen. Maar voor jullie zit het er dit jaar niet in. Je verveelt je nu al een beetje bij de gedachte.

De leerlingen staren Jezus na, een beetje jaloers. Ze hadden wel meegewild! Maar ze blijven achter. Een beetje beteuterd. Teleurgesteld. Dat kun je er ook bij bedenken.  In de christelijke traditie is de hemel zo’n beetje het hoogst haalbare. Heel vaak denken we dat de hemel ook ons reisdoel is. We leven hier maar tijdelijk op aarde. Maar straks zullen wij ook, na ons sterven, naar de hemel gaan. En we hopen dat mensen die overleden zijn, ouders, grootouders, daar al zijn en gelukkig zijn.

Maar dan staan er opeens twee mannen bij hen in witte kleding (engelen dus!): ‘Galilese mannen, waarom staat u omhoog te kijken naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel,  zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.’

Ze stellen een hele simpele vraag: ‘Waarom staat u omhoog te kijken?’ Nou, dat is toch duidelijk! Jezus, die zij zo lief hebben is weg! Verdwenen. Ze hadden wel meegewild. Maar zij zijn nog hier! Wat moeten zij nu? Er blijft toch niets anders over dan naar de hemel te staren? Wat hebben ze hier op aarde nog te zoeken en te verwachten? Jezus is gekruisigd. De omgeving is uitermate vijandig voor hen. Niemand zit op hen, de overgebleven leerlingen van Jezus, te wachten. Ze zijn Galilese mannen ja. Mannen uit Galilea. Maar losgescheurd van hun wortels. Werkloos geraakt doordat Jezus hun uit de vissersboten heeft weggeroepen. Jezus was hun alles. Voor Hem hebben zij alles opgegeven. Ja, waarom sta je dan naar de hemel te staren!

Dat gevoel is in de eeuwen daarna altijd een beetje gebleven in het christendom. Het gevoel dat in een bekend gezang verwoord wordt:

’t Oog omhoog, het hart naar boven, / hier beneden is het niet! / ’t Ware leven, lieven, loven / is maar, waar men Jezus ziet. / Wat men hoort of ziet op aard’ / is ons kost’lijk hart niet waard; / wil men leven, lieven, loven: / ’t oog omhoog, het hart naar boven!

Hier beneden is het niet. De wereld is gevallen in zonde. Heeft afgedaan. Christenen hebben zich in het verleden wel teruggetrokken in kloosters. Ze hielden zich verre van politiek, kunst en wetenschap. Allemaal veel te werelds. Die neiging zit er nog steeds in.

Maar juist daarvan helpen die engelen de apostelen af: ‘Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel,  zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.’

Ze zeggen dus niet: ‘Stil maar, jongens, eens zullen jullie de Heere achterna gaan, ten hemel in, en deze vijandige zondige wereld achter jullie laten. Noch even doorbijten. Wat een opluchting zal dat zijn.’ Ze zeggen niet: ‘Jullie zullen straks ook naar de hemel gaan’, maar: ‘Jezus zal straks weer naar de aarde terugkomen!’ De toekomst ligt niet in de hemel. De toekomst ligt op aarde!

Zijn die woorden wel eens goed tot u doorgedrongen? Gek genoeg zijn er heel veel mensen die uitkijken naar de hemel (of ze nu christelijk zijn of niet overigens), maar dat is helemaal niet Bijbels. Het gaat in de Bijbel nooit om de hemel als einddoel van ons mensen. Zoals de engelen het zeggen, zo is de christelijke verwachting: We verwachten de komst van Jezus Christus terug op aarde.

Op het eerste gezicht vinden wij die vraag van de apostelen een beetje dom, in vers 6: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Ha, denken wij dan, hebben ze het nu nog steeds niet begrepen? Jezus is toch helemaal niet gekomen om dat koninkrijk van Israël, van David, weer op te richten en de Romeinen het land uit te jagen. Wat kortzichtig van ze! Jezus kwam naar de aarde om onze zonden te vergeven, die taak is af, dus kan Hij weer naar huis, naar Zijn Vader. En door de vergeving van onze zonden, zullen wij straks ook zijn waar Hij is.

Het is dan de vraag wie er dom is. Zij of wij. Want we moeten goed het antwoord van Jezus begrijpen.

Hij antwoord niet ontkennend op hun vraag. In plaats daarvan zegt Hij: ‘Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.’ In feite beaamt Jezus daarmee de kern van hun vraag: Ja, dat Koninkrijk voor Israël, dat gaat er wel komen. Dat is wel de bedoeling. Maar of dat nu gelijk zal gebeuren. Dat hoeven de apostelen niet te weten. Daar hoeven ze zich niet druk over te maken, want dat is in de hand van de Vader.

De vraag naar het Koninkrijk is een goede vraag.  Het werk van Jezus is inderdaad nog niet af. Dat voelen ze goed aan. En het is goed als wij ons dat ook realiseren. Hemelvaartsdag is niet een aftocht van Jezus omdat Hij klaar is. Inderdaad, iets heel belangrijks is al gebeurd. De zonde van de wereld is verzoend. De dood is overwonnen. De grootste problemen zijn de wereld uit.

Het is alsof een ernstig zieke patiënt in het ziekenhuis geopereerd is. Maar met een operatie alleen is nog niet alles achter de rug. Vervolgens komt er een heel revalidatietraject. Ouderen die wel eens een nieuwe heup of knie hebben gekregen kunnen daarover meepraten. En dan nog: Ná de revalidatie, dan begint het echte leven weer. Daar waar je het allemaal voor gedaan hebt. Om weer te kunnen lopen en fietsen en werken.

De apostelen hebben dat heel goed begrepen uit het onderwijs van Jezus: Hij heeft moeten lijden en sterven voor de zonden van de wereld, zoveel is hun wel duidelijk geworden. Maar dat is een noodzakelijk kwaad geweest. Helemaal in de lijn van het Oude Testament had Jezus het ook telkens gehad over het Koninkrijk van God dat komen zou. De eindtijd die zou aanbreken. Het laatste oordeel zou komen. De definitieve overwinning. Waren Jezus wonderen van genezing, broodvermenigvuldiging, bevrijding van demonen, geen voortekenen van wat komen zou?

Inderdaad. Daar hebben ze gelijk in. En het is goed als wij daarvan ook doordrongen zijn. Die kant gaat het uit met ons, met heel de aarde. ‘Zie, er komt een dag voor de HEERE’, lazen we al in de profetieën van Zacharia. ‘De HEERE zal Koning worden over heel de aarde. Op die dag zal de HEERE de Enige zijn en Zijn Naam de enige.’ In de harten van de apostelen leeft die verwachting. En als het goed is, leeft het ook in onze harten. Het is zelfs het hart van ons geloof, de kern van onze hoop. We hebben hoop voor de wereld.

Natuurlijk is het belangrijk dat je persoonlijk een relatie met God hebt, en dat je persoonlijk weet dat je zonden vergeven zijn, en dat je ook weet dat je eeuwig met Hem leven zult. Maar als we het christelijk geloof daartoe beperken, wordt het heel individualistisch en bijna egoïstisch: ‘Ik ben gered en ga ten hemel in, en de rest kan me gestolen worden.’ Dan snijden we het hart uit het geloof:

Het gaat ons toch niet om onszelf, maar om de heerschappij van God over heel de aarde. Dat alle knie zich buigen moet. In onze individualistische tijd, moeten we moeite doen om daar zicht op te houden. Dat is waar het om gaat!

Het is alleen de vraag: Hoe gaat dat Koninkrijk van God komen? En hoe gaat het eruit zien? Ik denk dat hier een heel groot misverstand zit. Met Hemelvaartsdag neemt Jezus helemaal geen afscheid. Hij  verdwijnt ook niet. Op één of andere manier is er bij ons ingeslopen dat we denken dat de hemel ver weg is. De hemel is heel ergens anders. Een plek ver bij ons vandaan. Maar dat is niet zoals de Bijbel, en zoals Jezus er zelf over spreekt. De hemel, zo zou je kunnen zeggen, is alleen maar de onzichtbare kant van de werkelijkheid. Hemel en aarde zijn twee kanten van dezelfde medaille. Jezus is niet ergens anders heen gegaan. Hij is niet weggegaan. Hij is naar de hemel, en ons daardoor juist veel meer nabij. Hij is niet naar het buitenland gereisd. De hemel is als het ware alleen maar een andere kamer in hetzelfde huis. Hij is op gehoorafstand. Nog steeds bij ons.

Wij hebben parlementsleden gekozen voor het Europa. En die reizen dezer dagen af naar Brussel en Straatsburg. Het land uit. Uit beeld. Uit het oog. Ze doen daar hun ding. Voor ons een ver van ons bed-show. Zoiets denken we vaak van Jezus ook. Hij is naar de hemel. En zal daar wel iets doen. Maar het is buiten ons beeld. Uit het oog uit het hart.

Opnieuw: Dat is niet wat de Bijbel ons vertelt. Integendeel. Het Koninkrijk van God dat wordt heel concreet. Daar bemoeit Jezus zich dagelijks mee. Daarvoor stort Hij Zijn Geest uit op de discipelen. En zij moeten getuigen worden vanuit Jeruzalem tot de einden der aarde. Dat Koninkrijk waar de apostelen naar vragen, daar zullen zij zelf aan gaan bouwen en meehelpen. De heerschappij van Jezus Christus wordt niet gevestigd op aarde door legioenen engelen die de mensen op de knieën dwingen, maar door met de Heilige Geest bezielde getuigen die overal over Hem zullen gaan vertellen en verkondigen.

Zoals we met Psalm 110 zingen, geloven we dat Jezus bij Zijn Hemelvaart plaats heeft genomen aan de rechterhand van Zijn Vader, en dat Hij vanaf daar heel concreet regeert over heel de wereld. Naar zijn godheid is Hij nu alomtegenwoordig. En Hij regeert door middel van Woord en Geest. Hij maakt gebruik van zijn ambtenaren, de ambtsdragers, die Zijn wil en besluiten uitvoeren. De verkondiging van het evangelie, zending en evangelisatie, maar ook diaconaat, dienst aan onze naaste, dat is niet een soort vrije tijdsbesteding van ons als christenen, onze hobby, omdat we voorlopig nog even moeten wachten voordat we naar de hemel mogen. Nee, zo vestigt Jezus door ons de hemel op aarde. Zijn heerschappij die in alle landen en volken doordringt.

Het Koninkrijk van God is niet iets van de toekomst, maar wat wij om ons heen werkelijkheid zien worden. Maar dan moet je wel goed kijken. Jezus regeert niet door macht en geweld, maar door te dienen. Vele mensen roepen: Maar als God regeert, waarom staat Hij dan mensen toe om verkeerde dingen te doen, waarom is er dan zoveel rottigheid? Wel, dat is omdat Jezus regeert. Niet als een dictator ieder dwingt met harde hand om zich aan de regels te houden, maar met liefde en genade. Waar mensen komen tot bekering, tot berouw, tot schuldbelijdenis. Waar mensen de minste durven zijn. Waar hoop en vertrouwen opbloeien door de verkondiging van het evangelie. Waar christenen een zout en een licht zijn in hun omgeving. Daar wordt de heerschappij van Christus, het Koninkrijk van God, gevestigd. Daar worden mensen voor Hem gewonnen.

Jezus is wel naar de hemel, maar om er voor heel de aarde te kunnen zijn, voor alle mensen bereikbaar en benaderbaar. Elke keer als de gemeente samenkomt, ook hier, gaat de hemel open. Is Hij in ons midden. Spreekt Christus zijn woorden van verzoening en genade. Roept Hij ons tot Zijn liefde en dienst.

De verkondiging van het evangelie over heel de wereld is geen ‘tussentijd’, het is de overgangsfase naar het volkomen doorbreken van het Koninkrijk. Onze toekomst ligt ook dan niet in de hemel. In de Openbaring van Johannes klinkt het Bijbels getuigenis dat ‘het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel zal neerdalen op aarde’. Jezus zal terugkomen. God zal op aarde komen wonen. De doden zullen dan opstaan. God zal alles zijn in allen. En dat zal de wereld zo compleet vernieuwen, dat er sprake is van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Maar ook dan is de aarde de plek waar wij eeuwig zullen leven met God. En met elkaar.

Zo heeft Jezus het zelf al gezegd aan het begin van de Bergrede: ‘Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.’ De Hemelvaartsdag van Jezus is het begin van dat einde. Vanaf nu zal het Koninkrijk van Israël weer opgericht worden. Niet in letterlijke historische zin. Daarin dachten de apostelen nog te beperkt. Vanuit Jeruzalem en Samaria tot de einden der aarde. Zo groot zal dat Koninkrijk worden! Dat is het perspectief van Hemelvaart: Vanaf de Olijfberg overzie je alleen Jeruzalem en het Joodse volk. Maar Jezus stijgt hoger. Vanuit de hemel overziet Jezus heel de aarde en alle volken, ook ons hier, vandaag.

Wat betekent dat dan voor ons? De twee engelen die Jezus naar de apostelen zond, vertellen hen dat ze met de voetjes op de grond moeten blijven staan: het is deze wereld waarin zij leven, die Jezus eens weer zal ontvangen.

Een wereld waarin wij dus geen vreemden mogen zijn. Christenen horen niet wereldvreemd te zijn. We mogen niets maar laten waaien.

De aarde waarop wij leven is het eigendom des Heeren. En daarom moeten we er goed voor zorgen. Voor de natuur. Voor het milieu. We mogen onze schouders niet ophalen over klimaatverandering en uitputting van land en grondstoffen, omdat het onze tijd wel zal duren. Hoe willen we dat Jezus de aarde aantreft als Hij terugkomt? Dat er op de Olijfberg geen olijf meer groeit?

En zal het ons een zorg zijn dat overal in Europa het nationalisme weer groeit, en antisemitisme, en dat buitenlanders niet welkom zijn? Dat er honger is in deze wereld? En uitbuiting? En oorlog? Hoe willen we dat Jezus de aarde aantreft als Hij terugkomt? Zal er rond de Olijfberg nog steeds de muur staan die de Joden en de Palestijnen uit elkaar moet houden?

Trekken we ons terug binnen de kerkmuren, starend naar de hemel? Of trekken we eropuit? De engelen leren de apostelen dat ze moeten bidden om de heilige Geest. En dat doen ze ook. Ze volharden in het gebed. Het gebed om de moed om erop uit te trekken. Om bewogen te zijn en in beweging te komen.  Vanaf Hemelvaart raken wij niet naar binnen gekeerd. Wij worden op weg gestuurd door Koning Jezus. Omdat het Hem niet genoeg is dat dat wij Hem uitzwaaien en vervolgens vol nostalgie en passief afwachten tot Hij weer een keertje terugkomt. Wij zijn zijn dienaren op aarde, om namens Hem te dienen, lief te hebben, te zorgen voor de mensen, te zorgen voor de aarde, en te vertellen over Jezus. In de wetenschap dat Hij dichtbij is. Dat Hij Koning is. En Zijn Koninkrijk komt.

Amen

Bruggen bouwen naar Jezus

Preek over Handelingen 17:16-34

Paulus op de Areopagus – door Rafaël (1515)

Gemeente van Jezus Christus,

Stel, je hebt op school een hele mooie tekening gemaakt. Echt heel mooi. Zo dat de juf zegt: Die hangen we op in de gang. Dan kan iedereen hem zien! Ha, dat wil je wel. Dat iedereen jouw tekening ziet. Want je bent er best wel een beetje trots op. De volgende dag hangt je tekening er. Als je de school binnenloopt staat er een groepje andere kinderen te kijken. Je komt dichterbij, maar wacht… iemand van een andere klas heeft jouw naam doorgekrast en zijn eigen naam erop gezet. Hij gaat met de eer en de complimenten strijken van jouw tekening. Hoe zou je je dan voelen? [verdrietig, boos]. Daar kunnen we niet goed tegen. Het is oneerlijk. En dan ben je terecht boos!

Paulus is ook boos. En om dezelfde reden. Hij is op zendingsreis en komt aan in Athene. De hoofdstad van Griekenland. Een stad met een rijke politieke en militaire geschiedenis. Een stad waar kunst en filosofie al eeuwen bloeiden. Ook een stad met prachtige bouwwerken. Nog steeds kun je op reis naar Athene, om daar de overgebleven resten van marmeren gebouwen, standbeelden en tempels te zien. In Paulus’ tijd moet het echt ongelooflijk bijzonder zijn geweest…

Maar hij valt niet van de ene verbazing in de andere, maar van de ene ergernis in de andere.

Zo staat het in vers 16: ‘En terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, raakte zijn geest in hem geprikkeld, want hij zag dat de stad vol afgodsbeelden stond.’ Hij loopt rond in een volop heidense stad. En dat doet wat met hem. Dat raakt hem. Een hele stad vol met mensen die afgoden dienen. Dat is verkeerd. Dat is fout!

Zeker als Jood is hij natuurlijk opgevoed met de Tien Geboden: ‘Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte,  uit het slavenhuis, geleid heeft. U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. U zult voor uzelf geen beeld maken. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen.’ Want het is God immers die alles gemaakt heeft, en daarvoor de eer verdient, zoals degene die een mooie tekening heeft gemaakt, daarvoor geprezen wordt.

Hoe zit dat eigenlijk bij jou en u? Wij horen die Tien Geboden ook wekelijks. Nee, in Everdingen staan geen afgodsbeelden en tempels waaraan wij ons kunnen ergeren. Maar wat doet het met u dat veel van onze dorpsgenoten op zondagochtend lekker in hun bed blijven liggen in plaats van naar de kerk te komen om God te aanbidden? Wat doet het met je dat we in een land leven waar ieder zo zijn eigen geloof beleeft, hindoe, moslim, boeddhist, of van alles wat? En misschien zijn er nog wel meer mensen die zeggen: Van mij hoeft geloof helemaal niet.

Kun je je erover opwinden? Ja, er boos om worden? Dat je denkt: ‘Wat een belediging voor God is dat!’ Dat gaat ver.

We leven natuurlijk in een land met godsdienstvrijheid. Religie mag nooit onder dwang opgelegd worden. Maar op één of andere manier is dat ook tot in onze vezels doorgedrongen, dat ieder dus maar voor zichzelf moet weten of en hoe die geloofd. Ja, dat je je in feite niet mag bemoeien met buren die niet in Jezus geloven en ze daar maar vrij in moet laten. Zelf ben je blij met je geloof, en daar moet je een ander niet mee lastig vallen. Ik denk dat we zo wel geneigd zijn om te denken. Maar als we zo denken wordt het met evangelisatie en zending vanuit onze gemeente nooit wat.

Les 1 uit dit gedeelte: ‘Onze missie gaat alleen werken als wij ook vanbinnen kunnen koken om het ongeloof en bijgeloof van de mensen om ons heen, omdat het oneerlijk is tegen God.’ Ieder die niet gelooft, leeft immers in grove overtreding van het allergrootste gebod: God liefhebben boven alles. Hem alleen dienen met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en al je kracht! Omdat Hij alles en ons gemaakt heeft en daarvoor onze lof, eer en complimenten verdiend!

Dat is best schokkend om te bedenken, toch? Over het algemeen hoor ik veel geluiden als: Ook mensen die niet in Jezus geloven, proberen toch goed te leven en doen veel goede dingen? Dat wij toevallig geloven in Jezus, maakt ons niet tot betere mensen. Die mensen kunnen er ook niets aan doen dat ze niet in een christelijk gezin geboren zijn. Voordat je kritiek hebt op anderen, kijk eerst maar naar jezelf.

Geloof lijkt zo een beetje een hobby te worden van mensen die daar een goed gevoel bij hebben. Je hebt mensen die vinden het leuk om in de kerk tijdens het winterwerk leiding te geven aan kinderwerk of tienerclub, of deel te nemen aan een bijbelkring en zondags in de kerk te zitten. Moeten ze vooral doen. Iemand ander kiest ervoor om zijn tijd te investeren in familie of sport. Zolang we maar een beetje aardig zijn voor elkaar, is dat toch OK?

Nou, nee. Dan zou Paulus natuurlijk niet op zendingsreis gegaan zijn. Zoals overal start Paulus in de synagoge, bij zijn volksgenoten, maar verder praat hij eigenlijk met iedereen die hij op de markt tegenkomt. En al snel hebben de mensen door dat die Paulus iets te vertellen heeft. Ze snappen er niet veel van. Ze vinden hem maar een ‘praatjesmaker’. Maar ze hebben wel door dat Paulus verkondigt. Hij wil hen iets wijs maken. Over Jezus. Over de opstanding.

Waarom doet Paulus zoveel moeite? Omdat hij zich erover opwint dat al die mensen Jezus niet kennen en Hem niet dienen. En dat zou wel moeten. In zijn preek, even verderop, zegt hij het heel duidelijk (vers 24-27): ‘De God Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is, Deze, Die een Heere van de hemel en van de aarde is,  … maakte uit één bloed heel het menselijke geslacht om op heel de aardbodem te wonen;  … opdat zij de Heere zouden zoeken.’

God is de God van alle mensen, over alle mensen, en moet dan ook door alle mensen gezocht en gediend worden. Dat is de hele reden van ons bestaan. In God geloven is niet de hobby van enkelen die daar aardigheid in hebben. Nee, wij ontvangen ons leven, ons bestaan, onze adem uit Zijn hand. En dan verdiend die God het ook dat wij onze adem gebruiken om Hem daarvoor te danken, te loven en te prijzen: ‘Alles wat adem heeft, love de HEERE’.

Les 2 uit dit gedeelte: ‘Evangeliseren is niet: joh, wij hebben het zo gezellig in de kerk, dat is misschien ook wel wat voor jou als je toevallig tijd over hebt…’ Paulus verkondigt hen Jezus en de opstanding. Zó zit het, mensen! Jezus is onze God en Heer. In Hem vind je eeuwig leven. Hem alleen zullen wij dienen en loven. Het was Jezus laatste opdracht aan zijn discipelen: Gaat dan heen, verkondig het evangelie aan alle mensen!

Als iemand jouw naam onder een tekening doorkrast, dan laat je het daar niet bij zitten toch? Je vertelt het tegen de juf. En je hoopt dat die ervoor zorgt, dat jouw naam er weer onder komt te staan! Zo mogen we ook ons best doen dat iedereen om ons heen weet dat Gods naam onder de hele schepping staat, alles wat we zien.

Heeft u daar ook passie voor? Het gevoel: Ja, dat is ook míjn roeping! Want dat het is wel. Je eerste roeping is niet je gezin, niet je werk, niet je school of hobby, maar ín je gezin, ín je werk, op school en in je vrije tijd zó leven en praten dat je er Jezus Christus mee dient, zó dat je hem onder de aandacht brengt van iedereen in je omgeving.

Maak je daar vrienden mee? Nee, niet echt. Als Paulus zo op de markt in Athene loopt te preken, wordt hij opgepakt. Zo kun je vers 19 wel lezen: ‘En zij namen hem mee en brachten hem op de Areopagus, en zij zeiden: Mogen wij weten wat die nieuwe leer inhoudt waar u over spreekt?’ Dat was geen vriendelijke uitnodiging om eens iets meer te vertellen. De Areopagus was de hoogste rechtsbank van de stad. Paulus verstoorde de openbare orde met nieuwe en vreemde verhalen. En als ze in Athene ergens allergisch voor zijn dan is het voor gemorrel aan hun religie. Het waren verder hele ruimdenkende mensen. Lukas vertelt ook in vers 21 ‘Alle inwoners nu van Athene en de vreemdelingen die daar verbleven, besteedden hun tijd aan niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.’ Nieuwsgierig zijn ze wel. Maar Paulus boodschap is anders, niet vrijblijvend, schokkend.

Het gebeurde regelmatig dat er in Athene mensen ter dood gebracht werden, die het geloof in de Griekse goden ondermijnden, o.a. de befaamde filosoof Socrates had dat met de dood moeten bekopen. Paulus moet voor die raad, die heette naar de plek waar ze vergaderden, de Areopagus, lett. ‘de heuvel van Ares’, de oorlogsgod van de Grieken, verantwoording komen afleggen, vers 20: ‘ Want u laat ons enkele vreemde dingen horen; wij willen daarom weten wat die te betekenen hebben.’

Het is een terugkerend tafereel in het boek Handelingen: Petrus en Johannes worden gearresteerd door het Joodse Sanhedrin en moeten zich verdedigen. Stefanus wordt gearresteerd en zelfs gestenigd. Paulus wordt meermalen gearresteerd. Eerst in Filippi, waar hij een gegeseld wordt en een nacht in de cel beland. Hierna ook nog in Jeruzalem, waar hij zich moet verdedigen voor de stadhouders Felix en Festus en voor koning Agrippa en ten slotte aan het einde van boek Handelingen verschijnt Paulus zelfs voor de keizer van het Romeinse rijk. Hierin gaan ze dezelfde weg als Jezus, die voor het Sanhedrin en Pilatus werd geleid.

Het evangelie is explosief materiaal: Het gaat over een nieuw Koning over hemel en aarde, over alle mensen, Jezus Christus, gekruisigd en opgestaan uit de dood, die nu ter rechterhand van God zit en zal weerkomen om te oordelen de levenden en de doden. Daar zijn de aardse machthebbers, van Joodse raad, tot Romeinse keizer en Atheens rechtscollege op de Areopagus niet blij mee… op zijn zachts gezegd.

Je verwacht: Nu zal Paulus dan ook wel een donderpreek afsteken. Vanbinnen kookt hij toch al van boosheid over alle afgoderij in Athene. Maar… nee…

Heel bijzonder om te zien, toch: Paulus laat zich niet meeslepen door zijn ergernis, komt niet met een geheven vinger. Hij probeert aansluiting te vinden, bruggen te bouwen: ‘Mannen van Athene! Ik merk dat u in alle opzichten zeer godsdienstig bent.’

Dat kan blijkbaar. De 3e les voor ons uit dit gedeelte: Dat je heilig verontwaardigd bent over het feit dat andere goden gediend worden of God niet gediend wordt, wil nog niet zeggen dat je er dan maar op moet slaan. Paulus komt de mensen in Athene maximaal tegemoet. In zijn toespraak zegt hij: Zo verschillend zijn jullie en ik niet. We zijn allemaal schepselen van God. En op jullie manier proberen jullie God nog te dienen ook. Je hebt zelfs een altaar in de stad met  ‘Aan een onbekende God’ erop.

Zou dat ook in onze tijd niet kunnen? Dat je in gesprek met mensen over het geloof eerst zoekt naar de raakvlakken die je hebt?  Dat je mensen laat weten dat je helemaal niet slecht over hen denkt of denkt zelf beter te zijn. Dat je probeert in te haken bij wat mensen al weten over God? Dat doet Paulus hier ook. Heel uitgebreid gaat hij in op gedachten die leefden onder de Griekse filosofen. Ook zij beseften ergens wel dat een god natuurlijk niet in een tempeltje kon wonen of bestond uit goud, zilver of steen. God is geen maaksel van mensen, maar wij zijn juist door Hem gemaakt. Hij overstijgt ons. Wij hoeven niet voor hem te zorgen, maar hij zorgt voor ons.

Paulus kiest niet de weg van de confrontatie, van de ruzie en de boosheid, maar van gezamenlijkheid, gemeenschappelijk denken en voelen. Hoe kunt u dat toepassen? Door in gesprek allereerst te benoemen wat je waardeert in iemands geloof en levenshouding. ‘Ik zie dat je probeert echt goed en eerlijk te leven.’ ‘Ik zie dat je echt wat over hebt voor een ander.’ ‘Ik vind het fijn dat je openstaat voor een gesprek over God’.

‘Wat mooi, ook al kom je niet in een kerk, dat je toch bidt en in God gelooft’. ‘Zit het geloof in God niet ergens diep in ons allemaal? Niemand is toch ooit echt van God los?’

Geweldig als je dat kan zien. Dat God niet ver weg is, ook niet van mensen die niet naar de kerk gaan. Als christenen hebben we niet het alleen-recht op God. We mogen mensen helpen met zoeken, bruggen bouwen naar Christus. Met onze woorden en daden buren, collega’s, familie en vrienden uitnodigen om eens in de kerk te komen kijken.

Paulus komt maximaal zijn hoorders tegemoet. Maakt het zo begrijpelijk mogelijk. Sluit aan bij hun godsdienst. Bij hun filosofie. Maar… Hij doet geen water bij de wijn, vers 30-31:

‘God dan  verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren, en wel omdat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft. Daarvan heeft Hij aan allen het bewijs geleverd door Hem uit de doden te doen opstaan.’

In één zin noemt Paulus bekering en oordeel. Alles goed en wel, maar die afgodsbeelden en altaren waar Athene vol mee staat, dat blijft wel echt verkeerd. Daar is God niet van gediend. En dat moeten ze in Athene ook weten. Daar moeten ze zich van bekeren, want het moment gaat komen dat de wereld geoordeeld wordt door Jezus, de opgestane Heer. God neemt het hun niet kwalijk dat ze het voorheen niet wisten, zoiets klinkt door in dat zinnetje ‘met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid’. Maar nu, zegt Paulus, nu verkondig ik Jezus, en moeten alle mensen zich bekeren.

Oei, denk je misschien. Is dat nu handig Paulus. Je had net de interesse van die mensen gewekt. Bruggen gebouwd. Aansluiting gezocht. Loop je niet te hard van stapel? Bekering. Oordeel. Van die harde woorden, daar knappen ze vast op af.

Ik moest denken aan hoe vroeger in het ziekenhuis ging. Toen werd er in principe tegen patiënten niet verteld dat ze doodziek waren van bijvoorbeeld kanker. Want men dacht: als je dat tegen mensen gaat zeggen, dan raken ze alleen maar moedeloos, wanhopig, in de stress, en dat willen we niet. De dokter hield daarom meestal voor zichzelf hoe erg je er aan toe was. Tegenwoordig is het gelukkig anders. Als je voor onderzoek bent geweest en de dokter heeft een tumor gevonden, levensbedreigend, dan stel je het op prijs als de dokter dat ook eerlijk tegen je zegt. Je wilt de waarheid weten. Daar heb je recht op.

Geldt dat ook niet voor het christelijk geloof? Wij vinden het moeilijk om mensen te vertellen dat ze zich moeten bekeren tot Jezus, omdat Hij degene is die ons en de wereld zal oordelen. Ik vind het zelf wel moeilijk. In gesprekken ben je toch geneigd de ander alle ruimte te geven. Wat zeg je terug als iemand zegt: ‘Ik ga niet naar de kerk, van mij hoeft dat niet, ik geloof in mezelf.’? Beste man, beste vrouw, je hebt recht op de waarheid! Je kunt Jezus niet zomaar aan de kant schuiven! Eenmaal zul je voor Hem verschijnen en moeten verantwoorden waarom je Hem niet gediend hebt.

Moeilijk hoor… om dat zo te zeggen, toch? Misschien helpt het dan om te bedenken: Diegene heeft recht om de waarheid te kennen, en: alleen de waarheid maakt vrij. Die waarheid van het evangelie is uiteindelijk niet hard, maar bevrijdend. Bekering tot Jezus is geen vervelende zaak, maar verlossende boodschap. Het evangelie is geen bittere pil, maar zoet als honing. Het gaat toch over Jezus die onze zonde en schuld heeft gedragen en verzoend aan het kruis. Die maakt dat een normale relatie tussen God en ons weer mogelijk is. Die zorgt dat we over de grenzen van leven en dood heen het Koninkrijk van God verwachten. Jezus Christus vult ons met hoop en liefde.

Dat is les 4 uit dit gedeelte: We moeten mensen vertellen over Jezus, en over het oordeel dat komt, over de noodzaak tot bekering. Hoe lastig we dat ook vinden. Maar de waarheid vertellen dat is wel zo eerlijk. En bevrijdend.

We zijn tijdens het winterwerk met dit thema van missionair gemeente-zijn bezig geweest. We noemden het ‘Samen op reis’, om aan te duiden dat we samen onderweg zijn, op zendingsreis: onderweg naar de grote toekomst van Jezus Christus, en op die weg proberen we zoveel mogelijk mensen mee te nemen. Te overtuigen om met ons te gaan.

Maar krijgen wij mensen mee? Als we ze al durven te vertellen dat ze zich moeten bekeren en Jezus als Heer over hun leven aanvaarden? Als je het slot van dit verhaal over Paulus in Athene leest, zou je er bijna moedeloos van worden (vers 32-33): ‘Toen zij nu over de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmee. En anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog wel eens horen. En zo is Paulus uit hun midden weggegaan.’

Als het Paulus, de grote Paulus, met zijn kennis en doordachte preek al niet lukte, wat moeten wij dan? Zodra Paulus het heeft over opstanding uit de doden, haken er velen af. Sommigen spotten. Anderen schuiven het voor zich uit: Kom later nog maar eens terug. Mislukt dus?

Toch niet: ‘Maar sommige mannen sloten zich bij hem aan en geloofden. Onder hen was ook Dionysius de Areopagiet, en een vrouw van wie de naam Damaris was, en anderen met hen.’ Nee, het is geen massale bekering van Athene, maar er gebeurt wel wat. Er zijn 2 bekeerlingen, nieuwe gelovigen, die met name genoemd worden: Dionysius, een lid van de Areapagus, hooggeplaatst. En Damaris, een vrouw. En: anderen met hen.

Kwam dat doordat Paulus het zo mooi kon zeggen? Nee, we geloven dat het de heilige Geest is die de waarheid van het evangelie tot ons door laat dringen. Híj zorgt ervoor dat de verkondiging van het christelijk geloof nooit zonder vrucht blijft. Het boek Handelingen is geen verhaal over hoe goed Petrus en Paulus waren in preken en evangeliseren, of over hoe geweldig goed die gemeenten van toen hun geloof uitdroegen. Dat kan zo zijn. Maar ten diepste is het boek Handelingen in de Bijbel opgenomen om ons te laten zien hoe God zelf, door de uitstorting van Zijn Geest, ervoor zorgt dat heel de wereld bereikt wordt met de boodschap van bekering en oordeel, van het geloof in Jezus Christus tot vergeving van zonden.

Zouden wij als gemeente daar vandaag ook niet op mogen vertrouwen? Dat diezelfde God, die heilige Geest ook onder ons werkte in het al het afgelopen winterwerk van clubs en kringen? Mogen we er ook niet op vertrouwen dat Hij werkt in ons dorp? Dat Hij onze woorden wil zegenen die wij spreken tot onze buren en bekenden. Dat Hij ook onze daden wil zegenen, waarmee wij iets van de liefde en het geloof in Jezus Christus uitstralen? Het is les 5 uit dit gedeelte: Zelfs al is het niet altijd spectaculair, er is altijd vrucht op de verkondiging van het evangelie. Dat mag ons hoop en moed geven om daadwerkelijk onze mond open te doen.

Tot slot. Wat hebben we geleerd van Paulus vanmorgen? Les 1: Gaat het je aan het hart, kan het je boos maken, dat er nog zoveel mensen zijn die Jezus Christus niet kennen of niet dienen? Omdat het oneerlijk is tegenover Hem, die zoveel voor ons over had? Les 2: Geloven in Jezus is niet toevallig onze hobby, want we weten: Alle mensen zijn Gods mensen, iedereen moet Hem dienen. Les 3: Dat betekent niet dat we vanuit ergernis onze medemensen iets opdringen, wel dat we proberen bruggen te bouwen naar Jezus, anderen helpen zoeken, de weg wijzen. Les 4: Vertel daarbij wel de hele waarheid. Probeer de ernst van bekering en oordeel niet weg te moffelen. We willen toch juist dat mensen tot bekering komen? Bij Jezus vergeving, verlossing en bevrijding vinden? Les 5: Heeft het zin om ons voor dit alles in te spannen? Jazeker, ook vandaag, ook in Everdingen, werkt Gods Geest en gebruikt ons allemaal, jong en oud, om het evangelie te zaaien. Hij zorgt voor de vrucht. Misschien niet gelijk in tientallen of honderden, maar vrucht zal er zijn.

Amen