Transpiratie en inspiratie

Pinksterbezinningsmoment voor militairen te velde in Normandië.

  1. Koffie en cake

Muziek: Simon & Garfunkel – The Sound of Silence

  1. Welkom

Goed dat jullie hier zijn. Ik wens jullie in Gods naam een mooie dienst. Ik steek de kaars aan als symbool van de stille kracht van het licht, van al het goede, het ware, het mooie in ons leven. Voor mij als gelovige bij uitstek daarom ook symbool van de aanwezigheid van Jezus Christus.

  1. Binnenkomer

Afbeeldingsresultaat voor army chaplain 1944De foto hierbij is genomen op de stranden van Normandië in juni 1944. Na de transpiratie van de landing en de vorming van het bruggehoofd moest er bevoorraad worden. Niet alleen met eten, munitie en andere zaken, maar ook met spiritueel voedsel, inspiratie. Deze aalmoezenier deelt de eucharistie uit. Want niet alleen je lichaam moet herstellen na inspanning, je geest heeft ook iets nodig: troost vanwege gevallen kameraden, moed om door te vechten, hoop op de overwinning die allerminst zeker is. Zo zijn ook wij hier bij elkaar om inspiratie op te doen. Zodat we weer op kunnen staan of onze mond open kunnen doen.

     4. Muziek Janne Schra – Speak Up

Don’t hide your mouth behind your hand

Say it now, you’re allowed, I’m waiting

Don’t pretend you know it all, I’m waiting

Don’t be scared to fall

  1. Kaarsjes

Muziek: Salvador Sobral – Amar pelos Dois

‘Ik weet dat je niet in je eentje van elkaar kan houden’

  1. Bijbelverhaal Handelingen 2:1-13 (Bijbel in Gewone Taal)

‘Toen het Joodse Pinksterfeest begon, waren alle gelovigen bij elkaar in een huis. Opeens kwam er uit de hemel een vreemd geluid. Het klonk alsof het hard begon te waaien. Het was overal in het huis te horen. Ook zagen de gelovigen iets dat op vuur leek. Dat vuur verdeelde zich in vlammen, en op iedereen kwam een vlam neer. Zo kwam de heilige Geest in alle gelovigen. Daardoor begonnen ze te spreken in vreemde talen.

Op dat moment waren er in Jeruzalem veel Joden uit alle delen van de wereld. Ze waren gekomen om het Pinksterfeest te vieren. Toen het geluid uit de hemel klonk, kwamen ze er allemaal op af. Ze begrepen er niets van. Want iedereen hoorde de gelovigen spreken in zijn eigen taal. Iedereen was erg verbaasd en zei: ‘De mensen die daar praten, komen allemaal uit Galilea. Hoe kan het dan dat we ze allemaal horen spreken in onze eigen taal? Wij komen allemaal ergens anders vandaan….’

De mensen snapten er helemaal niets van, en ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. Ze vroegen aan elkaar: ‘Wat betekent dit toch allemaal?’ Maar anderen lachten om de gelovigen en zeigen: ‘Die mensen zijn gewoon dronken!’’

  1. Mijmering Transpiratie en inspiratie

Als infanteristen vertrouwen we op onze fysieke kracht. De groepen hebben dat karakter getoond afgelopen dagen in Strong Fusilier. En we denken hier natuurlijk terug aan de enorme krachtsinspanning van de lui die hier op D-Day zijn geland. Dat was niet misselijk. Toch is fysieke kracht niet alles. Met transpiratie alleen redt je het niet. Je hebt ook inspiratie nodig: mentale kracht. Maar ook die mentale kracht is niet onuitputtelijk. Het zou fijn zijn als je in zou kunnen pluggen op een soort mega-batterij zodat je nooit kracht te kort komt.

Vandaag is het Pinksteren, een feest dat daarover gaat. Pinksteren is één van de grote christelijke feesten, waarvan we gelezen hebben in de Bijbel. Even kort: Nadat Jezus gestorven was aan het kruis (Goede Vrijdag) is Hij opgestaan uit de dood (Pasen), meerdere keren verschenen aan zijn leerlingen, maar uiteindelijk definitief naar God de Vader gegaan (Hemelvaartsdag). Dat betekende dat de club van gelovigen in Jeruzalem een beetje beteuterd achterbleven: wat moesten ze nu? Ze hadden gedacht dat Jezus de wereld zou veranderen in een paradijs, maar nu is Hij weg… Dan op het Pinksterfeest zijn ze dus in Jeruzalem bij elkaar en ontvangen ze de Heilige Geest. Dat betekent dat God zelf ín hen kwam, hen van binnen veranderde, bekrachtigde, herschiep.

Wat hebben jij en ik hier nu aan? Het idee van Pinksteren, van deze uitstorting van de Heilige Geest, is dat deze krachtbron, dit lijntje met God voor iedereen beschikbaar is. In de Bijbel lees je van vóór de tijd van Jezus dat alleen bijzondere mensen een lijntje met God konden hebben. Alleen koningen, profeten, priesters. Hier wordt dat doorbroken. Een soort democratisering van het geloof. Nu hebben niet meer alleen de BC’n of de CC’n verbinding met de grote Romeo, maar iedereen. Voor God is iedereen gelijk. Dat zit ook achter dat talenwonder in dit gedeelte: God spreekt nu ieders persoonlijke taal.

Misschien zeg je: mooi idee, maar ik heb geen behoefte aan een speciaal lijntje met God. Ik zou zeggen: misschien niet in die woorden. Misschien is dat niet de taal die je van huis uit hebt meegekregen. Het woord ‘God’ zegt je misschien niet zoveel. Het is de taal die ik als dominee wel spreek in de kerk. We zitten soms zo vast in onze gewoonten, we hebben soms zo oogkleppen op (zoals die lui die suggereren dat de volgelingen van Jezus dronken zijn…), dat we geen verandermogelijkheden zien. Toch hebben we allemaal wel de ervaring dat er wonderen gebeuren in deze wereld, dat het leven een wonder is, dat we soms boven onszelf uitgetild worden, dat er soms dingen gebeuren die “toevallig” perfect zijn, dat er liefde in je leven komt. Waar het dan vandaan komt? Soms van de woorden van je maten, van thuis, of dit moment van bezinning, maar je vat weer moed, je ziet het weer zitten, je zet die stap waar je zolang tegen aan hikte, je spreekt de woorden die gesproken moeten worden. Hoe jij die inspiratie noemt, maakt mij niet uit. Ik noem het ‘Heilige Geest’.

Pinksteren is het feest waarop gezegd wordt, wat er gezegd moet worden, verstaanbaar voor ieder. Daarin zit ook iets van een wensdroom, van een toekomstvisie: openheid en eerlijkheid, de ruimte en vrijheid van meningsuiting. Zo is de wereld nog niet. Maar laat het jou er niet van weerhouden alvast zó te leven.

  1. Muziek Stef Bos – Lied van Petrus: Vlees en bloed

Ik heb mijn huis en mijn haard verlaten

Wie ik liefhad nog één keer gekust

De veilige haven verlaten

En ik wist ik kom hier nooit meer terug

Want beter een  oorlog

Dan gewapende vrede

Beter opzoek gaan

Dan altijd gewacht

Beter gevallen

Dan nooit gesprongen

En beter de liefde verloren

Dan nooit liefgehad

  1. Gebed (Onze Vader)
  1. Muziek Ramses Shaffy – Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
  1. Zegen

Laten Gods vrede en de rust van dit moment je lang bij mogen blijven.

Spierballengeloof, of: De kracht van de Geest

Preek over Richteren 15,9-20

Samson slaying a philistine.jpg

Giambologna – Samson slaying a Philistine (marble, ca. 1562)

Gemeente van Jezus Christus,

Achter elkaar komen de laatste jaren superheldenfilms in de bioscoop. Over Superman, Batman, the Avengers. Mensen met bijzondere gaven en superkrachten. Het typische verhaal is dat iemand superkracht krijgt door een ongeluk, zoals Peter Parker, die door een spin gebeten wordt en dan Spiderman wordt. Vervolgens is er een superschurk die de aarde wil verwoesten o.i.d. en de missie van de superheld is dan om de aarde te redden.

Met veel moeite lukt dat altijd en loopt het goed af. Prachtige actie op het witte doek. Gevechten. Chaos, dood en verwoesting. Maar dan ook altijd liefde, trouw en moed. En een gelukkig einde.

Het lijkt naadloos te passen op de verhalen over Simson. De Israëlitische Superman. De Joodse Hercules. Een man met superkrachten. Als de slechteriken, de Filistijnen, de overheersers, hem met hun hele leger gevangen willen nemen, en vernederen en doden natuurlijk. Slaat hij erop los. Hij wint het nog ook. Tot zover niets bijzonders. Alleen, hier hebben we niet een te maken met een verhaaltje, met fantasie, maar met de Bijbel. Waarvan we geloven dat wat daar in staat over God, dat dat klopt. En daar zit wel een angel. Want waar haalt Simson zijn superkracht vandaan? Van de heilige Geest:

‘Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.’

We horen in het Nieuwe Testament prachtige dingen over de heilige Geest die de apostelen inspireert, die mensen vol maakt van liefde en blijdschap en vrijmoedigheid. Bij de Geest denken we dan aan een duif, een vredesduif… Deze Geest maakt van ons nieuwe mensen, laat ons op Jezuslijken.

Door de kracht van de Geest sloeg Simson duizend man dood. Hoe past dat in ons beeld? En verder nog: Hoe past dit in ons eigen leven? Met Pinksteren wordt gezegd dat diezelfde Geest nu ook op ons is uitgestort. ‘Geweldig’ zeggen we dan, ‘geweldig, dat God zelf bij ons, ja in ons komt wonen.’ Wacht even, denken we dan vanmorgen, vind ik dat wel zo prettig als deze Geest in mij komt. De Geest die Simson 1000 man liet doodslaan? Strijdt dat niet met alles waar wij in geloven? Dat wij al proberen onze kinderen bij te brengen dat je geen ruzie moet maken. Dat we proberen om niet op elkaar te schelden. Dat het ons ideaal is om elkaar te verdragen en zelfs lief te hebben. En dat we geloven dat God dat van ons vraagt, van ons verwacht…

Je zou zeggen: Hier in dit verhaal zie je de mens op zijn slechtst. Daar wíl en zál God niets mee te maken hebben! Simson heeft bonje gemaakt bij de Filistijnen. In het hoofdstuk hiervoor kun je lezen hoe Simson trouwt met een Filistijns meisje. De Filistijnen waren rond de 13e eeuw voor Christus vanuit Griekenland ge-emigreerd naar de kust van Kanaän, zo rond dezelfde tijd dat het volk Israël uit Egypte kwam en ook het land Kanaän binnentrok. Rond die vruchtbare kuststrook, die nu nog de Gazastrook heet, was toen dus al concurrentie over het land en de macht.

Maar Simson gedraagt zich als een olifant in die porseleinkast: zijn huwelijk loopt uit op een drama. Simson neemt wraak op de Filistijnen als zij hem bedriegen tijdens het huwelijk feest. Zijn schoonvader geeft zijn vrouw aan een ander. Simson is daarover zo boos over dat hij de hele boel in de fik steekt. De Filistijnen verbranden vervolgens dan zijn vrouw en schoonfamilie. Daarvoor neemt Simson weer wraak door hen aan te vallen. Kortom het is één vicieuze cirkel van geweld en wraak en haat. Waar je van huivert en schrikt. Vanaf vers 9, onze tekst, begint daarin een nieuwe episode. Het wordt ook letterlijk gezegd door de Filistijnen in vers 10: ‘Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.’ Wraak! En zo zegt Simson het ook zelf: ´Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.’

Dat gaat nergens over…

Zo gaat dat inderdaad onder mensen. Misschien herken je er ook wel iets van. Relaties in families, met collega’s, die kunnen ook flink uit de hand lopen. Na ruzies, na echtscheiding, als we bedrogen worden of oneerlijk behandeld. In die zin is er niets vreemds aan dat verhaal van Simson. Ook de agressie niet, de behoefte aan wraak, om erop te slaan. Zo gaat het ook nog steeds in het groot in deze wereld. Je hoeft maar te denken aan het eindeloze conflict tussen Israël en de Palestijnen, het hele Midden Oosten wat een zootje is.

Maar dat de Geest van God dat vuurtje nog eens extra opstookt, daarin de superkracht verschaft om de ander mores te leren, ja dood te slaan…?

Nu kunnen we dat proberen recht te praten natuurlijk. Die neiging voel ik ook sterk bij mezelf. Zo van: Het was een hele andere tijd toen. We hebben het wel over 3000 jaar geleden. Israël en de Filistijnen waren in oorlog. Dat moet je niet vergeten. Oorlogen werden toen eenmaal zo met de hand uitgevochten. Men was toen nog een stelletje barbaren. Mensenlevens waren toen niet zoveel waard. Tegenwoordig kennen we mensenrechten en beschaving en humanitair oorlogsrecht, etc. Dat is allemaal min of meer waar.

En denk ik dan: Hebben we ook niet een beetje boter op ons hoofd als we dat allemaal héél erg vinden wat Simson doet… en geschokt zijn. Terwijl wij op dit moment ook in oorlog zijn, dagelijks bombardeerden onze F-16 in Irak en Syrië doelen van IS het afgelopen jaar. Daar vallen ook doden, ook onschuldige slachtoffers, maar daar hoor je niemand over.

Het is misschien een beetje ver van ons bed. Maar het zijn wel onze militairen die van ons belastinggeld met bommen dood en verwoesting brengen. Ligt u er wel eens wakker van? Ik niet. Wat Simson met die ezelskaak doet, dat is heel lijfelijk, gevecht van man tot man. Maar qua effect doet het niet onder voor het afwerpen van een bom van een paar kilometer hoogte uit een straaljager. Dat gaat nog heel wat verder, zelfs.

Maar ik denk niet dat we zo moeten proberen om Simson vrij te pleiten of zijn gedrag te vergoelijken. Of dat geweld te relativeren. Want voor je het weet leunen we weer comfortabel achterover en is de spanning eruit. En kunnen we weer lekker door gaan met ons leventje. Dan maken we ons er te gemakkelijk van af. Dan maken we ons te gemakkelijk van God af. Van de heilige Geest af.

We stuiten hier wel degelijk op iets van God zelf. Op een scherpe kant van Hem. En de vraag is: durven wij dat vandaag de dag nog te zien. Wij denken graag aan God als een Goede Vriend, Iemand die om ons geeft, die voor ons zorgt, die ons helpt, ons draagt. Dat vinden we mooi. En dat is ook mooi. Maar ook vrij soft. Het is niet voor niets denk ik, dat het steeds moeilijker is om mannen warm te krijgen voor de kerk en het geloof. Dat past meer bij vrouwen. En die harde kant van God, die ligt gewoonweg niet zo goed in de markt, in de tijdgeest. Het geloof in een hel, dat God mensen verdoemt en oordeelt. Daar moet je niet mee aankomen. Toch?

Maar dat is doodzonde. We moeten afleren daar moeilijk over te doen. We moeten geen geestelijke watjes worden. Een scheutje van van de spierballen van Simson kunnen we wel gebruiken. En dan kunnen we genieten van dit verhaal! Want dan gaat het ergens over. Hier in deze verzen in Richteren 15 gaat het ergens over.

De Filistijnen trekken op tegen Juda. Een invasie. De Judeeërs gedragen zich onderdanig, ze durven de strijd niet aan. In die periode zijn de Filistijnen de onderdrukkers, de overheersers. In een land, dat moet je goed begrijpen, dat aan Israël ten eigendom is gegeven door God, de HEERE, zelf. Wat die Filistijnen doen, dat gaat in tegen Gods eigen diepste bedoelingen en plannen.  Als zij Juda binnenvallen, gaan ze een grens over. Letterlijk, maar ook figuurlijk.

De verhalencyclus over Simson begint in Richteren 13 met de aankondiging van zijn geboorte aan zijn moeder door een engel. Die engel  zegt:

‘Want het jongetje zal van de moederschoot af als nazireeër aan God gewijd zijn, en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.’

Nu leek daar aanvankelijk met Simson niet veel van terecht te komen. Toen hij richting de Filistijnen trok begon hij niet met vechten, maar begon hij verlieft te worden op het eerste het beste leuke meisje waar zijn oog op viel. Dat ging niet helemaal volgens plan. Dat was ook niet Gods bedoeling geweest. Maar is dat in ons leven niet veel anders? De krachten en talenten die Hij ons schenkt, besteden we niet automatisch in Zijn dienst of voor de goede zaak. De verleiding is beregroot om er vooral zelf beter van te worden. Als spierbundel gebruikt Simson zijn lichaam niet voor de verlossing van Israël, maar ligt hij vooral goed bij de meisjes.

Hier in deze verzen, treffen wij voor Simson een soort laatste kans. Het is nu of nooit. Gaat hij zijn roeping tot richter waarmaken en verlossing brengen, of houdt het hier gewoon op. Die spanning zit er goed in, als Simson zich laat arresteren en binden. Geeft hij het zelf nu ook op? De Filistijnen denken dat de buit binnen is:

‘En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots. Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet.’

Het is op dát moment dat de Geest van de HEER vaardig wordt over Simson. Dat God zich ermee gaat bemoeien. En dat is toch het ware evangelie, de goede boodschap, in dit gedeelte. Als het over verlossing gaat, dan is de Geest van de partij.

We hebben hier niet te maken met een ordinaire slachtpartij, maar met verlossing. En dat gaat niet zonder slag of stoot. Niet zonder geweld. Dat is de realiteit. De harde, gebroken, pijnlijke realiteit van onze wereld. Daarin mengt de Geest zich, zoals ook Jezus zich daarin gemengd heeft. We hebben geen God in de hemel die van verre het aards gewemel beschouwd en afkeurd, maar ondertussen niet de macht of de wil heeft om er iets aan te doen. Nee, Israël en wij hebben een God, de HEER, die Zichzelf volledig in de strijd werpt. En vieze handen maakt. Zó dat wij er met onze moderne ogen bijna afkeurend naar kijken en zeggen: ‘Moet dat nou?’

Ja, dat moet. Als er iets van Israël en Simson, en als er iets van onze wereld terecht wil komen en van ons leven, dan zullen we moeten accepteren dat God soms hardhandig ingrijpt. Met woorden en daden. Als er duizenden mensen op de Pinksterdag tot bekering komen, dan is dat een hardhandig ingrijpen van de Geest in hun hart en leven. En zo is het ook vandaag: Als God ons niet overmeestert met Zijn Geest en liefde, niet ons hart openbreekt en tot zich trekt, wie zou dan tot Hem gaan of met Hem blijven gaan? Het is God die met Zijn kracht en macht ons kiest, roept, trekt, bekeert, nieuw leven schenkt.

De zonde, het kwaad, de gebrokenheid zal echt niet ‘vanzelf’  uit ons leven en de wereld verdwijnen. En omdat het ons niet lukt, zal de Geest zich ermee moeten bemoeien. Dat is de realiteit. De realiteit van een ezelskaak waarmee 1000 man worden doodgeslagen. En dat is dus echt goed nieuws.

Dat betekent niet dat je dat geweld moet verheerlijken. Dat betekent niet dat je moet zeggen dat de Geest dit graag doet. Dat hier bij Simson bij uitstek zichtbaar is Wie Hij en wat Hij doet. Simson blijft wat dat betreft een ongeleid projectiel. In het vuur van de strijd, stijf van de adrenaline, begint hij te zingen.

‘Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen, met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.’

Dat gaat te ver. Zeker als je weet dat er in het Hebreeuws van de grondtekst een woordspeling in zit. Het woord voor ‘hoop’ is identiek aan het woord voor ‘ezel’. Je zou ook kunnen vertalen als: ‘Met een ezelskaak heb ik een stelletje ezels doodgeslagen.’ Wellicht omdat Simson ervan overtuigd is dat het zijn eigen list met die touwen is geweest waardoor hij de overhand heeft gekregen in de strijd. Simson heeft gewonnen, vindt zichzelf slim en sterk en kijkt daardoor neer op die 1000 man.

Tussen twee haakjes, ook met dat woord voor 1000 is iets aan de hand. Dat hoeven niet per se exact 1000 man geweest te zijn. In het Hebreeuws komt dat woord oorspronkelijk van het woord voor een militaire eenheid, een contingent, onder leiding van een clan-hoofd. Als zodanig kan dat in exacte getallen ook een eenheid van 100 man of minder geweest zijn.

Maar in feite doen de aantallen er niet toe. Als het gaat over mensen, gaat het over mensen. En of er nu 1 iemand sneuvelt, van wie vrouw en kinderen, familie en vrienden voor altijd iemand moeten missen en in rouw gedompeld zijn, of dat het er 10 of 100 of duizend zijn. Met mensenlevens valt niet te rekenen. Verdriet is onmetelijk.

Soms moet er gevochten worden in deze wereld. Daarbij gaat het op het scherpst van de snede, en daarbij vallen slachtoffers. En al vecht je dan voor de goede zaak, zoals Simson, dan past het toch niet om je te verheugen over de val van een ander. In de hemel is er vreugde over elke zondaar die zich bekeert. Maar geen vreugde over de val van een mens, die reddeloos verloren gaat. Het is de uiterste consequentie van een leven tegen God in. Dat loopt dood. Maar hoe graag had God gezien dat het anders was.

Simson komt er achter dat hij niets heeft om zich op te beroemen. Hij krijgt zo’n dorst dat hij denkt dat hij gaat sterven. Hij ontdekt dat hij zijn enorme kracht niet van zichzelf heeft. Dat hij ook maar een mens is, die zonder slokje water het loodje legt. En hij moet aankloppen bij de Allerhoogste voor hulp.

‘Hij riep tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?’

Simson blijft ook in deze woorden een ruwe bolster. Het is geen vroom gebed, maar heel direct, bijna beschuldigend spreken tot God. Maar er blijkt wel uit dat Simson zijn plek kent. Het is God die verlossing brengt, niet Simson, hij is enkel het middel. Simson doet een stapje terug. Hij geeft God de ruimte in zijn leven. Of beter: Hij erkent dat het van meet af aan God is geweest, die hem hier gebracht heeft.

Bijzonder om dan vers 20 te lezen:

‘En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.’

Nu pas komt Simson tot zijn doel. Nu hij beseft dat hij niet alleen sterk is, maar ook zwak. Zwak zonder God. Dat hij niet alleen kan vertrouwen op zijn spieren en zijn kracht, maar ook op God. God gaf onmiddellijk water, zoals alleen God dat kan, midden in de woestijn. God geeft wat nodig is.

‘Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op.’ Of: ‘hij leefde’, ‘hij hérleefde’, ‘nu leefde hij pas echt.’

Zo kan dat met jou en mij ook gaan. In het heetst van de strijd van ons leven, hebben we soms de indruk dat we alles aankunnen, dat alles om ons draait. Tot je hardhandig stil wordt gezet door ziekte of overlijden of werkeloosheid, …of ‘zachthandig’ … dat is misschien nog wel mooier, hier in de kerk. Als je hoort over Jezus Christus. Dat Hij de verlossing brengt, door de kracht van de Geest, in ons leven, in de wereld om ons heen. Dat het niet wij zijn die iets van het leven moeten maken, maar dat we het van Hem ontvangen. Dat dan de puzzelstukjes op hun plek vallen, dat jezelf op je plek komt. Misschien herken je dat wel: Momenten van heilige rust, van ontspanning, van helderheid. Van momenten dat je God dichtbij weet. Momenten bezield van de Geest van de HEER.

Daarmee is de strijd niet afgelopen. Simson geeft leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen. Met die ene veldslag zijn ze niet van het toneel verdwenen. Pas in de dagen van koning David zullen de kansen definitief keren, meer dan een eeuw later. Het wat en hoe van Simsons leiderschap kennen we niet. Van zijn bestuurlijke talenten moest hij het waarschijnlijk niet hebben. Hij was meer een kampvechter, een kampioen, zoals Goliath het werd voor de Filistijnen. Een aanvoerder in de strijd.

Toch krijg je een indruk van een zekere stabiliteit, van een bepaalde koers. De Geest heeft Simson gebracht waar hij moet zijn. Dat is het bizarre van de geschiedenis van Simson. Wij zouden denken: Wat moet je met zo’n man, zo’n domme spierbundel die voor het eerste het beste meisje door de knieën gaat. Wat komt daarvan terecht.

Maar dan onderschatten we de heilige Geest. Dan vergeten we dat Hij God is. Daar gaat het vaak mis. Daar ging het mis bij Ananias en Safira: Zij overschatten zichzelf. Ze denken slim te zijn. Ze denken vooral er zelf beter van te worden. En zij onderschatten de Geest. Zij onderschatten met Wie ze te maken hebben. Dat is gevaarlijk. Je kunt niet zomaar de Mount Everest beklimmen. Dat vraagt training, voorbereiding, en dan nog… deze week overleden er ook weer klimmers. Omdat ze over het randje gingen van wat ze aan konden. Simson balanceert in onze tekst op dat randje…

Onderschat de Geest niet. Dat is vooral goed nieuws. Zoals met Simson, zo wil de Geest ook met u gaan. Mengt hij zich in ons leven. Maakt vieze handen. Om ons te verlossen. En onze spieren en handen en voeten te gebruiken om die verlossing verder te dragen. Wij zijn geen superhelden. Maar we mogen wel vertrouwen op de kracht van de Geest, die ons doet herleven. En van deze wereld, niet zonder slag of stoot, maar toch, Christus’  Koninkrijk maakt.

Amen

Kern van de Bijbel (10) – Heilige Geest

Preek uit een leerdienst over de Heilig Geest, n.a.v. Heidelbergse Catechismus Zondag 20, in een serie over de kern van de Bijbel.

File:Spiderman.JPG

Gemeente van Jezus Christus,

  1. God in je is geweldig!? 

U kent vast Spiderman wel, de populaire superheld, over wie elke keer weer films gemaakt worden. Spiderman begint als een gewone jongen, die op een gegeven moment in een geheim laboratorium gebeten wordt door een genetisch gemanipuleerde spin. Het gif van die spin zorgt ervoor dat de jongen allerlei bijzondere dingen kan, die een spin ook kan. Tegen muren oplopen, ongelooflijke kracht, snelheid en flexibiliteit, etc. Kortom: hij wordt gebeten en wordt een ‘supermens’ en dan ook een ‘superheld’.

Je zou dat ook als christen misschien verwachten als God in je komt wonen. Want dat geloven wij van de heilige Geest. Dat Hij God is, de catechismus zegt dat ‘Hij samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is.’ En: ‘dat Hij ook mij gegeven is’. Dat is nogal wat. De Heilige Geest, dat is God zelf, die je gegeven wordt, die in je komt wonen. Dan gaan er bijzondere dingen met je gebeuren! Wat dan allemaal? Daar zijn wij dan nieuwsgierig naar.

En dat is niet zo gek gedacht van ons. We zien dat ook terug in de Bijbel, bij de uitstorting van de heilige Geest met Pinksteren, dan gebeuren er wonderlijke dingen met de volgelingen van Jezus: ze gaan vreemde talen spreken, we lezen over wonderen en genezingen. Dat was niet maar ‘even’, in de eerste brief aan Korinthe, van Paulus, 20 jaar later, lezen we :

8 Want aan de één wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven en aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest; 9 en aan een ander geloof, door dezelfde Geest, en aan een ander genadegaven van genezingen, door dezelfde Geest; 10 en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen. 11 Al deze dingen echter werkt één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil. (1 Korinthe 12:8-11)

Gek genoeg is de catechismus heel beknopt als het gaat over de Heilige Geest. Bijna kortaf. Hierover vind je niks terug. En voordat we dat de catechismus kwalijk nemen, kunnen we beter eerst ons eigen leven en gemeenteleven onder de loep nemen. Wat merk je zelf van die gaven van de Geest?

In al de jaren hier in de gemeente is er nooit iemand naar mij toe gekomen met de opmerking: ‘Dominee, ik denk dat ik de gave van genezing heb ontvangen.’ Of: ‘Dominee, ik denk ik de gave van tongentaal heb.’ Dat maakt ons er een beetje verlegen mee, misschien. Wij zijn wel een christelijke gemeente en wij noemen en voelen onszelf christenen. Maar om nou te zeggen dat wij van die ‘superchristenen’ zijn, van die ‘goddelijke’, ‘bijzondere’ mensen.

Ons leven en ons geloofsleven lijkt in onze ogen vaak zo helemaal niet zo ‘bijzonder’, maar zo ‘gewoontjes’. We hebben dagelijks te kampen met onze slechte gewoonten. Het enthousiasme om God te dienen ligt er nou niet altijd dik boven op. We zouden best willen getuigen van ons geloof, maar we kunnen de woorden er vaak niet voor vinden. Wat heb je dan aan die Heilige Geest die je gegeven is?

  1. Geen superbenzine 

Hebben wij de Heilige Geest dan wel ontvangen? Dat kan niet anders. In het Nieuwe Testament is duidelijk dat dat helemaal met elkaar samenhangt. Daar hoeven wij niet aan te twijfelen. Helemaal aan het begin van 1 Korinthe 12, vóór Paulus over de gaven van de Geest begint, schrijft hij namelijk dit:

1 Wat nu de geestelijke gaven betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent. 2 U weet dat u heidenen was, weggetrokken naar de stomme afgoden. Zo liet u zich meevoeren. 3 Daarom maak ik u bekend dat niemand die door de Geest van God spreekt, zegt: Jezus is een vervloekte. Ook kan niemand zeggen: Jezus is Heere, dan door de Heilige Geest. (1 Korinthe 12:1-3)

Met andere woorden: Je kunt niet zeggen dat je christen bent, dat je gelooft in Jezus Christus als je Heere, je Koning en Redder, zonder de Heilige Geest. Dus zonder dat de Geest dat in je leven heeft gewerkt. Dat komt niet spontaan bij je op, dat wordt je gegeven.

En dat is nu precies wat de catechismus dan ook als de kern en de basis van het werk van de Heilige Geest aanduidt. De catechismus kiest niet de breedte (‘wat er allemaal wel niet over de Heilige Geest verteld kan worden’), maar de diepte: ‘dat Hij ook mij gegeven is, om mij door waar geloof aan Christus en al zijn weldaden deel te geven.’ De Heilige Geest werkt in ons het geloof, het geloof in Jezus Christus. Je denkt niet op een dag: ‘Joh, laat ik eens in Jezus gaan geloven.’ Nee, daarvoor moet er iets gebeuren… iets bijzonders.

Want wij denken misschien: ‘Maar dát is toch niet zo bijzonder, als er iemand in Jezus gelooft. Ik geloof ook in Jezus, en dat heb ik mijn leven lang al gedaan.’ Maar dan vergissen wij ons. De Bijbel vertelt heel duidelijk dat een mens geneigd is om God en zijn naaste te haten. Bij de één of ander komt dat in meer of mindere mate ook in daden tot uiting, maar dat is onze natuurlijke situatie. De Bijbel en de wereldgeschiedenis zijn wat dat betreft vol met bewijzen daarvoor. In de Bijbel zien we dat het meest tot uiting komen rond de kruisiging van Jezus Christus. Hoe hij door het Joodse Sanhedrin en de Romeinse overheid, maar ook door de massa, het volk, gedood wordt. Ze hoeven Hem niet. Ze willen Hem niet als Koning van Israël, als Messias.

Als dat onze achtergrond is, dan is het wel degelijk een Godswonder, dat het na de kruisiging niet afgelopen is, maar dat uit datzelfde volk Israël en in datzelfde Romeinse Rijk er vervolgens allemaal mensen tot een andere overtuiging komen, tot een overgave aan precies deze Gekruisigde, Jezus Christus. En het is belangrijk dat u en ik dat ook als een Godswonder in ons eigen leven zien en ervaren. Wij hebben het geloof niet zelf bedacht: de Heilige Geest heeft ons bekeerd tot Jezus, tot het geloof in Hem.

Zeker in de context van onze veranderende samenleving, waarin we zien dat steeds meer mensen niet in Jezus geloven, hoogstens nog in iets, en dat we soms ook aan den lijve merken hoe moeilijk het geloof over te dragen is in ons eigen gezin, aan onze eigen kinderen, in onze eigen familie- en vriendenkring en collega’s, is het belangrijk om te benoemen: Maar de Heilige Geest is nog niet uitgewerkt. Waar het geloof in de Heere Jezus in je hart groeit en bloeit, daar is het bijzondere werk van de Geest zichtbaar.

Tegelijk zie je daarbij ook dat de Heilige Geest niet als een soort superbenzine werkt, die in ons leven gepompt wordt, waardoor wij plotseling tot allerlei bijzondere dingen in staat zijn. De Heilige Geest is niet een soort bovennatuurlijke kracht die ons individueel gegeven wordt, die ons tot bijzondere mensen maakt. Juist in 1 Korinthe 12, waar het gaat over het werk van de Geest, gaat het over het werk van de Geest in de gemeente. Niet in de enkeling, maar in de gemeente als lichaam van Christus. Anders gezegd: De Heilige Geest werkt in de kerk, Hij gebruikt de instrumenten van de kerk, de gemeenschap met elkaar, de onderlinge band, de kerkdiensten, de verkondiging van het evangelie, de ambten, de sacramenten, de samenzang.

Al die dingen die wij misschien doodnormaal vinden, die bestaan aan alleen dankzij de Heilige Geest. We hoeven niet ver te zoeken naar het wonder vanavond. Het is een wonder dat wij hier samen zijn vanavond en ons samen richten op Jezus Christus.

  1. Persoonlijk contact 

De Heilige Geest is dus niet een soort superkracht die ons gegeven wordt. Dat zou tegenover Hem ook een belediging zijn, dat zou Hem erg tekort doen. Want de Geest is geen ‘vage kracht’, maar een concrete Persoon. Hij is niet ‘iets’ dat in ons gegoten wordt, maar Iemand, die bij ons komt wonen. Zo spreekt Jezus zelf over Hem:

16 En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, 17 namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. … 26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb. (Johannes 14:16-17.26)

Een voorbeeld om dat verschil tussen ‘kracht’ en ‘persoon’ duidelijk te maken: Als je ziek bent of niet lekker in je vel zit, dan kun je naar de dokter gaan. Die geeft je een pilletje, en daar knap je weer van op. Dat zou je een ‘kracht’ kunnen noemen, iets wat je er in stopt en wat zijn werk wel doet. Maar niet alles is zo gemakkelijk op te lossen. Als overspannen bent, depressief of vastloopt in je werk, daar is geen pilletje voor. Dan moet je naar een coach of psycholoog, dan heb je een concrete persoon tegenover je, waarmee je moet kennismaken, waarmee je in gesprek gaat, aan wie je uitlegt wat er aan schort, en die psycholoog probeert je met vragen en tips en adviezen verder te helpen.

Zo is de Heilige Geest ook: niet als ‘iets’, als een pilletje, maar als persoon. Jezus heeft het erover dat het werk van de Geest zal zijn om bij ons te zijn, om ons te onderwijzen en in herinnering te brengen alles wat Ik u gezegd heb. Daarin proef je: Dat zal nog aardig wat voeten in de aarde hebben. Het is niet zo: De Geest wordt gegeven en hop alles is ineens anders. Nee, daarmee begint het pas. Dan wordt het hele leven een leerschool.

U, jij, als je in Jezus gelooft en de Heilige Geest ontvangen hebt, dan sta je dus in directe verbinding met een Persoon, met God zelf. Heel concreet. Alsof je altijd online bent. Veel mensen kunnen zich al niet meer voorstellen dat er ooit een tijd was zonder mobiele telefoons en zonder mobiel internet. We hebben nu altijd en overal toegang tot Whatsapp en Facebook. Met Pinksteren is het wonder ons gegeven dat u en ik zo altijd online zijn met God. Hoe bijzonder is dat! U heeft een lijntje naar de hemel. Al is dat nog zwak uitgedrukt. De hemel is binnen handbereik door de aanwezigheid van de Geest in Uw leven. Je kunt zo met God in gesprek.

Hier komt het natuurlijk wel aan op de praktijk. Je bent dan wel online, maar niet automatisch in gesprek. Als je de moeite neemt om te luisteren naar de Heilige Geest zal Hij tot je spreken. Daar moet je wel open voor staan. Dat moet je oefenen. Om echt stil te worden. Soms zal Hij spreken als een fluisterstem in je hart. Soms door een preek of wat medechristenen tegen je zeggen. Soms door dingen die gebeuren in je leven. Maar als je er vanuit gaat – en daar gaan we van uit, want dat heeft Jezus gezegd! – dat de Heilige Geest als concrete Persoon overal met ons mee gaat, kan het niet anders, dan dat je Hem ook overal leert merken.

  1. Het normale is bijzonder 

Waar dan? Waar moeten we kijken om de Heilige Geest te zien? Om Zijn werk te zien? Want het zal toch niet alleen blijven bij ‘geloof in Jezus Christus’? Hoe bijzonder dat ook is, nee, inderdaad, daar houdt het werk van de Geest niet op. Inderdaad zorgt de Geest dat het geloof in Jezus Christus bij ons van binnen komt te zitten, ‘verinnerlijking’ zou je dat kunnen noemen. Het komt binnen. De Geest zorgt dat we ervoor open staan. Maar vervolgens zorgt de Geest ook voor ‘veruiterlijking’, de verandering van je hart van binnen blijft niet zonder gevolg, blijft niet onopgemerkt.

Hier in deze Catechismuszondag wordt daarop verder niet in gegaan, maar in het derde deel van de catechismus komt het werk van de Geest in het leven in dankbaarheid dat zich uit in het gemeenteleven, het houden van Gods geboden en in het gebed, nog zeker ter sprake. Deze veruiterlijking wordt ook wel ‘herschepping’ genoemd of ‘heiliging’. Dat is bijzonder waardevol om elke keer weer te benoemen: Het evangelie van Jezus Christus wordt niet in ons leven gedropt, waarna we het vervolgens zelf moeten uitzoeken. Nee, het is de Heilige Geest die ook zorgt voor de uitwerking daarvan.

Als wij ‘herschapen’ worden, dan is dat ook niet dat wij een soort supermensen met goddelijke krachten worden, maar dan betekent dat dat wij mensen worden, zoals God het graag ziet. Dan worden wij steeds meer zoals Jezus Christus is, de ware mens, zoals God het bedoelt heeft vanaf het begin. Wat gebeurt er dan met ons, wel, in het Bijbels spraakgebruik, dan gaan we ‘vrucht dragen’:

22 De vrucht van de Geest is echter: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. 23 Daartegen richt de wet zich niet. 24 Maar wie van Christus zijn, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. 25 Als wij door de Geest leven, laten wij dan ook door de Geest wandelen. (Galaten 5:22-25)

Ziet u, de bijzondere gaven van de Geest, tongentaal, genezing, profetie, dat zijn maar bijkomstigheden, bij deze ‘bijzondere vrucht’.

Misschien hebt u hierbij ook wel zoiets van: ‘Maar dit is toch niet bijzonder? Liefde, blijdschap, geduld, etc.’ Daar hebt u in zekere zin gelijk in: Deze dingen zouden niet bijzonder moeten zijn in onze wereld. Ze zouden vanzelfsprekend moeten zijn in ons leven. We zouden ze als rijpe vrucht bij een ieder moeten kunnen plukken. Maar ook hier geldt: de werkelijkheid is toch minder rooskleurig.

Deze ‘normale’ dingen, zijn meer ‘bijzonder’ dan we vaak denken. Ze vormen een contrast met materialisme, kortzichtigheid, onverschilligheid, egoïsme, trots, consumentisme, wantrouwen en ronduit slechtheid. En je hoeft niet ver te kijken (kijk maar naar jezelf) om daar tegen aan te lopen.

Als er sprake is van deze vrucht in uw leven, bij mensen om u heen, in onze gemeente, dan mogen we dat labelen, benoemen, als ‘werk van de Heilige Geest’. Dan is er als we het goed zien, misschien wel veel méér zichtbaar van Gods Geest dan we aanvankelijk misschien dachten, binnen én buiten de gemeente. En we hebben misschien ook wel veel scherper voor ogen wat we aan de Heilige Geest zouden moeten verlangen en vragen…

  1. Zeker geweldige weldaden 

Kortom: de Heilige Geest zorgt in ons leven zeker wel voor bijzondere dingen, voor geweldig Goddelijk ingrijpen. Maar het is typisch voor de Heilige Geest, de Geest van Christus, dat dat nu juist niet op de manier van superhelden en superkrachten, van spectakel en show gaat, maar op op de manier van de liefde en de eenvoud. Niet dat er geen wonderen kunnen gebeuren, dat kan allemaal, er gebeuren méér wonderen dan je denkt, maar het fundament vinden we in Romeinen 8:

15 Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader! 16 De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn. 17 En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. (Romeinen 8:15-17)

Hier vinden wij in een notendop drie zekerheden die je gaven van de Geest kunt noemen. 1) De Heilige Geest geeft ons de zekerheid van het kindschap van God: ‘De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn.’ 2) De Heilige Geest geeft ons de zekerheid van het gebed, dat we online zijn, dat is in gesprek zijn met God, die wij nu ‘Abba, Vader’, mogen noemen. 3) De Heilige Geest geeft ons de zekerheid dat wij als kinderen erfgenamen zijn: ‘ dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.

Elk van deze drie dingen is geweldig bijzonder. Het zijn ‘weldaden’, zoals de catechismus ze noemt. Ze hebben iets in zich om van te genieten. De Geest laat ons genieten van God in een herstelde verhouding als Vader en kinderen, in een open en afhankelijk gesprek, in de verwachting en hoop op nog veel méér dat komt.

Dat laatste is belangrijk om te zeggen. De Heilige Geest is ons geschonken, ja, om ‘ons te troosten’, zegt de catechismus. Jezus noemt de Geest ook de Trooster. En Paulus zegt hier: ‘wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden’. Het werk van de Heilige Geest staat helemaal in het kader van herschepping, ja, dat veronderstelt dus een gebroken wereld, en gebroken mensen. Soms zien we al iets van een nieuwe wereld als we in liefde samen zijn als gemeente. Hij schenkt geloof in Jezus Christus, Hij vormt ons karakter naar Hem. Hij is met ons, spreekt tot ons, en af en toe schitteren er flitsen van het Koninkrijk van God als er mensen genezen, of dat nu is door gebed of medicijnen. Maar af is het nog niet.

Ondertussen vinden we dan ‘troost’ in de zin van houvast, zekerheid in Zijn aanwezigheid, in Zijn werk. Dankzij de Geest zijn we zeker, zeker dat we ook echt de volle erfenis van God en Christus van Hem zullen ontvangen. En dan zal alles voor altijd goed zijn. Dat is toch geweldig! Geweldig bijzonder!

Amen

Droom lekker verder, Petrus!

Preek van 1e Pinksterdag over Handelingen 2,14-36

Masolino da Panicale - St. Petrus prekend (fresco, 1426-7)

Masolino da Panicale – St. Petrus prekend (fresco, 1426-7)

Gemeente van Jezus Christus,

Droom je wel eens? Vast wel. Ik ook. Ik ben alleen niet zo goed in het onthouden van wat ik gedroomd heb. ’s Morgens als ik wakker wordt, dan staat me vaag nog wel iets bij. Maar het is heel moeilijk om precies na te vertellen wat je nu precies in mijn dromen allemaal heb meegemaakt. Dat weet je nog het best nét als je wakker wordt, nog een beetje slaapdronken, maar daarna lijkt het wel alsof die herinneringen als los zand door je vingers glippen. In je dromen kan alles…

Als we horen over Pinksteren, lijkt het ook wel een beetje een droom. Er gebeurt van alles wat normaal niet gebeurt: De 12 apostelen en andere leerlingen zijn bij elkaar in de tempel als plotseling op hun hoofden vuurvlammen verschijnen en er een geluid klinkt als van een geweldige stormwind. En opeens beginnen zij allemaal te praten. Te preken. Over de grote daden van God. En de omstanders horen hen allemaal in hun eigen moederstaal. Het is niet normaal wat daar gebeurt. Het klinkt ons vreemd in de oren. En niet alleen ons. Heel wat van de omstanders zelf zeggen ook: ‘Ze zijn dronken.’

Maar dan staat Petrus op: ‘Nee, beste mensen, wij zijn niet dronken! ’t Is pas negen uur ’s ochtends. Wat denken jullie wel van ons! Dit’, zegt Petrus, ‘dit is wat Joël al gezegd heeft: ‘En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees en uw zonen en  uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen.’

Ah, Petrus is niet dronken… Hij droomt… Hij is een beetje vaag aan het doen. Hij is ‘vol van de heilige Geest’. Ik weet niet wat u zich daarbij voorstelt, maar in de ogen van zijn tijdgenoten lijken hij en zijn collega’s een beetje dronken. Ze worden loslippig. Raken een beetje doorgedraaid. Je herkent het wel als je wel eens een glaasje teveel hebt gedronken. Het programma Op zoek naar God ging met Gordon een paar jaar geleden op bezoek bij een charismatische pinkstergemeente in Amerika. Hij geloofde zijn ogen niet. De gemeenteleden dansten in het rond, lagen te lachen op de grond, spraken in onverstaanbare tongentaal. Wat is dit, dacht Gordon. En hij flapte het eruit: ‘Het lijkt wel of ik een gekkenhuis ben beland!’ En hij voelde zich er echt niet op zijn gemak.

En moet je horen wat Petrus verder zegt: ‘En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt.’

Petrus bedoelt: Dat gebeurt op dit moment, die uitstoring van de Geest, die vlammen van vuur! Dat is wat Joël heeft voorzegd! Lang geleden heeft Joël geprofeteerd dat er een dag zou komen, waarop de wereld zou vergaan. Een dag waarop God zelf uit de hemel af zou dalen met zijn engelenlegioenen. Ten oorlog tegen het kwaad. Uit toorn over alle zonde op de wereld. Op die dag zal de aarde verteert worden door vuur. De grote laatste oorlog, de definitieve slag. Ieder die het tegen God durft op te nemen, legt het af. De zon gaat uit. De maan en sterren worden verduisterd. Een dag van grote donkerheid. Maar het volk van God zal blij en verheugd zijn, ze zullen God prijzen, en mogen wonen in het beloofde land, veilig en in overvloed. Met God te midden van hen.

Eindelijk, roept Petrus, eindelijk is het zover. Dit gebeurt nu! Dit is Pinksteren!

Eh, meneer Petrus… droomt u niet een beetje? Ok, er zitten gekke vuurvlammen op jullie hoofden, die ik niet helemaal kan verklaren. Maar om nu te zeggen met Joël: ‘En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed.’ Dat zie ik toch allemaal niet zo… Verbeeld je je het niet? Wil je misschien zó graag dat dat gaat gebeuren, dat je erover gaat dromen? Dat kan, hè. Dat waar je vandaag over loopt te denken of piekeren, dat dat ’s nachts terugkomt in je dromen. De wens is de vader van de gedachte, zegt men wel eens.

En zo zegt men ook wel eens van ons christenen: Jullie verbeelden je het allemaal maar. En daar kunnen we ons inderdaad best iets bij voorstellen. Het is ook bijna te mooi om waar te zijn. Een God in de hemel die van ons houdt. Die zijn enige Zoon voor ons over heeft en Hem laat kruisigen, om onze schuld te betalen. Hij, die nu over alles regeert. Daar kun je inderdaad van alles tegen in brengen. Wat zie je daar nu werkelijk van om je heen? Wat merk je daar nu echt van? In werkelijkheid is het allemaal niet zo spectaculair in de kerk. Ook niet met Pinksteren. Vandaag zijn er hier zelfs geen vuurvlammen en geen geluid van een stormwind.

Het is allemaal niet zo spectaculair als Joël geprofeteerd heeft. Zie je dat wel goed, Petrus? Droom je niet? Nee. Toch niet. We zitten toch ook niet in de kerk omdat dat zo spectaculair is. Ik weet wel, wij mensen houden daar wel van. Hoe meer spektakel hoe beter. Films in de bioscoop houden ons vanaf de eerste beelden aan het scherm gekluisterd. Deze week begint het WK, de tv-verkoop zit in de lift. We willen het allemaal volgen. De hoogtepunten niet missen. Zelfs met het nieuws in de krant en op tv is het tegenwoordig zo dat men scoort met heftige beelden, met vette koppen. Als het nodig is worden de kleinste dingen opgeklopt tot iets groots. En iedereen buitelt over elkaar heen met meningen en commentaar om schande te roepen.

Maakt Petrus zich daar ook schuldig aan? Wil hij het spectaculairder maken dan het is? Nee. Het gaat hem niet om het spektakel, om die tekenen van Joël die inderdaad niet letterlijk allemaal in vervulling gaan met Pinksteren. Dat ziet hij trouwens zelf ook wel. Het citaat uit Joël is een klein beetje aangepast. Petrus zegt ‘Het zal zijn in de laatste dagen…’. Dat staat er in Joël niet. Bij hem is het: ‘Op die dag!’ Petrus smeert het wat uit. Creëert wat ruimte. Het gaat in vervulling, zegt Petrus, maar niet allemaal vandaag, maar vanaf vandaag. Nu gaat het beginnen. We leven hiernaar toe.

De kern zit dan ook niet in de tekenen, in het spectaculaire, maar in de uitstorting van de heilige Geest. Waar zoveel mee gezegd is als: God komt zelf naar de mensen toe. En dat is een indrukwekkende gedachte. Het uitstorten van de heilige Geest, dat is niet zoals met een klein gietertje hier en daar wat water bij de plantjes in de vensterbank doen, een slokje per dag. Het is meer een stortbui. Een stortvloed. Waarvan je tot op de draad toe nat wordt. Of, daar kun je het ook mee vergelijken met een waterkanon. De ME gebruikt dat wel eens bij ernstige rellen. Een soort brandweerauto met een gigantische waterspuit, waarmee ze een menigte mensen zo uit elkaar kunnen spuiten. Een keiharde waterstraal, die je niet kunt trotseren, waarvan je niet op de voeten blijft staan. Nou, zo, zo is de heilige Geest. Zo werkt Hij.

En dat zit niet in de vlammen en de wind. Daarvan zijn de mensen met Pinksteren nog niet zo onder de indruk. Nee, het zit in de woorden. In de preek van Petrus. Het is een preek, het zijn Woorden van God, die mensen omver blazen. Petrus droomt dat niet. Na afloop van de preek, lees je dat er 3000 mensen geraakt zijn, tot bekering komen en zich laten dopen.

Het spektakel zit met Pinksteren in de preek.

Want Petrus droomt niet. De heilige Geest laat hem juist scherp zien. De heilige Geest laat ons profeteren, staat er, en dromen dromen en visioenen zien. Dat betekent niet dat we dingen zien die er niet zijn. Eerder andersom: Wij gaan de dingen zien zoals ze zijn. In hun juiste verhoudingen. We gaan zien wat er toe doet en wat niet. En verder nog: Je gaat zien waar God aan het werk is. Wat Hij van je wil. De heilige Geest wil voor ons zijn als een bril. Zonder bril, zie ik nog wel aardig, ik zie nog kleuren en vormen, maar ik herken jullie niet meer en kan dat bord nauwelijks lezen. Maar met bril, wordt alles opeens duidelijk en helder.

Zo is het met Pinksteren. De heilige Geest geeft Petrus en de apostelen een diep inzicht. Allereerst is dat dan een inzicht in het Woord, in het Oude Testament. In deze preek staan drie uitgebreide citaten. Eerst uit Joël en later ook nog twee uit de psalmen. Uit psalm 16 en psalm 110. Die schriftgedeelten kenden alle joden die naar Petrus stonden te luisteren. Want op het Pinksterfeest kwamen alle vrome, wetsgetrouwe Joden naar Jeruzalem voor het feest. En dat is Petrus’ publiek. Met bijbelkennis zit het bij hen wel snor. Maar Petrus zegt: ‘Hebben jullie het ooit wel goed gelezen. Heb je wel gezien waar het daar eigenlijk over gaat? Over wie het daar gaat?’

Beste mensen, het gaat over Jezus. Ja, die Jezus van Nazareth. Want Hij mag dan gekruisigd zijn. Hij is opgestaan uit de dood. De dood kon Hem niet vasthouden. Dat is toch wat David heeft geschreven: ‘want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.’ Maar David is dood en begraven en zijn graf is hier in Jeruzalem. Maar het graf van Jezus is leeg, want Hij is opgestaan! Jezus is de Heer over wie David het had!

De Pinksterpreek van Petrus is in feite een paaspreek: Met Pinksteren gaat het over dat feit, over diezelfde opgestane, levende Jezus. Met Pinksteren wordt het niet opeens allemaal vaag en zweverig. Gaan we het niet opeens hebben over allerlei geestelijke dingen. Nee, Petrus drukt ons, ook u en mij, met de neus op de feiten. Zie het nou maar eens onder ogen, zegt hij tegen zijn publiek en tegen ons. Die Jezus die jullie gekruisigd hebben. Die Jezus waarvan je denkt dat hij dood en begraven is. Die Jezus waar je gehoopt had vanaf te zijn. Die Jezus leeft. En die Jezus stort Zijn Geest uit over ons. Die Jezus laat mij hier verkondigen.

Wat je met Pinksteren ziet en hoort is niet minder dan een bewijs van de waarheid van het evangelie. Het betekent dat je er vanaf nu niet meer omheen kan. Niet meer om Jezus heen. En Petrus klinkt aardig overtuigd. En dat niet alleen. Zijn woorden zijn raak. Hij is niet alleen getuige, en overtuigd, maar overtuigt ook. Dat is de heilige Geest, kun je beter zeggen. Hij verslaat de schriftgeleerden met hun eigen Schrift. Het Woord gaat leven. Is als een tweesnijdend scherp zwaard.

En het treft ook ons. Door datzelfde Woord spreekt Jezus ons door Zijn Geest ook aan. Diezelfde ernst, dat ontzag. Dat diepe inzicht, dat treft ook ons. Die lange citaten uit het Oude Testament spreken ons misschien niet zo aan. Die spreken niet echt tot onze verbeelding. Maar ook tot u en jou klinkt het daaruit: Jezus Christus is de Heere. Dat wil zeggen: Hij is uw God.

Heel veel mensen in ons land geloven wel in iets, of zelfs: in God. Maar we hebben zelden scherp wat we daarmee bedoelen. Petrus zegt nu tegen ons: God? Jezus, zul je bedoelen. Hij is de Heere. Met Hem heb je als mens te maken. Of je wilt of niet. Petrus confronteert behoorlijk. En je kunt je een beetje voorstellen hoe het bij zijn hoorders overgekomen is. Want die Jezus hebben zij net vermoord. En nu blijkt Hij toch de messias te zijn geweest, de Zoon van God, God zelf. O, schrik.

De feiten die Petrus nog eens voor hen uiteen zet, blazen hen van hun sokken.

Waarom moeten ze daarvan schrikken? Waarom zouden wij daarvan moeten schrikken?

Omdat Jezus ten hemel gevaren is, en Hij nu zit aan de rechterhand van God. De heilige Geest doet Petrus denken aan psalm 110, waar staat: ‘De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.’ En dat is precies het probleem, want die vijanden, dat kunnen ze heel goed op zichzelf betrekken…. Dat slaat op hen.

De ernst en de urgentie van Pinksteren zit daarin dat Petrus zegt: Vanaf nu worden de rollen omgedraaid. Nu gaat blijken wie er werkelijk de baas is in de wereld en over de mensen. Het laatste oordeel komt eraan. De komst van Jezus in heerlijkheid. Dat wat je vandaag ziet en hoort is daar een voorbode van. En in principe is dat vandaag voor ons net zo: Deze preek, die u nu hoort, is een voorbode, een boodschap vooraf, gedrongen door de Geest, ook aan u: Bereidt u voor, want straks is het zover. Straks staat u voor Jezus Christus. En dan?

Pinksteren is als D-day. Eergisteren werd het herdacht in Normandië. 6 juni 1944. 70 jaar geleden. Toen landden de geallieerden in de grootste vloot ooit op aarde geweest met 130.000 man op het vaste land van Europa. Het begin van de ondergang van het rijk van Hitler. Het begin van het einde. Dat is Pinksteren. Vanaf Pinksteren krijgt God de heilige Geest vaste voet aan de grond op aarde. Vanuit Jeruzalem wordt het Koninkrijk van Christus uitgebreid, gaat doorbreken, verslaat de vijanden, de zonde, de duivel, het kwaad.

Pinksteren is de start van het laatste grote offensief van Christus om de hele wereld voor zich te winnen. Nee, niet zoals met D-day met wapens. Niet, zoals de islam is gegroeid, met een jihad, een heilige oorlog. Maar met de Geest, met het Woord. Waar wapens alleen mensen lichamelijk kunnen raken, raken Geest en Woord ons hart, onze ziel. God treft ons dieper dan kogels ons kunnen treffen. Hij treft ons in onze zonde, in onze zelfzucht, in ons verlangen om zelf uit te maken wat goed voor ons is. Hij treft ons in onze eigen koninkrijkjes van status en schone schijn, van genot en geluk. Hij haalt ons hele leven over hoop en dwingt ons tot één keus: Knielen voor Jezus of dienen als voetbank voor Zijn voeten.

U en ik, wij leven in die laatste fase van de wereldgeschiedenis. De wereldgeschiedenis loopt ten einde. De belangrijkste, beslissende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. In Jezus Christus. We kunnen niet anders dan telkens terugverwijzen naar Hem. Heel de Pinksterpreek van Petrus is één grote schijnwerper op het leven en werk van Jezus. Niet voor niets rekenen we in onze jaartelling in jaren vóór Christus en jaren ná Christus. Hij vormt het centrum, het midden van alles. Deze Jezus, zegt Petrus in vers 23. Deze Jezus, zegt Petrus in vers 32. Deze Jezus, zegt Petrus in vers 36: ‘Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.’

Ja, dat is schrikken. We denken vaak dat het ons leven wel een beetje zo voortkabbelt. De ene dag lijkt op de ander. Voor je het weet zijn er weer wat weken, maanden of jaren om. We leven ons leven, doen ons ding. Gaan naar school. Maken plannen voor de toekomst. Genieten van het mooie weer. En dat mag allemaal. Daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat je wel goed moet kijken, dat je de bril van het Woord en de Geest op zet. De tijd waarin wij leven is niet zo onschuldig als we soms denken. In ons beschermde wereldje, in Everdingen, daar lijkt het allemaal rustig. Maar miljoenen broeders en zusters die vervolgt worden, die vandaag in het geheim bij elkaar zijn, die gevangen zitten, die ervaren aan den lijve dat er een strijd bezig is in deze wereld.

En kunnen we dat ergens niet in onszelf ook ervaren? De strijd van de Geest is niet alleen iets van het verscheurde wereldtoneel, maar ook van ons verscheurde hart. Ook in ons laat de Geest de strijd ontbranden tegen zonde en ongeloof, tegen wereldgezindheid, schijnheiligheid en liefdeloosheid. Het vuur van Pinksteren zet ook onze ziel in vuur en vlam. Om te verteren alles wat tegen Jezus in gaat. Zoals Paulus schrijft in Galaten: ‘Want het vlees begeert tegen de Geest in, en de Geest tegen het vlees in; en die staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u zou willen.’

Vanuit Psalm 110 en Psalm 16 toont Petrus aan dat Jezus de messias, de Heer is. En daarmee krijgt die ene zin uit Joël opeens een diepe glans (vers 21): ‘En het zal zo zijn dat ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.’ Pinksteren is wel ernstig, en urgent, maar het is niet alleen een oorlogsverklaring. Het is ook een laatste vredesaanbod. Een laatste kans. Om zalig te worden. Dat is: gered te worden. Gered van de toorn van God. Dat is nog mogelijk. Dat we als mensen Jezus vermoord hebben, dat zou onze ondergang moeten betekenen, zou je denken. Daarmee hebben we onze laatste kans verspeeld. Maar Jezus, onze Goede Heere en Heiland, zegt van niet. Door Zijn Geest. Ook tot u vandaag: U kunt nog worden gered. U kunt zalig worden. Als u de naam van Jezus aanroept. Dat wil zeggen: Als je je bekeert tot Hem. Als je je afwendt van je zonden, en je aan Hem toevertrouwt. Naar Hem overloopt. Maar dan ook helemaal. Je hele hebben en houden voor Hem neerlegt: ‘Heere, hier ben ik. Neem mij in uw genade aan. Ik weet dat ik een zondig mens ben. Dat ik u grenzeloos veel verdriet heb gedaan en nog doe. Maar U bent de Heere. U bent Christus. Ontferm u over mij.’

Zo ligt in het Pinksterfeest, in de uitstorting van de heilige Geest ook onze enige troost in leven en sterven. We mogen zeker zijn van de waarheid van Petrus’ woorden. Het is het Woord van God dat in vervulling gaat. 3 citaten uit het Oude Testament, want door 3 getuigen staat iets werkelijk vast. Jezus houdt woord. ‘Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft…’ Het gaat niet om allerlei dromerijen en verbeelding met Pinksteren. Geen vaag geloof en spiritueel gevoel, maar de harde feiten van kruis en opstanding, van hemelvaart en wederkomst, die zijn het waarop wij ons leven mogen bouwen.

Boven zichzelf uit spreekt Petrus. Dat wel. Gedreven en bewogen door de Geest ziet hij al meer dan wat met onze ogen zichtbaar is. En met dat citaat uit Joël, geeft hij aan dat wij dat ook mogen doen. Boven onszelf uitstijgen. Uit ons eigen leventje opkijken naar de hemel. Niet meer in onszelf en onze eigen zorgen gevangen. Maar Jezus’ Naam aanroepend zeker van de grote morgen die daagt aan de horizon, van het Koninkrijk van Christus dat doorbreekt.

Laat het u ook dromen? Het bijzondere van christelijk dromen is, dat we er niet dromerig en slaperig van inzakken, maar erdoor in beweging komen. Petrus kan zijn mond niet houden. De andere apostelen ook niet. Ze laten zich door hun dromen en visioenen de hele wereld over drijven. Niet kijkend naar de golven, maar Jezus Christus in het oog houdend. Dat mag vandaag ook: Ik weet wel. Als je kijkt naar de kerk, naar de gemeente, dan denk je soms: Het is ook maar een zootje ongeregeld bij elkaar. Wat komt er terecht van alle mooie woorden van ware liefde, van oprecht geloof, van vurige hoop. Wat vallen mensen en medechristenen soms tegen. Ja, dan verlies je Jezus Christus uit het oog. Vul mij opnieuw met Uw heilige Geest. Laat mij dromen dromen en visioenen zien. Geef mij de bril van Uw Geest. Leer mij door alles heen, U zien, Uw werk, Uw regering, Uw koninkrijk dat komt!

Gemeente, het is elke dag Pinksteren als je zo leeft bij het Woord van God, bij zijn beloften en daarop bouwt.

Amen