Jezus als haatprediker?

Homilie bij de herdenking van de Bevrijding van Beringen (6 september 1944) in de bevrijdingsmis. Over Mattheus 10:34-39.

Herdenking bevrijding Beringen - Beringen

Gemeente van Jezus Christus,

We zijn hier bij elkaar om de vrede te vieren. Al 73 jaar wordt er niet meer gevochten in de straten van Beringen, wordt er niet meer schoten, leven de mensen niet meer in angst. Aan die vrede heeft ook de Nederlandse Prinses Irene Brigade bij mogen dragen. Irene betekent ‘zij die vrede brengt’.

Het is dan even slikken bij de woorden van Jezus. ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ En dan die woorden over het breken met je familie, haat zelfs. Niet echt een geschikte tekst om te lezen in een ‘vredesdienst’, denk je misschien. Jezus was blijkbaar ook onder de ‘haatpredikers’, de ‘religieus extremisten’. Daar hebben we onze buik wel vol van, tegenwoordig. Het is de reden dat de straten van Brussel weer door militairen beveiligd moeten worden.

Toch moeten we niet te snel afhaken bij de woorden van Jezus. Jezus preekte wel degelijk liefde en vrede. Radicaal zelfs. Zo radicaal, dat hij wist dat het weerstand op zou roepen. Want als je benoemt wat er scheef zit in deze wereld, als je gaat voor verandering, vernieuwing, bevrijding. Dan kun je rekenen op het zwaard: op weerstand. Niet alleen van een overheid, maar waarschijnlijk ook in je eigen familie en vriendenkring. En daarom doet hij in dit gedeelte aan verwachtingsmanagement. Hij zet zijn volgelingen met beide benen op de grond: Verwacht niet dat je jezelf geliefd zult maken in deze wereld als je helemaal gaat voor het goede, voor God, voor vergeving, genade, verzoening en heelheid. Want daarmee loop je machthebbers en de gevestigde orde voor de voeten.

Jezus roept niet op tot religieus geweld, maar waarschuwt ons dat deze wereld geen speeltuin of paradijs is. Er waren mensen die over Jezus zeiden: Als Hij werkelijk de messias is, de redder van de wereld, dan zorgt Hij wel eventjes dat de wereldvrede uitbreekt, dat alles pais en vree wordt. Maar zo werkt dat niet, zegt Jezus, vrede komt niet zonder slag of stoot tot stand. Zelfs bij God werkt dat niet zo.

Juist in deze bevrijdingsmis kunnen wij denk ik goed aanvoelen wat Jezus bedoelt. Hier in Beringen hebben geallieerde militairen hun leven gegeven voor onze vrijheid. Zij hebben Jezus’ woorden in de praktijk gebracht. Zij hebben letterlijk gebroken met hun familie, huis en haard verlaten. Soms tegen wil en dank misschien, gedwongen door de nood van de tijd. Ze deden het toch maar. In Jezus’ woorden: ‘Ze hebben hun kruis opgenomen’, ‘ze hebben hun leven verloren’. Waarom? Omdat in een tijd van oorlog alles op scherp komt te staan. Omdat het dan niet de tijd is om te praten over vrede en liefde, maar verder thuis te blijven zitten.

Jezus brengt bij ons onder de aandacht wat waar is: Dat sommige dingen in deze wereld, méér waard zijn dan de band met je eigen familie, méér waard zijn dan je eigen leven zelf… Sommige dingen zijn het waard om je leven voor te geven. De bevrijding van West-Europa van het nazisme, van bovenal de Holocaust, de systematische vernietiging van het Joodse volk, Roma, homo’s, en gehandicapten. Dat was het waard om voor te sterven. Na 73 jaar, zijn wij hen nog steeds intens dankbaar die daarvoor stierven, en hen die zich daarvoor ingezet hebben.

Zo gek zijn Jezus’ woorden dus niet. Hij benoemt alleen maar wat we allemaal ten diepste wel weten. Al willen we het vaak niet waar hebben. Omdat we er liever niet aan denken dat het leven soms om confronterende en radicale keuzes vraagt. Wanneer ben ik nu daadwerkelijk bereid mijzelf in de strijd te gooien, mij ergens hard voor te maken, mijzelf niet buiten schot te houden?

Jezus heeft ons wat dat betreft natuurlijk wel het goede voorbeeld gegeven. Als er iemand daadwerkelijk zijn kruis opgenomen heeft, dan is het Jezus zelf geweest, die letterlijk aan het kruis gehangen werd. Omdat Zijn spreken over een nieuwe wereld, Gods wereld, als bedreigend ervaren werd voor de stabiliteit door de Joodse leiders en de Romeinse overheid. Maar juist door die zelfovergave heeft Jezus eens en voor al duidelijk gemaakt dat radicale liefde, hoop, geloof sterker is dan welke macht ook. Jezus heeft een beweging in gang gezet, die niet meer te stoppen is. Daar staat God zelf garant voor, dat geloof ik.

Onze vrede is betaald met bloed, zweet en tranen. Van de militairen en hun geliefden, die hier gevochten hebben in Beringen. Maar verder terug ook met het bloed van Jezus, van God zelf.

Jezus bedoelt met de woorden die we gelezen hebben dus niet een oproep tot religieus geweld, tot haat in de familiekring. Integendeel. We mogen het een ander niet moeilijk maken, maar ook u krijgt het moeilijk als u uw hoofd boven het maaiveld durft te steken. Jezus roept ons op onze ogen te sluiten voor de armen, de verdrukten, de vreemdelingen, de honger, de oorlog, waar onze wereld vol van is. Onze moderne tijd kenmerkt zich door individualisme, door het terugtrekken in eigen kring, in eigen land. Populisme en nationalisme hebben nog steeds, ook na 73 jaar, een grote aantrekkingskracht. Jezus wijst ons erop dat elke tijd vraagt om mensen die óp durven te staan voor een ander, die zichzelf op het spel durven te zetten. En als we dat niet doen, waarschuwt hij, loop je juist het risico jezelf kwijt te raken.

Laat ieder van ons dat overdenken, en doen wat nodig is. Want de vrede is het waard.

Amen

Advertenties

Offers brengen

(Blog verscheen 20-7-17 op PThu.nl/Bijbelblog)

Bijbellezen met militairen

De dwaze meisjes in de gelijkenis van Jezus (Mattheus 25:1-13), die hun olie vergeten zijn, “dat waren zeker domme blondjes”, want een beetje militair vergeet nóóit zijn olie om zijn wapen te onderhouden. Koning Uzzia die zijn leger goed organiseert, en ál zijn soldaten voorziet van de benodigde uitrusting, tot de slingerstenen toe (2 Kronieken 26:14), staat in schril contrast met de huidige staat van de Nederlandse krijgsmacht, waar de munitie regelmatig gewoon op is. Jakob die zich ergens in the middle of nowhere te ruste legt, onder een open hemel (Genesis 28:11), “die lijkt wel wat op ons infanteristen die in het pikkedonker vaak ook geen idee hebben waar we vandaan komen en waar we heengaan”.

Toen ik als krijgsmachtpredikant enkele jaren terug begon, had ik niet gedacht dat Defensie mij met nieuwe ogen zou leren bijbellezen. Maar dat gebeurde wel, zoals blijkt uit de paar voorbeelden die ik zonet gaf. Je denkt aanvankelijk dat een universitaire opleiding en promotieonderzoek in Bijbelwetenschappen het juiste zicht verschaft op de oude teksten van het jodendom en christendom, maar je hoeft maar even in een andere cultuur te stappen en er gaan allerlei nieuwe luikjes open. Die oude teksten blijken hele nieuwe betekenislagen te krijgen en natuurlijke verbindingen aan te gaan met ervaringen van nu. Dit prachtige verschijnsel heet “intercultureel bijbellezen” en daarvoor hoef je dus niet per se naar een ver land, maar soms alleen maar even buiten je eigen bubbel te stappen…

Pitchen en valoriseren

Niet alleen ontdek je dan dat je eigen manier van lezen ook maar zeer beperkt is, daarnaast confronteerde het mij ook met de vraag naar de relevantie van mijn onderzoek. Op dit moment ben ik mijn proefschrift aan het schrijven over “de betekenis en functie van de offerwetten in Leviticus 1-7 in het geheel van het Sinaï-verhaal”. Zie dat maar eens uitgelegd te krijgen in een volledig geseculariseerde context, waar de gemiddelde soldaat vooral bezig is met bierdrinken, sporten en vrouwen (in willekeurige volgorde). Binnen de wetenschappelijke wereld heet dat “valoriseren”: het benoemen van de relevantie van je onderzoek voor de wetenschap of de maatschappij in het algemeen.

Ik leer en geniet van hun manier van spontane bijbeluitleg, maar heeft mijn manier ook nog zeggingskracht voor hen? Gek genoeg ontmoet ik nergens zoveel begrip voor mijn onderzoek naar de “offers” als onder militairen. Daarom raad ik het iedereen aan om zijn of haar onderzoek te gaan pitchen in een hem volledig vreemde omgeving.

Het hoogste offer brengen

Militairen zijn één van de weinige bevolkingsgroepen in Nederland die nog echte offers brengen. Nee, geen dierenoffers, zoals ze in Leviticus 1-7 ter sprake komen, waar koeien, schapen, geiten en gevogelte bij het altaar geslacht werden, en delen daarvan verbrand. Militairen brengen echte mensenoffers. Tijdens de missie in Uruzgan van 2006-2010 sneuvelden 24 Nederlandse militairen. Over hen wordt met ere gesproken en gezegd dat zij “het hoogste offer” hebben gebracht. Dat is geen holle retoriek, maar de manier waarop degenen die erbij waren, spreken over hun “maten en kameraden” die ze verloren hebben.

Als ik zeg dat ik bezig ben met “offers”, dan lichten hun ogen op: dit is taal die zij op één of andere manier verstaan. Voor militairen is het duidelijk dat vrede, vrijheid en verzoening nooit gratis zijn, maar met bloed betaald moet worden. Dat is voor hun geen theologie, maar de harde werkelijkheid die zij voelen bij de jaarlijkse dodenherdenkingen, en bij de monumentjes die her en der op de kazerne verspreid liggen. Dat je daarbij op heilige grond komt. En dat hierbij de grootste zorgvuldigheid, waardige rituelen en de noodzaak om te blijven herinneren op hun plek zijn.

Offeren is breder dan religie

De bevreemding die wij als moderne mensen misschien ervaren bij het doorlezen van Leviticus met zijn eindeloze details, ongelooflijke casuïstiek, en bloederige rituelen, krijgt op die manier een hele actuele klankbodem. Op het eerste gezicht staat het brengen van dieroffers immers ver af van de moderne christelijke spiritualiteit en zingeving. Tenminste, als wij religie vernauwen tot een beperkt domein van individuele ethiek en beleving van de werkelijkheid van God. Zo is feitelijk voor de meeste moderne mensen religie en levensbeschouwing een losstaand onderdeeltje van het leven, naast economie, politiek, werk, vrienden en familie.

Dat is in het oude Midden-Oosten van Leviticus anders. Daar komen we religie tegen die alle domeinen van het leven doortrekt. De tempel in Jeruzalem was volgens deze teksten niet alleen het religieuze centrum, maar ook het sociale centrum waar de grote nationale feesten gevierd werden. Tempels waren de slachthuizen, de ziekenhuizen, de onderwijsinstellingen, de discotheken en soms ook de bordelen van de oudheid. Oftewel, ze stonden midden in het leven en vormden het middelpunt van het leven.

Wat is je heilig?

Met dat alles heeft God te maken volgens de auteurs van Leviticus. Met veehouderij en akkerbouw, met oogsten en eten, met gender en seksualiteit, met recht en economie. Daar waar geleefd wordt, is God aanwezig, en daar past heilig ontzag. Het is aan de enorme creativiteit en inspiratie van de schrijvers van al die “saaie wetten” in de Thora te danken dat het hele leven van Israël doortrokken werd van dat gevoel. En het is die begeestering die ik probeer over te dragen aan de militairen die ik tegenkom. Al zijn zij volgens eigen zeggen “niet gelovig”, dan wijs ik er hen graag op dat hun taal anders verraadt. Dat zij terugvallen op een oud woord als “offer” voor het drama van het verlies van een vriend en collega, laat immers zien dat ze intuïtief aanvoelen dat het leven zich afspeelt onder een open hemel. Voor hen is het vaak een eye-openerom te horen dat het in de Bijbel en in het geloof in God niet gaat om lid worden van de kerk en je op een bepaalde manier leren gedragen, maar om die allerdiepste vragen van ons mens-zijn, om de vraag wat ons heilig is. En dat als je over díe vraag na gaat denken, je heel dichtbij Leviticus komt, en dichtbij God.

Wat moet een dominee in het leger?

Preek over 2 Koningen 6,8-23 bij mijn afscheid van Everdingen en bevestiging als krijgsmachtpredikant.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

Gemeente van Jezus Christus,

Wat moet een dominee in het leger? Wat dóet een dominee eigenlijk in het leger? Die vraag heb ik veel gekregen afgelopen maanden. Tja, leg dat maar eens uit.

Aan de hand van Elisa moeten we een eind komen. Elisa, de godsman, de profeet, 9e eeuw v.Chr. bewees zijn nut wel in het leger. We lazen het in 2 Koningen. Door Goddelijke openbaring weet hij welke aanvalsplannen de koning van Syrië met zijn generaals bekokstoofd. En hij geeft ze door aan het leger van Israël. Zo´n dominee zou het Nederlandse leger ook wel willen hebben, denk ik.

Maar nee, dat is niet het werk dat ik ga doen. En je kunt je afvragen: Waarom doet Elisa dit wel? Waarom gaat hij zich bemoeien met die oorlog die er kennelijk gaande is tussen Syrië en Israël? Dat is toch helemaal geen werk voor een profeet, een religieuze persoonlijkheid, laat hem lekker bidden en naar de tempel gaan.

De achtergrond van die oorlog kennen we niet eens. De namen van de betreffende koningen staan er niet bij in dit verhaal, dus wie er precies tegen wie vecht is onduidelijk. Waarschijnlijk gaat het over wie er zeggenschap heeft over de winstgevende handelroutes naar het zuiden, naar Arabia. De hoofdstukken hiervóór en hierná in de Bijbel vertellen over meerdere conflicten die er tussen beide landen zijn geweest. Omdat beide koninkrijken ongeveer even groot en sterk zijn, heeft geen van beiden de overhand en moddert het conflict eindeloos voort.

Waarom gaat Elisa zich daar dan mee bemoeien? Een wespennest is het. Hij vertilt zich er ook aan, lijkt in ieder geval in het begin. De koning van Syrië pikt het niet en stuurt een gigantisch leger op Dotan af, waar Elisa verblijft. En Elisa’s hulpje krijgt ’s ochtends vroeg de schrik van zijn leven als hij de totale omsingeling ziet. Hij schreeuwt het uit: ‘Ach, mijn heer, wat moeten wij doen?’

Ja, daar zit je dan met je goede bedoelingen. Elisa probeert de oorlog buiten de deur te houden, maar opeens zit hij er zelf midden in. Misschien heeft u dat ook wel eens zo ervaren. Je probeert grip te houden op je leven, je best te doen op je werk, gezond te blijven, maar al die belangrijke dingen heb je uiteindelijk niet zelf in de hand. Ik heb als dominee de afgelopen jaren in pastorale gesprekken de verhalen gehoord, de pijn geproefd, wat het is om ontslagen te worden, om ziek te worden en niets meer te kunnen, wat het met je doet als relaties stuklopen, in het gezin, tussen vrienden en buren.

En ik heb ook zelf persoonlijk die momenten gehad de afgelopen 5 jaar in mijn werk als jullie dominee.

Toen ik hier kwam, probeerde iets van enthousiasme over te dragen voor de kerk, van liefde voor Jezus Christus, van de rijkdom van de Bijbel. Ik verlangde naar groei in geloof in de gemeente, naar groei in vrijmoedigheid in het uitdragen daarvan in het dorp, naar groei in gemeenschap rond het Avondmaal als broeders en zusters. Maar ik merkte al snel: dat zijn mooie idealen, maar dat is niet maakbaar. Ik had er geen grip op en kreeg er geen grip op.

Ik ging me eigenlijk steeds meer zorgen maken over de toekomst van de kerk in Nederland, maar dan ook in Everdingen, zo’n kleine kwetsbare gemeente als we zijn. Financiën in de rode cijfers, vacatures in het jeugdwerk. Veel werk rust op de schouders van een paar kartrekkers. Jongeren die afhaken van catechisatie. Het zijn signalen van de tijdgeest, van ‘secularisatie’ zoals we dat noemen: de afnemende interesse die we hebben in God en de afnemende relevantie van geloof.

‘Wat moeten we doen?’ roept de dienaar van Elisa. Hij ziet er geen gat meer in.

Wat een contrast met Elisa. Die blijft doodkalm. Irritant kalm bijna. Elisa lijkt wel eens soort supermens in de verhalen over hem. Met een bijzonder lijntje naar de hemel. Wij herkennen onszelf eerder in zijn dienaar, toch? ‘Wees niet bang’, zegt Elisa. ‘Hoezo, wees niet bang?! Zie je die paarden en wagens niet, Elisa?! Waar haal je die kalmte vandaan?’ Dat is misschien wel de belangrijkste vraag vanmiddag. Waar haalt Elisa het vandaan?

Bij God vandaan. Dat antwoord klinkt heel simpel. Maar vanzelfsprekend is het niet. Je zou kunnen zeggen: Wie is nu de belangrijkste speler in dit verhaal? Waar gebeurt het belangrijkste? Dan zijn wij geneigd om te zeggen: Elisa natuurlijk. Hij is de hoofdpersoon. En wat is het belangrijkste: Nou, dat is de afloop van het verhaal. Die prachtige levensles die we daar meekrijgen: Als je een vijandelijk leger goed te eten geeft, gaan ze je daarna niet meer aanvallen. ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Of iets dergelijks. Dat vinden we mooi.

Maar dan denken we wel heel plat. Een beetje zoals de koning van Syrië: Hij denkt ook dat Elisa het probleem is. En dat hij Elisa, die slimmerik, wel te grazen kan nemen als hij ook maar slim is. Daarom stuurt hij zijn leger ’s nachts op Elisa af. Daar verkijkt hij zich op. Hij houdt geen rekening met de God van Wie Elisa zijn kennis ontvangt…

Trouwens de koning van Israël denkt op hetzelfde militair strategische niveau. Als dat Syrische leger zijn stad Samaria binnen komt marcheren, ruikt hij zijn kans. ‘Zal ik hen doden? Zal ik hen doden?’ Het wordt in de tekst twee keer herhaalt. Hij staat te popelen. Hij zál die ellendige Syriërs eens. Daarom moet Elisa hem terechtwijzen. Vers 22 is een beetje gek in de HSV terecht gekomen, in de Nieuwe Bijbelvertaling staat het zo: ‘Hebt ú ze soms met uw eigen wapens krijgsgevangen gemaakt, dat ú hen zou doden?’ Met andere woorden: Koning, denk eens even na Wiens gevangenen dit zijn? Aan Wie danken we dit? Oh ja, God…

En het is die dienaar van Elisa, die ook zo plat denkt. Hij ziet wagens en paarden, een omsingeling, en denkt: ‘Wij zijn verloren. Daar kan niets en niemand nog wat aan doen.’

Herkenbaar toch? Ook voor ons eigen leven. Wij denken zelf de meeste dagen ook zo plat. We geloven al of niet dat er ergens wel iets is, dat God daarboven is, en dat Hij misschien ook wel iets kan. Maar de problemen en vreugden van alle dag, zijn toch meer ons eigen pakkie aan, denken we dan. Daar heeft Hij niet zoveel mee van doen. Wanneer zijn wij nu echt bewust met geloof, met God bezig? Staat dat op de voorgrond in ons leven?

Vaak vergeten wij God gewoon. Dat Hij belangrijk is. Ik ook, hoor. Zeker tijdens de afgelopen intensieve opleidingsweken. Dan zijn er dagen dat je helemaal niet aan Hem denkt. Dat is best wel ernstig. Maar vooral jammer. Als er iets is in ons leven, waar dit verhaal over Elisa ons bij stilzet, dan is het wel dit: Dat als wij geen rekening houden met God, dat wij dan het belangrijkste in ons leven vergeten.

Dat is misschien te gemakkelijk gezegd. Want die dienaar van Elisa, zíet het gewoon niet. Elisa zegt niet tegen zijn dienaar: ‘Jongen, geloof het nou maar. Do’nt worry, be happy. Het komt wel goed.’ Nee, die jongen kán het niet zien.

Daar komen we op een spannend punt. Veel mensen haken af van kerk en geloof, juist omdat ze er niets van zien. We zien de wereld om ons heen, maar God zien wij niet. En op die momenten dat we iets van Hem zouden willen zien, van Zijn ingrijpen, Zijn macht, zijn bescherming, blijft het stil.

Ja, oke. Het is goed om pastoraal bij die ervaring stil te staan.

Een ervaring van alle tijden. Een worsteling van alle tijden, een worsteling die ik zelf ook ken, en die u vast ook kent, maar dat is niet het enige. Hier in de kerk gaat het verhaal vérder. Er is méér. Er is evangelie.

Elisa bidt. ‘HEER, open toch zijn ogen.’

Elisa moet eerst voor zijn dienaar bidden, dat zijn ogen geopend worden, en dán pas ziet hij vurige wagens en paarden die een cordon vormen rond Elisa. In de Bijbel staan die vurige wagens en paarden voor een hemels leger, een leger van engelen, geesten die God gehoorzamen. Een leger dat God nooit werkelijk op aarde inzet overigens. Het staat symbool voor de overweldigende macht en bescherming van God. Voor Gods eigen aanwezigheid. Éven ziet de dienaar met eigen ogen hoe de zaken er werkelijk voorstaan in de wereld. Hoe de werkelijke machtsverhoudingen zijn.

Dat kan dus wel. Dat God je ogen opent. Dat je tot inzicht komt. Tot het inzicht dat God er toe doet. Dat Hij er is. Dat Hij er voor jou is, voor u.

En dat is hier duidelijk een geschenk van boven, het is een geschenk van openheid, van verlichting, van inzicht.

In de loop van mijn jaren hier in Everdingen is dat voor mijzelf steeds belangrijker geworden. Omdat ik merkte dat ikzelf ook vaak was als die dienaar. Dat ik dacht dat ikzelf het werk moest doen. Maar ik zag niet hoe! Ik zag zo weinig van God in mijn eigen leven, in de wereld om mij heen, in de gemeente.

Pas het afgelopen jaar heb ik geleerd (of beter: heeft God mij geleerd, door jullie hier in Everdingen) om ánders te kijken, om nóg eens te kijken. Om oog te hebben voor Gods aanwezigheid. Om het wonder te zien van het kleinste bloemetje in de berm van de Lekdijk. Om elk vriendelijk woord onderling in de gemeente te zien als zegen van God. De fijne sfeer van Avondmaal vieren. De trouwe bezoekers van de Bijbelkring. De kinderen van de zondagsschool die heel zachtjes hun psalm zingen bij sluiting winterwerk.

Je kunt denken: Is dat het nou? Ja, dat is het. Dat wat er is, is al zoveel. Het is een leerproces, om te leren zien. Écht te leren zien. Mensen te zien. Zoals ze zijn. Gods werk te zien. Zijn aanwezigheid. In álles. In al die dingen die wij soms zo gewoon zijn gaan vinden, zo vanzelfsprekend.

Daar hebben wij God zelf voor nodig. Onze verblinding kan Hij verhelpen. Bij ons zitten de luiken zo snel dicht. Zo op onszelf gericht als we zijn. We moeten open gezet worden.

En dat kan dus. Elisa hoeft er maar om te vragen, of het gebeurt. Ik zou zeggen: Dat is iets waarmee wij elkaar moeten helpen. Om God in het oog te houden. Daarom moeten wij voor elkaar bidden.

Daarvoor ga ik nu ook het leger in. Als dominee ben ik daar voor iedereen een levende herinnering aan het feit: Er is méér. Meer dan met wapens bezig zijn, trainen, je land verdedigen, de internationale rechtsorde beschermen. Je bent als militair méér dan een wapensysteem. Je bent een mens. Een mens onder Gods hemel. Scan niet alleen het terrein voor vijandelijke troepen, maar kijk ook eens omhoog.

Daar valt méér te zien dan je denkt. In het Nieuwe Testament is er het opvallende parallel-verhaal van de arrestatie van Jezus. Net als Elisa wordt ook Jezus omsingeld door een grote menigte gewapend met zwaarden en stokken. Op het eerste gezicht denk je: Dit gaat helemaal mis. Één van de discipelen trekt nog zijn zwaard en hakt er op los.

Jezus is hier degene die alles met een andere bril bekijkt. Ook Hij weet zich omringt door meer dan twaalf legioenen engelen. Een legioen in die Romeinse tijd was 6000 man. Oftewel: Jezus is zich bewust van de ware krachtsverhoudingen, zoals ook Elisa dat was. Maar Jezus weet dat uiteindelijk de zwaarden in deze wereld niet in staat zijn de vrede te brengen. Dat je daar God voor nodig hebt. Oorlogen blijven eindeloos. Geweld zorgt alleen maar voor méér geweld.

En daarom geeft Jezus zich gevangen. Dat is Gods weg, zegt Jezus. Gods wil. Op het eerste gezicht lijkt dat onzin. Hoe kan jezelf gevangen laten nemen, laten mishandelen, jezelf laten kruisigen, Gods wil zijn? Hoe kan dat vrede brengen? Dat slaat helemaal nergens op. Had Elisa niet beter die vurige wagens en paarden op de Syriërs los kunnen laten? Dan waren ze vernietigd. Dit verhaal in het Oude Testament lijkt goed te eindigen, maar in vers 24 gaat de oorlog toch gewoon door. Had Jezus niet gewoon ook die twaalf legioenen engelen moeten gebruiken om vrede op aarde te brengen?

Op het eerste gezicht wel. Maar dan verkijken we ons op God, op Jezus. Jezus verdient het dat we nóg eens en nóg eens naar Hem kijken. Hem in het oog houden. Hem op de voet volgen. Want dan zien we, zoals Jezus het ziet ‘dat de Schriften van de profeten vervuld worden.’

Wat is Elisa’s doel? Dat de ogen van de koning van Syrië en de koning van Israël open gaan. Daarom brengt hij die Syrische legers ook even naar Samaria. Zodat die koningen zien dat de wereld niet om hen draait. Dat ook in de politiek en de militaire macht zij totaal afhankelijk zijn van de Ene, de Eeuwige, JHWH, de God van Israël. Dat de wereld altijd al om Hem draait. Dat macht niet iets is wat afgedwongen kan worden, maar wat gegeven wordt. Dat niet wapens, maar genade het werkelijke machtsmiddel is. De kunst om te vergeven. De kunst van het opnieuw bekijken. De kunst van de tweede kans.

Zo is God, zo is Jezus. Dat wil Hij ons geven. Die openheid, die lichtheid, die genade. Met ontzag vertelt de Bijbel het verhaal dat Jezus daarom niet in het graf kon blijven. De dood had geen grip op hem. Zelfs de dood verkeek zich op Hem.

Op het eerste gezicht een ongeloofwaardig verhaal. Maar het verdient onze aandacht. Er is méér dan je denkt. Kijk nog eens. Wees niet te snel met je mening, vertrouw niet teveel op je eigen ervaring en waarneming. Je ogen kunnen je bedriegen. Bid dat God je daarvoor bewaart. Bid om open ogen.

Of de koningen van toen zo blij waren met Elisa, weet ik niet. In dit verhaal probeert de koning van Syrië Elisa te grijpen en te doden. Vanaf vers 24 probeert de koning van Israël hetzelfde. Ook Jezus onderging het lot van arrestatie, omdat Hij de leiders voor de voeten liep. Ook ik zal mijzelf niet heel erg populair maken bij militairen als ik zeg dat ze vooral hun wapens niet moeten gebruiken, omdat geweld geen oplossing is. Al is er ruimte voor nuancering en uitzonderingen, in de kern brengen de Bijbel en de christelijke traditie deze pittige boodschap.

En die moet gezegd worden. Hier in de kerk blijft gepreekt worden, daar ben i,k niet bang voor. Ook nadat ik vandaag afscheid genomen heb. Daar zorgt God zelf voor. Op die macht mogen we vertrouwen als gemeente.

Maar het moet ook gezegd worden in de wereld, in de wereld van Defensie. Dat ga ik doen. Niet arrogant, niet belerend. Misschien zelfs niet eens met woorden, maar met daden. Gewoon door er te zijn. Door mijzelf open en kwetsbaar op te stellen. Door mijn eigen zwakheden te laten zien. Door oprechte aandacht en liefde.

Dat is de weg die ook u als gemeente hier in Everdingen mag gaan. Die blik in de hemel van de dienaar van Elisa, waarin hij de vurige wagens en paarden ziet, dat is geen eindpunt. Juist als je weet van God. Als je Hem gezien hebt in de persoon van Jezus Christus. Als je gezien hebt dat het kruis geen symbool van lijden is, maar de plek van de overwinning van de liefde op de dood. Van de verzoening en genade op het kwaad. Dan ben je geroepen ook zelf die weg te gaan.

Zet de deur van je hart open. Zie de mensen om je heen. Ontferm je. Help ze. Heel concreet wordt dat in deze dagen door vluchtelingen die op de drempel van Nederland staan. Maar ook in het klein. Schrijf nooit mensen af. Ook niet als ze je kwaad berokkenen. Kijk nog eens. Kijk ze in de ogen. En kijk eens in de spiegel. Zie wat God aan het doen is. Met u, met jou, met onze gemeente, met de kerk, met de wereld. Kijk eens goed, en je staat verstelt van Zijn goedheid en trouw, nu en tot in eeuwigheid.

Amen