Offers brengen

(Blog verscheen 20-7-17 op PThu.nl/Bijbelblog)

Bijbellezen met militairen

De dwaze meisjes in de gelijkenis van Jezus (Mattheus 25:1-13), die hun olie vergeten zijn, “dat waren zeker domme blondjes”, want een beetje militair vergeet nóóit zijn olie om zijn wapen te onderhouden. Koning Uzzia die zijn leger goed organiseert, en ál zijn soldaten voorziet van de benodigde uitrusting, tot de slingerstenen toe (2 Kronieken 26:14), staat in schril contrast met de huidige staat van de Nederlandse krijgsmacht, waar de munitie regelmatig gewoon op is. Jakob die zich ergens in the middle of nowhere te ruste legt, onder een open hemel (Genesis 28:11), “die lijkt wel wat op ons infanteristen die in het pikkedonker vaak ook geen idee hebben waar we vandaan komen en waar we heengaan”.

Toen ik als krijgsmachtpredikant enkele jaren terug begon, had ik niet gedacht dat Defensie mij met nieuwe ogen zou leren bijbellezen. Maar dat gebeurde wel, zoals blijkt uit de paar voorbeelden die ik zonet gaf. Je denkt aanvankelijk dat een universitaire opleiding en promotieonderzoek in Bijbelwetenschappen het juiste zicht verschaft op de oude teksten van het jodendom en christendom, maar je hoeft maar even in een andere cultuur te stappen en er gaan allerlei nieuwe luikjes open. Die oude teksten blijken hele nieuwe betekenislagen te krijgen en natuurlijke verbindingen aan te gaan met ervaringen van nu. Dit prachtige verschijnsel heet “intercultureel bijbellezen” en daarvoor hoef je dus niet per se naar een ver land, maar soms alleen maar even buiten je eigen bubbel te stappen…

Pitchen en valoriseren

Niet alleen ontdek je dan dat je eigen manier van lezen ook maar zeer beperkt is, daarnaast confronteerde het mij ook met de vraag naar de relevantie van mijn onderzoek. Op dit moment ben ik mijn proefschrift aan het schrijven over “de betekenis en functie van de offerwetten in Leviticus 1-7 in het geheel van het Sinaï-verhaal”. Zie dat maar eens uitgelegd te krijgen in een volledig geseculariseerde context, waar de gemiddelde soldaat vooral bezig is met bierdrinken, sporten en vrouwen (in willekeurige volgorde). Binnen de wetenschappelijke wereld heet dat “valoriseren”: het benoemen van de relevantie van je onderzoek voor de wetenschap of de maatschappij in het algemeen.

Ik leer en geniet van hun manier van spontane bijbeluitleg, maar heeft mijn manier ook nog zeggingskracht voor hen? Gek genoeg ontmoet ik nergens zoveel begrip voor mijn onderzoek naar de “offers” als onder militairen. Daarom raad ik het iedereen aan om zijn of haar onderzoek te gaan pitchen in een hem volledig vreemde omgeving.

Het hoogste offer brengen

Militairen zijn één van de weinige bevolkingsgroepen in Nederland die nog echte offers brengen. Nee, geen dierenoffers, zoals ze in Leviticus 1-7 ter sprake komen, waar koeien, schapen, geiten en gevogelte bij het altaar geslacht werden, en delen daarvan verbrand. Militairen brengen echte mensenoffers. Tijdens de missie in Uruzgan van 2006-2010 sneuvelden 24 Nederlandse militairen. Over hen wordt met ere gesproken en gezegd dat zij “het hoogste offer” hebben gebracht. Dat is geen holle retoriek, maar de manier waarop degenen die erbij waren, spreken over hun “maten en kameraden” die ze verloren hebben.

Als ik zeg dat ik bezig ben met “offers”, dan lichten hun ogen op: dit is taal die zij op één of andere manier verstaan. Voor militairen is het duidelijk dat vrede, vrijheid en verzoening nooit gratis zijn, maar met bloed betaald moet worden. Dat is voor hun geen theologie, maar de harde werkelijkheid die zij voelen bij de jaarlijkse dodenherdenkingen, en bij de monumentjes die her en der op de kazerne verspreid liggen. Dat je daarbij op heilige grond komt. En dat hierbij de grootste zorgvuldigheid, waardige rituelen en de noodzaak om te blijven herinneren op hun plek zijn.

Offeren is breder dan religie

De bevreemding die wij als moderne mensen misschien ervaren bij het doorlezen van Leviticus met zijn eindeloze details, ongelooflijke casuïstiek, en bloederige rituelen, krijgt op die manier een hele actuele klankbodem. Op het eerste gezicht staat het brengen van dieroffers immers ver af van de moderne christelijke spiritualiteit en zingeving. Tenminste, als wij religie vernauwen tot een beperkt domein van individuele ethiek en beleving van de werkelijkheid van God. Zo is feitelijk voor de meeste moderne mensen religie en levensbeschouwing een losstaand onderdeeltje van het leven, naast economie, politiek, werk, vrienden en familie.

Dat is in het oude Midden-Oosten van Leviticus anders. Daar komen we religie tegen die alle domeinen van het leven doortrekt. De tempel in Jeruzalem was volgens deze teksten niet alleen het religieuze centrum, maar ook het sociale centrum waar de grote nationale feesten gevierd werden. Tempels waren de slachthuizen, de ziekenhuizen, de onderwijsinstellingen, de discotheken en soms ook de bordelen van de oudheid. Oftewel, ze stonden midden in het leven en vormden het middelpunt van het leven.

Wat is je heilig?

Met dat alles heeft God te maken volgens de auteurs van Leviticus. Met veehouderij en akkerbouw, met oogsten en eten, met gender en seksualiteit, met recht en economie. Daar waar geleefd wordt, is God aanwezig, en daar past heilig ontzag. Het is aan de enorme creativiteit en inspiratie van de schrijvers van al die “saaie wetten” in de Thora te danken dat het hele leven van Israël doortrokken werd van dat gevoel. En het is die begeestering die ik probeer over te dragen aan de militairen die ik tegenkom. Al zijn zij volgens eigen zeggen “niet gelovig”, dan wijs ik er hen graag op dat hun taal anders verraadt. Dat zij terugvallen op een oud woord als “offer” voor het drama van het verlies van een vriend en collega, laat immers zien dat ze intuïtief aanvoelen dat het leven zich afspeelt onder een open hemel. Voor hen is het vaak een eye-openerom te horen dat het in de Bijbel en in het geloof in God niet gaat om lid worden van de kerk en je op een bepaalde manier leren gedragen, maar om die allerdiepste vragen van ons mens-zijn, om de vraag wat ons heilig is. En dat als je over díe vraag na gaat denken, je heel dichtbij Leviticus komt, en dichtbij God.

Advertenties

Dominee bij Defensie

Bijdrage aan het symposium “Stroom en bedding” over de Protestantse Geestelijke Verzorging bij de Krijgsmacht (19 april 2017) met alle krijgsmachtpredikanten en genodigden uit de kerken. Met als hoofdvraag: ‘Hoe verhouden we ons als krijgsmachtpredikanten tot onze bronnen (500 jaar Reformatie)? Hoe ziet het landschap eruit? Hoe stroomt het water van de traditie van de Reformatie in de bedding van onze wereld en in het bijzonder in de dynamische en seculiere wereld van Defensie? Hoe blijft het voor onszelf stromen? Waar blijkt voor onszelf de kern te zitten?



Stroom en bedding: laat het evangelie maar stromen!

Lezing als respons op dr. Theo Pleizier & trendwatcher Jeanneke Scholtens

Vooraf

Het is mij een eer voor jullie te mogen spreken. Ik ben de jongste krijgsmachtpredikant. En heb dan ook zeker niet de wijsheid in pacht. Mijn ervaring met de protestantse geestelijke verzorging bij Defensie beperkt zich tot de Koninklijke Landmacht, en dan nog alleen 17 Pantserinfanteriebataljon, waar ik nu twee jaar werk in Oirschot. Ik heb bovendien nog geen uitzendervaring, dus dr. Theo Pleizier is al meer op missie geweest dan ik. Mijn betoog is dan ook niet meer dan een hopelijke prikkelende, maar persoonlijke bijdrage als respons op Pleizier en Scholtens. Waarom ik dan toch deze lezing houdt? Om in de taal van dit symposium te blijven: ‘Ik ben net ingestroomd’ uit de kerk en heb daardoor wellicht een frisse en scherpe blik. En daarnaast ben ikzelf groot geworden met Luther en Calvijn in de reformatorische stroming van protestants Nederland, waar ik ook nog steeds vrolijk in zwem.

Wat is de opzet van mijn verhaal? Allereerst verbind ik de trends die Scholtens signaleert met de werkelijkheid van Defensie, waaruit duidelijk wordt dat Defensie zelf kerkachtige trekken heeft. Behalve dat het over God gaat, natuurlijk. En daar ligt voor mij een pijnpunt dat ik expliciet wil benoemen. De bedding ligt er, maar stroomt er nog iets? Kansen genoeg, hierbij sluit ik aan bij Pleizier. Zolang we maar mensen vrijmoedig een toegang tot God bieden via het evangelie van Jezus Christus. Grote woorden misschien, die ik nu zal verduidelijken.

  1. Alles stroomt bij Defensie

Defensie is een meerstromenland, een modern Mesopotamië. Constant in beweging. Enerzijds door bezuinigingen en bijbehorende constante reorganisaties, anderszijds door de naargeestige herleving van de geopolitiek waarvan we hoopten dat die dood was. Constant komt er nieuwe doctrine en nieuw materiaal: gemotoriseerd optreden, hybride oorlogvoering, cyber warfare, multinationale integratie. De hele 13 Lichte Brigade in Oirschot moet eigenlijk nog uitgevonden worden. Defensie is daarmee ook, zoals Scholtens voor de samenleving opmerkt: caleidoscopisch, onzeker, geïndividualiseerd. Al het personeel moet na 3 jaar op functie weer verder. Het vertrouwen in de legerleiding is ontzettend laag – was in februari nog in het nieuws.[1]

Veel militairen kiezen voor vervroegde uitstroom. Digitalisering maakt dat veel kazernewerk administratief computerwerk is geworden. En tijdens oefeningen zitten militairen met één oog gekluisterd aan de smartphone, waardoor onderlinge contacten en gesprekken soms minimaal zijn. Let wel: dit alles heeft werkelijk caleidoscopisch ook positieve kanten: contact met het thuisfront is niet meer wekenlang of maandenlang minimaal. Er zijn volop mogelijkheden voor interne carrière, voor inbreng van ideeën. Voor individualiteit in haardracht, baarddracht en tatoeages (belangrijker en veelzeggender dan je denkt!). De organisatie wordt ook informeler, meer of voornaambasis. Minder in de houding. Dit alles natuurlijk tegen de zin van sommige adjudanten… Niets ligt meer vast, in die zin is zelfs binnen een sterk hiërarchische organisatie als Defensie sprake van ‘de-institutionalisering’.

Eigenlijk niet verwonderlijk: Defensie maakt deel uit van onze maatschappij, net als de kerken. Interessanter is misschien dat Defensie niet alleen meedrijft met de trends, maar ook actief inspeelt op de menselijke behoeften die daardoor opgeroepen worden. Ga maar na. Safety is een kernwoord. Defensie gaat volgens de corporate story allang niet meer over bommen en tanks, maar over ‘vrede en veiligheid’: ‘Wij beschermen wat ons dierbaar is.’ Defensie biedt een community, de kracht van het team, de trots erbij te mogen horen wordt erin gegoten tijdens de initiële opleidingen. Groepsgevoel en kameraadschap behoren bij de mooiste ervaringen van veel militairen. In de behoefte aan herbronning, identiteit en rituelen wordt ruimschoots tegemoetgekomen in de ‘militaire erediensten’ rondom de talloze regimentsjaardagen, dodenherdenkingen, medaille-uitreikingen en beëdigingen: ‘Ik beloof trouw aan de Koning’. Het pastoraat bestaat uit een batterij psychologen, maatschappelijk werkers, coaches, vertrouwenspersonen, veteranenwerkers en geestelijk verzorgers… In dat veelstromenland vervul ik vraaggestuurd de multireligieuze en transcendente behoeften met emerging church op de heide. Letterlijk. Midden op de hei op de vroege zondagochtend steek ik een kaars aan, draai goede popmuziek, vertel een inspirerend verhaal uit de Bijbel, ruimte voor stilte, gebed en je eigen gedachten. En Defensie kent natuurlijk sinds jaar en dag al de casual dominee, ik draag hetzelfde pakkie als Jan Soldaat. Als je het daarin niet kunt vinden, kun je ook gaan voor de yogalessen of de mindfulness-training. En qua marketing pakt Defensie de zaken goed aan: Elk jaar melden zich weer duizenden mensen voor de keuring in de hoop een baan bij dit prachtige bedrijf te bemachtigen. Daar kan de kerk van leren… Misschien wel omdat Defensie dus méér is dan een bedrijf: het biedt safety, community, purpose, ritual, transcendence. Defensie heeft kerkachtige trekken.

Defensie is dan ook niet zomaar een neutrale bedding, waarin de protestantse GV of de christelijke traditie al dan niet stroomt of kan stromen. Er ligt al een bedding, er stroomt al van alles. Defensie vormt de visie van militairen op de wereld, hun normen en waarden, voor sommigen zelfs hun identiteit. GV’ers die FLO-conferenties draaien op Beukbergen kunnen daar meer over vertellen: ‘Is er een leven ná en búiten Defensie?’ Defensie is in zichzelf al een levensbeschouwelijke organisatie. De bedding ligt er al vóór de stroom uit. Heel gemakkelijk rolde ik er voor mijn gevoel ook in een paar jaar terug: er is gevoel voor traditie, voor ritueel, voor vorming, voor normen en waarden; men heeft oog voor goed en kwaad, voor de grote vragen van leven en dood.

  1. Een droge bedding

Is er dan nog eigenlijk wel behoefte aan dominees bij Defensie? Aan een specifiek protestantse stroom? Wat heb ik dan nog bij te dragen aan dit veelstromenland als alle trends en behoeften die mensen maar kunnen hebben al ondervangen worden? Ik heb theologie gestudeerd, ‘Godgeleerdheid’, maar aan God is niet zoveel behoefte. Als een kleine illustratie daarbij: Een paar weken terug heb ik een bijeenkomst georganiseerd tijdens een lunchpauze om te inventariseren of er op de legerplaats Oirschot belangstelling is voor een ontmoetingskring, waarop we samen lunchen, bidden, praten en bijbellezen. Van de 5000 militairen en burgers op mijn kazerne hadden 5 interesse. 0,1%. Er zijn natuurlijk meer gelovigen, sommigen zullen gewoon andere werkzaamheden hebben, anderen hoeven niet zo nodig hun geloof publiek te maken. En ik was blij met deze 5, die kring is er. Maar ondertussen toch: 0,1%. Dat doet mij persoonlijk als gelovige verdriet.

Secularisatie is een feit, daarover hoeven we niet te discussiëren. Ik ga nu ook niet in op allerlei definitiekwesties, maar vat het voor mijzelf altijd samen als: ‘God is tegenwoordig geen hoofdrolspeler om Wie alles draait, maar vervult al dan niet een bijrol in de samenleving en het persoonlijke leven.’ Dat doet mij verdriet. Net als het onze rooms-katholieke, joodse en islamitische broeders verdriet zal doen. De grote monotheïstische tradities hebben immers in de kern toch gemeen dat het leven draait om de Ene God. Zelf hoor en lees ik zondags in de erediensten in de kerk nog regelmatig de Tien Geboden, die beginnen met:

‘U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’[2] En volgens Jezus is het belangrijkste gebod dan ook: ‘U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.’[3] Prio 1.

Het verhaal van Scholtens steekt wat dat betreft denk ik niet diep genoeg. We redden het niet in de kerk als we alleen de vormen veranderen, terwijl de inhoud is weggevallen.

Toch deed deze secularisatie mij meer verdriet toen ik in de kerk werkte, dan nu, nu ik werk in een seculiere organisatie. In de kerk trof en tref ik namelijk nog weinig begrip aan voor deze vergaande verschuiving. Omdat men er gelooft in God, ter kerke gaat, de Bijbel leest en bidt, gaan veel gelovigen ervan uit dat er ‘toch niets aan de hand is’. Terwijl ten diepste ook de kerk geseculariseerd is als je deze spade dieper steekt. In die rare spanning vond ik het lastig en complex om gemeentepredikant te zijn. Daarom vind ik het gemakkelijker bij Defensie: In onze seculiere organisatie is het volstrekt gemeengoed dat God buiten beeld is. Hoewel net zo erg, geeft het een eerlijk speelveld. En kan ik ook eerlijk zijn. Als je als dominee in de kerk zegt dat je soms niet in God gelooft, dan schrikken de mensen terug. Daar moet je je imago als professionele gelovige hooghouden.

Gek genoeg lucht het mij daarom weleens op om in een volledige seculiere omgeving te verkeren, gewoonweg omdat ik merk dat de secularisatie ook helemaal door mij is heen gegaan. Hoezeer dat mij ook aangrijpt soms, het is heerlijk om daar eerlijk over te zijn. Niets erger, dan als het bij jezelf vanbinnen niet meer stroomt, als je eigen bronnen voor je gevoel droog staan, te blijven babbelen over God en lege stichtelijke teksten en clichés te berde te brengen. Het eindeloze geopen en gesluit met bijbellezen en gebed rond alle kerkelijke vergaderingen, diensten en pastorale bezoeken heeft soms meer van het ‘ijdel/leeg gebruik van de Naam des HEEREN’ dan het oprechte gevloek van militairen over de ellende in hun leven en wereld.

Door met militairen samen in deze woestijn van de secularisatie te zijn en sámen te zijn in deze droogte van het leven, samen constateren dat het niet meer stroomt, geeft dat meer herkenning en erkenning. Ik sta als GV’er in de militaire organisatie met lege handen, maar ik sta ook naast en bij mensen met lege handen. En juist op die manier zijn wij voluit protestants en reformatorisch:

Was het niet Martin Luther die op zijn sterfbed zijn hele theologie samenvatte in dat ene zinnetje: ‘Wir sind Bettler, das ist wahr.’[4]

Is er behoefte aan dominees bij Defensie? Aan dominees die zo eerlijk durven zijn, is altijd behoefte.

  1. Het evangelie vult de leegte

Paulus schrijft: ‘Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons. … wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld; … Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.’[5]

Wat maakt ons tot protestantse GV? Dat wij in de droogte, in het nulpunt van het leven, weten en ervaren dat de leegte niet leeg is en blijft. Dat we in de twijfel niet vertwijfeld raken. Dat er rotsen zijn waaruit waterstromen voortkomen. Dat er niet alleen sterven en verliezen is, maar ook opstaan en ontvangen. Niet automatisch, maar tot onze eigen verwondering. Als we in de ervaring van de dood van God, de dood van de kerk, de dood van ons eigen geloof, tot onze verwondering ervaren dat alleen maar ons godsbeeld in duigen gevallen is, de menselijke instituties een kaartenhuis vormen, ons eigen denk- en zelfbeelden sneuvelen, maar dat het leven doorgaat. Nieuw en fris, als op de Paasmorgen, wanneer de zon opgaat boven het lege graf.

Nu ik optrek met militairen en zo veel mogelijk hun leven deel, ga ik steeds meer zien dat God nooit ver weg is. Als militairen zeggen: ‘Ik heb niets met God’ of ‘Ik geloof niet’, dan geloof ik ze niet meer zo snel. Vaak bedoelen ze gewoonweg dat ze niets hebben met traditionele of geïnstitutionaliseerde vormen van kerk-zijn. De jonge militairen die ik spreek zeggen dat niet vanuit een anti-houding, maar zijn gewoonweg er nooit mee in aanraking geweest. De 10-ers en 20-ers die nu instromen bij mijn bataljon zijn tabula rasa, blanco in levensbeschouwelijk opzicht. Een tijdje terug had ik een gesprek met een 27-jarige fuselier die ‘gewoon niet lekker in zijn vel zat’, zoals hijzelf zei. En ik vroeg hem: ‘Waar wordt jij gelukkig van dan? Hoe zie jij je leven voor je? Heb je een doel?’ En hij zei: ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht, u bent de eerste die het mij vraagt.’ En zo tref ik hoopjes lui die met hun ziel onder de arm lopen. Maar met wie gesprekken over vertrouwen en houvast, toekomst en hoop, leven en dood, falen en genade, verzet en overgave, opmerkelijk overeenkomsten vertonen met het Psalmboek van Israël, met het leven van de patriarchen, de profeten en koningen. En zeker met het leven van Jezus, zijn oog voor mensen, zijn ruimte, scherpte en liefde, komen dichtbij.

Het gewone geleefde leven is de vindplaats van God. Dat is in ieder geval het typisch protestantse interpretatiekader dat ik opnieuw leer ontdekken. God is niet exclusief verkrijgbaar in kathedralen, sacramenten, door bemiddeling van priesters en kerkelijke instituties. Het was daartegen dat Luther en Calvijn zich 500 jaar geleden keerden. Zoiets bedoelt, denk ik, ook Pleizier als hij spreekt over de protestantse eigenheid die persoonlijk is en niet-institutioneel. De waardering voor het gezinsleven, voor het beroep als roeping, voor het ambt aller gelovigen, maakt dat ik als protestant niet hoef te vervallen in kerkelijke structuren en verwachtingen, om toch te kunnen benoemen en erkennen dat God werkt en leeft onder militairen.

Aan de ene kant zou je dat theologisch ‘algemene genade’ kunnen noemen: alles wat goed is in het leven van mensen, wat mensen ervaren aan liefde, aan vertrouwen, aan hoop. Aandacht en zorgzaamheid. Moed, toewijding en veerkracht. Het is geen menselijke prestatie, geen verdienste, maar het wordt in dankbaarheid ontvangen. Als gaven van God. Genade. Sola gratia. Natuurlijk is dat mijn gelovige interpretatie. Maar het is een heilrijke en bevrijdende interpretatie, merk ik in begeleidingsgesprekken. Soms helpt het mensen al enorm als ze het vele goede weer leren zien en waarderen. Protestantse GV hoeft dan denk ik ook niet in de spanning te zitten tussen transcendentie en betekenisgeving, zoals Pleizier die benoemd.

Aan de andere kant maakt het concept ‘algemene genade’ nog steeds een soort tweederangs gelovigen, want ‘de bijzondere genade’ die zich moet voltrekken in bekering en wedergeboorte is het eigenlijke en zaligmakende. Iemand die zijn hele leven van de algemene genade heeft geprofiteerd, gaat zonder een actief en persoonlijk geloof in Jezus Christus als Redder toch verloren. Nu hoeven we niet terug te schrikken voor die laatste ernst van het evangelie, maar zelf ervaar ik de bijbels-theologische lijnen die bijvoorbeeld de anglicaanse Tom Wright trekt als weldadiger en opbouwender.[6] Hij betoogt dat de 4 evangeliën getuigen van de climax van het geloof dat Israëls God mens is geworden in Jezus Christus om het koningschap over de aarde op zich te nemen. Via de weg van kruis en opstanding, via het werk van de Geest, is dat Koninkrijk gevestigd. Dat is de daadwerkelijke stand van zaken op dit moment.

Voor mijzelf is dat een vruchtbaar perspectief omdat dit grote verhaal, deze grote woorden daarmee over ons allen gaan, niemand heeft daar méér of minder recht op of afstand van dan een ander. Op één of andere manier leven wij allen van en in het licht van deze goede boodschap als onderdanen van Jezus Christus. Leer ermee leven. Laat je meedrijven op die stroom. En laat je erdoor veranderen.

  1. Vrije toegang tot God door Jezus Christus

Dit gelovig perspectief op de bedding van Defensie en de stroom van het evangelie, ligt heel dicht bij de kern van mijn geloof en bij de kern van het Anliegen van de Reformatie. Op de basisschool werd mij verteld hoe Maarten Luther in het klooster ergens in een hoekje een boek aantrof aan een ketting en onder het stof. Het bleek de Bijbel te zijn. Hij ging er stiekem in lezen en vond bij Paulus de sola’s: sola gratia, sola fide, sola scriptura. Luther vond God. Een genadige God in Jezus Christus. Later begreep ik dat dit een apocrief verhaal is. In werkelijkheid werd ook in de middeleeuwse Rooms-katholieke kerk natuurlijk dagelijks uit de Bijbel gelezen. Maar metaforisch is het wel kernachtig voor Luthers leven en voor waar de Reformatie voor staat.

Op één of andere manier was de stroom van het evangelie stil komen te liggen, de toegang tot God verhinderd. Allerlei kettingen en secundair stof waren aangeslibt. Theologisch: de idee dat goede werken voorwaardelijk zijn voor toegang tot de hemel. Sociologisch: Door de kerkelijke hierarchie, , en natuurlijk ook gewoonweg machtsmisbruik en corruptie binnen de clerus. Praktisch: het kerklatijn dat voor ongeschoolde burgers onverstaanbaar was. Luther vertaalde de Bijbel in het Duits, zijn volkstaal, brak met het gezag van traditie en clerus, niet als querulant, maar om het evangelie, en daarmee God zelf weer gemeengoed te maken, toegankelijk en vrij beschikbaar voor iedereen. Via de weg van verzoening door Jezus Christus en niet door eigen prestatie en kwalificatie. Onvoorwaardelijk.

Deze bevrijdende radicaliteit is lastig vol te houden. Ook voor mij als protestant. Het is een kern waarnaar ik elke keer weer terug moet keren. Terug naar de eenvoud van Jezus Christus, naar de verzoening door voldoening. Trots en ambitieus als ikzelf ben, ben ik tegelijk ook altijd onzeker over mijzelf. Of ik wel goed genoeg ben. Of ik mijn werk wel goed genoeg doe. Of ik het wel waard ben om van gehouden te worden. Door de mensen om mij heen. Die existentiële onzekerheid en aanvechting zorgt voor stremming van de stroom. Ik geloof dat het God zelf is, die door Zijn Geest, mij uit die verkokering haalt, weer in een stroomversnelling brengt. Mij terugbrengt bij deze kern:

Gods liefde wordt mij in Jezus Christus persoonlijk bewezen en geschonken. Hij heeft mij op het oog. Onvoorwaardelijk.

Het lijkt mij typisch reformatorisch en protestants als wij vandaag de dag juist op dit punt inhaken. Allereerst dat ook wij in ons ambt onvoorwaardelijk beschikbaar zijn, zoals Pleizier dat benoemde. Laat dat nu precies in onze grondwet zijn vastgelegd: Het hele bestaansrecht van geestelijke verzorging binnen justitie, zorg en Defensie hangt hieraan. Maar dat is enkel de formele kant van de zaak, enkel een passief recht. Het vergt actieve werkzaamheid om de vrije toegang tot God door Jezus Christus vrij te houden.

Theologisch vraagt dat werk. Hoe breken wij onderlinge muren weg, die ons als christenen gescheiden houden? Met zoveel verschillende protestantse kerken hier bijeen, benoem ik toch even de schande van onze verdeeldheid. En een stap verder: Ik zegen de dag waarop de RKGV en PGV één dienst kunnen vormen. Gisteren vierden we samen Pasen, dat smaakt naar méér. Maar dan begint het pas. Ik zoek naar een inclusieve en positieve theologie, die mij helpt om hermeneutische bruggen te slaan tussen het grote Verhaal van God en de levens van militairen. Omdat ik geloof dat God met iedereen te maken wil hebben, ja hééft. En dat het militairen helpt om zich bewust te zijn van een overkoepelend zingevend verhaal, waardoor ze zich kunnen laten inspireren, meeslepen of meedobberen. Dat ze zelfs zonder het te weten leven binnen de ruimte van Gods liefde. Onvoorwaardelijk.

Sociologisch blijven wij kritisch naar de bedding van Defensie: vanuit onze protestantse egalitaire genen hebben wij iets tegen hierarchie. Ik begin consequent te lachen als binnenstromers uit de AMO voor mij in de houding springen en zich met rang en achternaam voorstellen. ‘Hóe heet je?’ vraag ik dan. Rood wordend noemen ze nogmaals hun achternaam. ‘Van voren bedoel ik natuurlijk, doe maar normaal, je bent bij de GV.’ Solidair zijn wij juist met de manschappen, en dan nog juist met de soldaten die erbuiten vallen of geschorst worden. Als je je afvraagt hoe stroom en bedding elkaar beïnvloeden, heb je hier wel een heel mooie casus: zou het ‘calvinistische’ Nederland toevallig zo’n relatief informeel en ‘plat’ leger hebben? Ik denk dat de protestantse stroom, mede door ons werk daaraan bijdraagt: ‘Doe normaal, we zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd.’

Praktisch vergt ‘onvoorwaardelijke beschikbaarheid’ misschien wel de grootste inspanning. Zoals Paulus de ‘Joden een jood, de Grieken een Griek’ werd[7], zullen we de militairen een militair moeten zijn. Wat houdt dat in? Dat zit denk ik niet in meehuilen met de wolven, geaccepteerd willen worden als officier of het eet-, rook- en drinktempo op de BBQ’s bijhouden. Het gaat om liefde voor de militair en het militaire bestaan. Om solidariteit en loyaliteit. Dat zíj het gevoel hebben dat ik geen vreemde eend in de bijt ben, geen ‘gast’ die zo af en toe eens langs komt op oefeningen, maar die hun bestaan kent en deelt. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Ook mijn tenue is altijd correct, ik scheer me dagelijks al heb ik daar een hekel aan, ik sport mee, ik spreek hun taal. Niet omdat ik graag militair wil zijn – dat wil ik niet – maar omdat ik drempelloos wil zijn. Omdat ik geen verhindering wil zijn in de stroom van het evangelie, maar de toegang tot God.

  1. Blijven spreken over God is blijven stromen

Volgens Pleizier zit de specifiek protestantse heilsbemiddeling in de kracht van woorden, in het verwoorden van het transcendente. Ik zou zeggen: Laten wie die kracht dan ook vrijmoedig en maximaal gebruiken. Keer op keer ervaar ik het zelf als aanvechting om in algemeenheden te vervallen. Dat je denkt in je vertaalslag zover te moeten gaan dat het christelijk geloof alleen nog maar gaat om naastenliefde, een visioen van vrede, om licht in het donker van het leven, en dat soort vaagheden. Uiteindelijk heeft niemand daar iets aan. Ons handelsmerk en bestaansrecht ontlenen wij aan Jezus Christus, dus laat ik het ook maar over Hem hebben.

Soms stel ik het gewoon militairen voor, die bij mij op gesprek zijn. ‘Is het goed als ik voor je bid?’ Nooit zomaar uit das blaue hinein, natuurlijk, maar als ik daarvoor openheid proef, zonder dat ze zelf ‘gelovig’ zijn. Tot mijn verrassing vinden ze het vaak (aarzelend) goed. ‘God, help deze jongen, ga met hem mee.’ Meer niet. Vaker vertel ik een bijbelverhaal uit de losse pols dat als spiegelverhaal fungeert. Eye-openers. Ze hoeven van mij niet christelijk te worden, en toch is God er dan in hun leven.

Spreken over God, dat moeten we niet alleen op onze werkplek doen, maar ook met elkaar onderling als krijgsmachtpredikanten. Ik heb dat tot nu toe eerlijk gezegd een beetje gemist. Misschien omdat het ook wel gevoelig ligt. Maar als wij het niet samen over God hebben, dan droogt de stroom bij onszelf op.Ik zou graag de bemoediging ervaren van het van hart tot hart delen van onze zorgen, twijfels, ervaren zegen en inzicht, en het met elkaar hebben over God. Over Wie Hij is voor ons. Over wat Hij van ons verwacht en wat wij van Hem verwachten. Dat moet als dominees toch kunnen…

Dieper nog dan het spreken over God, gaat het spreken met God. Hij is geen grote onbekende, maar heeft Zijn liefde getoond in Jezus Christus.

Zo is Hij ook mijn leven binnen gekomen. Zo heeft Hij de liefde voor Hem in mijn hart gewekt. Zo is Hij een levende werkelijkheid en ervaar ik dat God mijn leven leidt en draagt. Deze diepe innerlijkheid heeft de Reformatie niet uitgevonden. De lijn van deze mystiek, bevindelijkheid of spiritualiteit, is hoogstens afgestofd in 1517. Deze gemeenschap met Christus, met Zijn kruis en opstanding, de inwoning van Zijn Geest, van een vrijmoedige, liefdevolle en vrolijke omgang met God is een onstuitbare stroom, binnen en buiten Defensie.

Tot zover.

 

[1] http://nos.nl/artikel/2159264-defensie-is-een-kille-werkgever-die-te-veel-let-op-cijfers.html

[2] Exodus 20,2 HSV

[3] Mattheus 22,

[4] WA 48, s. 421.

[5] 2 Korinthe 4,7-10

[6] O.a. in: N.T. Wright, Hoe God Koning werd: het vergeten verhaal van de evangeliën, Franeker: Van Wijnen, 2014.

[7] Geen letterlijk citaat, maar een gezegde als interpretatie van 1 Korinthe 9,20.

To be or not to be

Toespraak regimentsjaardag 2017.

15894679_1292038034191751_4448806954469301301_n

Genm b.d. Hemmes (WOII-veteraan) en de regimentscommandant leggen krans.

To be or not to be, that’s the question. In het ruime jaar dat ik hier bij Prinses Irene rond heb gelopen, is me dit het meest bijgebleven: je moet er zijn. Ik bedoel niet alleen als GV’er, maar ook als militair in het algemeen: je moet er zijn. En dat moet je maar kunnen… In vredestijd valt er voor militairen niet altijd veel eer te behalen. Dat is soms vervelend en frustrerend. We houden onszelf wel bezig met oefeningen, maar zolang er geen daadwerkelijke inzet, missie of oorlog is, gaat het er vooral om dat we in vorm blijven. Dat we er zijn en blijven. Daar zijn natuurlijk materiële middelen voor nodig, waar altijd tekort aan is, maar veel belangrijker: daar is een soort innerlijke mentale kracht voor nodig. Om je bestaansrecht niet te ontlenen aan de vele medailles op je borst, niet aan de heroïsche avonturen die je hebt meegemaakt, maar puur aan je aanwezigheid. Dat het goed is, dat je er bent. En dat je er staat als het nodig is. Stevig en zelfbewust.

Jezus vertelt (zo kun je lezen in de Bijbel[1]) over dat ‘klaar staan’, ‘er zijn’ in een voorbeeld over een Oosterse bruiloft:

‘Tien meisjes gaan op weg naar een bruiloft. Ze moeten wachten op de bruidegom. Ze hebben allemaal een lamp meegenomen. Vijf meisjes zijn dom. Ze hebben wel een lamp bij zich, maar geen olie om de lamp te laten branden. De vijf andere meisjes zijn verstandig. Zij hebben een lamp bij zich en ook olie om de lamp te laten branden. Het wachten op de bruidegom duurt lang. De meisjes worden moe en vallen in slaap. Midden in de nacht wordt er geroepen: ‘Daar komt de bruidegom! Vooruit, ga naar hem toe!’ De meisjes worden wakker en doen hun lampen aan. Dan zeggen de domme meisjes tegen de verstandige meisjes: ‘Mogen wij wat van jullie olie gebruiken? Onze lampen willen niet branden.’ Maar de verstandige meisjes zeggen: ‘Nee, we hebben alleen genoeg voor onszelf. Ga maar ergens olie kopen voor je lampen.’ De vijf meisjes gaan op weg om olie te kopen. Intussen komt de bruidegom. De vijf meisjes die klaarstaan, gaan met hem mee. Zij mogen naar binnen op het feest. Daarna gaat de deur dicht. Later komen ook de andere meisjes. Ze zeggen: ‘Heer, heer, laat ons toch binnen!’ Maar de bruidegom antwoordt: ‘Luister goed naar mijn woorden: Ik ken jullie niet.’

To be or not to be, that’s the question. Die vijf domme meisjes waren er niet, niet toen ze er moesten zijn. Toen ze er moesten staan. En daarom gaat het feest aan hun neus voorbij. Dat feest staat symbolisch voor het geloof in een goede toekomst ook als de wereld donker is. De olie in dit verhaal is dan ook geen letterlijke olie, maar staat voor geloof in God, als een vorm van vertrouwen, van mentale kracht. Het gaat niet over materiële gereedheid, maar personele gereedheid.

Militair-zijn wil niet alleen zeggen dat je bepaalde militaire basisvaardigheden beheerst, maar vooral dat je er bent. Dat je ervoor kiest er te zijn als het nodig is. Dat je er dan staat. Dat gaat heel ver. Zeker als we zo de namen horen van de gevallenen van ons regiment en een minuut stil zijn. Dan beseffen we: To be or not to be, de keuze om er te zijn op het cruciale moment, dat houdt in het uiterste geval ook in dat je eigen bestaan, je eigen zijn op het spel staat. Dat is een keus die moed vraagt, geloof, vertrouwen.

Onze keus om militair te zijn, of het nu oorlog is of niet, werpt ons terug op onze innerlijke mentale kracht. Voor mij als dominee is dát geloof, het basisvertrouwen in God, om ons leven bewust in de waagschaal te leggen. Omdat het het waard is. Ten bate van de bruiloft: het visioen van het vrederijk zoals Jezus dat voor ogen staat, een visioen dat ons allemaal kan inspireren.

Ik heb gezegd.

[1] Matteüs 25 vers 1-12 (Bijbel in Gewone Taal).

De ijzeren vuist

Homilie uit de herdenkingsmis te Beringen, 6 september 1944 – 2016. Over Mattheus 20,20-28 en Filippenzen 4,6-9.

image description

Geliefde mensen,

‘Gij weet dat de heersers over de volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dat mag bij u niet het geval zijn;’

Als we naar die woorden van Jezus hadden geluisterd, hadden we hier vandaag niet gezeten. Met huivering denken we terug aan de ijzeren vuist van het nazisme. Maar net zo goed gaan onze gedachten uit naar de voortgaande strijd in Syrië, Jemen, Centraal Afrika, Oekraïne. De lijst is lang van plaatsen waar de ijzeren vuist heerst.

2000 jaar geleden klonken deze woorden van Jezus in de straten van het oude Israël. Ze werden onthouden door Zijn leerlingen, omdat ze er ‘iets’ in zagen. Een hemelse wijsheid. Ze werden genoteerd om ze te bewaren voor de generaties na hen, voor ons, vandaag. Maar wordt er geluisterd? Toen… en vandaag?

De moeder van Jakobus en Johannes heeft voor haar 2 zoons gevraagd om de ereplekken naast Jezus. Zij, en alle leerlingen, zijn op dat moment nog in de veronderstelling dat Jezus, die op weg is naar Jeruzalem, daar tot koning gekroond zal worden en de Romeinen uit het land zal verjagen.

Jezus probeert keer op keer duidelijk te maken dat dát niet is wat Hij voor ogen heeft. Niet het recht van de sterkste moet regeren. Niet de wapens. Maar de liefde.

Ik denk dat wij het daar allemaal wel mee eens zijn. We zien de waarheid van Jezus woorden, van Paulus’ woorden ook uit Filippenzen 4: Dat vrede gevonden wordt als wij ons richten op wat goed is, waar, edel, rechtvaardig, zuiver, beminnelijk, eervol, deugdzaam.

Het lijkt een open deur. Maar het is allerminst vanzelfsprekend dat wij ons daarop richten. Laten we onszelf daarin ook niet voor de gek houden. Die twaalf leerlingen van Jezus zijn een doorsnede van de mensheid. Als die 2 leerlingen de plekken naast Jezus hebben gevraagd, dan zijn de andere 10 kwaad op hen. Niet omdat zij het moreel afkeuren wat die 2 broers doen, maar omdat zij in feite bang zijn dat hun eigen plek in gevaar komt. Met andere woorden: zij zijn ieder voor zichzelf bezig.

Dichtbij Jezus terecht komen, dát is op zichzelf nobel en vroom, daar is niets mis mee. Zoals er niets mis mee is dat wij vandaag hier ook ereplaatsen hebben voor de helden van de bevrijding, voor de militairen die hun leven waagden en gaven voor onze vrijheid.

Maar het is nooit hun intentie geweest, hun focus, hun doel. Ze hebben geen held willen worden, en juist daarom zijn ze het.oudstrijders,beringen

Want dat is de kern van wat Jezus vraagt: We moeten niet de meeste willen zijn, maar de minste. Niet de grootste, maar de kleinste. Niet de eerste, maar de laatste. Misschien zijn er hier wel mensen die zeggen: Ik hoef ook niet per se vooraan te zitten. Ik hoef niet de baas te zijn. En we willen allemaal onszelf wel eens dienstbaar opstellen. Als het toilet een keer schoongemaakt moet worden, dan wil je dat best wel een keer doen. Daar voel je je niet te goed voor. Maar dan is een ander weer eens aan de beurt. Je hebt ook nog je eigenwaarde.

Jezus’ uitspraken zijn radicaler: je zult een dienaar, ja een slaaf van allen moeten willen zijn. In die tijd, slavernij was gewoon, was een slaaf een ‘nobody’, iemand zonder rechten, die alleen maar zuiver bestond voor anderen.

Zo totaal de aandacht op de ander richten. Jezelf vergeten. Dat is heldendom. Dat is sterker dan ijzeren vuisten van de heersers over de volkeren. Dat gedenken wij vandaag op 6 september. Met die onbaatzuchtigheid hebben de geallieerde militairen Beringen bevrijd. Het nazisme gebroken.

En zo heeft ook Jezus zichzelf sterker betoont dan de ijzeren vuist van het Romeinse Rijk. Jezus’ leven eindigde aan een kruis. Het Romeinse symbool van marteling en onderdrukking. Maar het is een symbool geworden van liefde, die groter is dan de dood. Jezus leeft voort als een held, in de kerk mag ik zeggen: Onze Held. Hij heeft de hoogste prijs voor ons betaald, het hoogste offer gebracht.

Het mag ons troosten en bemoedigen dat Jezus ons geen weg wijst die onbegaanbaar is. Als je om je heen kijkt in de wereld zou je moedeloos kunnen worden. Is het mogelijk te luisteren? Is het mogelijk de nederige weg te gaan? Ja. De Heer Jezus wil u helpen.

En dan begint het bij de focus van je leven, je blikrichting. Wat wilt u, wat wil jij bereiken in je leven? Wat heb je op het oog? Laat dat geen grote hoge doelen in de toekomst zijn, laat dat geen roem of status zijn. Voor je het weet loop je met je dromen en idealen anderen onder de voet. Worden jouw vuisten ook ijzeren vuisten. Laat het de ander zijn. De mens met wie je leeft. De mens die God je op je pad brengt. En die mensen zijn er genoeg. De vraag is of je ze ziet. Leer te kijken met mededogen en barmhartigheid.

Amen

Slow Down

Onlangs hield ik mijn eerste “bezinningsdienst” te velde voor militairen op oefening. Hoe ziet zoiets eruit? Een indruk van de opzet en mijmering:

2016-06-26 20.13.30
•    Koffie en cake (Achtergrondmuziek: Dire Straits – Sultans of Swing)

•    Binnenkomer
Voor mij is dit de eerste dienst te velde die ik zelf leid. Ik dacht daarom maar heel simpel te beginnen met de kern van bezinning: even stil worden, even stil zitten, even aan andere dingen denken dan aan ons werk als militair. Slow down. De vraag van vandaag is dan: Hoe doe je dat? Je mond houden is niet zo moeilijk. Maar innerlijke rust en kracht vinden… Waar haal je dat vandaan?

•    Muziek: Douwe Bob – Slow down
I’m going nowhere and I’m going fast
I should find a place to go and rest
I should find a place to lay my head tonight
Every morning there’s another start
Every morning hits so hard
Guess I’m running scared
Guess I’m running on empty
Mister, can you help me
Cause it seems I’ve been lead astray
I keep searching for an answer
For a way
Won’t you help me

You gotta
Slow down, brother
Slow down, brother
Slow down if you can’t go on

Do you think I’ll ever learn
I used to be without concern
Now all I ever do don’t seem to free me
Mister, can you help me
Cause it seems I’ve been lead astray
I keep searching for an answer
Today
Won’t you help me

You gotta…

•    Kaarsjes (Achtergrondmuziek: Pachelbel – Canon in D)
Slow down. Als je stil wordt, dan gaan mijn gedachten gelijk naar mijn vrouw en kinderen thuis. Ik vind het best moeilijk zonder hen te zijn. Dat herken je misschien wel. Misschien zijn er ook wel andere donkere gedachten, verdriet en spijt. Dat hoef je niet binnen houden. Je kunt een kaarsje aansteken, om zonder woorden je hart te luchten.  God ziet het, en weet wat je bedoelt.

•    Bijbelverhaal: Jakob bij Bethel (Genesis 28:10-15 Bijbel in Gewone Taal)
In de Bijbel staat een mooi verhaal over iemand die stil staat, en wat dat met een mens doet. Het gaat over Jakob en speelt rond 1500 v.Chr. in Israël. In zijn jonge jaren werkt Jakob met zijn ellebogen: hij bedriegt zijn vader en zijn broer om een groter deel van de erfenis op te strijken. Maar de haast om vooruit te komen in de wereld slaat om in de haast van de vlucht als dat uitkomt. We komen Jakob tegen tijdens die vlucht, berooid en wel, als hij, net als Douwe Bob, een plek zoekt om te rusten, ‘to lay my head tonight’:

‘Jakob was uit Berseba vertrokken. Hij was op weg naar de stad Charan. Toen de zon onder was, zocht hij een plaats om te slapen. Hij pakte een grote steen. Die legde hij onder zijn hoofd, en zo ging hij slapen.
Toen kreeg hij een droom. Hij zag een trap van de aarde naar de hemel. Hij zag engelen van God die de trap op liepen en weer naar beneden gingen. En hij zag dat de Heer bij hem kwam staan.
De Heer zei: ‘Ik ben de Heer, de God van Abraham en Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen, zal ik aan jou en je nakomelingen geven. Je zult veel nakomelingen krijgen. Zo veel dat niemand ze kan tellen. Je nakomelingen zullen steeds meer land krijgen, in het oosten, het westen, het noorden en het zuiden. En als de volken op aarde elkaar geluk toewensen, zullen ze zeggen: ‘Ik hoop dat je net zo gelukkig wordt als Abraham en zijn nakomelingen.’ Ik zal bij je zijn. Ik zal je beschermen, overal waar je heen gaat. En ik zal je weer terugbrengen naar dit land. Ik blijf bij je totdat ik gedaan heb wat ik je beloofd heb.’
Toen Jakob wakker werd, dacht hij: Ik wist niet dat de Heer hier aanwezig was. Maar het is wel zo! Dat maakte veel indruk op hem. Hij dacht: Wat een bijzondere plek is dit. Dit is het huis van God en de poort naar de hemel.’

•    Mijmering
Een wat wonderlijk verhaal in onze moderne oren. Over God die verschijnt en spreekt, over de hemel die letterlijk opengaat boven de plek waar Jakob ligt te slapen. Maar aan de andere kant toch herkenbaar. Voor ons als infanteristen: het slapen in de open lucht, het zoeken naar een goede plek, het doen met weinig middelen. Maar ook: het van huis zijn, je soms alleen voelen. En ook: het leven dat soms aanvoelt als een sneltrein, je zit er op, je kunt er niet af, je komt soms in situaties waar je helemaal niet gepland had te zullen zijn, je maakt dingen mee die impact hebben, en je vraagt je af: waar gaat de reis heen, hoe ziet mijn toekomst eruit? Wat zijn mijn doelen en hoe bereik ik die? Jakob droomt erover. Dat hebben we soms nodig: dat de oogkleppen van overdag, van hoe ík het zie en wil en doe afgaan en er een andere werkelijkheid mogelijk is. Niet meer alleen ik ik ik, maar een groter plaatje. Voor Jakob heeft dat alles met God te maken. Hij staat er niet alleen voor, hij past in Gods plan. En dat geeft hem moed en kracht om de volgende dag verandert verder te gaan. Ik herken daar veel in als gelovige. Voor jou is dat mogelijk wat anders. Maar onverwacht zijn die momenten er als je ervoor open staat: momenten dat je stil staat en stil wordt en denkt: Hier doe ik het voor. Hier leef ik van. Jakob krijgt te horen dat zijn toekomst niet ergens ver weg ligt op de vlucht en dat hij er ook niet alleen voor staat. Ooit zal hij hier weer terug zijn. Daarin zit al een levensles op zich: Je moet niet ergens anders en iemand anders willen zijn dan wie je nu bent, hier. Je moet niet morgen een goed mens willen worden, je moet vandaag het goede doen. En je hoeft het niet allemaal op eigen kracht te doen, we zijn aan elkaar gegeven, en God is er altijd ook nog. Dan is er sprake van ‘slow down’, van rust en ontspanning. Het komt goed.

•    Muziek: Alicia Keys – We Are Here
We are here
We are here for all of us
We are here for all of us
That’s why we are here, why we are here
We are here

Bombs over Baghdad, tryna get something we ain’t never had
Let’s start with a good dad
So real but it’s so sad
And while we burnin’ this incense, we gon’ pray for the innocent
Cause right now it don’t make sense
Right now it don’t make sense
Let’s talk about Chi town
Let’s talk about Gaza
Let’s talk about, let’s talk about Israel
Cause right now it is real
Let’s talk about, let’s talk Nigeria
In a mass hysteria, yeah
Our souls are brought together so that we could love each other
Brother,

We are here…

No guns made in Harlem, but yet crime is a problem
He wanna shine, they wanna rob him
Single mother, where they come from?
How we gonna save the nation, with no support for education
Cause right now it don’t make sense
Right now it don’t make sense
Let’s talk about our part
My heart touch your heart
Let’s talk about, let’s talk about living
Had enough of dying, not what we all about
Let’s do more giving
Do more forgiving, yeah
Our souls were brought together so that we could love each other
Sister,

We are here…

•   Gebed
Ik stel voor om een minuut stil te zijn, voor gebed of om je gedachten de vrije loop te laten. De stilte zal ik afsluiten met het gebed dat Jezus zijn leerlingen leerde bidden, het “Onze Vader”.
Onze Vader, die in de hemelen zijt,Uw Naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood. Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

•    Muziek: Typhoon – Niet weglopen
Niet, niet, niet, niet, niet
Niet te snel weglopen, oke?

Gisteren was ik weg
Wilde doorgaan en vergeten
Je hoort niet meer wat ik zeg
Al zie je m’n mond constant bewegen
Zo is alles goed
En ineens is het onveilig
Ineens sta je d’r weer alleen voor
En ben ik niet bij je
Je kan zeggen ben een man
Met een strijdbijl
Rugzak, ik vraag te vaak
Heb ik de tijd wel, lukt dat?
Al is het goed
Ik kom niet door naar de verovering
Je vraagt hoe kan je klaar zijn
Als het niet over is

Je zegt
Niet te snel weglopen, oke?
Strijden als je opstaat
Twijfelen en doorgaan
Ik beloof je te bevrijden
Ben er even, maar verdwijn weer
Maar goed, ik ben er nog
Jawel, ik ben er nog
Hey hey, ik ben er nog
Jawel, ik ben er nog

Groot zijn de woorden
Bommen in je haven als je slaapt
Wie hoort het
Zoveel meer chaos
Ik had het niet door hè
Liefdevolle lege huls
Als ik daarna niet doorzet
Stilte, maar ik weet
Wat je wil zeggen
Er is meer dan alleen wapens nodig
Om voor jou te vechten
Voorbij het goed bedoelde
’t is erkenning, ’t is vertrouwen
We rapen scherven op
En gaan bouwen

Dus ik zou
Niet te snel weglopen, oke?
Strijden als je opstaat
Twijfelen en doorgaan
Ik beloof je te bevrijden
Ben er even, maar verdwijn weer
Maar goed, ik ben er nog
Jawel, ik ben er nog
Hey hey, ik ben er nog
Jawel, ik ben er nog

•    Zegen
Laten Gods vrede en de rust van dit moment je lang bij mogen blijven.

Zegen bij 75 jaar Prinses Irene

Gesproken tijdens de ceremonie op 14 mei 2016 te Oirschot:

Als dominee en geestelijk verzorger van het 17e mag ik het dodenappèl en de minuut stilte inleiden. Nu wordt mij vaak half grappend gevraagd of ik voertuigen, eenheden of wapens wil “inzegenen”. Nu ben ik daar wat voorzichtig mee, maar aan dit moment van “Irene” (=vrede) vandaag geef ik van harte mijn zegen:

  • Mogen de namen…
  • …ons niet alleen de zinloze dood en het lijden te binnen brengen van hen die gevallen zijn,
  • …onze gedachten niet alleen terug voeren naar oorlog en verdriet, naar pijn en gemis,
  • …maar ons herinneren aan hun zinvolle levens, hun zoektocht naar vrede.
  • Moge de stilte…
  • …ons niet in laten keren tot onszelf en gedachten, die ons klein maken en bang,
  • …maar ons verbinden en “groots in het groen” maken.
  • …laat ze ons de moed geven om geïnspireerd door ons geloof in God, of in elkaar, de zoektocht naar vrede vol te houden.
  • Moge de vrede…
  • …van dit moment, waarvoor is gevochten en met bloed betaald, niet alleen ónze harten verwarmen,
  • …maar met ieder zijn, die worstelt met donkere herinneringen aan oorlog en uitzending
  • …en laat de vrede uiteindelijk ooit de wereld vervullen.
  • In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
  • Amen.

75 jaar GFPI

Karikaturen

Na een half jaar werken als krijgsmachtpredikant verbaas ik mij over de vervreemding tussen kerk en krijgsmacht. Binnen de kerk krijg ik keer op keer te horen: ‘Wat doe je daar nu bij het leger? Het zal wel heel anders zijn. Kun je het daar over God hebben?’ Vanuit militairen komt de opmerking als ze met hun sores op de proppen komen: ‘Dit kwam je in de kerk zeker niet tegen?’ Alsof kerk en krijgsmacht twee verschillende werelden zijn met andere soort wezens. Waarbij het in de kerk over God en serieuze levensvragen gaat en daarbuiten niet. En alsof de krijgsmacht bestaat uit een losgeslagen bende en de kerk uit heiligen.

Hoe komt het toch dat we deze karikaturen in stand houden? Voor mijn gevoel doe ik nu namelijk helemaal niet zulk ander werk als vroeger: Ik kom mensen tegen die iets van hun leven proberen te maken, die werken, die relaties hebben, die op kruispunten en splitsingen in het leven zich de vraag stellen welke kant het op moet. De ene mens heeft een groen pak, de andere mens zondagse kleding, maar daaronder zit hetzelfde.

Daarbij komt dat buiten de kerk méér in God geloofd wordt dan je denkt, en dat binnen de kerk mínder in God geloofd wordt dan je denkt. Binnen Defensie is het gesprek makkelijker en eerlijker omdat het minder aan conventies en sociale verwachtingen hoeft te voldoen. Ik moest denken aan woorden van Jezus tegen zijn eigen dorpsgenoten:

Jullie hebben veel wonderen gezien, maar jullie hebben niet geluisterd. Stel dat de mensen in Tyrus en Sidon [=heidense steden, TdR] al die wonderen meegemaakt hadden. Dan hadden ze hun leven veranderd!’ (Bijbel in Gewone Taal, Lucas 9 vers 13 )

Laten we ophouden met stickers plakken op elkaar en leren gewoonweg ontvankelijker te zijn. Dan is er voor ons allemaal hoop.

(Deze ‘mijmering’ verscheen eerder op dgv.nl)

images