Offers brengen

(Blog verscheen 20-7-17 op PThu.nl/Bijbelblog)

Bijbellezen met militairen

De dwaze meisjes in de gelijkenis van Jezus (Mattheus 25:1-13), die hun olie vergeten zijn, “dat waren zeker domme blondjes”, want een beetje militair vergeet nóóit zijn olie om zijn wapen te onderhouden. Koning Uzzia die zijn leger goed organiseert, en ál zijn soldaten voorziet van de benodigde uitrusting, tot de slingerstenen toe (2 Kronieken 26:14), staat in schril contrast met de huidige staat van de Nederlandse krijgsmacht, waar de munitie regelmatig gewoon op is. Jakob die zich ergens in the middle of nowhere te ruste legt, onder een open hemel (Genesis 28:11), “die lijkt wel wat op ons infanteristen die in het pikkedonker vaak ook geen idee hebben waar we vandaan komen en waar we heengaan”.

Toen ik als krijgsmachtpredikant enkele jaren terug begon, had ik niet gedacht dat Defensie mij met nieuwe ogen zou leren bijbellezen. Maar dat gebeurde wel, zoals blijkt uit de paar voorbeelden die ik zonet gaf. Je denkt aanvankelijk dat een universitaire opleiding en promotieonderzoek in Bijbelwetenschappen het juiste zicht verschaft op de oude teksten van het jodendom en christendom, maar je hoeft maar even in een andere cultuur te stappen en er gaan allerlei nieuwe luikjes open. Die oude teksten blijken hele nieuwe betekenislagen te krijgen en natuurlijke verbindingen aan te gaan met ervaringen van nu. Dit prachtige verschijnsel heet “intercultureel bijbellezen” en daarvoor hoef je dus niet per se naar een ver land, maar soms alleen maar even buiten je eigen bubbel te stappen…

Pitchen en valoriseren

Niet alleen ontdek je dan dat je eigen manier van lezen ook maar zeer beperkt is, daarnaast confronteerde het mij ook met de vraag naar de relevantie van mijn onderzoek. Op dit moment ben ik mijn proefschrift aan het schrijven over “de betekenis en functie van de offerwetten in Leviticus 1-7 in het geheel van het Sinaï-verhaal”. Zie dat maar eens uitgelegd te krijgen in een volledig geseculariseerde context, waar de gemiddelde soldaat vooral bezig is met bierdrinken, sporten en vrouwen (in willekeurige volgorde). Binnen de wetenschappelijke wereld heet dat “valoriseren”: het benoemen van de relevantie van je onderzoek voor de wetenschap of de maatschappij in het algemeen.

Ik leer en geniet van hun manier van spontane bijbeluitleg, maar heeft mijn manier ook nog zeggingskracht voor hen? Gek genoeg ontmoet ik nergens zoveel begrip voor mijn onderzoek naar de “offers” als onder militairen. Daarom raad ik het iedereen aan om zijn of haar onderzoek te gaan pitchen in een hem volledig vreemde omgeving.

Het hoogste offer brengen

Militairen zijn één van de weinige bevolkingsgroepen in Nederland die nog echte offers brengen. Nee, geen dierenoffers, zoals ze in Leviticus 1-7 ter sprake komen, waar koeien, schapen, geiten en gevogelte bij het altaar geslacht werden, en delen daarvan verbrand. Militairen brengen echte mensenoffers. Tijdens de missie in Uruzgan van 2006-2010 sneuvelden 24 Nederlandse militairen. Over hen wordt met ere gesproken en gezegd dat zij “het hoogste offer” hebben gebracht. Dat is geen holle retoriek, maar de manier waarop degenen die erbij waren, spreken over hun “maten en kameraden” die ze verloren hebben.

Als ik zeg dat ik bezig ben met “offers”, dan lichten hun ogen op: dit is taal die zij op één of andere manier verstaan. Voor militairen is het duidelijk dat vrede, vrijheid en verzoening nooit gratis zijn, maar met bloed betaald moet worden. Dat is voor hun geen theologie, maar de harde werkelijkheid die zij voelen bij de jaarlijkse dodenherdenkingen, en bij de monumentjes die her en der op de kazerne verspreid liggen. Dat je daarbij op heilige grond komt. En dat hierbij de grootste zorgvuldigheid, waardige rituelen en de noodzaak om te blijven herinneren op hun plek zijn.

Offeren is breder dan religie

De bevreemding die wij als moderne mensen misschien ervaren bij het doorlezen van Leviticus met zijn eindeloze details, ongelooflijke casuïstiek, en bloederige rituelen, krijgt op die manier een hele actuele klankbodem. Op het eerste gezicht staat het brengen van dieroffers immers ver af van de moderne christelijke spiritualiteit en zingeving. Tenminste, als wij religie vernauwen tot een beperkt domein van individuele ethiek en beleving van de werkelijkheid van God. Zo is feitelijk voor de meeste moderne mensen religie en levensbeschouwing een losstaand onderdeeltje van het leven, naast economie, politiek, werk, vrienden en familie.

Dat is in het oude Midden-Oosten van Leviticus anders. Daar komen we religie tegen die alle domeinen van het leven doortrekt. De tempel in Jeruzalem was volgens deze teksten niet alleen het religieuze centrum, maar ook het sociale centrum waar de grote nationale feesten gevierd werden. Tempels waren de slachthuizen, de ziekenhuizen, de onderwijsinstellingen, de discotheken en soms ook de bordelen van de oudheid. Oftewel, ze stonden midden in het leven en vormden het middelpunt van het leven.

Wat is je heilig?

Met dat alles heeft God te maken volgens de auteurs van Leviticus. Met veehouderij en akkerbouw, met oogsten en eten, met gender en seksualiteit, met recht en economie. Daar waar geleefd wordt, is God aanwezig, en daar past heilig ontzag. Het is aan de enorme creativiteit en inspiratie van de schrijvers van al die “saaie wetten” in de Thora te danken dat het hele leven van Israël doortrokken werd van dat gevoel. En het is die begeestering die ik probeer over te dragen aan de militairen die ik tegenkom. Al zijn zij volgens eigen zeggen “niet gelovig”, dan wijs ik er hen graag op dat hun taal anders verraadt. Dat zij terugvallen op een oud woord als “offer” voor het drama van het verlies van een vriend en collega, laat immers zien dat ze intuïtief aanvoelen dat het leven zich afspeelt onder een open hemel. Voor hen is het vaak een eye-openerom te horen dat het in de Bijbel en in het geloof in God niet gaat om lid worden van de kerk en je op een bepaalde manier leren gedragen, maar om die allerdiepste vragen van ons mens-zijn, om de vraag wat ons heilig is. En dat als je over díe vraag na gaat denken, je heel dichtbij Leviticus komt, en dichtbij God.

Rode draad van de Bijbel (1) – Thora

Preek over de hele Thora(!) gehouden in het kader van het jaarthema ‘Thuis in de Bijbel’.

Maurycy Gottlieb (1856-1879) – Het schrijven van een Thorarol

Gemeente van Jezus Christus,

  1. Hoe is onze wereld geworden zoals hij nu is? Genesis 1-11

‘Het zal gebeuren, als Ik wolken boven de aarde breng en de boog in de wolken gezien wordt, dat Ik aan Mijn verbond zal denken, dat er is tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees. Het water zal niet meer tot een vloed worden om alle vlees te gronde te richten. Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en denken aan het eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is. (Ge 9:14-16)

Kijk eens wat ik hier heb. Wat is dit? Een rode draad. Maar: het is een rode draad in de knoop… Vervelend is dat. Misschien heb je dat ook wel eens als je gaat knutselen of als je touw wil gebruiken. Hoe los je dat op? Hoe haal je de knoop eruit? Dat is een geduldwerkje. Je kunt maar het beste zoeken naar het begin. Een beginnetje maken. Vanaf het begin de draad proberen te volgen en te ontwarren.

Dat doet de Bijbel eigenlijk ook. Die begint ook bij het begin. De allereerste woorden van de Bijbel zijn: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’

Waarom begint de Bijbel bij het begin? Omdat er een hele grote knoop te ontwarren is. De Thora, Genesis-Deuteronomium, is niet zomaar door iemand opgeschreven die dacht: Ik ga voor mensen die het interesseert een geschiedenisboek schrijven. En ook niet: Ik ken allemaal mooie verhalen, ik schrijf het eens op voor mensen die van verhalen houden. Nee, de Thora is geschreven omdat Israël met een probleem zat. Niet Adam, Noach, Abraham en Mozes hebben deze teksten opgeschreven, maar veel later zijn er schrijvers geweest, die deze boeken hebben samengesteld uit oude mondelinge en schriftelijke overlevering, omdat het he-le-maal fout gelopen was met Israël.

We weten niet precies wanneer deze boeken af waren, maar dat is ergens rondom de ballingschap geweest. De tijd dat het volk Israël uit het beloofde land Kanaän was weggevoerd, de tempel verwoest. En je kunt je voorstellen dat de mensen als het ware in de knoop zaten: Hoe heeft het ooit zo fout met ons kunnen gaan? Waar hebben we deze ellende aan verdiend? Ze snappen de wereld niet meer. Ze snappen God niet meer. Waar is Hij? Hun God? Is het Hem uit de hand gelopen? De hele geschiedenis van hun volk en hun persoonlijk leven lijkt één grote knoop. Ze overzien het niet meer.

Daar liet God het niet bij zitten: door Zijn heilige Geest inspireerde Hij Joodse priesters en schrijvers om deze knoop te ontwarren. En dan begin je bij het begin: Want ooit zat dit niet in de knoop, maar was het helder, mooi en goed. Zo is het begonnen bij de schepping van hemel en aarde. De HEERE is de Almachtige Schepper, Hem loopt het niet uit de hand. Dat die knopen erin zijn gekomen, dat is onze schuld. De Thora nodigt ons uit om vanaf het beginnetje die draad te volgen, en ja, dan kom je Adam en Eva tegen, die God niet willen gehoorzamen; Kaïn die zijn broer doodslaat; mensen die van kwaad tot erger gaan. Dat zijn niet zomaar verhalen van lang geleden, die nodigen ons uit om dat toe te passen op ons eigen leven: de knopen waar wij mee zitten, die veroorzaken we ten diepste zelf door zonde en ongehoorzaamheid.

De eerste elf hoofdstukken van Genesis geven geen geschiedenis van lang geleden, maar geven ons inzicht in de wereld van vandaag en in ons eigen leven: Hoe is de wereld geworden, zoals hij nu is, met alle pracht, maar ook met alle ellende. Het grootste wonder proeven we in de tekst uit Genesis 9 die we lazen. Woorden die God sprak tot Noach na de grote vloed. Dat hoe groot de knoop ook wordt, God de wereld niet zal vernietigen, zoals toen bijna gebeurde. Hoe erg de knoop ook wordt in je leven: God blijft trouw, Hij laat je niet vallen. Dat noemen we een verbond: een vaste afspraak van God met ons. Met dat verbond begint de Rode draad.

  1. Waar komt onze relatie met God vandaan? Genesis 12-50

‘Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u. Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.’ (Ge 17:7-8)

Wat jullie waarschijnlijk verder opviel, is dat dit een verschrikkelijk dun rood draadje is. Bij de uitdrukking ‘de rode draad’, dan denk je aan de hoofdlijn. De grote lijn van God met mensen, dan denk je: dat is toch groots! En dat zou je kunnen denken, want er gebeuren best hele wonderlijke dingen in Genesis. Van schepping tot zondvloed. Maar als je nog eens over na denkt, dan valt pas echt op hoe kwetsbaar en dun het lijntje van God met mens soms is.

Noach is met zijn kinderen de enige die de grote vloed overleeft. En dan gaat God verder met die ene familie van Abraham, Izak en Jakob. En zelfs binnen die familie is het kwetsbaar: Abraham en Sara kunnen helemaal geen kinderen krijgen. Izak en Rebekka eerst ook niet. Hun tweelingzonen Jakob en Ezau maken zo’n ruzie, dat Jakob voor zijn leven moet vluchten. Zijn zoon Jozef wordt als slaaf verkocht naar Egypte. Wat komt er van die familie terecht?

Er lijkt voor Israel niet veel terecht te komen van die grote belofte aan Abraham uit Genesis 17, die we lazen. Je kunt je voorstellen dat dat voor die mensen in de tijd van de ballingschap een grote troost is geweest. Het is niet zo dat het vroeger allemaal beter was en vanzelf ging. En dat het tegenwoordig allemaal ‘moeilijk moeilijk’ is. Als de verhalen uit Genesis 12-50 over Abraham, Izak, Jakob en Jozef één ding vertellen, dan is het wel dat God door diepten en onmogelijkheden trouw blijft aan zijn belofte. Hoe alles ook aan een zijden draadje hangt…

Als het gaat over Gods aanwezigheid in ons leven, over een relatie met God hebben. Dan is dat niet iets wat van onze kant komt. Want dan lopen wij vast in onze schuld en onmogelijkheden. Het verbond dat God met Abraham sluit, komt van Gods kant. Het enige dat God van Abraham vraagt is het vertrouwen dat Hij woord houdt. Wat dat betreft zijn de verhalen van Abraham, Izak en Jakob uit het leven gegrepen. Israël ziet hen als aartsvaders. En wij leren van hen een diepe afhankelijkheid, geloof, vertrouwen.

Die rode draad, dat is niet onze rode draad, die wij krampachtig moeten vasthouden. Het is Gods rode draad. God is dezelfde, van Adam tot Noach, van Abraham tot Mozes. Voor ons vandaag. Ook voor ons geldt: hoe kunnen wij het geloof volhouden? Dat kunnen wij niet. Wij raken het regelmatig kwijt in de rare bochten die ons leven soms neemt. Zelfs Abraham, de vader van alle gelovigen, was het soms kwijt. Maar God houdt vol. Hij raakt ons niet kwijt. 

  1. Hoe komt het dat wij nog bestaan? Exodus 1-19

Mozes zei echter tegen God: Wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? En Hij zei: Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ík u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg. En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen? En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden. (Ex 3:11-14)

Misschien heb je wel eens geprobeerd zo’n knoop te ontwarren. En het lukte niet. Je kreeg het niet voor elkaar. Ik moet het straks thuis ook gaan proberen. Want dit is een garenklosje uit onze voorraad en dat moet ik natuurlijk wel terugbrengen van mijn vrouw. Maar wat als het niet lukt? Als ik het niet voor elkaar krijg?

Voor het Joodse volk in de tijd van de ballingschap was hun leven en hun geloof zo in de knoop geraakt dat ze er geen gat meer in zagen. Nog even, en het zou afgelopen zijn met hen. Het volk zou ophouden te bestaan. De geschiedenis van Abraham, Izak en Jakob loopt dood. Van God horen ze niets meer. Dan inspireert de heilige Geest de schrijvers om verder te schrijven. Over Mozes en de farao. Hoe het volk Israël, de nakomelingen van Jakob, in de slavernij in Egypte vast zat. Hoe de Farao hen onderdrukte en de situatie uitzichtloos was.

Maar God hoorde hun gebeden, hun gekerm en gehuil. Hij kwam naar beneden uit de hemel en openbaarde zich aan Mozes. De God die hemel en aarde gemaakt gehad, de Allerhoogste, daalde af en openbaarde Zijn Naam: ‘Ik ben de HEERE, Jahweh, en dat betekent: IK BEN DIE IK BEN. Ik ben die Allerhoogste. En Ik ben bij jullie. Dat zullen jullie merken. Ik zal de Farao verslaan en jullie bevrijden. En jullie zullen vrij zijn.’

De verhalen over de uittocht uit Egypte laten Israël terugkijken in hun geschiedenis. Want als ze wanhopen over hun voortbestaan, dan is dat vandaag niet de eerste keer. Er zijn eerder wanhopige momenten geweest. En elke keer als de wanhoop toesloeg, dan was daar God, de HEERE, IK BEN DIE IK BEN. De God die verlost. Die onmogelijke knopen ontwart.

Het is de openbaring van die Naam van God, waarin God zich geeft, zich toewendt, afdaalt naar ons, die de verdere rode draad van de Bijbel ingrijpend bepaalt. Als christenen proeven we daar al iets van de grote liefde van God die mensen niet in hun verlorenheid wil laten. De menswording van God in Jezus Christus ligt helemaal in dezelfde lijn van de Godsopenbaring in de Thora. Jezus is immers Immanuel, God met ons. In de kern van de Thora ligt de kiem van het evangelie.

Dat verhaal over Mozes en de brandende braamstruik uit Exodus, waaruit we lazen, dat is dus niet zomaar een verhaaltje van lang geleden. Elke keer weer, door heel de geschiedenis heen hebben mensen het mogen ervaren dat de HEERE er zo voor hen was. Dat Hij naar hen toekwam in de diepste nood, in de zwartste nacht. En de HEERE is gisteren en vandaag dezelfde. Die God wil Hij ook voor u zijn. En dat blijft niet bij beloften. Mozes gaat naar Farao. Het volk wordt bevrijd. En ze komen door de Schelfzee en door de woestijn aan bij de Sinaï waar ze God mogen dienen.

Israël dankt zijn bestaan aan de HEERE, hun God. Dat moeten ze elke keer weer beseffen. En dat brengt tot lofprijzing en aanbidding. 

  1. Wat is Gods doel met ons? Exodus 20-Numeri 10

‘Ik zal Mij naar u toewenden, u vruchtbaar en talrijk maken en Mijn verbond met u bevestigen. Terwijl u nog van de oude oogst van het oude jaar eet, kunt u de oude oogst al wegdoen vanwege de nieuwe. Ik zal Mijn tabernakel in uw midden plaatsen en Mijn ziel zal niet van u walgen. Ik zal in uw midden wandelen. Ik zal u tot een God zijn en u zult Mij tot een volk zijn. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren geleid heeft, zodat u niet meer hun slaven bent. Ik heb de stangen van uw juk gebroken en u rechtop laten gaan.’ (Lev 26:9-13)

Het ontwarren van zo’n knoop is best een saai klusje. Af en toe heb je van die dingen in je leven, waarvan je denkt: waar ben ik mee bezig? Waar doe ik het voor? Dat kan zijn als je op school dingen moet leren, waarvan je denkt: Wat heb ik daar aan? Of als je administratie op je werk of thuis zit te doen. Papieren sorteren, gaatjes maken. Geen klusje waar je veel plezier aan beleeft.

Als wij Exodus, Leviticus en het begin van Numeri lezen, komen we daar vooral allemaal wetten tegen. Regels die God geeft voor de bouw van de tabernakel, voor de offerdienst, voor de omgang met elkaar, voor feesten en strafrecht en dat alles tot in detail. Voor ons zijn dat saaie stukken om te lezen. Dan kan het helpen om te bedenken: Waarom staat dit er? Waarom is dit toch belangrijk voor mij om te lezen?

Uit het einde van het boek Leviticus, ná al die regels, lazen we het doel dat God ermee heeft: God wil wonen te midden van Zijn volk in een tent, en tabernakel. Hij, de heilige God, wil wonen bij dat ongehoorzame volk. Dat kan niet zomaar. Daar zijn als het ware veiligheidsmaatregelen voor nodig. Anders gaat het mis. Als de heilige God bij mensen wil wonen, zullen die mensen ook heilig moeten zijn, rein, zuiver.

Dat is uiteindelijk natuurlijk geen last, maar een lust: want wie wil er nu niet een goed en heilig mens worden. Door Gods plan om onder Zijn volk te komen wonen, legt Hij hen geen beperking op, maar stelt Hij hen juist in de vrijheid. Zó is het leven door Hem bedoelt en zó is het goed. God zegt zelfs: ‘Ik zal in uw midden wandelen’. Dat doet denken aan hoe God met Adam wandelde in het paradijs. Israël is door Gods toewending weer een stukje hemel op aarde.

De Thora is een wetboek, een richtingwijzer. Voor het Israel in de ballingschap heeft dat een opening gegeven: Zó heeft God het dus voor ogen. Zó is het geweest en zó kan het weer worden. Dan is een wetboek geen saai gedeelte meer. Maar roept het een verlangen wakker: Was het ook in ons leven maar zo, zoals het hier staat. Een goede verhouding met God. Een goede verhouding met elkaar. Het leven zoals het bedoeld is. Puur. Liefdevol. Het ís mogelijk. Wij mogen volk van God zijn. God bevestigd dat verbond met ons.

Die wetten laten ons zien, dat het God te doen is om het concrete leven. Om je geloof, maar ook om je werk en je gezin. Daar heeft God iets over te zeggen. Daar wil Hij met ons zijn. Jezus sluit daar later helemaal bij aan in de bergrede. Hij laat ons verlangen naar het Koninkrijk, dat hier en nu al begint in het alledaagse leven, als we naar Hem willen luisteren en Hem volgen. Het wandelen met God begint ook voor u, jou en mij waar dat verlangen in ons wakker geroepen wordt, en wij Zijn wil doen. 

  1. Er is altijd hoop voor ons. Numeri 11-Deuteronomium

‘Het zal gebeuren, wanneer al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik u voorgehouden heb, over u komen, dat u het weer ter harte zult nemen onder alle volken waarheen de HEERE, uw God, u verdreven heeft. En u zult zich bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied. Dan zal de HEERE, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen de HEERE, uw God, u verspreid had.’ (Deut 30:1-3)

Hoe heeft het zo in de knoop kunnen raken? Dat heeft Israel in de ballingschap zich af kunnen vragen. En ook daarover gaat het al in de Thora. Als God Zijn wet geeft aan Mozes, maakt het volk onderaan de berg al een gouden kalf. Als het volk verder trekt van de Sinaï op weg naar het beloofde land, lees je in Numeri hoe het volk Kanaän niet in durft te trekken, omdat ze niet vertrouwen op de hulp van de HEERE. Voor straf moeten ze 40 jaar in de woestijn blijven. Pas de volgende generatie mag het land binnentrekken.

Vlak voordat dat gebeurt, herhaalt Mozes in één lange preek – dat is het boek Deuteronomium –  de belangrijkste richtlijnen van God. Mozes waarschuwt hen op het einde in hoofdstuk 30 dat het nog vele generaties ook zo zal gaan. Ze zullen de zegen van God ervaren, maar ook de vloek, omdat ze afgoden zullen gaan dienen en God vergeten. En toch: het zal niet het einde zijn.

Het is opvallend dat het boek Deuteronomium en daarmee de hele Thora een open einde heeft. Het eindigt met een belofte. De intocht in het beloofde land Kanaän wordt nog niet verteld. Dat komt pas in het volgende boek, Jozua. Wij kunnen tegenwoordig zo doorlezen, we slaan de pagina om. Je moet dan bedenken dat de tekst vroeger op boekrollen stond. De Thora past precies op één grote boekrol. Wil je verder lezen, dan moet je echt een volgende rol pakken. Dan is het extra opvallend dat het verhaal een open einde heeft.

Dat maakt dat je als het ware ook in één keer de stap en toepassing naar je eigen leven kunt maken. De generatie van de ballingschap kan Deuteronomium 30 zo lezen, dat ze het horen als tegen hen gezegd. De HEERE zal Zich over ons ontfermen. Hij zal ons weer bijeenbrengen uit al de volken.’ De HEERE zet geen punt achter ons leven, maar een komma. Er is altijd hoop voor ons. Als wij mislukken, als wij vastlopen in onze zonde, dan gaat de HEERE dóór.

Als wij samen vanmorgen zo door de hele Thora wandelen en de Rode draad van het verbond van God met Zijn volk volgen, dan moeten we blijven beseffen dat dit het boek van Israel is. Maar deze God is ook onze God, door Jezus Christus die ons erbij gehaald heeft. De zegen van Israel is een zegen voor alle volken geworden. Wij zijn erbij gekomen. Wij lezen nu ook de Thora. En daarmee klinkt de verkondiging van de Rode draad tot in ons leven door: Er is altijd hoop voor ons. Omdat de HEERE trouw blijft aan Zijn verbond. Hij houdt zich aan alle afspraken, zelfs als wij ons er niet aan houden. En Zijn macht reikt zover dat Hij ons innerlijk verandert, bekeert, de liefde tot Hem in ons hart wekt. De toekomst ligt open. Ons leven wordt door God vastgeknoopt aan Zijn Rode draad.

Waar komen we vandaan? Uit de Thora leren we waar onze roots liggen, onze wortels. Geschapen door God. Geborgen in Zijn hand.

Hoe weten we dat? God sloot een verbond met ons! Dat staat vast!

Wie mogen wij zijn? We mogen volk van God zijn. Met Hem wandelend door het leven, verbonden in liefde en gehoorzaamheid.

Waar gaan we naar toe? We trekken de Rode draad uit de Thora door naar de toekomst van God, het beloofde land, de nieuwe wereld, het Koninkrijk der hemelen, waar alle knopen ontward zullen zijn, het leven goed, de liefde puur, de lofzang zuiver.

Amen