Offers brengen

(Blog verscheen 20-7-17 op PThu.nl/Bijbelblog)

Bijbellezen met militairen

De dwaze meisjes in de gelijkenis van Jezus (Mattheus 25:1-13), die hun olie vergeten zijn, “dat waren zeker domme blondjes”, want een beetje militair vergeet nóóit zijn olie om zijn wapen te onderhouden. Koning Uzzia die zijn leger goed organiseert, en ál zijn soldaten voorziet van de benodigde uitrusting, tot de slingerstenen toe (2 Kronieken 26:14), staat in schril contrast met de huidige staat van de Nederlandse krijgsmacht, waar de munitie regelmatig gewoon op is. Jakob die zich ergens in the middle of nowhere te ruste legt, onder een open hemel (Genesis 28:11), “die lijkt wel wat op ons infanteristen die in het pikkedonker vaak ook geen idee hebben waar we vandaan komen en waar we heengaan”.

Toen ik als krijgsmachtpredikant enkele jaren terug begon, had ik niet gedacht dat Defensie mij met nieuwe ogen zou leren bijbellezen. Maar dat gebeurde wel, zoals blijkt uit de paar voorbeelden die ik zonet gaf. Je denkt aanvankelijk dat een universitaire opleiding en promotieonderzoek in Bijbelwetenschappen het juiste zicht verschaft op de oude teksten van het jodendom en christendom, maar je hoeft maar even in een andere cultuur te stappen en er gaan allerlei nieuwe luikjes open. Die oude teksten blijken hele nieuwe betekenislagen te krijgen en natuurlijke verbindingen aan te gaan met ervaringen van nu. Dit prachtige verschijnsel heet “intercultureel bijbellezen” en daarvoor hoef je dus niet per se naar een ver land, maar soms alleen maar even buiten je eigen bubbel te stappen…

Pitchen en valoriseren

Niet alleen ontdek je dan dat je eigen manier van lezen ook maar zeer beperkt is, daarnaast confronteerde het mij ook met de vraag naar de relevantie van mijn onderzoek. Op dit moment ben ik mijn proefschrift aan het schrijven over “de betekenis en functie van de offerwetten in Leviticus 1-7 in het geheel van het Sinaï-verhaal”. Zie dat maar eens uitgelegd te krijgen in een volledig geseculariseerde context, waar de gemiddelde soldaat vooral bezig is met bierdrinken, sporten en vrouwen (in willekeurige volgorde). Binnen de wetenschappelijke wereld heet dat “valoriseren”: het benoemen van de relevantie van je onderzoek voor de wetenschap of de maatschappij in het algemeen.

Ik leer en geniet van hun manier van spontane bijbeluitleg, maar heeft mijn manier ook nog zeggingskracht voor hen? Gek genoeg ontmoet ik nergens zoveel begrip voor mijn onderzoek naar de “offers” als onder militairen. Daarom raad ik het iedereen aan om zijn of haar onderzoek te gaan pitchen in een hem volledig vreemde omgeving.

Het hoogste offer brengen

Militairen zijn één van de weinige bevolkingsgroepen in Nederland die nog echte offers brengen. Nee, geen dierenoffers, zoals ze in Leviticus 1-7 ter sprake komen, waar koeien, schapen, geiten en gevogelte bij het altaar geslacht werden, en delen daarvan verbrand. Militairen brengen echte mensenoffers. Tijdens de missie in Uruzgan van 2006-2010 sneuvelden 24 Nederlandse militairen. Over hen wordt met ere gesproken en gezegd dat zij “het hoogste offer” hebben gebracht. Dat is geen holle retoriek, maar de manier waarop degenen die erbij waren, spreken over hun “maten en kameraden” die ze verloren hebben.

Als ik zeg dat ik bezig ben met “offers”, dan lichten hun ogen op: dit is taal die zij op één of andere manier verstaan. Voor militairen is het duidelijk dat vrede, vrijheid en verzoening nooit gratis zijn, maar met bloed betaald moet worden. Dat is voor hun geen theologie, maar de harde werkelijkheid die zij voelen bij de jaarlijkse dodenherdenkingen, en bij de monumentjes die her en der op de kazerne verspreid liggen. Dat je daarbij op heilige grond komt. En dat hierbij de grootste zorgvuldigheid, waardige rituelen en de noodzaak om te blijven herinneren op hun plek zijn.

Offeren is breder dan religie

De bevreemding die wij als moderne mensen misschien ervaren bij het doorlezen van Leviticus met zijn eindeloze details, ongelooflijke casuïstiek, en bloederige rituelen, krijgt op die manier een hele actuele klankbodem. Op het eerste gezicht staat het brengen van dieroffers immers ver af van de moderne christelijke spiritualiteit en zingeving. Tenminste, als wij religie vernauwen tot een beperkt domein van individuele ethiek en beleving van de werkelijkheid van God. Zo is feitelijk voor de meeste moderne mensen religie en levensbeschouwing een losstaand onderdeeltje van het leven, naast economie, politiek, werk, vrienden en familie.

Dat is in het oude Midden-Oosten van Leviticus anders. Daar komen we religie tegen die alle domeinen van het leven doortrekt. De tempel in Jeruzalem was volgens deze teksten niet alleen het religieuze centrum, maar ook het sociale centrum waar de grote nationale feesten gevierd werden. Tempels waren de slachthuizen, de ziekenhuizen, de onderwijsinstellingen, de discotheken en soms ook de bordelen van de oudheid. Oftewel, ze stonden midden in het leven en vormden het middelpunt van het leven.

Wat is je heilig?

Met dat alles heeft God te maken volgens de auteurs van Leviticus. Met veehouderij en akkerbouw, met oogsten en eten, met gender en seksualiteit, met recht en economie. Daar waar geleefd wordt, is God aanwezig, en daar past heilig ontzag. Het is aan de enorme creativiteit en inspiratie van de schrijvers van al die “saaie wetten” in de Thora te danken dat het hele leven van Israël doortrokken werd van dat gevoel. En het is die begeestering die ik probeer over te dragen aan de militairen die ik tegenkom. Al zijn zij volgens eigen zeggen “niet gelovig”, dan wijs ik er hen graag op dat hun taal anders verraadt. Dat zij terugvallen op een oud woord als “offer” voor het drama van het verlies van een vriend en collega, laat immers zien dat ze intuïtief aanvoelen dat het leven zich afspeelt onder een open hemel. Voor hen is het vaak een eye-openerom te horen dat het in de Bijbel en in het geloof in God niet gaat om lid worden van de kerk en je op een bepaalde manier leren gedragen, maar om die allerdiepste vragen van ons mens-zijn, om de vraag wat ons heilig is. En dat als je over díe vraag na gaat denken, je heel dichtbij Leviticus komt, en dichtbij God.

Advertenties

Leven met het Lam Gods

Preek gehouden voor jongeren over Hebreeën 13,8-16

francisco_de_zurbaran_agnusdei

Francisco de Zurbará – Agnus Dei (ca. 1635)

Broeders en zusters,

Vond je het thema van dit kamp interessant? “Het Lam van God” Ik moet eerlijk bekennen dat ik het een nogal wonderlijk thema vind voor een jongerenkamp. Gepraat over het slachten van een lam, over het smeren van bloed aan een deur, over Jezus’  dood als een offer voor onze zonden. Staat het niet heel erg ver van jullie af. Van jullie leefwereld? Ik werk op de kazerne, en ik zou niet weten hoe ik dit simpel en eenvoudig uit zou kunnen leggen aan militairen, die voor het overgrote deel niet kerkelijk zijn. Niet echt een sexy thema.

Het is natuurlijk wel een bijbels thema. Dat hebben jullie de afgelopen dagen ontdekt en besproken. Het is een lijn die doorloopt door heel de Bijbel, vanuit het Oude Testament, de viering van het Pascha (Exodus 12), de instelling van de offerdienst bij de Sinaï (Leviticus 1-7), het feest van Grote Verzoendag (Leviticus 16).

Aan mij de taak vanmorgen om het met jullie te hebben over wat dit ons vandaag de dag nog te zeggen heeft. En of het ons vandaag nog wat te zeggen heeft.

Misschien denk je: Wat heeft de tekst die we gelezen hebben nu met het thema van dit kamp te maken: “Zie het Lam van God”? Want er komt geen lam voor in dit gedeelte. Maar het boek Hebreeën probeert nou juist de link te leggen en duidelijk te maken hoe de lijnen uit het Oude Testament lopen naar Jezus, en ook verder naar ons als gelovigen.

In de voorgaande hoofdstukken heeft de schrijver erop gewezen hoe Jezus eigenlijk het Oude Testament vervulde en overtrof met het offer van Zijn leven aan het kruis. Wat in het Oude Testament altijd maar stukwerk was, verzoening van zonden, het brengen van offers ging maar door, heeft Jezus eens en voor altijd voor elkaar gekregen: De toegang tot God is open. De lucht is voorgoed geklaard. Onze zonden zijn verzoend.

Maar dan komt de vraag: En nu dan? Als alles gebeurd en geregeld is. Kunnen we dan nu achteroverleunen, want het komt allemaal goed… Dat was wat de schrijver van Hebreeën om zich heen zag gebeuren. Waarschijnlijk in de jaren ’90 van de eerste eeuw ziet hij dat 2e en 3e generatie christenen (de kinderen en kleinkinderen van de mensen die Jezus en de apostelen hebben gekend), het allemaal wel prima vinden. Sommigen haken echt af van de gemeente, anderen lopen niet echt warm voor de samenkomsten. De sleur komt er in. Er ontstaat ook verwarring over allerlei leerstellingen en regels waar je je als christen wel of niet aan zou moeten houden.

Het boekje Hebreeën is een preek, je zou bijna zeggen, een peptalk, een appél, om christenen te prikkelen en stimuleren om hun geloof in Jezus Christus serieus te nemen. Want ‘Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.’ Zegt hij in vers 8.

Kijk, over die kern moeten we het hebben, vertaald in de termen van dit kamp: Jezus, was het Lam van God, is het Lam van God en zal het Lam van God zijn tot in eeuwigheid. Christen zijn, dat is leven met het Lam. Christen-zijn dat gaat niet over welke dingen je wel of niet mag, of je wel of niet uit mag gaan, of je wel of niet bepaalde muziek mag luisteren, of je wel of niet 2x naar de kerk moet.

Het is prima om het daar af en toe samen over te hebben. Maar dat is geen voedsel voor je hart, zoals vers 9 zegt. Dat is alleen leven met het Lam.  Geloven in Jezus. Niet als een werkelijkheid van vroeger, maar in Jezus als de Levende, die ook nu hier is, door Zijn Geest.

De schrijver van Hebreeën maakt duidelijk dat het leven met Jezus, leven met het Lam is dat geslacht is. ‘Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden.’  Jezus heeft daarmee het Oude Testament vervuld, maar ook iets nieuws gebracht. Het komt er niet meer op aan alle regels te volgen, maar Jezus te volgen op deze weg: ‘Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.’

Dat is een heftige zin, en de kernzin in dit gedeelte. Heel prikkelend ook: Jezus’ leven als Lam betekende een vreselijke dood aan het kruis. Een lam is een zwak en weerloos beest. “Zo mak als een lammetje.” Schattig om te zien, maar bestemd voor de slacht. Dat zegt iets over Jezus, dat Jezus een Lam is. Dat zegt niet alleen iets over Zijn dood toen, maar ook over nu. Als Johannes in het boek Openbaring in de hemel kijkt, ziet hij op de troon van God ‘een Lam, staande als geslacht’. Als dat Lam de wereld regeert, dan wordt er blijkbaar geregeerd met zachte hand. Niet met pracht en praal. Niet door kracht en geweld. Maar door diepte en in de diepte, door het lijden en de dienst. Door de minste te zijn en te kiezen voor liefde. Jezus is geen hemels dictator, maar degene die ook nu nog lijdt en draagt en bloedt…

En dan zegt de Bijbel “laten wij hierin met Jezus meegaan, dezelfde weg gaan, dezelfde smaad dragen.” Want wij horen bij Hem. In het Nieuwe Testament is dit een belangrijke lijn, die Jezus zelf al heeft ingezet: dat al wie achter Hem aan wil komen, zijn kruis zal moeten dragen. Dat de kosten om Hem te volgen hoog zijn, je leven kosten.

Praktisch gezien was dat ook zo voor de apostelen: alleen Johannes is een natuurlijk dood gestorven, de andere 11 zijn allemaal gemarteld, onthoofd, gekruisigd, of op andere gruwelijke manieren om het leven gebracht. Dat is leven met het Lam, “Zijn smaad dragen”. Nog steeds een dagelijkse realiteit voor een groot deel van onze broeders en zusters overal ter wereld. Laten we niet zeggen dat wij daar niet mee te maken hebben. Niet persoonlijk, maar wel in de familie, zogezegd.

Maar ik wil je ook wel vragen: Wat merk jij persoonlijk wél van “smaad” of schande of lijden, omdat je christen bent? Omdat je leeft met het Lam? […]

Denk niet alleen aan dingen die je aangedaan worden, die je overkomen, passief. Maar probeer vooral actief te denken. Leven met het Lam is niet schaapachtig. Vers 13 dringt aan actie te ondernemen: “Laten wij dan naar Hem uitgaan”. Ga erop uit. Hak radicaal die knoop door. Ik moest denken aan het boek van John Bunyan, de Christenreis. De eerste stap van het geloof is voor hem dat hij “de stad Verderf” achter zich laat. Huis en haard. Als een beeld voor een innerlijke verandering: je hoort niet meer bij de wereld, maar gaat een andere weg op.

In letterlijke zin is dat trouwens ook een eeuwenoude christelijk traditie. Al sinds Jezus tegen de rijke jongeling heeft gezegd: “Verkoop alles je wat hebt, geef het aan de armen, en volg mij” hebben christenen zich geroepen gevoelen om dat serieus te nemen, afstand te nemen van de wereld en het klooster in te gaan. Of ze hebben zich geroepen voelen om alles achter te laten en de zending in te gaan. Ikzelf heb de roepstem van Jezus gehoord om dominee te worden en zo te dienen zijn Koninkrijk.

De vraag is: Heb jij ook zo’n roeping? Wat is er in jouw leven zichtbaar van dat “uitgaan buiten de legerplaats.” Je zou dat ook kunnen verlaten als: Waarin kleur jij buiten de lijntjes? Ik bedoel: Als je op onze leeftijd bent, ben je bezig met je toekomst, met je school, met relaties, met het kopen van een huis, met je eerste baan. “Huisje boompje beestje”. Maar is dat “Leven met het Lam”? Ik zeg niet dat het dat niet is, of dat dat niet mag. Maar als dat alles is, als het enige wat jou anders maakt dan de rest is, dat jij op ’s zondags in de kerk zit, dan kun je je ernstig afvragen of je leeft met het Lam?

Want dan is er niets van het uitgaan, van het geroepen zijn, van het de minste zijn, van het opofferen van je leven.

Het is heel gemakkelijk om te zeggen: Ja, maar we hoeven toch niet allemaal de zending is of dominee te worden? O nee? Wie zegt dat? Nee, inderdaad, maar dan denk je te beperkt. Wie van jullie heeft zijn huis opengesteld voor vluchtelingen? Wie koos ervoor deze zomer niet op vakantie te gaan, maar zijn vakantiegeld weg te geven? Wie kiest ervoor om de christelijke politiek in te gaan? Wie kiest ervoor om alleen nog maar fair trade kleding aan te schaffen?

Ja, dat is moeilijk, dan ben je minder hip, je maakt minder leuke dingen mee, dat is allemaal wel heel serieus. Verander je daar de wereld mee? Je doet alleen jezelf maar pijn. Je kunt toch ook niet alles op je schouders nemen. O nee? Wie deed dat ook alweer wel? Jezus Christus, het Lam van God. En wij volgen Hem toch?

“Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.”

Je moet dat niet activistisch oppakken. Ik bedoel het ook niet moralistisch, dat wij al die dingen moeten doen. Maar je moet er wel over nadenken. Wat betekent dat voor mijn leven, dat ik leef met het Lam? Waartoe roept het Lam, Jezus Christus, mij? Waar kan Hij jou voor gebruiken? Als het goed is, is dat geen veplichting die hoort bij het christelijk leven, maar is dat een verlangen dat uit je hart opkomt. Want, zegt vers 14:

‘Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige.’ Dat zoeken is in het Grieks een heel sterk woord, het is verlangen, intens zoeken. Modern gezegd: Je focus ligt niet meer hier in deze wereld, maar daar, in de toekomstige stad, je zou kunnen zeggen de hemel, of beter: Het Koninkrijk van God.  Daar zijn wij naar onderweg, als pelgrims. Omdat we de gebreken van de huidige wereld om ons heen zien, en de gebrokenheid aan den lijve ervaren: dat zonde, duivel en dood diepe voren trekken in ons leven. En dat wij weten dat dat gaat veranderen, dat het Lam regeert, en dat Zijn Koninkrijk gaat komen.

Met de komst van Jezus Christus, het Lam van God, is in de wereld een wissel om gegaan. Alles wat de wereld belangrijk vindt: status, bezit, macht, geld, succes, geluk, seks, genot, dat zit op een doodlopend spoor. Als je achter Jezus aan gaat, als je leeft met het Lam, ga je de weg van de schande, smaad, een weg door de diepte, van liefde en kwetsbaarheid en gekwetst worden, van vergeving en verzoening, van je geroepen voelen je nek uit te steken en mond open te doen, waarvan de wereld zegt: Dat is gekkenwerk, dat is een druppel op de gloeiende plaat. Leef toch voor jezelf. Ga voor je geluk. Doe je ding. Daar zeggen wij, omdat we leven met Lam, nee, ik leef voor Hem. Ik zoek Hem. Hij biedt mij genoeg. Alles. “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, het Lam dat Zijn leven voor mij gaf, God die bij mij is, en tot in eeuwigheid.”

Hoe ziet de schrijver van Hebreeën het concreet voor zich voor de ingezakte christenen van zijn generatie? Wat zijn de offers die zij moeten brengen? Dat is allereerst dus zichtbare toewijding aan Christus. Uit dank en verwachting. Maar dan ook in vers 15: ‘door Hem een lofoffer brengen aan God’.

Een christen houdt van zingen en muziek maken voor God. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Zo werkt dat, vanuit de psalmen in het Oude Testament, die ook wij vandaag de dag nog zingen, loopt een rechte lijn. In de tabernakel, in de tempel, in de synagogen, in kerken, altijd en overal is er gezongen. Omdat de blijdschap eruit moet. Dat Hij, de HEERE, de God van Israël ook onze God wil zijn. Maar het is ook een offer: Het komt God ook toe dat wij Hem aanbidden, ook als wij daarvoor niet altijd in de stemming zijn. Het is de kern van ons geloof:

Dat wij God loven en prijzen in onze zang, in ons gebed, in ons belijden. Dat wij Hem in alles eren en bovenaan stellen. Omdat Hij nu eenmaal voor eeuwig en altijd bovenaan staat. Hij is God, Jezus Christus, het Lam. Voor Hem buigen en knielen wij.

Het echte lofoffer, zegt de schrijver is “de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden”. Ervoor uit komen dat je gelooft in Jezus Christus als Lam van God, als Redder van de wereld, en onderweg bent naar Zijn toekomst. Dat is wat God het liefst ziet.

Én “het weldoen en onderling hulpbetoon”. Opeens zit daar ook een hele concrete aanwijzing in, waar we allemaal wat mee kunnen. Wat gaat over je geefgedrag en leefgedrag. De schrijver laat het ook nadrukkelijk open: Vul zelf maar in waartoe je je geroepen voelt als het gaat over “lofoffer”, “weldoen” en “onderling hulpbetoon”.

Leven met het Lam. Als je er zo samen over nadenkt, heeft dat toch wel alles te maken met jou en mij. Met Wie Christus is, hoe Hij is, en dat wij geroepen zijn, bij Hem te blijven.

Amen