Jezus als haatprediker?

Homilie bij de herdenking van de Bevrijding van Beringen (6 september 1944) in de bevrijdingsmis. Over Mattheus 10:34-39.

Herdenking bevrijding Beringen - Beringen

Gemeente van Jezus Christus,

We zijn hier bij elkaar om de vrede te vieren. Al 73 jaar wordt er niet meer gevochten in de straten van Beringen, wordt er niet meer schoten, leven de mensen niet meer in angst. Aan die vrede heeft ook de Nederlandse Prinses Irene Brigade bij mogen dragen. Irene betekent ‘zij die vrede brengt’.

Het is dan even slikken bij de woorden van Jezus. ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ En dan die woorden over het breken met je familie, haat zelfs. Niet echt een geschikte tekst om te lezen in een ‘vredesdienst’, denk je misschien. Jezus was blijkbaar ook onder de ‘haatpredikers’, de ‘religieus extremisten’. Daar hebben we onze buik wel vol van, tegenwoordig. Het is de reden dat de straten van Brussel weer door militairen beveiligd moeten worden.

Toch moeten we niet te snel afhaken bij de woorden van Jezus. Jezus preekte wel degelijk liefde en vrede. Radicaal zelfs. Zo radicaal, dat hij wist dat het weerstand op zou roepen. Want als je benoemt wat er scheef zit in deze wereld, als je gaat voor verandering, vernieuwing, bevrijding. Dan kun je rekenen op het zwaard: op weerstand. Niet alleen van een overheid, maar waarschijnlijk ook in je eigen familie en vriendenkring. En daarom doet hij in dit gedeelte aan verwachtingsmanagement. Hij zet zijn volgelingen met beide benen op de grond: Verwacht niet dat je jezelf geliefd zult maken in deze wereld als je helemaal gaat voor het goede, voor God, voor vergeving, genade, verzoening en heelheid. Want daarmee loop je machthebbers en de gevestigde orde voor de voeten.

Jezus roept niet op tot religieus geweld, maar waarschuwt ons dat deze wereld geen speeltuin of paradijs is. Er waren mensen die over Jezus zeiden: Als Hij werkelijk de messias is, de redder van de wereld, dan zorgt Hij wel eventjes dat de wereldvrede uitbreekt, dat alles pais en vree wordt. Maar zo werkt dat niet, zegt Jezus, vrede komt niet zonder slag of stoot tot stand. Zelfs bij God werkt dat niet zo.

Juist in deze bevrijdingsmis kunnen wij denk ik goed aanvoelen wat Jezus bedoelt. Hier in Beringen hebben geallieerde militairen hun leven gegeven voor onze vrijheid. Zij hebben Jezus’ woorden in de praktijk gebracht. Zij hebben letterlijk gebroken met hun familie, huis en haard verlaten. Soms tegen wil en dank misschien, gedwongen door de nood van de tijd. Ze deden het toch maar. In Jezus’ woorden: ‘Ze hebben hun kruis opgenomen’, ‘ze hebben hun leven verloren’. Waarom? Omdat in een tijd van oorlog alles op scherp komt te staan. Omdat het dan niet de tijd is om te praten over vrede en liefde, maar verder thuis te blijven zitten.

Jezus brengt bij ons onder de aandacht wat waar is: Dat sommige dingen in deze wereld, méér waard zijn dan de band met je eigen familie, méér waard zijn dan je eigen leven zelf… Sommige dingen zijn het waard om je leven voor te geven. De bevrijding van West-Europa van het nazisme, van bovenal de Holocaust, de systematische vernietiging van het Joodse volk, Roma, homo’s, en gehandicapten. Dat was het waard om voor te sterven. Na 73 jaar, zijn wij hen nog steeds intens dankbaar die daarvoor stierven, en hen die zich daarvoor ingezet hebben.

Zo gek zijn Jezus’ woorden dus niet. Hij benoemt alleen maar wat we allemaal ten diepste wel weten. Al willen we het vaak niet waar hebben. Omdat we er liever niet aan denken dat het leven soms om confronterende en radicale keuzes vraagt. Wanneer ben ik nu daadwerkelijk bereid mijzelf in de strijd te gooien, mij ergens hard voor te maken, mijzelf niet buiten schot te houden?

Jezus heeft ons wat dat betreft natuurlijk wel het goede voorbeeld gegeven. Als er iemand daadwerkelijk zijn kruis opgenomen heeft, dan is het Jezus zelf geweest, die letterlijk aan het kruis gehangen werd. Omdat Zijn spreken over een nieuwe wereld, Gods wereld, als bedreigend ervaren werd voor de stabiliteit door de Joodse leiders en de Romeinse overheid. Maar juist door die zelfovergave heeft Jezus eens en voor al duidelijk gemaakt dat radicale liefde, hoop, geloof sterker is dan welke macht ook. Jezus heeft een beweging in gang gezet, die niet meer te stoppen is. Daar staat God zelf garant voor, dat geloof ik.

Onze vrede is betaald met bloed, zweet en tranen. Van de militairen en hun geliefden, die hier gevochten hebben in Beringen. Maar verder terug ook met het bloed van Jezus, van God zelf.

Jezus bedoelt met de woorden die we gelezen hebben dus niet een oproep tot religieus geweld, tot haat in de familiekring. Integendeel. We mogen het een ander niet moeilijk maken, maar ook u krijgt het moeilijk als u uw hoofd boven het maaiveld durft te steken. Jezus roept ons op onze ogen te sluiten voor de armen, de verdrukten, de vreemdelingen, de honger, de oorlog, waar onze wereld vol van is. Onze moderne tijd kenmerkt zich door individualisme, door het terugtrekken in eigen kring, in eigen land. Populisme en nationalisme hebben nog steeds, ook na 73 jaar, een grote aantrekkingskracht. Jezus wijst ons erop dat elke tijd vraagt om mensen die óp durven te staan voor een ander, die zichzelf op het spel durven te zetten. En als we dat niet doen, waarschuwt hij, loop je juist het risico jezelf kwijt te raken.

Laat ieder van ons dat overdenken, en doen wat nodig is. Want de vrede is het waard.

Amen

Advertenties

Jimmie en Eugene: Een verhaal over de waarde van één mens.

Normandy American Cemetery, te Colleville-sur-Mère, France.

De locatie van dit ereveld aan de Normandische kust is bekend uit de film Saving Private RyanOp 6 juni 1944 kwamen hier op Omaha Beach de U.S. 1st en 29th Infantry Division aan wal. Ze veroverden met veel moeite de kuststrook en het plateau van de huidige begraafplaats. Alleen hier al sneuvelden die dag tussen de twee- en drieduizend militairen.

Nu liggen hier 9387 Amerikaanse militairen in graven en staan nog eens 1557 namen gebeiteld in de muur van de Garden of the Missing. En dan te bedenken dat dit 1 van de 10 grote Amerikaanse erevelden in West-Europa is, terwijl ook nog eens ongeveer 172.000 stoffelijke overschotten overgebracht zijn naar de Verenigde Staten. Als je rondloopt en al die graven ziet, dan gaat het je duizelen. Het is teveel om te verwerken. Je kunt het niet bevatten. Dat heeft een positieve kant: er groeit ontzag, respect en afschuw. Aan de andere kant komt het niet echt binnen, omdat al die doden geen gezicht voor je hebben.

Het verhaal van Jimmie Waters Monteith jr.

Jimmie W Monteith 1944.jpgDaarom vertel ik hier het verhaal Jimmie. Je vindt hem in Plot I; Row 20; Grave 12. Op zijn grafsteen staat een gouden ster, wat inhoudt dat hij de Medal of Honor heeft ontvangen, de hoogste militaire onderscheiding in de U.S. voor uitzonderlijke moed. Hier in Normandie tussen al die duizenden is hij één van maar drie gedecoreerden. Wat heeft hij daarvoor gedaan?

Jimmie Monteith (1917) is afkomstig uit Virginia en studeerde werktuigbouwkunde voor hij dienst nam in oktober 1941. (Dus vóór de U.S. betrokken raakten in WOII, want de aanval op Pearl Harbor was 7 december van dat jaar). Toen hij klaar was met zijn basic training en aansluitend een officiersopleiding, werd hij in april ’43 ingezet in Algerije en vervolgens in juli ’43 bij de landing op Sicilië. Met de nodige gevechtservaring werd zijn eenheid in november ’43 naar Engeland gestuurd om zich voor te bereiden op de invasie van West-Europa. Op 6 juni ’44, als hij 26 jaar oud is, neemt hij deel aan D-Day, oftewel Operation Overlord . Een vertaling van de tekst bij zijn medaille:

Eerste luitenant Monteith landde met de eerste aanvalsgolven aan de kust van Frankrijk onder zwaar vijandelijk vuur. Zonder rekening te houden met zijn persoonlijke veiligheid, rende hij voortdurend op en neer op het strand om mannen te reorganiseren voor verdere aanval. Hij leidde vervolgens de aanval door een smalle geul en over het vlakke terrein naar de relatieve veiligheid van een klif. Hij keerde terug over het veld naar het strand naar twee tanks die geblokkeerd werden en blind waren door hevige vijandartillerie en mitrailleurvuur. Volledig blootgesteld aan het intense vuur leidde eerste luitenant Monteith de tanks te voet door een mijnenveld in goede vuurposities. Onder zijn leiding werden verscheidene vijandelijke standpunten vernietigd. Daarna ging hij weer naar zijn compagnie en onder zijn leiding namen zijn mannen een betere positie op de heuvel. Tijdens de verdediging van zijn nieuw gewonnen positie tegen herhaalde heftige tegenaanvallen, bleef hij zijn eigen persoonlijke veiligheid negeren, door de 200 of 300 meter open terrein onder zware vuur herhaaldelijk over te steken om de verbindingen te versterken. Toen de vijand erin slaagde om de eerste luitenant Monteith en zijn eenheid volledig te omsingelen, werd de eerste luitenant Monteith gedood door vijandelijk vuur. De moed, dapperheid en het onverschrokken leiderschap van Eerste luitenant Monteith is jaloersmakend.

Tot zover het verhaal van Jimmie. Mocht je meer over hem willen weten: hij heeft zelfs een eigen Wikipedia-pagina… Hij is daadwerkelijk als held gestorven. Hij heeft zijn medaille verdiend. Niemand zal hem vergeten.

Maar wie ligt er eigenlijk naast hem? Ook hij heeft zijn leven gegeven! Moet zijn verhaal ook niet verteld worden?

Het verhaal van Eugene Sharp (35389233)

Op graf Plot I, Row 20, Grave 11 staat de naam van Eugene Sharp. Verder staat er dat hij afkomstig is uit Ohio, de rang van soldaat had en deel uitmaakte van de 30th Infantry Division.  Met de overlijdensdatum, 26 juli 1944. Maar wat is het verhaal achter deze summiere gegevens? Met veel moeite vond ik in een krantenarchief op internet een berichtje uit de lokale krant van Massillon, Ohio, The Evening Indepent, gedateerd op 23 augustus 1944 (zie foto):

Wounds Fatal to Orrville Youth

Een telegram ontvangen door mrs. Elizabeth Thomasset Sharp of Orrville, eerder van Wooster, van het ministerie van oorlog, om haar te informeren dat haar echtgenoot, PFC Eugene Sharp gewond raakte in Frankrijk, is gevolgd door een tweede bericht dat PFC Sharp overleed op 26 juli. Het eerste bericht meldde dat hij diezelfde dag gewond raakte, dus hij leefde blijkbaar nog enkele uren, het tweede bericht meldt dat hij overleed aan de wonden die hij opliep tijdens actie.

PFC Sharp ging school aan Orrville High School in 1942, maar verliet die ook weer voor een baan in de industrie. Hij werkte bij Tyson Roller Bearing Corp. [kogellagerfabriek, TdR] at Massillon toen hij dienst nam op 29 juli 1942, 8 dagen na zijn 19e verjaardag [hij overleed dus 5 dagen na zijn 21e, TdR]. Hij ontving basic training in Fort Riley (Kan.) waarna hij overgeplaatst werd naar Camp Cook (Cal.), waar hij oefende met anti-tankmiddelen en geplaatst werd bij een luchtmobiele divisie in Fort Benning, (Ga.), waar hij oefende met glider-infanterie. Hij voltooide zijn opleiding in South Dakota en op Camp Mackail (N.C.), om overzee te gaan in juni naar Engeland. Hij kwam in Frankrijk op 12 juli. Naast zijn weduwe zijn zijn nabestaanden zijn ouders mr. en mrs. John Sharp en zijn twee zussen mrs. Mildred Bergan en mrs. Elizabeth Gesaman van Orrville.

Dramatisch zijn de details van dit bericht. Blijkbaar had deze 21-jarige jongen een jonge vrouw, die nu weduwe is, nadat ze enkele dagen of weken in vreselijke zorg moet hebben gezeten na dat eerste telegram. Daarnaast horen we dat zijn thuisfront in ieder geval bestond uit ouders en 2 zussen. Naar de impact van zijn dood en het verdriet hoeven we niet te raden. Een man, zoon, broer, missen slaat een gat in je leven. Of Eugene stierf als een held of niet, dat maakt dan helemaal niet uit.

Weten we meer over het sneuvelen van Eugene? De eenheid waar hij deel van uitmaakt, 119th Infantry Regiment (30th Infantry Division), komt op 22 februari ’44 in Engeland aan na 2 jaar training. Op 11 juni landden ze hier op Omaha Beach, bijna een week na D-Day. Dat was zeker geen mosterd na de maaltijd. De eerste week werd er nauwelijks voortgang geboekt in de uitbreiding van het gevormde bruggehoofd. Als op 7 juli Eugene de rivier de Vire oversteekt zijn de geallieerden in een maand dus maar 20km opgeschoten… Op 24 juli start daarom Operation Cobra bij St. Lô om definitief uit te breken uit het bruggehoofd. 30th ID vormde daarbij de speerpunt, het 119th IR lag aan het front. Het kaartje laat zien wat de positie van Eugene Sharp ongeveer moet zijn geweest (gele ster).

Het front bij St. Lo op 24-jul, waar Eugene sneuvelde (gele ster).

Eerst zou er intensief gebombardeerd worden op de Duitse stellingen door 3000 geallieerde vliegtuigen, maar door het slechte weer en de laaghangende bewolking werd de actie op het laatste moment afgeblazen.  Bommenwerpers die al in de lucht waren, konden echter niet worden teruggeroepen en daardoor voltrok zich een drama:

On the 24th the attack was to have been preceded by 80 minutes of air and artillery bombardment by 3,000 planes and 50 battalions of artillery. In spite of the overcast, the attack planes and bombers appeared and dropped a large number of bombs, some within our lines. About 30 minutes before H-Hour, the attack was cancelled by First Army. Our casualties were five killed, 28 wounded, and one missing, almost all due to the bombing.

Om de laatste twijfel over het lot van Eugene weg te nemen: op internet trof ik de opmerking aan van Eugene’s zwager Richard V. Tomassetti:

‘HE WAS WOUNDED ON JULY 24, 1944 BY FRIENDLY FIRE FROM OUR P-47 BOMBER AIRCRAFT. PRONOUNCED DEAD JULY 26, 1944 AT A FIELD HOSPITAL.’

Slot

De graven van Jimmie (r.) en Eugene (l.)

Wat een dramatisch verschil met Jimmie. Jimmie stierf op de stranden van Normandië als een held, Eugene stierf als gevolg van een vreselijk ongeluk. En hier liggen ze dan naast elkaar. Je ziet hier de twee gezichten van oorlog. Soms haalt oorlog het beste in je naar boven: moed, toewijding, veerkracht. Soms is het goed om een oorlog te voeren, is het de moeite en de offers waard, omdat je aan de goede kant staat, voor het goede vecht. Aan de andere kant is oorlog ook de hel, vallen er nodeloze en onschuldige slachtoffers, is oorlog vies en smerig. Beide kanten zul je onder ogen moeten zien.

En wiens leven en sterven was nu méér waard, dat van Jimmie of van Eugene? Niet méér of minder dan jouw leven!

To be or not to be

Toespraak regimentsjaardag 2017.

15894679_1292038034191751_4448806954469301301_n

Genm b.d. Hemmes (WOII-veteraan) en de regimentscommandant leggen krans.

To be or not to be, that’s the question. In het ruime jaar dat ik hier bij Prinses Irene rond heb gelopen, is me dit het meest bijgebleven: je moet er zijn. Ik bedoel niet alleen als GV’er, maar ook als militair in het algemeen: je moet er zijn. En dat moet je maar kunnen… In vredestijd valt er voor militairen niet altijd veel eer te behalen. Dat is soms vervelend en frustrerend. We houden onszelf wel bezig met oefeningen, maar zolang er geen daadwerkelijke inzet, missie of oorlog is, gaat het er vooral om dat we in vorm blijven. Dat we er zijn en blijven. Daar zijn natuurlijk materiële middelen voor nodig, waar altijd tekort aan is, maar veel belangrijker: daar is een soort innerlijke mentale kracht voor nodig. Om je bestaansrecht niet te ontlenen aan de vele medailles op je borst, niet aan de heroïsche avonturen die je hebt meegemaakt, maar puur aan je aanwezigheid. Dat het goed is, dat je er bent. En dat je er staat als het nodig is. Stevig en zelfbewust.

Jezus vertelt (zo kun je lezen in de Bijbel[1]) over dat ‘klaar staan’, ‘er zijn’ in een voorbeeld over een Oosterse bruiloft:

‘Tien meisjes gaan op weg naar een bruiloft. Ze moeten wachten op de bruidegom. Ze hebben allemaal een lamp meegenomen. Vijf meisjes zijn dom. Ze hebben wel een lamp bij zich, maar geen olie om de lamp te laten branden. De vijf andere meisjes zijn verstandig. Zij hebben een lamp bij zich en ook olie om de lamp te laten branden. Het wachten op de bruidegom duurt lang. De meisjes worden moe en vallen in slaap. Midden in de nacht wordt er geroepen: ‘Daar komt de bruidegom! Vooruit, ga naar hem toe!’ De meisjes worden wakker en doen hun lampen aan. Dan zeggen de domme meisjes tegen de verstandige meisjes: ‘Mogen wij wat van jullie olie gebruiken? Onze lampen willen niet branden.’ Maar de verstandige meisjes zeggen: ‘Nee, we hebben alleen genoeg voor onszelf. Ga maar ergens olie kopen voor je lampen.’ De vijf meisjes gaan op weg om olie te kopen. Intussen komt de bruidegom. De vijf meisjes die klaarstaan, gaan met hem mee. Zij mogen naar binnen op het feest. Daarna gaat de deur dicht. Later komen ook de andere meisjes. Ze zeggen: ‘Heer, heer, laat ons toch binnen!’ Maar de bruidegom antwoordt: ‘Luister goed naar mijn woorden: Ik ken jullie niet.’

To be or not to be, that’s the question. Die vijf domme meisjes waren er niet, niet toen ze er moesten zijn. Toen ze er moesten staan. En daarom gaat het feest aan hun neus voorbij. Dat feest staat symbolisch voor het geloof in een goede toekomst ook als de wereld donker is. De olie in dit verhaal is dan ook geen letterlijke olie, maar staat voor geloof in God, als een vorm van vertrouwen, van mentale kracht. Het gaat niet over materiële gereedheid, maar personele gereedheid.

Militair-zijn wil niet alleen zeggen dat je bepaalde militaire basisvaardigheden beheerst, maar vooral dat je er bent. Dat je ervoor kiest er te zijn als het nodig is. Dat je er dan staat. Dat gaat heel ver. Zeker als we zo de namen horen van de gevallenen van ons regiment en een minuut stil zijn. Dan beseffen we: To be or not to be, de keuze om er te zijn op het cruciale moment, dat houdt in het uiterste geval ook in dat je eigen bestaan, je eigen zijn op het spel staat. Dat is een keus die moed vraagt, geloof, vertrouwen.

Onze keus om militair te zijn, of het nu oorlog is of niet, werpt ons terug op onze innerlijke mentale kracht. Voor mij als dominee is dát geloof, het basisvertrouwen in God, om ons leven bewust in de waagschaal te leggen. Omdat het het waard is. Ten bate van de bruiloft: het visioen van het vrederijk zoals Jezus dat voor ogen staat, een visioen dat ons allemaal kan inspireren.

Ik heb gezegd.

[1] Matteüs 25 vers 1-12 (Bijbel in Gewone Taal).

Spierballengeloof, of: De kracht van de Geest

Preek over Richteren 15,9-20

Samson slaying a philistine.jpg

Giambologna – Samson slaying a Philistine (marble, ca. 1562)

Gemeente van Jezus Christus,

Achter elkaar komen de laatste jaren superheldenfilms in de bioscoop. Over Superman, Batman, the Avengers. Mensen met bijzondere gaven en superkrachten. Het typische verhaal is dat iemand superkracht krijgt door een ongeluk, zoals Peter Parker, die door een spin gebeten wordt en dan Spiderman wordt. Vervolgens is er een superschurk die de aarde wil verwoesten o.i.d. en de missie van de superheld is dan om de aarde te redden.

Met veel moeite lukt dat altijd en loopt het goed af. Prachtige actie op het witte doek. Gevechten. Chaos, dood en verwoesting. Maar dan ook altijd liefde, trouw en moed. En een gelukkig einde.

Het lijkt naadloos te passen op de verhalen over Simson. De Israëlitische Superman. De Joodse Hercules. Een man met superkrachten. Als de slechteriken, de Filistijnen, de overheersers, hem met hun hele leger gevangen willen nemen, en vernederen en doden natuurlijk. Slaat hij erop los. Hij wint het nog ook. Tot zover niets bijzonders. Alleen, hier hebben we niet een te maken met een verhaaltje, met fantasie, maar met de Bijbel. Waarvan we geloven dat wat daar in staat over God, dat dat klopt. En daar zit wel een angel. Want waar haalt Simson zijn superkracht vandaan? Van de heilige Geest:

‘Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.’

We horen in het Nieuwe Testament prachtige dingen over de heilige Geest die de apostelen inspireert, die mensen vol maakt van liefde en blijdschap en vrijmoedigheid. Bij de Geest denken we dan aan een duif, een vredesduif… Deze Geest maakt van ons nieuwe mensen, laat ons op Jezuslijken.

Door de kracht van de Geest sloeg Simson duizend man dood. Hoe past dat in ons beeld? En verder nog: Hoe past dit in ons eigen leven? Met Pinksteren wordt gezegd dat diezelfde Geest nu ook op ons is uitgestort. ‘Geweldig’ zeggen we dan, ‘geweldig, dat God zelf bij ons, ja in ons komt wonen.’ Wacht even, denken we dan vanmorgen, vind ik dat wel zo prettig als deze Geest in mij komt. De Geest die Simson 1000 man liet doodslaan? Strijdt dat niet met alles waar wij in geloven? Dat wij al proberen onze kinderen bij te brengen dat je geen ruzie moet maken. Dat we proberen om niet op elkaar te schelden. Dat het ons ideaal is om elkaar te verdragen en zelfs lief te hebben. En dat we geloven dat God dat van ons vraagt, van ons verwacht…

Je zou zeggen: Hier in dit verhaal zie je de mens op zijn slechtst. Daar wíl en zál God niets mee te maken hebben! Simson heeft bonje gemaakt bij de Filistijnen. In het hoofdstuk hiervoor kun je lezen hoe Simson trouwt met een Filistijns meisje. De Filistijnen waren rond de 13e eeuw voor Christus vanuit Griekenland ge-emigreerd naar de kust van Kanaän, zo rond dezelfde tijd dat het volk Israël uit Egypte kwam en ook het land Kanaän binnentrok. Rond die vruchtbare kuststrook, die nu nog de Gazastrook heet, was toen dus al concurrentie over het land en de macht.

Maar Simson gedraagt zich als een olifant in die porseleinkast: zijn huwelijk loopt uit op een drama. Simson neemt wraak op de Filistijnen als zij hem bedriegen tijdens het huwelijk feest. Zijn schoonvader geeft zijn vrouw aan een ander. Simson is daarover zo boos over dat hij de hele boel in de fik steekt. De Filistijnen verbranden vervolgens dan zijn vrouw en schoonfamilie. Daarvoor neemt Simson weer wraak door hen aan te vallen. Kortom het is één vicieuze cirkel van geweld en wraak en haat. Waar je van huivert en schrikt. Vanaf vers 9, onze tekst, begint daarin een nieuwe episode. Het wordt ook letterlijk gezegd door de Filistijnen in vers 10: ‘Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.’ Wraak! En zo zegt Simson het ook zelf: ´Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.’

Dat gaat nergens over…

Zo gaat dat inderdaad onder mensen. Misschien herken je er ook wel iets van. Relaties in families, met collega’s, die kunnen ook flink uit de hand lopen. Na ruzies, na echtscheiding, als we bedrogen worden of oneerlijk behandeld. In die zin is er niets vreemds aan dat verhaal van Simson. Ook de agressie niet, de behoefte aan wraak, om erop te slaan. Zo gaat het ook nog steeds in het groot in deze wereld. Je hoeft maar te denken aan het eindeloze conflict tussen Israël en de Palestijnen, het hele Midden Oosten wat een zootje is.

Maar dat de Geest van God dat vuurtje nog eens extra opstookt, daarin de superkracht verschaft om de ander mores te leren, ja dood te slaan…?

Nu kunnen we dat proberen recht te praten natuurlijk. Die neiging voel ik ook sterk bij mezelf. Zo van: Het was een hele andere tijd toen. We hebben het wel over 3000 jaar geleden. Israël en de Filistijnen waren in oorlog. Dat moet je niet vergeten. Oorlogen werden toen eenmaal zo met de hand uitgevochten. Men was toen nog een stelletje barbaren. Mensenlevens waren toen niet zoveel waard. Tegenwoordig kennen we mensenrechten en beschaving en humanitair oorlogsrecht, etc. Dat is allemaal min of meer waar.

En denk ik dan: Hebben we ook niet een beetje boter op ons hoofd als we dat allemaal héél erg vinden wat Simson doet… en geschokt zijn. Terwijl wij op dit moment ook in oorlog zijn, dagelijks bombardeerden onze F-16 in Irak en Syrië doelen van IS het afgelopen jaar. Daar vallen ook doden, ook onschuldige slachtoffers, maar daar hoor je niemand over.

Het is misschien een beetje ver van ons bed. Maar het zijn wel onze militairen die van ons belastinggeld met bommen dood en verwoesting brengen. Ligt u er wel eens wakker van? Ik niet. Wat Simson met die ezelskaak doet, dat is heel lijfelijk, gevecht van man tot man. Maar qua effect doet het niet onder voor het afwerpen van een bom van een paar kilometer hoogte uit een straaljager. Dat gaat nog heel wat verder, zelfs.

Maar ik denk niet dat we zo moeten proberen om Simson vrij te pleiten of zijn gedrag te vergoelijken. Of dat geweld te relativeren. Want voor je het weet leunen we weer comfortabel achterover en is de spanning eruit. En kunnen we weer lekker door gaan met ons leventje. Dan maken we ons er te gemakkelijk van af. Dan maken we ons te gemakkelijk van God af. Van de heilige Geest af.

We stuiten hier wel degelijk op iets van God zelf. Op een scherpe kant van Hem. En de vraag is: durven wij dat vandaag de dag nog te zien. Wij denken graag aan God als een Goede Vriend, Iemand die om ons geeft, die voor ons zorgt, die ons helpt, ons draagt. Dat vinden we mooi. En dat is ook mooi. Maar ook vrij soft. Het is niet voor niets denk ik, dat het steeds moeilijker is om mannen warm te krijgen voor de kerk en het geloof. Dat past meer bij vrouwen. En die harde kant van God, die ligt gewoonweg niet zo goed in de markt, in de tijdgeest. Het geloof in een hel, dat God mensen verdoemt en oordeelt. Daar moet je niet mee aankomen. Toch?

Maar dat is doodzonde. We moeten afleren daar moeilijk over te doen. We moeten geen geestelijke watjes worden. Een scheutje van van de spierballen van Simson kunnen we wel gebruiken. En dan kunnen we genieten van dit verhaal! Want dan gaat het ergens over. Hier in deze verzen in Richteren 15 gaat het ergens over.

De Filistijnen trekken op tegen Juda. Een invasie. De Judeeërs gedragen zich onderdanig, ze durven de strijd niet aan. In die periode zijn de Filistijnen de onderdrukkers, de overheersers. In een land, dat moet je goed begrijpen, dat aan Israël ten eigendom is gegeven door God, de HEERE, zelf. Wat die Filistijnen doen, dat gaat in tegen Gods eigen diepste bedoelingen en plannen.  Als zij Juda binnenvallen, gaan ze een grens over. Letterlijk, maar ook figuurlijk.

De verhalencyclus over Simson begint in Richteren 13 met de aankondiging van zijn geboorte aan zijn moeder door een engel. Die engel  zegt:

‘Want het jongetje zal van de moederschoot af als nazireeër aan God gewijd zijn, en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.’

Nu leek daar aanvankelijk met Simson niet veel van terecht te komen. Toen hij richting de Filistijnen trok begon hij niet met vechten, maar begon hij verlieft te worden op het eerste het beste leuke meisje waar zijn oog op viel. Dat ging niet helemaal volgens plan. Dat was ook niet Gods bedoeling geweest. Maar is dat in ons leven niet veel anders? De krachten en talenten die Hij ons schenkt, besteden we niet automatisch in Zijn dienst of voor de goede zaak. De verleiding is beregroot om er vooral zelf beter van te worden. Als spierbundel gebruikt Simson zijn lichaam niet voor de verlossing van Israël, maar ligt hij vooral goed bij de meisjes.

Hier in deze verzen, treffen wij voor Simson een soort laatste kans. Het is nu of nooit. Gaat hij zijn roeping tot richter waarmaken en verlossing brengen, of houdt het hier gewoon op. Die spanning zit er goed in, als Simson zich laat arresteren en binden. Geeft hij het zelf nu ook op? De Filistijnen denken dat de buit binnen is:

‘En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots. Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet.’

Het is op dát moment dat de Geest van de HEER vaardig wordt over Simson. Dat God zich ermee gaat bemoeien. En dat is toch het ware evangelie, de goede boodschap, in dit gedeelte. Als het over verlossing gaat, dan is de Geest van de partij.

We hebben hier niet te maken met een ordinaire slachtpartij, maar met verlossing. En dat gaat niet zonder slag of stoot. Niet zonder geweld. Dat is de realiteit. De harde, gebroken, pijnlijke realiteit van onze wereld. Daarin mengt de Geest zich, zoals ook Jezus zich daarin gemengd heeft. We hebben geen God in de hemel die van verre het aards gewemel beschouwd en afkeurd, maar ondertussen niet de macht of de wil heeft om er iets aan te doen. Nee, Israël en wij hebben een God, de HEER, die Zichzelf volledig in de strijd werpt. En vieze handen maakt. Zó dat wij er met onze moderne ogen bijna afkeurend naar kijken en zeggen: ‘Moet dat nou?’

Ja, dat moet. Als er iets van Israël en Simson, en als er iets van onze wereld terecht wil komen en van ons leven, dan zullen we moeten accepteren dat God soms hardhandig ingrijpt. Met woorden en daden. Als er duizenden mensen op de Pinksterdag tot bekering komen, dan is dat een hardhandig ingrijpen van de Geest in hun hart en leven. En zo is het ook vandaag: Als God ons niet overmeestert met Zijn Geest en liefde, niet ons hart openbreekt en tot zich trekt, wie zou dan tot Hem gaan of met Hem blijven gaan? Het is God die met Zijn kracht en macht ons kiest, roept, trekt, bekeert, nieuw leven schenkt.

De zonde, het kwaad, de gebrokenheid zal echt niet ‘vanzelf’  uit ons leven en de wereld verdwijnen. En omdat het ons niet lukt, zal de Geest zich ermee moeten bemoeien. Dat is de realiteit. De realiteit van een ezelskaak waarmee 1000 man worden doodgeslagen. En dat is dus echt goed nieuws.

Dat betekent niet dat je dat geweld moet verheerlijken. Dat betekent niet dat je moet zeggen dat de Geest dit graag doet. Dat hier bij Simson bij uitstek zichtbaar is Wie Hij en wat Hij doet. Simson blijft wat dat betreft een ongeleid projectiel. In het vuur van de strijd, stijf van de adrenaline, begint hij te zingen.

‘Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen, met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.’

Dat gaat te ver. Zeker als je weet dat er in het Hebreeuws van de grondtekst een woordspeling in zit. Het woord voor ‘hoop’ is identiek aan het woord voor ‘ezel’. Je zou ook kunnen vertalen als: ‘Met een ezelskaak heb ik een stelletje ezels doodgeslagen.’ Wellicht omdat Simson ervan overtuigd is dat het zijn eigen list met die touwen is geweest waardoor hij de overhand heeft gekregen in de strijd. Simson heeft gewonnen, vindt zichzelf slim en sterk en kijkt daardoor neer op die 1000 man.

Tussen twee haakjes, ook met dat woord voor 1000 is iets aan de hand. Dat hoeven niet per se exact 1000 man geweest te zijn. In het Hebreeuws komt dat woord oorspronkelijk van het woord voor een militaire eenheid, een contingent, onder leiding van een clan-hoofd. Als zodanig kan dat in exacte getallen ook een eenheid van 100 man of minder geweest zijn.

Maar in feite doen de aantallen er niet toe. Als het gaat over mensen, gaat het over mensen. En of er nu 1 iemand sneuvelt, van wie vrouw en kinderen, familie en vrienden voor altijd iemand moeten missen en in rouw gedompeld zijn, of dat het er 10 of 100 of duizend zijn. Met mensenlevens valt niet te rekenen. Verdriet is onmetelijk.

Soms moet er gevochten worden in deze wereld. Daarbij gaat het op het scherpst van de snede, en daarbij vallen slachtoffers. En al vecht je dan voor de goede zaak, zoals Simson, dan past het toch niet om je te verheugen over de val van een ander. In de hemel is er vreugde over elke zondaar die zich bekeert. Maar geen vreugde over de val van een mens, die reddeloos verloren gaat. Het is de uiterste consequentie van een leven tegen God in. Dat loopt dood. Maar hoe graag had God gezien dat het anders was.

Simson komt er achter dat hij niets heeft om zich op te beroemen. Hij krijgt zo’n dorst dat hij denkt dat hij gaat sterven. Hij ontdekt dat hij zijn enorme kracht niet van zichzelf heeft. Dat hij ook maar een mens is, die zonder slokje water het loodje legt. En hij moet aankloppen bij de Allerhoogste voor hulp.

‘Hij riep tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?’

Simson blijft ook in deze woorden een ruwe bolster. Het is geen vroom gebed, maar heel direct, bijna beschuldigend spreken tot God. Maar er blijkt wel uit dat Simson zijn plek kent. Het is God die verlossing brengt, niet Simson, hij is enkel het middel. Simson doet een stapje terug. Hij geeft God de ruimte in zijn leven. Of beter: Hij erkent dat het van meet af aan God is geweest, die hem hier gebracht heeft.

Bijzonder om dan vers 20 te lezen:

‘En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.’

Nu pas komt Simson tot zijn doel. Nu hij beseft dat hij niet alleen sterk is, maar ook zwak. Zwak zonder God. Dat hij niet alleen kan vertrouwen op zijn spieren en zijn kracht, maar ook op God. God gaf onmiddellijk water, zoals alleen God dat kan, midden in de woestijn. God geeft wat nodig is.

‘Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op.’ Of: ‘hij leefde’, ‘hij hérleefde’, ‘nu leefde hij pas echt.’

Zo kan dat met jou en mij ook gaan. In het heetst van de strijd van ons leven, hebben we soms de indruk dat we alles aankunnen, dat alles om ons draait. Tot je hardhandig stil wordt gezet door ziekte of overlijden of werkeloosheid, …of ‘zachthandig’ … dat is misschien nog wel mooier, hier in de kerk. Als je hoort over Jezus Christus. Dat Hij de verlossing brengt, door de kracht van de Geest, in ons leven, in de wereld om ons heen. Dat het niet wij zijn die iets van het leven moeten maken, maar dat we het van Hem ontvangen. Dat dan de puzzelstukjes op hun plek vallen, dat jezelf op je plek komt. Misschien herken je dat wel: Momenten van heilige rust, van ontspanning, van helderheid. Van momenten dat je God dichtbij weet. Momenten bezield van de Geest van de HEER.

Daarmee is de strijd niet afgelopen. Simson geeft leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen. Met die ene veldslag zijn ze niet van het toneel verdwenen. Pas in de dagen van koning David zullen de kansen definitief keren, meer dan een eeuw later. Het wat en hoe van Simsons leiderschap kennen we niet. Van zijn bestuurlijke talenten moest hij het waarschijnlijk niet hebben. Hij was meer een kampvechter, een kampioen, zoals Goliath het werd voor de Filistijnen. Een aanvoerder in de strijd.

Toch krijg je een indruk van een zekere stabiliteit, van een bepaalde koers. De Geest heeft Simson gebracht waar hij moet zijn. Dat is het bizarre van de geschiedenis van Simson. Wij zouden denken: Wat moet je met zo’n man, zo’n domme spierbundel die voor het eerste het beste meisje door de knieën gaat. Wat komt daarvan terecht.

Maar dan onderschatten we de heilige Geest. Dan vergeten we dat Hij God is. Daar gaat het vaak mis. Daar ging het mis bij Ananias en Safira: Zij overschatten zichzelf. Ze denken slim te zijn. Ze denken vooral er zelf beter van te worden. En zij onderschatten de Geest. Zij onderschatten met Wie ze te maken hebben. Dat is gevaarlijk. Je kunt niet zomaar de Mount Everest beklimmen. Dat vraagt training, voorbereiding, en dan nog… deze week overleden er ook weer klimmers. Omdat ze over het randje gingen van wat ze aan konden. Simson balanceert in onze tekst op dat randje…

Onderschat de Geest niet. Dat is vooral goed nieuws. Zoals met Simson, zo wil de Geest ook met u gaan. Mengt hij zich in ons leven. Maakt vieze handen. Om ons te verlossen. En onze spieren en handen en voeten te gebruiken om die verlossing verder te dragen. Wij zijn geen superhelden. Maar we mogen wel vertrouwen op de kracht van de Geest, die ons doet herleven. En van deze wereld, niet zonder slag of stoot, maar toch, Christus’  Koninkrijk maakt.

Amen

Leeservaring: Karl Marlantes – Oorlog voeren

Marlantes is Vietnamveteraan en dat merk je in dit boek: hij schrijft niet als ethicus of vanuit een religieuze traditie prescriptief over hoe je een oorlog zou moeten voeren, maar beschrijft vanuit zijn eigen ervaring wat een oorlog in al zijn realisme met de menselijke geest doet.

12617_4f5db1b41596d_12617Mij trof vooral zijn eerlijkheid over de aantrekkelijkheid van oorlog. De adrenaline, jezelf helemaal kunnen laten gaan, het machtsgevoel, geweld, doodsangst, de blinde razernij: de oorlog heeft een magnetische aantrekkingskracht die we allemaal voelen (zeker als man), in de antieke cultuur gepersonifieerd in de oorlogsgod Mars/Ares/Wodan. Net als seks en religie heeft oorlog voeren een transcendente en heilige dimensie: je kunt er boven jezelf uitstijgen. Het ontkennen daarvan is een verdringing die tot grote rampen leidt: oorlog is niet zomaar een ‘diplomatiek instrument’ dat klinisch ingezet kan worden door beleidsmakers. Regelmatig stelt dat Marlantes dat ook de politici die tot oorlog besluiten, moeten beseffen dat ze bloed aan hun handen hebben.

Oorlog is hel, we moeten het niet mooier maken dan het is.
Marlantes pleit ervoor dat daarom in de opleiding van militairen veel meer aandacht moet zijn voor spirituele en psychische vorming om deze ‘duistere’ kant van onszelf te kennen en kanaliseren, zoals gebruikelijk was. Het moet duidelijk zijn dat ‘ethisch militair’ zijn een contaminatie is: als militair heb je al twee basale ethische keuzes gemaakt: 1. Je hebt partij gekozen. 2. Je bent bereid mensen te doden om anderen te beschermen tegen geweld. Militairen moeten leren om met de gevolgen van die keuzes te leven, en dat is synoniem aan leven met een verscheurde geest: doden leidt onvermijdelijk ook tot schuldgevoel, verdriet, loyaliteitsconflicten. Je hebt om dat te verwerken rituelen nodig.

Het is de kunst, volgens Marlantes, om ook tíjdens een oorlog je niet over te geven aan ‘wij-zij’ denken, maar de tegenstander te blijven zien als mens en die respectvol te bestrijden. Je doodt omdat het moet, en soms moet het. Het is bij de verwerking van ‘het doden’ heel belangrijk dat militairen hun handelen in een groter kader kunnen plaatsen, zodat we wéten waar ze voor vechten en offers voor brengen. De samenleving moet daarom veteranen ruimte geven om hun verhaal te kunnen doen in alle rauwheid, zonder daarvoor terug te schrikken, zoals in de epische verhalen van vroegere culturen.

Als protestants geestelijk verzorger bij de krijgsmacht heb ik dit boek met grote interesse gelezen, want juist voor onze tak van spirituele sport blijkt nog veel werk te doen te zijn. Helaas is Marlantes nogal negatief over zijn ervaringen met geestelijk verzorgers: die waren geen ‘militair’, geen ingewijden in de oorlog, geen ‘lid van de club’ en daarom machteloos in spirituele leiding. Dit mechanisme werkt ook bij onze eigen Defensie: geestelijk verzorgers zonder uitzendervaring horen er nog niet echt bij. Je gaat bijna wensen om zelf ook snel een oorlog mee te mogen maken, een geluid dat ik ook van veel beginnende manschappen hoor.

Theologisch leer ik ervan dat we de huidige allergie voor geweld (ook in de Bijbel) met argusogen moeten bekijken. We leven nog niet in Gods nieuwe en volmaakte wereld, en we moeten dan ook niet idealistisch doen alsof. Allergie voor bloed, dood en geweld kan alleen maar bestaan bij mensen die nooit een oorlog hebben meegemaakt en/of die zich niet voor kunnen stellen dat je voor een hoger doel (de samenleving, de liefde, het recht) je leven zou willen geven. Dat is leunstoel spiritualiteit of comfortchristendom. Voor christenen is het geweld en de dood op Golgotha van Jezus aan het kruis het beste bewijs dat de hel een hemel kan worden.

n.a.v. Karl Marlantes, Oorlog voeren, Meulenhoff: Amsterdam,  2012.

Wat moet een dominee in het leger?

Preek over 2 Koningen 6,8-23 bij mijn afscheid van Everdingen en bevestiging als krijgsmachtpredikant.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

Gemeente van Jezus Christus,

Wat moet een dominee in het leger? Wat dóet een dominee eigenlijk in het leger? Die vraag heb ik veel gekregen afgelopen maanden. Tja, leg dat maar eens uit.

Aan de hand van Elisa moeten we een eind komen. Elisa, de godsman, de profeet, 9e eeuw v.Chr. bewees zijn nut wel in het leger. We lazen het in 2 Koningen. Door Goddelijke openbaring weet hij welke aanvalsplannen de koning van Syrië met zijn generaals bekokstoofd. En hij geeft ze door aan het leger van Israël. Zo´n dominee zou het Nederlandse leger ook wel willen hebben, denk ik.

Maar nee, dat is niet het werk dat ik ga doen. En je kunt je afvragen: Waarom doet Elisa dit wel? Waarom gaat hij zich bemoeien met die oorlog die er kennelijk gaande is tussen Syrië en Israël? Dat is toch helemaal geen werk voor een profeet, een religieuze persoonlijkheid, laat hem lekker bidden en naar de tempel gaan.

De achtergrond van die oorlog kennen we niet eens. De namen van de betreffende koningen staan er niet bij in dit verhaal, dus wie er precies tegen wie vecht is onduidelijk. Waarschijnlijk gaat het over wie er zeggenschap heeft over de winstgevende handelroutes naar het zuiden, naar Arabia. De hoofdstukken hiervóór en hierná in de Bijbel vertellen over meerdere conflicten die er tussen beide landen zijn geweest. Omdat beide koninkrijken ongeveer even groot en sterk zijn, heeft geen van beiden de overhand en moddert het conflict eindeloos voort.

Waarom gaat Elisa zich daar dan mee bemoeien? Een wespennest is het. Hij vertilt zich er ook aan, lijkt in ieder geval in het begin. De koning van Syrië pikt het niet en stuurt een gigantisch leger op Dotan af, waar Elisa verblijft. En Elisa’s hulpje krijgt ’s ochtends vroeg de schrik van zijn leven als hij de totale omsingeling ziet. Hij schreeuwt het uit: ‘Ach, mijn heer, wat moeten wij doen?’

Ja, daar zit je dan met je goede bedoelingen. Elisa probeert de oorlog buiten de deur te houden, maar opeens zit hij er zelf midden in. Misschien heeft u dat ook wel eens zo ervaren. Je probeert grip te houden op je leven, je best te doen op je werk, gezond te blijven, maar al die belangrijke dingen heb je uiteindelijk niet zelf in de hand. Ik heb als dominee de afgelopen jaren in pastorale gesprekken de verhalen gehoord, de pijn geproefd, wat het is om ontslagen te worden, om ziek te worden en niets meer te kunnen, wat het met je doet als relaties stuklopen, in het gezin, tussen vrienden en buren.

En ik heb ook zelf persoonlijk die momenten gehad de afgelopen 5 jaar in mijn werk als jullie dominee.

Toen ik hier kwam, probeerde iets van enthousiasme over te dragen voor de kerk, van liefde voor Jezus Christus, van de rijkdom van de Bijbel. Ik verlangde naar groei in geloof in de gemeente, naar groei in vrijmoedigheid in het uitdragen daarvan in het dorp, naar groei in gemeenschap rond het Avondmaal als broeders en zusters. Maar ik merkte al snel: dat zijn mooie idealen, maar dat is niet maakbaar. Ik had er geen grip op en kreeg er geen grip op.

Ik ging me eigenlijk steeds meer zorgen maken over de toekomst van de kerk in Nederland, maar dan ook in Everdingen, zo’n kleine kwetsbare gemeente als we zijn. Financiën in de rode cijfers, vacatures in het jeugdwerk. Veel werk rust op de schouders van een paar kartrekkers. Jongeren die afhaken van catechisatie. Het zijn signalen van de tijdgeest, van ‘secularisatie’ zoals we dat noemen: de afnemende interesse die we hebben in God en de afnemende relevantie van geloof.

‘Wat moeten we doen?’ roept de dienaar van Elisa. Hij ziet er geen gat meer in.

Wat een contrast met Elisa. Die blijft doodkalm. Irritant kalm bijna. Elisa lijkt wel eens soort supermens in de verhalen over hem. Met een bijzonder lijntje naar de hemel. Wij herkennen onszelf eerder in zijn dienaar, toch? ‘Wees niet bang’, zegt Elisa. ‘Hoezo, wees niet bang?! Zie je die paarden en wagens niet, Elisa?! Waar haal je die kalmte vandaan?’ Dat is misschien wel de belangrijkste vraag vanmiddag. Waar haalt Elisa het vandaan?

Bij God vandaan. Dat antwoord klinkt heel simpel. Maar vanzelfsprekend is het niet. Je zou kunnen zeggen: Wie is nu de belangrijkste speler in dit verhaal? Waar gebeurt het belangrijkste? Dan zijn wij geneigd om te zeggen: Elisa natuurlijk. Hij is de hoofdpersoon. En wat is het belangrijkste: Nou, dat is de afloop van het verhaal. Die prachtige levensles die we daar meekrijgen: Als je een vijandelijk leger goed te eten geeft, gaan ze je daarna niet meer aanvallen. ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Of iets dergelijks. Dat vinden we mooi.

Maar dan denken we wel heel plat. Een beetje zoals de koning van Syrië: Hij denkt ook dat Elisa het probleem is. En dat hij Elisa, die slimmerik, wel te grazen kan nemen als hij ook maar slim is. Daarom stuurt hij zijn leger ’s nachts op Elisa af. Daar verkijkt hij zich op. Hij houdt geen rekening met de God van Wie Elisa zijn kennis ontvangt…

Trouwens de koning van Israël denkt op hetzelfde militair strategische niveau. Als dat Syrische leger zijn stad Samaria binnen komt marcheren, ruikt hij zijn kans. ‘Zal ik hen doden? Zal ik hen doden?’ Het wordt in de tekst twee keer herhaalt. Hij staat te popelen. Hij zál die ellendige Syriërs eens. Daarom moet Elisa hem terechtwijzen. Vers 22 is een beetje gek in de HSV terecht gekomen, in de Nieuwe Bijbelvertaling staat het zo: ‘Hebt ú ze soms met uw eigen wapens krijgsgevangen gemaakt, dat ú hen zou doden?’ Met andere woorden: Koning, denk eens even na Wiens gevangenen dit zijn? Aan Wie danken we dit? Oh ja, God…

En het is die dienaar van Elisa, die ook zo plat denkt. Hij ziet wagens en paarden, een omsingeling, en denkt: ‘Wij zijn verloren. Daar kan niets en niemand nog wat aan doen.’

Herkenbaar toch? Ook voor ons eigen leven. Wij denken zelf de meeste dagen ook zo plat. We geloven al of niet dat er ergens wel iets is, dat God daarboven is, en dat Hij misschien ook wel iets kan. Maar de problemen en vreugden van alle dag, zijn toch meer ons eigen pakkie aan, denken we dan. Daar heeft Hij niet zoveel mee van doen. Wanneer zijn wij nu echt bewust met geloof, met God bezig? Staat dat op de voorgrond in ons leven?

Vaak vergeten wij God gewoon. Dat Hij belangrijk is. Ik ook, hoor. Zeker tijdens de afgelopen intensieve opleidingsweken. Dan zijn er dagen dat je helemaal niet aan Hem denkt. Dat is best wel ernstig. Maar vooral jammer. Als er iets is in ons leven, waar dit verhaal over Elisa ons bij stilzet, dan is het wel dit: Dat als wij geen rekening houden met God, dat wij dan het belangrijkste in ons leven vergeten.

Dat is misschien te gemakkelijk gezegd. Want die dienaar van Elisa, zíet het gewoon niet. Elisa zegt niet tegen zijn dienaar: ‘Jongen, geloof het nou maar. Do’nt worry, be happy. Het komt wel goed.’ Nee, die jongen kán het niet zien.

Daar komen we op een spannend punt. Veel mensen haken af van kerk en geloof, juist omdat ze er niets van zien. We zien de wereld om ons heen, maar God zien wij niet. En op die momenten dat we iets van Hem zouden willen zien, van Zijn ingrijpen, Zijn macht, zijn bescherming, blijft het stil.

Ja, oke. Het is goed om pastoraal bij die ervaring stil te staan.

Een ervaring van alle tijden. Een worsteling van alle tijden, een worsteling die ik zelf ook ken, en die u vast ook kent, maar dat is niet het enige. Hier in de kerk gaat het verhaal vérder. Er is méér. Er is evangelie.

Elisa bidt. ‘HEER, open toch zijn ogen.’

Elisa moet eerst voor zijn dienaar bidden, dat zijn ogen geopend worden, en dán pas ziet hij vurige wagens en paarden die een cordon vormen rond Elisa. In de Bijbel staan die vurige wagens en paarden voor een hemels leger, een leger van engelen, geesten die God gehoorzamen. Een leger dat God nooit werkelijk op aarde inzet overigens. Het staat symbool voor de overweldigende macht en bescherming van God. Voor Gods eigen aanwezigheid. Éven ziet de dienaar met eigen ogen hoe de zaken er werkelijk voorstaan in de wereld. Hoe de werkelijke machtsverhoudingen zijn.

Dat kan dus wel. Dat God je ogen opent. Dat je tot inzicht komt. Tot het inzicht dat God er toe doet. Dat Hij er is. Dat Hij er voor jou is, voor u.

En dat is hier duidelijk een geschenk van boven, het is een geschenk van openheid, van verlichting, van inzicht.

In de loop van mijn jaren hier in Everdingen is dat voor mijzelf steeds belangrijker geworden. Omdat ik merkte dat ikzelf ook vaak was als die dienaar. Dat ik dacht dat ikzelf het werk moest doen. Maar ik zag niet hoe! Ik zag zo weinig van God in mijn eigen leven, in de wereld om mij heen, in de gemeente.

Pas het afgelopen jaar heb ik geleerd (of beter: heeft God mij geleerd, door jullie hier in Everdingen) om ánders te kijken, om nóg eens te kijken. Om oog te hebben voor Gods aanwezigheid. Om het wonder te zien van het kleinste bloemetje in de berm van de Lekdijk. Om elk vriendelijk woord onderling in de gemeente te zien als zegen van God. De fijne sfeer van Avondmaal vieren. De trouwe bezoekers van de Bijbelkring. De kinderen van de zondagsschool die heel zachtjes hun psalm zingen bij sluiting winterwerk.

Je kunt denken: Is dat het nou? Ja, dat is het. Dat wat er is, is al zoveel. Het is een leerproces, om te leren zien. Écht te leren zien. Mensen te zien. Zoals ze zijn. Gods werk te zien. Zijn aanwezigheid. In álles. In al die dingen die wij soms zo gewoon zijn gaan vinden, zo vanzelfsprekend.

Daar hebben wij God zelf voor nodig. Onze verblinding kan Hij verhelpen. Bij ons zitten de luiken zo snel dicht. Zo op onszelf gericht als we zijn. We moeten open gezet worden.

En dat kan dus. Elisa hoeft er maar om te vragen, of het gebeurt. Ik zou zeggen: Dat is iets waarmee wij elkaar moeten helpen. Om God in het oog te houden. Daarom moeten wij voor elkaar bidden.

Daarvoor ga ik nu ook het leger in. Als dominee ben ik daar voor iedereen een levende herinnering aan het feit: Er is méér. Meer dan met wapens bezig zijn, trainen, je land verdedigen, de internationale rechtsorde beschermen. Je bent als militair méér dan een wapensysteem. Je bent een mens. Een mens onder Gods hemel. Scan niet alleen het terrein voor vijandelijke troepen, maar kijk ook eens omhoog.

Daar valt méér te zien dan je denkt. In het Nieuwe Testament is er het opvallende parallel-verhaal van de arrestatie van Jezus. Net als Elisa wordt ook Jezus omsingeld door een grote menigte gewapend met zwaarden en stokken. Op het eerste gezicht denk je: Dit gaat helemaal mis. Één van de discipelen trekt nog zijn zwaard en hakt er op los.

Jezus is hier degene die alles met een andere bril bekijkt. Ook Hij weet zich omringt door meer dan twaalf legioenen engelen. Een legioen in die Romeinse tijd was 6000 man. Oftewel: Jezus is zich bewust van de ware krachtsverhoudingen, zoals ook Elisa dat was. Maar Jezus weet dat uiteindelijk de zwaarden in deze wereld niet in staat zijn de vrede te brengen. Dat je daar God voor nodig hebt. Oorlogen blijven eindeloos. Geweld zorgt alleen maar voor méér geweld.

En daarom geeft Jezus zich gevangen. Dat is Gods weg, zegt Jezus. Gods wil. Op het eerste gezicht lijkt dat onzin. Hoe kan jezelf gevangen laten nemen, laten mishandelen, jezelf laten kruisigen, Gods wil zijn? Hoe kan dat vrede brengen? Dat slaat helemaal nergens op. Had Elisa niet beter die vurige wagens en paarden op de Syriërs los kunnen laten? Dan waren ze vernietigd. Dit verhaal in het Oude Testament lijkt goed te eindigen, maar in vers 24 gaat de oorlog toch gewoon door. Had Jezus niet gewoon ook die twaalf legioenen engelen moeten gebruiken om vrede op aarde te brengen?

Op het eerste gezicht wel. Maar dan verkijken we ons op God, op Jezus. Jezus verdient het dat we nóg eens en nóg eens naar Hem kijken. Hem in het oog houden. Hem op de voet volgen. Want dan zien we, zoals Jezus het ziet ‘dat de Schriften van de profeten vervuld worden.’

Wat is Elisa’s doel? Dat de ogen van de koning van Syrië en de koning van Israël open gaan. Daarom brengt hij die Syrische legers ook even naar Samaria. Zodat die koningen zien dat de wereld niet om hen draait. Dat ook in de politiek en de militaire macht zij totaal afhankelijk zijn van de Ene, de Eeuwige, JHWH, de God van Israël. Dat de wereld altijd al om Hem draait. Dat macht niet iets is wat afgedwongen kan worden, maar wat gegeven wordt. Dat niet wapens, maar genade het werkelijke machtsmiddel is. De kunst om te vergeven. De kunst van het opnieuw bekijken. De kunst van de tweede kans.

Zo is God, zo is Jezus. Dat wil Hij ons geven. Die openheid, die lichtheid, die genade. Met ontzag vertelt de Bijbel het verhaal dat Jezus daarom niet in het graf kon blijven. De dood had geen grip op hem. Zelfs de dood verkeek zich op Hem.

Op het eerste gezicht een ongeloofwaardig verhaal. Maar het verdient onze aandacht. Er is méér dan je denkt. Kijk nog eens. Wees niet te snel met je mening, vertrouw niet teveel op je eigen ervaring en waarneming. Je ogen kunnen je bedriegen. Bid dat God je daarvoor bewaart. Bid om open ogen.

Of de koningen van toen zo blij waren met Elisa, weet ik niet. In dit verhaal probeert de koning van Syrië Elisa te grijpen en te doden. Vanaf vers 24 probeert de koning van Israël hetzelfde. Ook Jezus onderging het lot van arrestatie, omdat Hij de leiders voor de voeten liep. Ook ik zal mijzelf niet heel erg populair maken bij militairen als ik zeg dat ze vooral hun wapens niet moeten gebruiken, omdat geweld geen oplossing is. Al is er ruimte voor nuancering en uitzonderingen, in de kern brengen de Bijbel en de christelijke traditie deze pittige boodschap.

En die moet gezegd worden. Hier in de kerk blijft gepreekt worden, daar ben i,k niet bang voor. Ook nadat ik vandaag afscheid genomen heb. Daar zorgt God zelf voor. Op die macht mogen we vertrouwen als gemeente.

Maar het moet ook gezegd worden in de wereld, in de wereld van Defensie. Dat ga ik doen. Niet arrogant, niet belerend. Misschien zelfs niet eens met woorden, maar met daden. Gewoon door er te zijn. Door mijzelf open en kwetsbaar op te stellen. Door mijn eigen zwakheden te laten zien. Door oprechte aandacht en liefde.

Dat is de weg die ook u als gemeente hier in Everdingen mag gaan. Die blik in de hemel van de dienaar van Elisa, waarin hij de vurige wagens en paarden ziet, dat is geen eindpunt. Juist als je weet van God. Als je Hem gezien hebt in de persoon van Jezus Christus. Als je gezien hebt dat het kruis geen symbool van lijden is, maar de plek van de overwinning van de liefde op de dood. Van de verzoening en genade op het kwaad. Dan ben je geroepen ook zelf die weg te gaan.

Zet de deur van je hart open. Zie de mensen om je heen. Ontferm je. Help ze. Heel concreet wordt dat in deze dagen door vluchtelingen die op de drempel van Nederland staan. Maar ook in het klein. Schrijf nooit mensen af. Ook niet als ze je kwaad berokkenen. Kijk nog eens. Kijk ze in de ogen. En kijk eens in de spiegel. Zie wat God aan het doen is. Met u, met jou, met onze gemeente, met de kerk, met de wereld. Kijk eens goed, en je staat verstelt van Zijn goedheid en trouw, nu en tot in eeuwigheid.

Amen