Dominee bij Defensie

Bijdrage aan het symposium “Stroom en bedding” over de Protestantse Geestelijke Verzorging bij de Krijgsmacht (19 april 2017) met alle krijgsmachtpredikanten en genodigden uit de kerken. Met als hoofdvraag: ‘Hoe verhouden we ons als krijgsmachtpredikanten tot onze bronnen (500 jaar Reformatie)? Hoe ziet het landschap eruit? Hoe stroomt het water van de traditie van de Reformatie in de bedding van onze wereld en in het bijzonder in de dynamische en seculiere wereld van Defensie? Hoe blijft het voor onszelf stromen? Waar blijkt voor onszelf de kern te zitten?



Stroom en bedding: laat het evangelie maar stromen!

Lezing als respons op dr. Theo Pleizier & trendwatcher Jeanneke Scholtens

Vooraf

Het is mij een eer voor jullie te mogen spreken. Ik ben de jongste krijgsmachtpredikant. En heb dan ook zeker niet de wijsheid in pacht. Mijn ervaring met de protestantse geestelijke verzorging bij Defensie beperkt zich tot de Koninklijke Landmacht, en dan nog alleen 17 Pantserinfanteriebataljon, waar ik nu twee jaar werk in Oirschot. Ik heb bovendien nog geen uitzendervaring, dus dr. Theo Pleizier is al meer op missie geweest dan ik. Mijn betoog is dan ook niet meer dan een hopelijke prikkelende, maar persoonlijke bijdrage als respons op Pleizier en Scholtens. Waarom ik dan toch deze lezing houdt? Om in de taal van dit symposium te blijven: ‘Ik ben net ingestroomd’ uit de kerk en heb daardoor wellicht een frisse en scherpe blik. En daarnaast ben ikzelf groot geworden met Luther en Calvijn in de reformatorische stroming van protestants Nederland, waar ik ook nog steeds vrolijk in zwem.

Wat is de opzet van mijn verhaal? Allereerst verbind ik de trends die Scholtens signaleert met de werkelijkheid van Defensie, waaruit duidelijk wordt dat Defensie zelf kerkachtige trekken heeft. Behalve dat het over God gaat, natuurlijk. En daar ligt voor mij een pijnpunt dat ik expliciet wil benoemen. De bedding ligt er, maar stroomt er nog iets? Kansen genoeg, hierbij sluit ik aan bij Pleizier. Zolang we maar mensen vrijmoedig een toegang tot God bieden via het evangelie van Jezus Christus. Grote woorden misschien, die ik nu zal verduidelijken.

  1. Alles stroomt bij Defensie

Defensie is een meerstromenland, een modern Mesopotamië. Constant in beweging. Enerzijds door bezuinigingen en bijbehorende constante reorganisaties, anderszijds door de naargeestige herleving van de geopolitiek waarvan we hoopten dat die dood was. Constant komt er nieuwe doctrine en nieuw materiaal: gemotoriseerd optreden, hybride oorlogvoering, cyber warfare, multinationale integratie. De hele 13 Lichte Brigade in Oirschot moet eigenlijk nog uitgevonden worden. Defensie is daarmee ook, zoals Scholtens voor de samenleving opmerkt: caleidoscopisch, onzeker, geïndividualiseerd. Al het personeel moet na 3 jaar op functie weer verder. Het vertrouwen in de legerleiding is ontzettend laag – was in februari nog in het nieuws.[1]

Veel militairen kiezen voor vervroegde uitstroom. Digitalisering maakt dat veel kazernewerk administratief computerwerk is geworden. En tijdens oefeningen zitten militairen met één oog gekluisterd aan de smartphone, waardoor onderlinge contacten en gesprekken soms minimaal zijn. Let wel: dit alles heeft werkelijk caleidoscopisch ook positieve kanten: contact met het thuisfront is niet meer wekenlang of maandenlang minimaal. Er zijn volop mogelijkheden voor interne carrière, voor inbreng van ideeën. Voor individualiteit in haardracht, baarddracht en tatoeages (belangrijker en veelzeggender dan je denkt!). De organisatie wordt ook informeler, meer of voornaambasis. Minder in de houding. Dit alles natuurlijk tegen de zin van sommige adjudanten… Niets ligt meer vast, in die zin is zelfs binnen een sterk hiërarchische organisatie als Defensie sprake van ‘de-institutionalisering’.

Eigenlijk niet verwonderlijk: Defensie maakt deel uit van onze maatschappij, net als de kerken. Interessanter is misschien dat Defensie niet alleen meedrijft met de trends, maar ook actief inspeelt op de menselijke behoeften die daardoor opgeroepen worden. Ga maar na. Safety is een kernwoord. Defensie gaat volgens de corporate story allang niet meer over bommen en tanks, maar over ‘vrede en veiligheid’: ‘Wij beschermen wat ons dierbaar is.’ Defensie biedt een community, de kracht van het team, de trots erbij te mogen horen wordt erin gegoten tijdens de initiële opleidingen. Groepsgevoel en kameraadschap behoren bij de mooiste ervaringen van veel militairen. In de behoefte aan herbronning, identiteit en rituelen wordt ruimschoots tegemoetgekomen in de ‘militaire erediensten’ rondom de talloze regimentsjaardagen, dodenherdenkingen, medaille-uitreikingen en beëdigingen: ‘Ik beloof trouw aan de Koning’. Het pastoraat bestaat uit een batterij psychologen, maatschappelijk werkers, coaches, vertrouwenspersonen, veteranenwerkers en geestelijk verzorgers… In dat veelstromenland vervul ik vraaggestuurd de multireligieuze en transcendente behoeften met emerging church op de heide. Letterlijk. Midden op de hei op de vroege zondagochtend steek ik een kaars aan, draai goede popmuziek, vertel een inspirerend verhaal uit de Bijbel, ruimte voor stilte, gebed en je eigen gedachten. En Defensie kent natuurlijk sinds jaar en dag al de casual dominee, ik draag hetzelfde pakkie als Jan Soldaat. Als je het daarin niet kunt vinden, kun je ook gaan voor de yogalessen of de mindfulness-training. En qua marketing pakt Defensie de zaken goed aan: Elk jaar melden zich weer duizenden mensen voor de keuring in de hoop een baan bij dit prachtige bedrijf te bemachtigen. Daar kan de kerk van leren… Misschien wel omdat Defensie dus méér is dan een bedrijf: het biedt safety, community, purpose, ritual, transcendence. Defensie heeft kerkachtige trekken.

Defensie is dan ook niet zomaar een neutrale bedding, waarin de protestantse GV of de christelijke traditie al dan niet stroomt of kan stromen. Er ligt al een bedding, er stroomt al van alles. Defensie vormt de visie van militairen op de wereld, hun normen en waarden, voor sommigen zelfs hun identiteit. GV’ers die FLO-conferenties draaien op Beukbergen kunnen daar meer over vertellen: ‘Is er een leven ná en búiten Defensie?’ Defensie is in zichzelf al een levensbeschouwelijke organisatie. De bedding ligt er al vóór de stroom uit. Heel gemakkelijk rolde ik er voor mijn gevoel ook in een paar jaar terug: er is gevoel voor traditie, voor ritueel, voor vorming, voor normen en waarden; men heeft oog voor goed en kwaad, voor de grote vragen van leven en dood.

  1. Een droge bedding

Is er dan nog eigenlijk wel behoefte aan dominees bij Defensie? Aan een specifiek protestantse stroom? Wat heb ik dan nog bij te dragen aan dit veelstromenland als alle trends en behoeften die mensen maar kunnen hebben al ondervangen worden? Ik heb theologie gestudeerd, ‘Godgeleerdheid’, maar aan God is niet zoveel behoefte. Als een kleine illustratie daarbij: Een paar weken terug heb ik een bijeenkomst georganiseerd tijdens een lunchpauze om te inventariseren of er op de legerplaats Oirschot belangstelling is voor een ontmoetingskring, waarop we samen lunchen, bidden, praten en bijbellezen. Van de 5000 militairen en burgers op mijn kazerne hadden 5 interesse. 0,1%. Er zijn natuurlijk meer gelovigen, sommigen zullen gewoon andere werkzaamheden hebben, anderen hoeven niet zo nodig hun geloof publiek te maken. En ik was blij met deze 5, die kring is er. Maar ondertussen toch: 0,1%. Dat doet mij persoonlijk als gelovige verdriet.

Secularisatie is een feit, daarover hoeven we niet te discussiëren. Ik ga nu ook niet in op allerlei definitiekwesties, maar vat het voor mijzelf altijd samen als: ‘God is tegenwoordig geen hoofdrolspeler om Wie alles draait, maar vervult al dan niet een bijrol in de samenleving en het persoonlijke leven.’ Dat doet mij verdriet. Net als het onze rooms-katholieke, joodse en islamitische broeders verdriet zal doen. De grote monotheïstische tradities hebben immers in de kern toch gemeen dat het leven draait om de Ene God. Zelf hoor en lees ik zondags in de erediensten in de kerk nog regelmatig de Tien Geboden, die beginnen met:

‘U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’[2] En volgens Jezus is het belangrijkste gebod dan ook: ‘U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.’[3] Prio 1.

Het verhaal van Scholtens steekt wat dat betreft denk ik niet diep genoeg. We redden het niet in de kerk als we alleen de vormen veranderen, terwijl de inhoud is weggevallen.

Toch deed deze secularisatie mij meer verdriet toen ik in de kerk werkte, dan nu, nu ik werk in een seculiere organisatie. In de kerk trof en tref ik namelijk nog weinig begrip aan voor deze vergaande verschuiving. Omdat men er gelooft in God, ter kerke gaat, de Bijbel leest en bidt, gaan veel gelovigen ervan uit dat er ‘toch niets aan de hand is’. Terwijl ten diepste ook de kerk geseculariseerd is als je deze spade dieper steekt. In die rare spanning vond ik het lastig en complex om gemeentepredikant te zijn. Daarom vind ik het gemakkelijker bij Defensie: In onze seculiere organisatie is het volstrekt gemeengoed dat God buiten beeld is. Hoewel net zo erg, geeft het een eerlijk speelveld. En kan ik ook eerlijk zijn. Als je als dominee in de kerk zegt dat je soms niet in God gelooft, dan schrikken de mensen terug. Daar moet je je imago als professionele gelovige hooghouden.

Gek genoeg lucht het mij daarom weleens op om in een volledige seculiere omgeving te verkeren, gewoonweg omdat ik merk dat de secularisatie ook helemaal door mij is heen gegaan. Hoezeer dat mij ook aangrijpt soms, het is heerlijk om daar eerlijk over te zijn. Niets erger, dan als het bij jezelf vanbinnen niet meer stroomt, als je eigen bronnen voor je gevoel droog staan, te blijven babbelen over God en lege stichtelijke teksten en clichés te berde te brengen. Het eindeloze geopen en gesluit met bijbellezen en gebed rond alle kerkelijke vergaderingen, diensten en pastorale bezoeken heeft soms meer van het ‘ijdel/leeg gebruik van de Naam des HEEREN’ dan het oprechte gevloek van militairen over de ellende in hun leven en wereld.

Door met militairen samen in deze woestijn van de secularisatie te zijn en sámen te zijn in deze droogte van het leven, samen constateren dat het niet meer stroomt, geeft dat meer herkenning en erkenning. Ik sta als GV’er in de militaire organisatie met lege handen, maar ik sta ook naast en bij mensen met lege handen. En juist op die manier zijn wij voluit protestants en reformatorisch:

Was het niet Martin Luther die op zijn sterfbed zijn hele theologie samenvatte in dat ene zinnetje: ‘Wir sind Bettler, das ist wahr.’[4]

Is er behoefte aan dominees bij Defensie? Aan dominees die zo eerlijk durven zijn, is altijd behoefte.

  1. Het evangelie vult de leegte

Paulus schrijft: ‘Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons. … wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld; … Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.’[5]

Wat maakt ons tot protestantse GV? Dat wij in de droogte, in het nulpunt van het leven, weten en ervaren dat de leegte niet leeg is en blijft. Dat we in de twijfel niet vertwijfeld raken. Dat er rotsen zijn waaruit waterstromen voortkomen. Dat er niet alleen sterven en verliezen is, maar ook opstaan en ontvangen. Niet automatisch, maar tot onze eigen verwondering. Als we in de ervaring van de dood van God, de dood van de kerk, de dood van ons eigen geloof, tot onze verwondering ervaren dat alleen maar ons godsbeeld in duigen gevallen is, de menselijke instituties een kaartenhuis vormen, ons eigen denk- en zelfbeelden sneuvelen, maar dat het leven doorgaat. Nieuw en fris, als op de Paasmorgen, wanneer de zon opgaat boven het lege graf.

Nu ik optrek met militairen en zo veel mogelijk hun leven deel, ga ik steeds meer zien dat God nooit ver weg is. Als militairen zeggen: ‘Ik heb niets met God’ of ‘Ik geloof niet’, dan geloof ik ze niet meer zo snel. Vaak bedoelen ze gewoonweg dat ze niets hebben met traditionele of geïnstitutionaliseerde vormen van kerk-zijn. De jonge militairen die ik spreek zeggen dat niet vanuit een anti-houding, maar zijn gewoonweg er nooit mee in aanraking geweest. De 10-ers en 20-ers die nu instromen bij mijn bataljon zijn tabula rasa, blanco in levensbeschouwelijk opzicht. Een tijdje terug had ik een gesprek met een 27-jarige fuselier die ‘gewoon niet lekker in zijn vel zat’, zoals hijzelf zei. En ik vroeg hem: ‘Waar wordt jij gelukkig van dan? Hoe zie jij je leven voor je? Heb je een doel?’ En hij zei: ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht, u bent de eerste die het mij vraagt.’ En zo tref ik hoopjes lui die met hun ziel onder de arm lopen. Maar met wie gesprekken over vertrouwen en houvast, toekomst en hoop, leven en dood, falen en genade, verzet en overgave, opmerkelijk overeenkomsten vertonen met het Psalmboek van Israël, met het leven van de patriarchen, de profeten en koningen. En zeker met het leven van Jezus, zijn oog voor mensen, zijn ruimte, scherpte en liefde, komen dichtbij.

Het gewone geleefde leven is de vindplaats van God. Dat is in ieder geval het typisch protestantse interpretatiekader dat ik opnieuw leer ontdekken. God is niet exclusief verkrijgbaar in kathedralen, sacramenten, door bemiddeling van priesters en kerkelijke instituties. Het was daartegen dat Luther en Calvijn zich 500 jaar geleden keerden. Zoiets bedoelt, denk ik, ook Pleizier als hij spreekt over de protestantse eigenheid die persoonlijk is en niet-institutioneel. De waardering voor het gezinsleven, voor het beroep als roeping, voor het ambt aller gelovigen, maakt dat ik als protestant niet hoef te vervallen in kerkelijke structuren en verwachtingen, om toch te kunnen benoemen en erkennen dat God werkt en leeft onder militairen.

Aan de ene kant zou je dat theologisch ‘algemene genade’ kunnen noemen: alles wat goed is in het leven van mensen, wat mensen ervaren aan liefde, aan vertrouwen, aan hoop. Aandacht en zorgzaamheid. Moed, toewijding en veerkracht. Het is geen menselijke prestatie, geen verdienste, maar het wordt in dankbaarheid ontvangen. Als gaven van God. Genade. Sola gratia. Natuurlijk is dat mijn gelovige interpretatie. Maar het is een heilrijke en bevrijdende interpretatie, merk ik in begeleidingsgesprekken. Soms helpt het mensen al enorm als ze het vele goede weer leren zien en waarderen. Protestantse GV hoeft dan denk ik ook niet in de spanning te zitten tussen transcendentie en betekenisgeving, zoals Pleizier die benoemd.

Aan de andere kant maakt het concept ‘algemene genade’ nog steeds een soort tweederangs gelovigen, want ‘de bijzondere genade’ die zich moet voltrekken in bekering en wedergeboorte is het eigenlijke en zaligmakende. Iemand die zijn hele leven van de algemene genade heeft geprofiteerd, gaat zonder een actief en persoonlijk geloof in Jezus Christus als Redder toch verloren. Nu hoeven we niet terug te schrikken voor die laatste ernst van het evangelie, maar zelf ervaar ik de bijbels-theologische lijnen die bijvoorbeeld de anglicaanse Tom Wright trekt als weldadiger en opbouwender.[6] Hij betoogt dat de 4 evangeliën getuigen van de climax van het geloof dat Israëls God mens is geworden in Jezus Christus om het koningschap over de aarde op zich te nemen. Via de weg van kruis en opstanding, via het werk van de Geest, is dat Koninkrijk gevestigd. Dat is de daadwerkelijke stand van zaken op dit moment.

Voor mijzelf is dat een vruchtbaar perspectief omdat dit grote verhaal, deze grote woorden daarmee over ons allen gaan, niemand heeft daar méér of minder recht op of afstand van dan een ander. Op één of andere manier leven wij allen van en in het licht van deze goede boodschap als onderdanen van Jezus Christus. Leer ermee leven. Laat je meedrijven op die stroom. En laat je erdoor veranderen.

  1. Vrije toegang tot God door Jezus Christus

Dit gelovig perspectief op de bedding van Defensie en de stroom van het evangelie, ligt heel dicht bij de kern van mijn geloof en bij de kern van het Anliegen van de Reformatie. Op de basisschool werd mij verteld hoe Maarten Luther in het klooster ergens in een hoekje een boek aantrof aan een ketting en onder het stof. Het bleek de Bijbel te zijn. Hij ging er stiekem in lezen en vond bij Paulus de sola’s: sola gratia, sola fide, sola scriptura. Luther vond God. Een genadige God in Jezus Christus. Later begreep ik dat dit een apocrief verhaal is. In werkelijkheid werd ook in de middeleeuwse Rooms-katholieke kerk natuurlijk dagelijks uit de Bijbel gelezen. Maar metaforisch is het wel kernachtig voor Luthers leven en voor waar de Reformatie voor staat.

Op één of andere manier was de stroom van het evangelie stil komen te liggen, de toegang tot God verhinderd. Allerlei kettingen en secundair stof waren aangeslibt. Theologisch: de idee dat goede werken voorwaardelijk zijn voor toegang tot de hemel. Sociologisch: Door de kerkelijke hierarchie, , en natuurlijk ook gewoonweg machtsmisbruik en corruptie binnen de clerus. Praktisch: het kerklatijn dat voor ongeschoolde burgers onverstaanbaar was. Luther vertaalde de Bijbel in het Duits, zijn volkstaal, brak met het gezag van traditie en clerus, niet als querulant, maar om het evangelie, en daarmee God zelf weer gemeengoed te maken, toegankelijk en vrij beschikbaar voor iedereen. Via de weg van verzoening door Jezus Christus en niet door eigen prestatie en kwalificatie. Onvoorwaardelijk.

Deze bevrijdende radicaliteit is lastig vol te houden. Ook voor mij als protestant. Het is een kern waarnaar ik elke keer weer terug moet keren. Terug naar de eenvoud van Jezus Christus, naar de verzoening door voldoening. Trots en ambitieus als ikzelf ben, ben ik tegelijk ook altijd onzeker over mijzelf. Of ik wel goed genoeg ben. Of ik mijn werk wel goed genoeg doe. Of ik het wel waard ben om van gehouden te worden. Door de mensen om mij heen. Die existentiële onzekerheid en aanvechting zorgt voor stremming van de stroom. Ik geloof dat het God zelf is, die door Zijn Geest, mij uit die verkokering haalt, weer in een stroomversnelling brengt. Mij terugbrengt bij deze kern:

Gods liefde wordt mij in Jezus Christus persoonlijk bewezen en geschonken. Hij heeft mij op het oog. Onvoorwaardelijk.

Het lijkt mij typisch reformatorisch en protestants als wij vandaag de dag juist op dit punt inhaken. Allereerst dat ook wij in ons ambt onvoorwaardelijk beschikbaar zijn, zoals Pleizier dat benoemde. Laat dat nu precies in onze grondwet zijn vastgelegd: Het hele bestaansrecht van geestelijke verzorging binnen justitie, zorg en Defensie hangt hieraan. Maar dat is enkel de formele kant van de zaak, enkel een passief recht. Het vergt actieve werkzaamheid om de vrije toegang tot God door Jezus Christus vrij te houden.

Theologisch vraagt dat werk. Hoe breken wij onderlinge muren weg, die ons als christenen gescheiden houden? Met zoveel verschillende protestantse kerken hier bijeen, benoem ik toch even de schande van onze verdeeldheid. En een stap verder: Ik zegen de dag waarop de RKGV en PGV één dienst kunnen vormen. Gisteren vierden we samen Pasen, dat smaakt naar méér. Maar dan begint het pas. Ik zoek naar een inclusieve en positieve theologie, die mij helpt om hermeneutische bruggen te slaan tussen het grote Verhaal van God en de levens van militairen. Omdat ik geloof dat God met iedereen te maken wil hebben, ja hééft. En dat het militairen helpt om zich bewust te zijn van een overkoepelend zingevend verhaal, waardoor ze zich kunnen laten inspireren, meeslepen of meedobberen. Dat ze zelfs zonder het te weten leven binnen de ruimte van Gods liefde. Onvoorwaardelijk.

Sociologisch blijven wij kritisch naar de bedding van Defensie: vanuit onze protestantse egalitaire genen hebben wij iets tegen hierarchie. Ik begin consequent te lachen als binnenstromers uit de AMO voor mij in de houding springen en zich met rang en achternaam voorstellen. ‘Hóe heet je?’ vraag ik dan. Rood wordend noemen ze nogmaals hun achternaam. ‘Van voren bedoel ik natuurlijk, doe maar normaal, je bent bij de GV.’ Solidair zijn wij juist met de manschappen, en dan nog juist met de soldaten die erbuiten vallen of geschorst worden. Als je je afvraagt hoe stroom en bedding elkaar beïnvloeden, heb je hier wel een heel mooie casus: zou het ‘calvinistische’ Nederland toevallig zo’n relatief informeel en ‘plat’ leger hebben? Ik denk dat de protestantse stroom, mede door ons werk daaraan bijdraagt: ‘Doe normaal, we zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd.’

Praktisch vergt ‘onvoorwaardelijke beschikbaarheid’ misschien wel de grootste inspanning. Zoals Paulus de ‘Joden een jood, de Grieken een Griek’ werd[7], zullen we de militairen een militair moeten zijn. Wat houdt dat in? Dat zit denk ik niet in meehuilen met de wolven, geaccepteerd willen worden als officier of het eet-, rook- en drinktempo op de BBQ’s bijhouden. Het gaat om liefde voor de militair en het militaire bestaan. Om solidariteit en loyaliteit. Dat zíj het gevoel hebben dat ik geen vreemde eend in de bijt ben, geen ‘gast’ die zo af en toe eens langs komt op oefeningen, maar die hun bestaan kent en deelt. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Ook mijn tenue is altijd correct, ik scheer me dagelijks al heb ik daar een hekel aan, ik sport mee, ik spreek hun taal. Niet omdat ik graag militair wil zijn – dat wil ik niet – maar omdat ik drempelloos wil zijn. Omdat ik geen verhindering wil zijn in de stroom van het evangelie, maar de toegang tot God.

  1. Blijven spreken over God is blijven stromen

Volgens Pleizier zit de specifiek protestantse heilsbemiddeling in de kracht van woorden, in het verwoorden van het transcendente. Ik zou zeggen: Laten wie die kracht dan ook vrijmoedig en maximaal gebruiken. Keer op keer ervaar ik het zelf als aanvechting om in algemeenheden te vervallen. Dat je denkt in je vertaalslag zover te moeten gaan dat het christelijk geloof alleen nog maar gaat om naastenliefde, een visioen van vrede, om licht in het donker van het leven, en dat soort vaagheden. Uiteindelijk heeft niemand daar iets aan. Ons handelsmerk en bestaansrecht ontlenen wij aan Jezus Christus, dus laat ik het ook maar over Hem hebben.

Soms stel ik het gewoon militairen voor, die bij mij op gesprek zijn. ‘Is het goed als ik voor je bid?’ Nooit zomaar uit das blaue hinein, natuurlijk, maar als ik daarvoor openheid proef, zonder dat ze zelf ‘gelovig’ zijn. Tot mijn verrassing vinden ze het vaak (aarzelend) goed. ‘God, help deze jongen, ga met hem mee.’ Meer niet. Vaker vertel ik een bijbelverhaal uit de losse pols dat als spiegelverhaal fungeert. Eye-openers. Ze hoeven van mij niet christelijk te worden, en toch is God er dan in hun leven.

Spreken over God, dat moeten we niet alleen op onze werkplek doen, maar ook met elkaar onderling als krijgsmachtpredikanten. Ik heb dat tot nu toe eerlijk gezegd een beetje gemist. Misschien omdat het ook wel gevoelig ligt. Maar als wij het niet samen over God hebben, dan droogt de stroom bij onszelf op.Ik zou graag de bemoediging ervaren van het van hart tot hart delen van onze zorgen, twijfels, ervaren zegen en inzicht, en het met elkaar hebben over God. Over Wie Hij is voor ons. Over wat Hij van ons verwacht en wat wij van Hem verwachten. Dat moet als dominees toch kunnen…

Dieper nog dan het spreken over God, gaat het spreken met God. Hij is geen grote onbekende, maar heeft Zijn liefde getoond in Jezus Christus.

Zo is Hij ook mijn leven binnen gekomen. Zo heeft Hij de liefde voor Hem in mijn hart gewekt. Zo is Hij een levende werkelijkheid en ervaar ik dat God mijn leven leidt en draagt. Deze diepe innerlijkheid heeft de Reformatie niet uitgevonden. De lijn van deze mystiek, bevindelijkheid of spiritualiteit, is hoogstens afgestofd in 1517. Deze gemeenschap met Christus, met Zijn kruis en opstanding, de inwoning van Zijn Geest, van een vrijmoedige, liefdevolle en vrolijke omgang met God is een onstuitbare stroom, binnen en buiten Defensie.

Tot zover.

 

[1] http://nos.nl/artikel/2159264-defensie-is-een-kille-werkgever-die-te-veel-let-op-cijfers.html

[2] Exodus 20,2 HSV

[3] Mattheus 22,

[4] WA 48, s. 421.

[5] 2 Korinthe 4,7-10

[6] O.a. in: N.T. Wright, Hoe God Koning werd: het vergeten verhaal van de evangeliën, Franeker: Van Wijnen, 2014.

[7] Geen letterlijk citaat, maar een gezegde als interpretatie van 1 Korinthe 9,20.

Advertenties