Leeservaring: Van den Brink – En de aarde bracht voort

Sinds ik in 2002 zelf biologie ging studeren en geconfronteerd werd met de overweldigende bewijslast voor de evolutietheorie, wachtte ik al op dit boek. Tot nu toe combineerde ik zelf al het geloof in schepping en evolutie met elkaar (zie deze preek uit 2012 over Genesis 1; en over schepping en evolutie uit 2014). Ik merkte dat ik er soms raar op aan werd gekeken. Want vaak worden scheppingsgeloof en evolutietheorie met elkaar in tegenspraak geacht. Dat dat niet zo is, bewijst dit boek. Grondig en creatief combineert Van den Brink in dit boek orthodox-christelijk geloof en evolutie. Is dat mogelijk? Ja, dat is mogelijk. Het is heel knap dat de auteur laat zien de belangrijkste uitdagingen niet liggen in de scheppingsleer, maar in de hermeneutiek, theodicee, theologische antropologie en voorzienigheidsleer. Dit verbreedt de discussie en zet het ook in de juiste proporties.

De auteur doet dat ook op uiterst sympathieke wijze. Het debat over geloof en wetenschap tussen gelovigen en atheïsten – maar ook tussen gelovigen onderling – wil nog wel eens emotioneel gevoerd worden. Om bij voorbaat alle weerstand weg te nemen, gaat Van den Brink daarom uit van een puur hypothetisch standpunt: “Stel dat de evolutietheorie juist is, moeten wij dan bepaalde geloofswaarheden opgeven?” Zo kan iedereen met hem meelezen en -denken zonder zijn eigen positie onmiddellijk op te geven. Heel eerlijk en zorgvuldig is hij ook over zijn eigen huidige positie in 3 lagen die op elkaar verder bouwen:

  1. Deep time (de tijdschaal van miljoenen jaren): empirisch buitengewoon sterk (geologie, astronomie)
  2. Tree of life (gemeenschappelijke afstamming): gevestigde status en aannemelijk (fossielen, genetica)
  3. Survival of the fittest (natuurlijke selectie): serieuze wetenschappelijke discussie
    • NB. ‘fit’ is niet ‘de sterkste’, maar de ‘best aangepaste’, dus kan ook ‘meest sociale’ zijn…

Ik hoop dat in reacties vanuit orthodox-christelijke kring en dan vooral de ‘jongeaardecreationisten’ door zal klinken dat ze dit boek echt hebben gelezen en overwogen. Maar omdat een voor hen bepaalde geliefde manier van Bijbellezen ter discussie staat (‘letterlijk’ of ‘prima facie’) zal het moeilijk worden echt open te staan. Hierin ligt ook een beetje het tekort van dit boek, namelijk dat het geen goed alternatief biedt voor hoe we Genesis 1-3 dan wél moeten lezen. Dat kan Van den Brink niet aangerekend worden: hij is dogmaticus en geen bijbelwetenschapper. Het zou fijn zijn als er een orthodox-christelijke oudtestamenticus de handschoen op zou nemen en Genesis 1-11 uit zou leggen vanuit dit nieuwe evolutionair-creationistische wereldbeeld.

N.a.v. Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voor: Christelijk geloof en evolutie, Utrecht: Boekencentrum, 2017, 364 pag.

Leeservaring: Van de Beek – Een lichtkring om het kruis

Een lichtkring om het kruis: Scheppingsleer in christologisch perspectiefEen lichtkring om het kruis: Scheppingsleer in christologisch perspectief by A. van de Beek

My rating: 2 of 5 stars

De theologische grondlijn van het boek is prachtig: we moeten de schepping niet idealiseren en romantiseren. Door de schepping van meet af aan op Christus de Gekruisigde te betrekken, nemen we het lijden en de gebrokenheid serieus. Alleen op deze manier is vervolgens ook goed over verlossing, vrijheid, genieten en rust te spreken. Van de Beek voert hiervoor een keur aan bijbels-theologische en patristische argumenten ten tonele.
Het is alleen erg jammer dat het boek op mij rommelig en wijdlopig overkomt. Er is niet de tijd genomen voor een goede redactie (‘schrijven is schrappen’). Daardoor komen telkens dezelfde gedachten terug en is het lezen wat vermoeiend. Daarnaast ontstaat de indruk dat de auteur niet echt in gesprek is met andere theologen, maar alleen citeert (en soms ombuigt) wat in zijn eigen model van pas komt.

View all my reviews

Kern van de Bijbel (5) – God: Schepper en Vader

Preek uit leerdienst over Heidelbergse Catechismus, Zondag 9-10.

Michelangelo Buonarroti – De Schepping van Adam (Rome, Sixtijnse Kapel)

 

Gemeente van Jezus Christus,

  1. Het gaat niet over ‘de schepping’, maar over ‘voorzienigheid’

Je kunt ongelooflijk genieten van de prachtige wereld waarin wij leven. Als wij aan de ‘schepping’ denken, dan denken we aan de wijdse blauwe luchten, aan de krokusjes die hun kopjes weer boven de aarde steken, de Lek met de uiterwaarden, waarin talloze vogels een huis vinden. En misschien volgt u ook wel de natuurseries die de EO uitzendt, zoals Life Story deze weken. Prachtig. En het gevoel bekruipt je: Hier moet wel een God achter zitten. Zo komen we dat in de Bijbel ook tegen, Jesaja 40:

26 Sla uw ogen op naar omhoog, en zie Wie deze dingen geschapen heeft; Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt, ze alle bij name roept door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht; er ontbreekt er niet één. 27 Waarom zegt u dan, Jakob, en spreekt u, Israël: Mijn weg is voor de HEERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? 28 Weet u het niet? Hebt u het niet gehoord? De eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, wordt niet moe en niet afgemat. Er is  geen doorgronding van Zijn inzicht. 29 Hij geeft de vermoeide kracht en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.’

Het valt hier in Jesaja wel op dat het niet gaat om alle prachtige vogeltjes, bloemen en vlinders. Dat alles zo mooi gemaakt is. Daar zit gelijk al een les voor ons. In discussies over de schepping hebben wij als christenen de neiging om naar al het mooie te wijzen. Niet-gelovigen hebben dan munitie genoeg om te zeggen: Ja, maar zo mooi als jullie het voorspiegelen is de natuur helemaal niet. De natuur is ook mateloos wreed. Het leven in de natuur is hard. Het is eten of gegeten worden. The survival of the fittest.

Als het in de Bijbel over de schepping gaat, dan gaat het juist over die overweldigende wereld, waar je bang voor kunt zijn, waar je geen grip op hebt, waar altijd dood en chaos dreigt. In de bijbelse tijd leefde men nog dichtbij de natuur en was daarin heel realistisch, niet romantisch zoals wij. Perioden van droogte en honger, wilde dieren, ziekten: men ervoer de gevaren aan den lijve. Dán te geloven dat God Schepper is, dat Hij dat alles in Zijn macht heeft, dat is dan een hele opluchting.

Je merkt dat in deze tekst uit Jesaja uit de tijd van de ballingschap. Het is in die jaren van ontreddering en wanhoop dat profetieën klinken over de macht van God. Dat wij geloven in de schepping, dat is niet zomaar een theorie uit Genesis 1 over het ontstaan van de wereld en hoe dat dan gegaan zou moeten zijn. Als een stukje ‘geloofsleer’. Nee, dat gaat over troost, over houvast, voor mensen die aan de grond zitten. Discussies over een schepping door evolutie of 6 dagen zijn dan niet relevant, daar val je mensen die diep in de puree zitten niet mee lastig, toch? Het is hoogstens een leuke hobby voor wie vrije tijd over heeft.

Nee, geloven in God als Schepper, dat is geloven in een God met alle macht in de hemel en op aarde. En dat is dus een God die helpen kan, een God die redden kan en bevrijden. Daarom komt in Jesaja zovaak God als Schepper ter sprake, omdat dat bemoedigt. Wat dat betreft slaat de catechismus ook de goede tonen aan. Bij de bespreking van God als Schepper gaan ze niet helemaal Genesis 1 uitwerken, over de eigenlijke schepping zeggen ze alleen maar dat het ‘uit niets’ was, en daar laten ze het bij. Veel belangrijker in deze vragen en antwoorden is het woord ‘voorzienigheid’: ‘de almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en regeert’. M.a.w.: Dat wij geloven ‘in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde’, dat is enerzijds geloof in wat Hij lang geleden gedaan heeft, maar dat is vooral iets voor vandaag, Hij onderhoudt en regeert.

Dat God Schepper is, dat gaat er niet in de eerste plaats om dat Hij alles zo mooi gemaakt heeft, maar vooral dat Hij ook vandaag de dag al het lelijke van deze wereld in Zijn macht heeft en ons daartegen beschermt. En dan voel je gelijk: Ja, dat moet je geloven. Dat is een geloofssprong die je dan moet maken. Het is niet zo dat ‘God is Schepper’ voor iedereen inzichtelijk is.

  1. Zit het wel goed met Gods ‘onderhoud’ en ‘regering’? (Job 1:20-22)

Integendeel, dan wordt het superspannend. Want als je om je heen kijkt in de wereld dan ziet het er niet naar uit dat er Iemand regeert. Voor veel mensen is dat juist een reden om niet meer te geloven in een God. Want een almachtige God zou toch wel iets beter voor de mensen moeten zorgen dan nu het geval is…

De catechismus beantwoordt die vragen helemaal in de lijn met de klassieke christelijke theologie: ‘ik twijfel er niet aan, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede.’ En: dat God ‘ zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen.’

Hiermee wordt nogal iets gezegd. De macht van God is niet alleen voelbaar in het goede, maar ook in het kwade dat ons overkomt. Dat is geen toeval, wordt duidelijk gezegd, maar dat valt ons ‘uit zijn vaderhand’ ten deel. Dat zijn harde woorden. Je zult maar ziek zijn. Je kind verliezen. Heeft God dat dan zo beschikt? Wil God dat? Het is wel een bijbelse gedachte, die we bijvoorbeeld bij Job terugvinden:

20 Toen stond Job op en scheurde zijn bovenkleed, schoor zijn hoofd, viel op de aarde en boog zich neer. 21 En hij zei: Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd! 22 In dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.’

Als God kwaad veroorzaakt, dan, zo werd in de bijbelse tijd gedacht, dan is dat als straf. Straf op de zonde, omdat je Gods geboden hebt overtreden, gezondigd hebt. De voorbeelden zijn er: Sodom en Gomorra worden omgekeerd om hun gruwelijke zonden. In de dagen van David stierven er velen in het volk door ziekte, omdat David een volkstelling had georganiseerd, tégen Gods verbod in. In de dagen van Elia kwamen er drie jaren droogte en hongersnood, omdat Israël Baäl diende. En het grootste oordeel: de verwoesting van Jeruzalem, het eind van het koninkrijk Juda, wordt door de profeten expliciet aan God toegeschreven omdat het volk weigerde God te dienen.

Het probleem is dat niet al het kwaad dat mensen overkomt 1-op-1 aan zonde verbonden kan worden, als straf. Daarom komt Job in opstand. Hij had niets verkeerd gedaan. Wat is dat voor een God, denk je dan. Speelt God dan spelletjes met ons? Wel erg harde spelletjes dan. Je kunt met deze zaken erg worstelen. Als zulke dingen in je eigen leven gebeuren. Zeker als je bedenkt hoeveel leed en pijn er in de wereld is. Vroeger werd er gezegd: ‘De mens wikt, maar God beschikt.’ Wat kun je dan nog anders? Berusten in je lot. Dat vinden wij tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer, mondig als we zijn. Het is ook de vraag of berusten een goede reactie is. In de rest van het boek Job, klaagt hij er op los. Job gaat er ook niet zomaar mee akkoord dat dit alle hem overkomt. Hij voelt zich ernstig door God tekort gedaan.

Voor ons gevoel kan God de hand niet hebben in het kwaad dat ons zomaar overkomt. Want God is goed, in Hem is geen duisternis. Maar daar maken we de vragen niet kleiner mee, alleen groter: dat zou immers betekenen dat God het kwaad niet in de hand heeft. Dat het Hem uit de hand loopt. Dan zou er wel een toeval, een noodlot zijn. Of zelfs een actieve kwade macht. Misbruik van kinderen, verkrachting, de moord op 6 miljoen in de holocaust. Het kwaad gaat dan buiten God om zijn eigen gang.

Voelt u dat dat nog veel vreselijker zou zijn? Want waar eindigt het dan? Zal God het dan ooit winnen? Nee, we geloven dat God de Schepper is. Hij staat boven alles. Hij heeft alles in Zijn hand. Het goede. Loof en gras, regen, vruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en rijkdom. (Het valt op dat die wel eerst genoemd worden!) Maar dan ook het kwade: droogte, onvruchtbare jaren, ziekte, armoede. Ook daarin heeft Hij de hand. Dat is wat… Je voelt wel: dan ga je langs het randje dat je God een sadist zou noemen…

  1. God wil een Vader worden (Galaten 4:4-6)

Gelukkig weten we wel zeker dat Hij dat niet is. Want dat is niet zoals we God in de Bijbel leren kennen. Het is opvallend dat de catechismus in deze zondagen heel sterk de nadruk legt op het Vaderschap van God. Zo kennen wij God, wij kennen Hem als Vader. We geloven niet in een verre vreemde God, die vanuit de hemel zomaar goed of kwaad over ons hoofd beschikt. In feite zou die God dan identiek zijn met het noodlot.

Met dat ‘vaderschap’ van God is echter wel iets aan de hand. Ik denk dat velen moeite hebben met geloof in God, omdat ze wel een verkeerd beeld hebben van wat en wie God is. Diep in ons hart hebben wij namelijk vooral het idee dat God voor ons moet zorgen. Dat is wat God zou moeten doen in ieder geval. God heeft de wereld gemaakt en heeft zogezegd een ‘onderhoudsverplichting’. Hij zou in feite alle problemen die er ontstaan op moeten lossen. Hij zou zieken moeten genezen. Hij zou oorlogen moeten beëindigen. Soms hebben we de neiging om ons in die manier van denken mee te laten slepen.

In veel kinderbijbels wordt zo over God gesproken: Een God die zorgt, die helpt, die beschermt, die redt. Een God die er is voor iedereen. God als Opperwezen in de hemel die voor iedereen zonder onderscheid zorgt.

Het is logisch dat je daar op een gegeven moment op afknapt, want dat is duidelijk niet hoe de wereld in elkaar zit. Als je dat van God verwacht, dan zit je ernaast. Als we het hebben over Gods Vaderschap, dan gaat het niet algemeen over de hele schepping, over alle mensen, maar over mensen die Zijn kinderen, Zijn volk, zijn geworden. Naar hen strekt God Zijn hand uit. God is niet zomaar de God en Vader van alle mensen. Nee, zegt de catechismus: Hij is ‘de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus’, dat allereerst… en alleen ‘om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader’. Ze beroepen zich daarvoor bijvoorbeeld op Galaten 4:

4 Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw,  geboren onder de wet, 5 om hen die onder de wet waren, vrij te kopen,  opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen. 6 Nu, omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!’

Op die manier wil God onze Vader worden. Zo toont Hij ons Zijn liefde en zorg. Door Zijn Zoon Jezus Christus te zenden naar deze wereld. En ons als kinderen te adopteren. En dan mogen wij Vader zeggen tegen God. Daar buitenom kan dat niet en mag dat niet. Dat gaat niet automatisch. We kunnen ook niet automatisch aanspraak maken op Zijn Vaderlijke zorg en bescherming. Integendeel, buiten Jezus Christus om leven wij in een gebroken en vervloekte wereld, door de zonde die ons mensen eigen is. Daar is het geen wonder dat wij ons snijden aan de scherven van Gods wereld die wij stuk hebben gemaakt.

Gods Vaderlijke zorg, Zijn scheppingsmacht, leren wij dan ook vooral daarin kennen dat God uit de scherven van ons leven en deze wereld nog weer iets weet te maken. Hij ‘voorziet’ in een oplossing. Hij zond Zijn Zoon als offer voor de zonden. De zorg van God de Vader gaat veel verder dan eten en drinken of gezondheid, maar voorziet in onze diepste levensnood: een offer voor onze zonden, verzoening van onze schuld. Juist nu in de lijdenstijd staan we daarbij stil: Hoe diep de liefde van God afdaalde in het duister van het kwaad, ja tot in de dood. Het is de macht van de Schepper die uit kruis en bloed, lijden en pijn, dood en graf, verzoening schept, nieuw leven. De macht van de Schepper ontmoeten wij met Pasen als de Vader de Zoon opwekt uit de dood.

Zo leren wij God in de Bijbel kennen. Geen blind noodlot. Geen God die zomaar goed en kwaad naar willekeur uitdeelt. Maar een God die vanuit Zijn liefde in de diepste nood voorziet. Die door de diepte van de zonden heen, mensen, u en ik, als Zijn kinderen aanneemt. Nog steeds, net als in het Oude Testament, leren wij Gods Scheppingsmacht kennen door de bevrijding die Hij biedt. 

  1. God wil door Zijn voorzienigheid een Koninkrijk stichten

Dat stelt onze verwachtingspatronen rondom de Vaderlijke zorg wel bij. Want wat verwacht u van God? Kijk maar eens naar de dingen waar je voor bidt. Waar bidden wij voor? Wij bidden voor ons eten. Als we ziek zijn bidden we om gezondheid. We bidden om de kracht ons werk te kunnen doen. Om bescherming als we onderweg gaan. Veel van onze gebeden zijn met dit soort dingen gevuld. Toch? Met de dingen die wij dagelijks nodig hebben. Of onze familie en bekenden. Dat soort gebeden hebben in feite niet zoveel zin.

Lees maar mee wat Jezus daarover zegt in Mattheus 6:

31 Wees daarom niet bezorgd en zeg niet: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? of: Waarmee zullen wij ons kleden? 32 Want al deze dingen zoeken de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt. 33 Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.’

Jezus zegt niet dat eten en drinken en al die dagelijkse dingen er niet toe doen. Probleem is alleen dat je te klein denkt over God als je je daarover druk maakt. In feite denk je dan als een heiden. In alle heidense religies draait het er om dat je krijgt wat je nodig hebt om te leven. Gezondheid, succes, vruchtbaarheid, daarvoor breng je offers, bid je, en hoop je dat je het van je god krijgt. Wij moeten uitkijken dat we niet in diezelfde valkuil lopen. Dat onze relatie met God zich ook op dat niveau afspeelt. In feite haal je dan God naar beneden, naar het niveau van een afgod. Dan onderschat je Hem.

Jezus zegt: ‘Je hoeft je daarover niet druk te maken als christen, want dan weet je toch dat God Vader is. En als je Vader weet Hij echt wel wat jij nodig hebt. Hij weet dat zelfs beter dan jijzelf.’ Hij bedoelt daar niet mee dat gezondheid, eten en drinken, werk en inkomen er niet toe doen. Maar daar hoeven wij ons niet druk om te maken. Maak je liever druk om het Koninkrijk van God en Gods gerechtigheid.

Daar ligt een heel scherp punt voor ons vandaag de dag. Heel gemakkelijk worden wij in een soort nieuw heidendom gevangen, waardoor we vooral een beetje een comfortabel en leuk leven willen, en denken dat God ons dat wil geven. Maar dat is niet Gods plan voor ons. God is bezig een nieuwe wereld te scheppen. Zijn Koninkrijk te laten komen. Daarvoor wendt Hij, de Schepper, Zijn macht aan. Om gerechtigheid te brengen. De dingen recht te zetten. Alles wat krom is op deze aarde en stuk, dat moet heel gemaakt worden, wat dood is, daarin moet leven komen. Wat niets is, moet iets worden. Daarin voorziet Hij. En wij worden door Hem in dat proces ingeschakeld. Dat is geen succesvol project, maar dat gaat ook door de diepte van het lijden heen, door het dal vol schaduwen van de dood. God is bezig nieuw leven te scheppen. In ons en door ons. Dat is moeizaam. Dat gaat ook niet zonder loutering. Zonder oordeel.

De schepping zucht als in barensnood, schrijft Paulus. En wij zuchten mee.

Als het over God de Vader gaat, over Zijn zorg, dan denken we dus te klein als we bidden om ons natje en droogje en een gelukkig en gezond leven. Als ons gebedsleven en ons handelen daarbij blijft steken, dan ben je in feite een heiden.

Let wel: Die heiden zit in ons allemaal, dat oppervlakkige verlangen naar ‘als ik het maar goed heb’. Maar je moet weten dat die heiden er zit, om hem onder de duim te houden. Of liever: je zo door het evangelie van Jezus Christus laten raken en vullen, dat Hij die heiden in u en mij onder de duim houdt. Is dat in uw leven zo? Bent u werkelijk gericht op het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid? Waaraan is dat te merken? 

  1. Aan de hand van de Vader

Als we zo met elkaar nadenken over God de Schepper en Zijn voorzienigheid, dan gebeurt er iets. Aanvankelijk stellen wij dan vraagtekens bij Zíjn zorg en goedheid… maar door Gods Woord en openbaring, als wij Hem als Vader leren kennen in Jezus Christus, dan worden de zaken omgedraaid. Dan worden de vraagtekens achter ons leven geplaatst: En jij dan, jij hebt het leven ontvangen, je leeft van Gods goede gaven, je kent het evangelie van Jezus Christus, wat doe je daar dan mee? Je wordt op je plek gezet als mens, als schepsel.

Het is mooi dat de catechismus dat niet op een negatieve toon of verwijtende toon brengt. Ze zet ons op onze plek, ja, maar dat is dan de plek van een kind. Kind van de Vader. Dat mag onze plek zijn. En onze houding mag daarom ‘vertrouwen’ zijn.  ‘Daarom vertrouw ik zo op Hem’, zegt antwoord 26. ‘Hij wil het ook doen als trouw Vader.’ En in 28: ik mag het ‘vaste vertrouwen hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal.’ Woorden die regelrecht uit Romeinen 8 lijken te komen. Dat is de diepste kern van het geloof in onze Schepper, die ook onze trouwe Vader is geworden door Jezus Christus: Niets, maar dan ook niets kan ons van Zijn liefde scheiden.

Dat is geloof. En dat is niet altijd gemakkelijk. In psalm 73 horen we de worsteling van Asaf met tegenspoed in zijn leven. Maar hij komt tot de slotsom:

23 Niettemin zal ik voortdurend bij U zijn, U hebt mijn rechterhand gegrepen. 24 U zult mij leiden door Uw raad, daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.’

Kijk, dat is wat de catechismus bedoelt met ‘in tegenspoed geduldig’ zijn. Dat is geen slappe vorm van berusting. Maar het vertrouwen en misschien bizarre geloof dat God je vast houdt. Dat er ook door de diepte een weg loopt. Zoals Paulus zegt ‘het lijden van de deze tegenwoordige tijd, weegt niet op tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’. Dan kun je veel hebben. Dan kun je alles hebben. Dat kan alleen maar als je die hand van God in je leven als vaderhand kunt grijpen en vasthouden.

En die ook niet loslaten als alles je voor de wind gaat. Die neiging hebben wij als mensen nogal. Zodra het goed gaat, kunnen we wel op eigen benen staan.

Of we zijn, zoals veel mensen, altijd een soort van ontevreden. Áls het dan goed gaat, willen we nog meer. Het gras bij de buren is altijd groener. Die ontevredenheid, dat cynisme, is de geest van onze tijd. Laten we alsjeblieft onze enorme welvaart waarderen als genadegave. Wat hebben we het geweldig goed met elkaar hier in Everdingen. Materieel. Maar ook qua welzijn, vrijheid en veiligheid. ‘In voorspoed dankbaar.’ Ook dan de Vaderhand vasthouden.

Door het geloof in Jezus Christus mag je geloven dat God je Vader is. En dat je aan Zijn hand door het leven mag. De wegen die Hij met ons gaat, ja, die komen ons soms onbegrijpelijk voor. We kunnen wel eens denken dat Hij zich in de weg vergist. Maar laat die hand van je Vader nooit los! Hij laat ook niet los. ‘Onze hulp is in de Naam van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft, die niet loslaat wat Zijn hand begon.’ Die u niet loslaat. Die mij niet loslaat. Hoe de weg ook loopt, wij weten dat die loopt naar de heerlijkheid van Gods Koninkrijk. Daarin zal onze Vader, de trouwe Schepper, voorzien.

Amen

Moeilijke vraag (4): Schepping of evolutie?

Creazione di Adamo

Creazione di Adamo – fresco van Michelangelo, c. 1512

Gemeente van Jezus Christus,

1. Wat weten we nu eigenlijk?

We doen soms een beetje lacherig over evolutie. Geloof je dat nou echt dat de mens van de apen afstamt? Rare, vreemde, gedachte lijkt dat. En ook de miljoenen jaren waren ze het dan over hebben. Nee, geef ons maar Genesis 1. Lekker duidelijk. 6 dagen en toen was het af. Alles in een nette volgorde. Je kunt het zo nalezen. Doortimmerd en goed was het. Daar kun je ophouden met denken en over gaan tot de orde van de dag.

Dat kan inderdaad, zolang wij ons niet buiten de kerkmuren begeven. Als we niet het gesprek aangaan met mensen die helemaal niet in een schepping in 6 dagen geloven. Dat kan als we onze ogen sluiten voor de ontdekkingen die de wetenschap de afgelopen eeuwen heeft gedaan. Dat kan. Dan blijft alles bij het oude. Uit onszelf blijven we het liefste in die comfort-zone van het vertrouwde. Op het punt van schepping en evolutie daagt de wetenschap ons uit. Stelt vragen bij ons geloof. En daar mogen we denk ik blij mee zijn.

In de Middeleeuwen dacht men dóór te hebben hoe de wereld in elkaar zat. Maar de ontwikkeling van de wetenschap door onze menselijke nieuwsgierigheid laat ook vandaag de dag nog zien dat we nog maar een fractie weten van hoe het heelal, onze werkelijkheid in elkaar zit. Wetenschappers graven fossielen op uit de grond van dinosauriërs, wonderlijk grote dieren die miljoenen jaren geleefd hebben. Er wordt met grote telescopen de ruimte in gekeken. Een onmetelijk heelal strekt zich rondom ons uit. In feite laat de wetenschap daarmee zien hoe hoogmoedig wij mensen waren. Het is allemaal niet zo simpel. De wereld zit niet zo eenvoudig in elkaar als we dachten. Van het allergrootste, supernova’s, zwarte gaten tot het allerkleinste, atomen, kwantummechanica. De wetenschap rolt de afgelopen jaren van de ene verbazing in de andere.

Je kunt het wel een beetje vergelijken met het boek Job. Job is een vrome man, wordt daarin verteld. Maar hem overkomt groot onheil, en daar is hij kwaad om. Want daarmee houdt God zich niet aan zijn eigen regels, klaagt Job. Job denkt precies te weten hoe God is en hoe de wereld in elkaar zit en hoe God de wereld moet besturen. Als God Job antwoordt op zijn klacht, doet God eigenlijk maar één ding: Hij wijst Job zijn plek als mens. De tekst , Job 38:4-5:

‘Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers wel.
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?’

Het is niet leuk als dit soort dingen tegen je gezegd worden. Het wijst Job erop dat hij eigenlijk zoveel niet weet. Job is er natuurlijk niet bij geweest toen God de aarde schiep. Hij weet niet hoe God dat gedaan heeft. God zegt dat niet om hem zijn geloof te laten verliezen, maar juist om zijn geloof te verlossen van zekerheden die geen zekerheden waren. Job steunde teveel op zijn eigen mening en oordeel. Zoveel dat hij zijn vertrouwen in God verloor. God zegt nu: ‘Job, keer dat nou eens om. Vertrouw nu eens minder op je eigen zekerheden en iets meer op mij.’ Misschien stelt de wetenschap vandaag de dag ons wel precies voor dezelfde vragen.

Bij de opkomst van de moderne wetenschap, o.a. de evolutietheorie van Darwin, is een reflex van vooral christenen in Amerika geweest, begin 20e eeuw, om heel erg vast te houden aan een letterlijke lezing van Genesis 1. Wetenschappers zijn anti-christenen, die ons geloof willen afpakken, dachten ze. Een begrijpelijke gedachte, die ook onder ons nog wel leeft. Je mag geen vragen stellen bij wat de Bijbel vertelt, want dat is per definitie waar.

Dat lijkt me dezelfde heilloze weg waarop Job in al zijn vroomheid zich begaf. We mogen ons best afvragen of we de Bijbel wel altijd goed begrepen hebben. En of Genesis 1 nu echt een letterlijk-historisch verslag geeft van de schepping. En of de wetenschap met de evolutie-theorie misschien wel iets heel moois heeft ontdekt.

Die openheid betekent echt niet dat je van je geloof afvalt. Die sfeer hangt er soms wel eens: als we de schepping in 6 dagen loslaten, wat blijft er dan overeind van de rest van het Bijbelverhaal? Alsof de bijbel en God een kaartenhuis vormen, dat bij het minste of geringste omvalt. Dat getuigt wel van bijzonder weinig vertrouwen in God… God en de Bijbel kunnen wel tegen een stootje.

2. Ruimte voor evolutietheorie (Genesis 2:7)

De wereld is door God geschapen, vertelt de Bijbel. Maar hoe God dat gedaan heeft, dat vertelt de Bijbel zelf al op vele verschillende manieren. Die hoofdstukken in Job vertellen er heel anders over dan Genesis 1. De Bijbel kent niet één scheppingsverhaal, maar meerdere. Zelfs in Genesis. U moet Genesis 1 en 2 maar eens naast elkaar lezen. In Genesis 2 wordt een heel ander scheppingsverhaal verteld, dan in hoofdstuk 1. In hoofdstuk 1 schept God alles, ook de mens door te spreken. In hoofdstuk 2 wordt opnieuw de schepping van de mens verteld in andere woorden (Genesis 2:7):

‘Toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.’

Hier is God heel concreet aan het kleien, het vormen van aarde. En later wordt de vrouw door God ‘gebouwd’ uit de rib van deze mens. Een hele menselijke voorstelling. De Bijbel zelf is dus niet eenduidig in hoe God de wereld en het leven heeft geschapen. Bijbelwetenschappers hebben bovendien ontdekt, door teksten en kleitabletten die terug gevonden zijn in het Midden-Oosten, dat ook de andere volken in de omgeving van Israël dit soort verhalen kenden, over schepping en zondvloed. Waarvan vele teksten veel ouder zijn dan de Bijbeltekst zoals wij die kennen. De Bijbel sluit aan bij de voorstellingen en taal van de mensen toen.

Dat kan ook niet anders. Als God zich openbaart, moet Hij dat altijd doen in voor ons begrijpelijke taal, beelden, ideeën. In een tijd dat men dacht dat de aarde plat was, een schijf die op een oerzee dreef, was het zinloos geweest om te openbaren dat de aarde een ronde planeet was die om de zon draaide. Dat had de mensen niets gezegd. We moeten goed zien dat God in de Bijbel geen nieuwe natuurwetenschappelijke informatie openbaart aan Zijn volk, maar Zichzelf. De Bijbel vertelt ons wie God is, in de woorden, taal en ideeën van drieduizend jaar geleden, niet hoe de wereld in elkaar zit.

Als we dat in de Bijbel zelf al zien, als we de Bijbel zó lezen, dan geeft dat denk ik heel veel ruimte. Ook voor de moderne wetenschap. Als een astronoom ons vertelt: Het licht van de zon naar de aarde doet er 8,3 minuten over voor het bij ons is. Hetzelfde effect kennen we goed van geluid dat naar onze oren onderweg is. Een straaljager is vaak al voorbij vóór je hem hoort, omdat het geluid er een poosje overdoet voor het je oor bereikt. Zo is het ook met licht. Alleen gaat licht véél sneller als geluid (300 m/s): 300.000 km/s. Het verschil merk je goed met onweer: de flits komt bijna direct, het geluid later hoe verder het onweer weg is. Maar ook de lichtflits is dus wel héél eventjes onderweg. Vanaf de zon dus ruim 8 minuten.

De dichtst bijzijnde ster is Proxima Centauri op 4,22 lichtjaar afstand. Als je die ster ziet, is dat licht vanaf die ster al 4,22 jaar onderweg voor het je ogen bereikt. Het centrum van onze Melkweg, ons sterrenstelsel, is 28.000 lichtjaar ver. De diameter 100.000 lichtjaar. Dat licht van al die sterren kunnen wij met het blote oog zien en is dus al 100.000 jaar onderweg. Het wordt nog gekker: ons melkwegstelsel is niet het enige. Op 2,2 miljoen lichtjaar afstand staat de Andromedanevel. Met een verrekijker goed te zien. Licht dat dus al 2,2 miljoen lichtjaar onderweg is. En dat is nog lang het einde niet. Ver daar achter ligt het Virgocluster. Een groep melkwegstelsels op 60 miljoen lichtjaar afstand. Toen dat licht van die sterren vertrok, leefden er nog dinosauriërs op aarde, vertellen paleontologen ons.  Daarachter is de ruimte niet leeg. Radiotelescopen ontvangen nog signalen van quasars tot op 13,6 miljard lichtjaar afstand…

Onderzoek aan de ouderdom van gesteenten op aarde laat alles erop wijzen dat onze aarde zo’n 3 á 4 miljard jaar geleden gevormd is. Geologen ontdekten dat de ons bekende werelddelen, aardplaten zijn, die langzaam uit elkaar drijven, je ziet het nog aan de vorm van Latijns-Amerika en Afrika die in elkaar passen. Of tegen elkaar aan drijven. Waardoor bergen ontstaan. De Alpen vormden miljoenen jaren geleden de zeebodem. Op de toppen van de Alpen kun je in kalksteen nog de versteende schelpjes terugvinden.

Die biologen dan weer voor raadsels stellen: het zijn hele andere schelpensoorten dan tegenwoordig op aarde leven. En dat is niet alleen met schelpen, maar ook met dieren en planten zo: in die miljoenen jaren oude gesteenten zitten levensvormen ingekapseld die nu niet meer voorkomen, en de soorten die nú voorkomen, zitten er niet in. Dat is het begin geweest van de evolutietheorie: planten- en diersoorten veranderen langzaam door veranderende omstandigheden en natuurlijke selectie, ze ontwikkelen zich. In het erfelijk materiaal, het DNA vinden spontane veranderingen plaats en de beste mutaties worden doorgegeven aan het nageslacht. Sommige soorten sterven uit. Nieuwe soorten ontwikkelen zich.

Door het DNA van planten en dieren te vergelijken zien evolutie-biologen familieverwantschappen die soms miljoenen jaren terug gaan. Van al het leven op aarde is een soort familiestamboom op te zetten, die laat zien dat al het leven ontwikkelt is van eenvoudige eencelligen, tot de ongelooflijke variatie van leven die we nu om ons heen zien. En ja, ook mensen hebben in die stamboom hun plekje. Wij stammen niet van de apen af, zoals soms gezegd wordt, maar we delen in die stamboom van het leven een gemeenschappelijke voorouder. Genetisch, op cel-niveau, zijn we voor 98% gelijk aan chimpansees. Onze gemeenschappelijke voorouder leefde 7 miljoen jaar geleden. In die 7 miljoen jaar is 2% van ons DNA veranderd. Zo langzaam gaat dat.

Dat is wat de moderne wetenschap ons vertelt. Ik dacht, ik zet het nog maar even voor u op een rijtje. Nu zitten we hier niet bij sterrenkunde, geologie of biologie, maar in de kerk. Misschien vindt u het ook wel moeilijk te volgen. De enorme afstanden en tijden waarover men spreekt zijn ook niet te overzien. Waar het mij om te doen is: We moeten niet bij voorbaat zeggen dat wetenschappers ernaast zitten, omdat het niet klopt met een letterlijke lezing van Genesis 1. In de bijbel is het er niet om te doen te vertellen hoe God de wereld geschapen heeft. We hoeven niet moeilijk te doen over evolutie en oerknal en 13,8 miljard jaar. Als ik voor mezelf spreek: God wordt er alleen maar groter van. De wereld is veel indrukwekkender en bijzonderder dan ik al dacht.

3. God is schepper. Wat bedoelen we daar dan mee?

Het kan wel zo zijn dat je de vraag aangrijpt: ‘Maar de Bijbel dan? Hebben die bijbelschrijvers dan maar wat verzonnen? Is er eigenlijk niets van waar?’ Zo moet je het niet zien. We moeten door de vormen, door de taal van hun tijd heenkijken naar wat de Bijbel ons over onze wereld vertelt. Daar zit wel degelijk openbaring in, iets wat God ons over onze wereld wil zeggen. Dat is geloof, zoals Hebreeën 11:3 zegt:

‘Door het geloof zien wij in dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God, en wel zo dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit wat zichtbaar is.’

De overweldigende grootheid van het heelal, de grillige loop van het leven, het zou ons kunnen overweldigen. Maar dan zegt God via de Bijbel: ‘Vrees niet! Groter dan het heelal, ben ik. Miljarden jaren? Niets vergeleken met Mijn eeuwigheid. Vóór de wereld gegrondvest werd, was Ik er. En Ik ben nog steeds dezelfde.’ God staat aan het begin van alles. Verder terug dan de oerknal kan de wetenschap niet kijken. De Bijbel wel. Ons geloof dat God de wereld geschapen heeft, zegt ons dat deze wereld er niet toevallig is. Dat God het heelal, de aarde, ons mensen, u en ik, gewild heeft. Wij mogen er zijn. De weg die God bewandeld heeft is misschien miljoenen jaren langer dan wij ooit dachten, en hoe Hij het gedaan heeft zullen we wel nooit helemaal snappen, maar het resultaat blijft hetzelfde: Hij had ons van eeuwigheid af al op het oog.

Dat wij leven in deze wereld. Dat beschouwen wij dan ook niet als toeval, maar als Zijn gave. Als Hij groter en eeuwiger is dan alles wat we om ons heen zien. Als Hij dat alles kan overzien en laten bestaan, dan geeft dat ook vertrouwen op Zijn macht voor ons kleine leven. Is er dan iets wat Hij niet kan? Zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis het zegt:  ‘Ook nu nog houdt Hij [alle schepselen] in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen…. Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heeft prijsgegeven, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking.’

Dat is helemaal in lijn met het bijbelse spreken over het goede begin van de schepping. We mogen geloven in een Schepper die het goede met ons voor heeft. Dat het heelal voor ons gemaakt is als een huis om in te wonen. Waarin het goed en veilig toeven is. Dat de Bijbel ons dat vertelt, dat is openbaring. Dat is méér dan we met de ogen kunnen zien, soms zelfs tegenstrijdig met onze ervaring van gebrokenheid, ziekte en natuurrampen. Het is een geloofszaak.

4. Schepping en evolutionisme botsen wel! 

Maar kunnen we dan de evolutietheorie zomaar omarmen? Nou, daar zou ik wel voorzichtig mee zijn. Sowieso omdat wetenschappelijke theorieën altijd voorlopig zijn, voor verbetering vatbaar. De wetenschap heeft niet de Waarheid met een hoofdletter in pacht. Dat merken we: Ons geloof en de moderne wetenschap botsen toch vaak wel. En dat komt omdat door alle ontdekkingen van de wetenschap sinds de 19e eeuw veel mensen het hoog in hun bol hebben gekregen. De grenzeloze ontdekkingen maakten niet iedereen klein en nederig, maar vaak ook juist hoogmoedig. Nu de menselijke kennis en techniek zoveel kan verklaren en produceren, had voor veel mensen daarom God ook afgedaan. Hij was al verklaring overbodig. Ze hebben Hem niet meer nodig.

De afgelopen eeuw is de evolutietheorie steeds meer evolutionisme geworden: een nieuwe levensbeschouwing, atheïstisch en materialistisch. Dat wil zeggen: Mensen die geloven dat God niet bestaat en dat de materie, de 3-dimensionale werkelijkheid die we natuurwetenschappelijk kunnen onderzoeken, het enige is wat er bestaat. Het mag duidelijk zijn: al is de evolutietheorie op zichzelf niet strijdig met het christelijk geloof, dit evolutionisme overduidelijk wel!

Men denkt dan dat de natuurwetten ons de enige moraal leveren. De biologische wet ‘the survival of the fittest’, wordt dan ook waar in de samenleving. Dat was wat Hitler voorstond met zijn Übermenschen, het Germaanse ras dat het beste zou zijn. Zieken, gehandicapten, homoseksuelen, Joden, alles wat zwak was, daar moest de maatschappij van af. Dat is evolutionisme in zijn meest extreme vorm. Het trekt echter nog steeds door onze maatschappij, waarin we vooral oog hebben voor wie succesvol en geslaagd is, voor wie sterk is en beroemd. Dat je vooral voor jezelf moet kunnen zorgen.

Nee, dan wat Paulus schrijft in 2 Korinthe 12:

‘Maar Hij heeft tegen mij gezegd: Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen. Daarom heb ik een behagen in zwakheden: in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig.’

Hier botsen evolutionisme en een bijbelse visie, een scheppingsvisie, op het leven heel duidelijk. Christus, onze Schepper, is zelfs in alle zwakte ons aardse leven komen delen.

Het maakt wel duidelijk dat geloof en wetenschap twee verschillende manieren zijn om naar het leven te kijken. Manieren die allebei hun eigen plek hebben. Maar zich niet op elkaars terrein moeten begeven, want dan kan het gruwelijk mis gaan. De wetenschap vraagt naar het hoe en het wat van het leven. Het geloof vraagt naar het waarom en het waartoe.

Wetenschap op de goede manier is niet gericht op hoogmoed en verheerlijking van de menselijke kennis. Op het verdringen van God uit de werkelijkheid, maar om steeds verder onder de indruk te raken. Om te beseffen hoe klein wij zijn en hoe groot God is.

5. In gesprek: Verwondering en bescheidenheid

‘HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel. […]
Wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt,
en het mensenkind, dat U naar hem omziet?’

Die psalm 8 maakt dat ook christenen wetenschapper kunnen zijn. Dat is niet tegenstrijdig. Ik zou zelfs zeggen: Júist als christen mag je nieuwsgierig en bewonderend rondkijken op aarde en naar de sterren staren en diep graven in oude steenlagen. Om overal de macht en de majesteit van de HEERE terug te vinden.

Dat is de interpretatie die wij vanuit ons geloof daaraan geven. De overweldigende schoonheid om ons heen, vraagt daar wat ons betreft om. Maar wij christenen zijn niet de enigen die deze schoonheid zien. Die onder de indruk zijn van de wereld. Die indruk hebben wij gemeen met de meeste mensen, christen of niet. Voor veel wetenschappers die ongelovig zijn, zijn nieuwsgierigheid en verwondering kernwoorden. Die gedeelde diepe ervaring geeft een openheid in het gesprek met elkaar. Dat is de manier waarop deze moeilijke vraag in het missionaire gesprek terug mag komen.

We hoeven niet de confrontatie aan te gaan tussen een scheppingsleer (in 6 dagen) en een evolutieleer, maar een gezamenlijke zoektocht in alle bescheidenheid. We weten nog maar zo weinig van de wereld. Er is nog zoveel te ontdekken. En hoe meer we ontdekken, hoe wonderlijker het wordt. Je kunt toch niet geloven dat dit alles er ‘zomaar’ is? Als je om je heen kijkt, is het toch geen gekke gedachte om aan een God te denken? Zo in elkaar met gesprek, in alle openheid, dat zorgt ervoor dat wij verrijkt worden door de wetenschap dat God nóg groter is dan we al dachten. En hopelijk zorgt dat ervoor dat wetenschappers of voor iedereen die dacht dat God afgedaan had, deze prachtige wereld weer schepping wordt, een verwijzing naar de Schepper.

Amen

Dank de Schepper

Preek van dankdag 2012 over Genesis 1,1-2,3

Gemeente van Jezus Christus,

Wat valt er vandaag te danken? Afgelopen week werd steeds meer duidelijk wat de plannen van het nieuwe kabinet gaan betekenen voor ons allemaal. 16 miljard moet er weer bezuinigd worden. Dat is € 1000 per Nederlander. Daar wordt niemand blij van. Het is echt crisistijd. Veel mensen zijn de afgelopen paar jaar hun baan kwijt geraakt. Nog veel meer mensen voelen die hete adem in hun nek. Het gaat niet meer zo voor de wind als het in Nederland lang gegaan is. En het ergste is: Het overkomt ons. We hebben niet het gevoel dat je er zelf veel aan kunt veranderen. De problemen groeien ons boven het hoofd. Wat valt er dan nog te danken vandaag in de kerk?

Nu moeten we niet doen alsof  wij er zo dramatisch slecht aan toe zijn. Ergens weten we heus wel dat velen het in de wereld veel slechter hebben en dan wij. Dichtbij al de adressen die de Voedselbank steunt, maar verder weg hoef je alleen maar te denken aan de ellende in Syrië en andere landen waar vrede en basisbehoeften ontbreken. Maar toch, blij en dankbaar worden we niet van onze economische situatie. We leven niet in een jaar van ontspanning, maar in een jaar met zorgen.

Juist in de kerk mogen we dan ook wel een spa dieper steken: Er is niet alleen economische tegenwind, maar de verkiezingen in september lieten een grote nederlaag voor de christelijke politiek zien. Allerlei plannen van het nieuwe kabinet gaan in tegen de oude christelijke traditie. Koopzondagen komen er meer. Over verruiming van de euthanasiewetgeving gaat gesproken worden. Er is geen ruimte meer voor gewetensbezwaarde ambtenaren die liever geen homohuwelijk voltrekken. Nu vormen die regels geen directe bedreiging voor ons als christenen, maar ze laten wel zien welke wind er waait in ons land. Voor velen heeft God afgedaan. Dat proef je in gesprekken met mensen, dat zie je in de leegloop van de kerken in Nederland. Vandaag was in het nieuws dat er weer acht kerkgebouwen van onze kerk dicht gaan alleen al in Den Haag.

Wat valt er dan te danken? Moeten we dan blij zijn met elkaar vandaag? Of moeten we van deze dankdienst, maar een bidstond maken?

Het volk van God, Israël, heeft in de tijd van het Oude Testament genoeg perioden van crisis doorgemaakt. Perioden dat andere machten overweldigend waren. Tijden dat vijandelijke legers het land overspoelden. Dat de oogsten van het land weg geroofd of platgebrand werden. Jaren dat het huilen nader stond dan het lachen.

Je zou zeggen dat zulke crises in de economie, ook een crisis in het geloof teweeg zouden brengen. Dat kunt u wel begrijpen: Bij ons borrelen ‘waarom-vragen’ op. Als God er dan is, waarom gaat er dan zoveel fout? Typisch genoeg zien we in de Bijbel precies het tegenovergestelde gebeuren. Toen Israël in de ballingschap werd weggevoerd en hun thuisland er verwoest bij lag. Ja, toen gaf men het geloof in God niet op, maar ging juist nog méér in Hem geloven. In die jaren zijn veel van de Bijbelboeken op schrift gesteld, die wij vandaag de dag lezen. Ook het boek Genesis. Als er één boek is wat een geloofsgetuigenis is, een belijdenis van de macht van God, dan is dat Genesis, met dat majestueuze begin, dat loflied op de Schepper. De overmacht van Zijn woorden schittert in dit eerste hoofdstuk. Moet je je voorstellen dat dat klonk in hun verwoeste land. ‘De aarde nu was woest en leeg’.

Er viel voor hen zeker veel te klagen. Misschien valt er voor u en jou ook wel veel te klagen. We houden geen dankdag omdat het afgelopen jaar zo fantastisch was. Want voor velen van ons was het dat niet, door zorgen, ziekte, het verlies van werk, het overlijden van dierbaren, de zonden die ons persoonlijk dwars zaten. Maar we houden dankdag vandaag. Omdat wij ons afvragen: Maar ondanks dat alles dan, is er toch nog niet iets wat ons draagt? Wat ons gedragen heeft? Waaruit we hoop en moed geput hebben dit jaar om ons werk te doen?

Toen het volk Israël in de ballingschap zat, vroegen ze zich dat ook af: Hebben wij nog hoop op terugkeer? Hebben wij nog toekomst? Is niet alles tevergeefs geweest? Die vraag bracht hen terug naar het begin, naar het begin van de geschiedenis. Waar komen wij ook al weer vandaan? Hoe is het allemaal begonnen? Het kan geen kwaad als wij ons die vraag ook stellen vandaag. Dankdag is immers vooral ook een dag van terugkijken. Terugkijken op ons werk, op de resultaten daarvan, de oogst die is binnengehaald, het geld wat is verdiend. Maar dieper is het ook terugkijken op: en waaróm heb ik nu eigenlijk gewerkt? Wat hield en houdt mij gaande? Waarvoor doe ik het allemaal. Het is goed die vragen te stellen omdat de dagen anders snel zo’n sleur worden, een tredmolen waarin ieder zijn ding doet. Het is het grote gevaar van onze pragmatische tijd dat die diepere vragen niet gesteld worden, dat niet de tijd genomen wordt om echt even stil te staan.

Juist in deze crisistijd komen we er misschien wel achter dat we in onze maatschappij wegen zijn ingeslagen die we niet in hadden willen slaan. De roep om meer efficiëntie in de zorg zorgt voor schaalvergroting, ontmenselijking, bureaucratisering. Je werkt om je hypotheek te betalen, en de kinderopvang, en de vakantie. Maar als dat het enige is, waar haal je dan vreugde vandaan en voldoening. Waar vinden we rust en vrede in tijden van stress en een 24-uurseconomie?

Vandaag gaan we met Israël daarom even helemaal terug naar het begin. Back to the basics. Hoe is het allemaal begonnen met ons en onze wereld? Het is wonderlijk dat de Bijbel dan niet begint bij de grote koningen David en Salomo, de glorietijd van Israel. Ook niet bij Jozua,  de verovering van het land en de start van de economie. Ook wordt niet begonnen bij Abraham, Izak en Jakob, het begin van het volk, van de familie, de bloedband, de saamhorigheid. Nee, nog verder terug grijpt de Schrift naar het allereerste begin toen er nog niets was. Niets? Jawel, God was er.

‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’.

Willen wij op dankdag in crisistijd kunnen danken, dan moeten we terug naar het allereerste begin. Back to the basics. En dat begint met God. Dat is gelijk ook het eerste dankpunt: Eérder dan de crisis, eerder dan onze zorgen, eerder dan wij, was daar God. Als wij die lijn vandaag teruglopen, komen wij bij Hem uit. Dat is een geloofsbelijdenis. De schrijver van Genesis wist niets van onze moderne wetenschap die het ontstaan van de aarde en het leven verklaard uit de oerknal en de evolutietheorie. Maar het is ook helemaal niet met elkaar in strijd. De basis van het scheppingsverhaal is niet hoe God de wereld heeft gemaakt in detail. De schrijver is er immers niet zelf bij geweest. Geleid door de heilige Geest is dit scheppingsverhaal op papier gekomen en bevat de meest basale waarheid: Het is niet toevallig dat de wereld er is. Het is niet toevallig dat wij er zijn. God heeft het gewild. Hij heeft ervoor gezorgd.

Voor Israël is dat in de crisis van de ballingschap een enorme bemoediging geweest: In de chaos van de tijd, in voor mensen onoverkomelijke zorgen, mag er een basisvertrouwen zijn: Maar God is er altijd nog. Hij die hemel en aarde gemaakt heeft. Van Hem is onze hulp. Hij laat niet los wat Zijn hand begon. Is dat ook uw geloof? Uw vertrouwen? ‘De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed’ [je voelt de dreiging, de donkerte, de chaos] maar! ‘de Geest van God zweefde boven het water.’ Heel in het klein kan het in jouw en uw leven ook zo zijn. Zelfs in het donker kun je dan danken.

Om echt dankdag te vieren, moeten we dan bij ook bij onszelf naar binnen kijken. Naar onze eigen ‘basics’. Zit er bij ons alleen maar chaos en onrust van binnen? Of merken we ook iets van diezelfde heilige Geest, die in ons waait. Die ons lucht geeft. Veels te weinig, denk ik wel eens bij mezelf… Misschien wel daarom is het goed vandaag terug te keren naar de schepping. Niet als iets dat lang geleden gebeurt is, maar als iets dat ook vandaag opnieuw kan gebeuren in uw, jouw en mijn hart. Dat de heilige Geest zweeft over al die zorgen van ons. Om van alle chaos en crisis nog iets te maken. Om leven te brengen in ons hart. Dat God ook tot jou spreekt.

Voor God is een enkel woord genoeg! ‘Laat er licht zijn!’ En er was licht. Die paar woorden alleen al getuigen van de overweldigende macht van de HEERE. Hij hoeft niets te doen, alleen maar te spreken. Te gebieden en het is er. De zes scheppingsdagen lang gaat het zo. God maakte geen lange dagen. Telkens is een enkel woord genoeg. Elke dag begint met de korte zin: En God zei…

U moet weten dat dit scheppingsverhaal daarin uniek is. Uit de Oudheid kennen we ook uit andere culturen vele scheppingsverhalen. Niet alleen Joden, maar ook alle andere mensen dachten natuurlijk na over de vraag waar zij zelf en de wereld als geheel vandaan kwam. In die andere verhalen is vaak sprake van verschillende goden die met elkaar oorlog voeren. De god die uiteindelijk met moeite als overwinnaar uit de strijd komt, maakt van de resten van zijn tegenstanders de aarde. Op allerlei wonderlijke manieren moeten er vervolgens mensen en planten uitkomen. Het gaat allemaal dus niet zonder slag of stoot. Zulke mythische verhalen komen ons wat belachelijk voor, maar vroeger geloofde men daar heilig in.

Daarnaast klinkt dan in dit scheppingsverhaal de eenvoudige macht van onze God, die zónder slag of stoot, maar met een enkel woord alles in het aanzijn roept. De eerste drie dagen het gebinte van de wereld. De eerste dag het licht, dat is de tijd, de voortgang van de dagen. De tweede dag, de ruimte, het hemelgewelf. De derde dag het land, stevigheid, fundament. Gewoon door te spreken is na drie dagen het gebinte, het raamwerk van de wereld af. De volgende drie dagen zijn voor de inrichting: dag 4: lampen aan de hemel. Zon, maan en sterren beginnen te schijnen na een enkel woord. Dag 5 en 6 de levende wezens in de lucht, in het water en op het land. En ten slotte de mens.

Dat laatste is wel de climax. Je merkt dat door de dagen heen God elke keer méér woorden nodig heeft. De schepping wint aan rijkdom, kleur en variatie. Bij de mens worden plechtige woorden gesproken: Nu is het moment!  ‘Laat Ons mensen maken’. In andere scheppingsverhalen die men in de heidense omgeving van Israel kende, was de mens een bijproduct van een ruzie tussen de goden. In de Bijbel is de schepping van de mens een hoogtepunt, het doel van Gods schepping. God wil niet alleen róepen, Hij wil iemand om mee te spreken. Om woorden mee te wisselen. Ons.

En ons geloof is dat die scheppingsmacht van God zich niet beperkt tot 6 dagen in een grijs verleden, maar dat het spreken van onze God nog steeds leven geeft. Deze God staat ook aan het begin van uw en mijn leven. Pas in tijden van crisis ga je de waarde daarvan inzien. Dat jij niet jezelf overeind hoeft te houden. Dat wij niet als Atlas in de Griekse mythologie de hemel op onze schouders dragen. Maar dat ons leven gedragen wordt. Dat de wereld ons gegeven is. En dat God ons in deze wereld geplaatst heeft om een relatie met Hem aan te gaan. God heeft ons geschapen ‘naar Zijn beeld’, dat wil zeggen: In staat om lief te hebben.

Valt daarvoor te danken? Ik denk het wel. Het is niet zo concreet als geld in je portemonnee. Op één of andere manier hebben wij dat soms liever. Geef mij maar een goed gevulde beurs, en laat me lekker mijn eigen gang gaan, van ‘liefde’ of ‘liefde van God’ kan ik niks kopen. Dan lijken we een beetje op de verloren zoon, die erfenis van Zijn vader vroeg: ‘Geef maar op.’ En zonder dankjewel zijn vader liet staan. Wees blij dat je hier in de kerk dan hoort: In tijden van crisis komt het er niet op aan om zo snel mogelijk je inkomen weer op het oude niveau te krijgen. Het komt er op aan terug te keren naar de Vader. Naar het begin. Naar Genesis. Naar de schepping. Naar de liefde van God en Zijn verlangen om die met jou te delen.

Maar lost dat iets op dan? We zitten hier nu wel rustig bijeen in de kerk. We kunnen het mooi hebben over de liefde van God. Maar al die concrete zorgen dan? We kunnen toch niet doen alsof dat allemaal niet bestaat? We moeten toch in ons onderhoud voorzien, zegt datzelfde scheppingsverhaal dat niet?

Als je goed leest in Genesis 1, en de achtergronden daarvan kent, dan biedt het scheppingsverhaal ook antwoorden op die vragen. Ik vertelde al dat er veel verhalen waren in de heidense omgeving van Israel over het ontstaan van de wereld. Daarbij waren allerlei goden, monsters en mythische wezens betrokken, die ook het dagelijks leven moeilijk en angstig maakten. Voor de oogst was je afhankelijk van de god die voor de vruchtbaarheid zorgde. Er konden demonen zijn die je ziek maakten. De god van de dood kon zomaar familie van je meenemen naar het dodenrijk. Schepen op zee vergingen door zeemonsters. Heel de wereld werd voor de mensen in de oudheid bevolkt met goden en machten die zich zomaar tegen je konden keren.

Genesis 1 zegt duidelijk dat álles, maar dan ook álles aan God onderworpen is en Hem gehoorzaamt. Die watervloed in vers 2, de ‘tehom’ in het Hebreeuws, was voor de heidenen een chaosmacht, maar hier is hij getemd door de Geest van God. In de landen om Israël werden de zon en de maan aanbeden als goden. Goden die vanuit de hemel alles zien en beïnvloeden. Nee, zegt God, het zijn maar lampen, lichten, vers 14. Een grote en een kleine. Expres worden de namen niet eens genoemd. Niets om bang voor te zijn! De zeemonsters die schepen laten vergaan, dat zijn gewone waterdieren, door God gemaakt, vers 21. En we zijn helemaal niet afhankelijk van allemaal wispelturige godinnen als  ‘moeder aarde’, die de ene keer veel, de andere keren geen oogst opleveren. Het is God die de aarde toespreekt, vers 11 en 24: Breng groen voort en levende wezens!

Met andere woorden: We leven inderdaad in een wereld waarin veel machten zijn. Dingen die ons boven het hoofd gaan. Maar dat is niet iets om bang van te worden, maar om vervuld te raken van ontzag voor de Schepper. Wat ons chaotisch en beangstigend voor kan komen, maakt deel uit van de orde die Hij aanbrengt. Dit hoofdstuk straalt een kalme rust uit. Majestueus wijst de Schepper alles zijn plek, ieder naar zijn eigen aard en soort. De lichten aan het hemelgewelf. De zee op in zijn bedding. De planten, vissen, vogels en dieren elk in hun eigen domein.

Er zijn geen goden dan alleen onze God, die de Schepper is. Dat is voor ons als christenen nog alleen maar sterker geworden sinds Jezus Christus ook de dood overwonnen heeft. Die macht is de enige die nog steeds lijkt te heersen op aarde. Omdat alles en iedereen eens sterft en vergaat. Maar sinds Jezus Christus opgestaan is uit de doden. Het graf achter zich gelaten heeft, is zelfs die uiterste grens geslecht. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles alles is voldaan’.

Dat God Schepper is, wil dus zoveel zeggen, dat wij ook vandaag onze zorgen en de dingen die ons boven het hoofd groeien in Zijn handen mogen leggen. Alles waar wij geen raad mee weten, dat is goud in Zijn handen. Hij wist van de chaotische watervloed onze prachtige wereld te maken. Bedenk dan maar wat Hij kan met jouw zorgen, verdriet en zonden.

Vandaag is het dankdag en zitten we hier in de kerk. Dat doen we niet voor niets. We mogen God danken dat Hij onze Schepper is en Hij de wereld in de palm van Zijn hand houdt. En op die wereld ligt ook ergens Everdingen, en daar lopen wij. De mensen van Zijn eeuwige liefde. Als we dat beseffen, dan kunnen we niet anders dan op onze knieën Hem aanbidden.

Het maakt niet uit of de schepping precies zo verlopen is als hier beschreven wordt. Wát er gezegd wordt over God is in ieder geval waar. Wat er gezegd wordt over onze wereld en wie wij mensen zijn, dat raakt de kern. We hoeven niet met angst en beven door de wereld te gaan, maar mogen ontvangen wat God geeft. En als je eerlijk kijkt naar jezelf en je leven, dan is dat nog heel wat. We mogen als gelovigen back to the basics. Terug naar God, door Jezus Christus, onze Heere, die de dood overwon. De wereld is voor ons onttoverd. We geloven niet meer in goden en monsters. De demonen zitten figuurlijk gesproken meer bij onszelf van binnen. In die zin dat veel van het kwaad bij ons mensen vandaan komt.

Maar het is wel essentieel om te blijven geloven in God. Anders groeit dat kwaad uit tot het voor ons niet meer te overzien is. We hebben in de afgelopen eeuw misschien wel teveel van de schepping gevergd, waardoor het klimaat nu langzamerhand stuk gaat. Dat was natuurlijk niets Gods bedoeling met de opdracht die Hij meegaf: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!’ Het was niet de bedoeling om rijk te worden, hebzuchtig, elkaar te overheersen, zoals het nu in de wereld toe gaat.

Jezus Christus overwon de dood en de machten en ging naar de hemel. En toen dachten we dat de wereld van ons was. Maar dat is de grootste vergissing van onze tijd. De wereld is dan wel onttoverd, niet meer schrikwekkend, maar de enige manier om dat zo te houden is om God te blijven danken en erkennen voor Zijn scheppingsmacht. De beste manier om de crisis te bestrijden is met elkaar vandaag dankdag te houden. Hoe gek dat ook klinkt. Als wij danken dat God Schepper is en belijden dat Hij dat nog steeds is. Dan en dan alleen gaat het goed komen met ons. Want dan mogen we opgelucht ademhalen dat u en ik er niet alleen voorstaan. We mogen terugvallen op Hem.

In plaats van angst en vrees geeft dat geloof ons vrolijkheid. Door zorgen vernauwt zich ons blik, totdat je alleen nog maar de problemen ziet. De ontspanning van het geloof in de Schepper, maakt ons daarvan los. Die laten we aan Hem over, en wij kunnen ons oprichten en om ons heen zien. De beste oplossing voor een crisis, is om even uit het raam te staren of een wandelingetje te maken en goed om je heen te kijken. De frisse herfstlucht in te snuiven en te genieten. Niet dat de natuur zelf ons helpt, maar wij zien door dat alles heen de ontferming en liefde van onze God, Vader, Zoon en Geest, die met plezier dat alles heeft gemaakt voor ons om in te wonen.

En misschien moeten we dan ook heel praktisch maar ‘back to the basics’. De kledingkast maar iets minder vol. Een biertje minder tijdens het stappen. Even geen nieuwe computer of tv. Wat geeft het nou echt ten diepste? We hebben elkaar als mensen. We hebben God, onze Schepper? En we verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Wat valt er te danken vandaag? Dat was de vraag waarmee we begonnen. Wel, wij danken vandaag Iemand die ons tot onze verwondering kan vullen met vrolijkheid in een overweldigende wereld. Wij danken vandaag dat wij een Schepper hebben. Wij bedanken vandaag Vader, Zoon en Geest voor Zijn scheppingsmacht, die doordringt tot in onze harten.

Amen