Leeservaring: Den Admirant: Hij is niet ver

Het thema van Gods aan- of afwezigheid is een hot issue binnen en buiten de kerk. De auteur bedoelt ook op die vragen in te gaan. Maar door de opzet van het boek, waarin niet gestart wordt vanuit onze vragen, maar massief vanuit de openbaring en theologie, lijken juist die vragen niet echt serieus genomen te worden.
Natuurlijk kun je vanuit de Bijbel stellen dat God zich openbaart en van zich laat horen, theologisch is dat juist, maar het rare is dat dat voor moderne mensen nauwelijks nog geloofwaardig is. Als antwoord op de secularisatie en onze moeite met geloven wijst Den Admirant op de opwekkingsbewegingen van de 18e en 19e eeuw met de conclusie dat de Heilige Geest uiteindelijk degene is die onze geestelijke luiheid moet doorbreken. Ook dat is theologisch correct, maar geeft geen dieper inzicht in waar onze geestelijke luiheid in onze postmoderne tijd nu eigenlijk vandaan komt. Het boek spoort aan om Gods aanwezigheid te zoeken in kerkdienst, gebed en bijbellezen, en dat is te prijzen, maar als niet een spa dieper gekeken wordt naar de oorzaken van het betekenisverlies (zie: Wisse – Zo zou je kunnen geloven) van juist die traditionele heilsmiddelen, helpt dit niet veel verder.
Omdat er commentaar kwam op de eerste druk, heeft de auteur in deze tweede druk een hoofdstuk toegevoegd waarin hij meer ingaat op het gevoel van de afwezigheid van God. Echter, dit is meer een pastoraal hoofdstuk, dan een theologische verdieping. Daarvoor kun je beter terecht bij Plaisier – Overvloed en overgave.
De indeling van het boek in ultrakorte hoofdstukjes en kleine verdiepingen maakt dat je er niet echt lekker in komt en dat geen enkel thema echt de ruimte krijgt die het nodig heeft. De schrijfstijl is verder wel erg afstandelijk en prekerig. De tweede ster krijgt de auteur van mij dan ook alleen cadeau omdat ik wel zijn positieve intentie proef om met deze thema’s bezig te zijn, en zijn verlangen naar meer aanwezigheid van God.

Dominee bij Defensie

Bijdrage aan het symposium “Stroom en bedding” over de Protestantse Geestelijke Verzorging bij de Krijgsmacht (19 april 2017) met alle krijgsmachtpredikanten en genodigden uit de kerken. Met als hoofdvraag: ‘Hoe verhouden we ons als krijgsmachtpredikanten tot onze bronnen (500 jaar Reformatie)? Hoe ziet het landschap eruit? Hoe stroomt het water van de traditie van de Reformatie in de bedding van onze wereld en in het bijzonder in de dynamische en seculiere wereld van Defensie? Hoe blijft het voor onszelf stromen? Waar blijkt voor onszelf de kern te zitten?



Stroom en bedding: laat het evangelie maar stromen!

Lezing als respons op dr. Theo Pleizier & trendwatcher Jeanneke Scholtens

Vooraf

Het is mij een eer voor jullie te mogen spreken. Ik ben de jongste krijgsmachtpredikant. En heb dan ook zeker niet de wijsheid in pacht. Mijn ervaring met de protestantse geestelijke verzorging bij Defensie beperkt zich tot de Koninklijke Landmacht, en dan nog alleen 17 Pantserinfanteriebataljon, waar ik nu twee jaar werk in Oirschot. Ik heb bovendien nog geen uitzendervaring, dus dr. Theo Pleizier is al meer op missie geweest dan ik. Mijn betoog is dan ook niet meer dan een hopelijke prikkelende, maar persoonlijke bijdrage als respons op Pleizier en Scholtens. Waarom ik dan toch deze lezing houdt? Om in de taal van dit symposium te blijven: ‘Ik ben net ingestroomd’ uit de kerk en heb daardoor wellicht een frisse en scherpe blik. En daarnaast ben ikzelf groot geworden met Luther en Calvijn in de reformatorische stroming van protestants Nederland, waar ik ook nog steeds vrolijk in zwem.

Wat is de opzet van mijn verhaal? Allereerst verbind ik de trends die Scholtens signaleert met de werkelijkheid van Defensie, waaruit duidelijk wordt dat Defensie zelf kerkachtige trekken heeft. Behalve dat het over God gaat, natuurlijk. En daar ligt voor mij een pijnpunt dat ik expliciet wil benoemen. De bedding ligt er, maar stroomt er nog iets? Kansen genoeg, hierbij sluit ik aan bij Pleizier. Zolang we maar mensen vrijmoedig een toegang tot God bieden via het evangelie van Jezus Christus. Grote woorden misschien, die ik nu zal verduidelijken.

  1. Alles stroomt bij Defensie

Defensie is een meerstromenland, een modern Mesopotamië. Constant in beweging. Enerzijds door bezuinigingen en bijbehorende constante reorganisaties, anderszijds door de naargeestige herleving van de geopolitiek waarvan we hoopten dat die dood was. Constant komt er nieuwe doctrine en nieuw materiaal: gemotoriseerd optreden, hybride oorlogvoering, cyber warfare, multinationale integratie. De hele 13 Lichte Brigade in Oirschot moet eigenlijk nog uitgevonden worden. Defensie is daarmee ook, zoals Scholtens voor de samenleving opmerkt: caleidoscopisch, onzeker, geïndividualiseerd. Al het personeel moet na 3 jaar op functie weer verder. Het vertrouwen in de legerleiding is ontzettend laag – was in februari nog in het nieuws.[1]

Veel militairen kiezen voor vervroegde uitstroom. Digitalisering maakt dat veel kazernewerk administratief computerwerk is geworden. En tijdens oefeningen zitten militairen met één oog gekluisterd aan de smartphone, waardoor onderlinge contacten en gesprekken soms minimaal zijn. Let wel: dit alles heeft werkelijk caleidoscopisch ook positieve kanten: contact met het thuisfront is niet meer wekenlang of maandenlang minimaal. Er zijn volop mogelijkheden voor interne carrière, voor inbreng van ideeën. Voor individualiteit in haardracht, baarddracht en tatoeages (belangrijker en veelzeggender dan je denkt!). De organisatie wordt ook informeler, meer of voornaambasis. Minder in de houding. Dit alles natuurlijk tegen de zin van sommige adjudanten… Niets ligt meer vast, in die zin is zelfs binnen een sterk hiërarchische organisatie als Defensie sprake van ‘de-institutionalisering’.

Eigenlijk niet verwonderlijk: Defensie maakt deel uit van onze maatschappij, net als de kerken. Interessanter is misschien dat Defensie niet alleen meedrijft met de trends, maar ook actief inspeelt op de menselijke behoeften die daardoor opgeroepen worden. Ga maar na. Safety is een kernwoord. Defensie gaat volgens de corporate story allang niet meer over bommen en tanks, maar over ‘vrede en veiligheid’: ‘Wij beschermen wat ons dierbaar is.’ Defensie biedt een community, de kracht van het team, de trots erbij te mogen horen wordt erin gegoten tijdens de initiële opleidingen. Groepsgevoel en kameraadschap behoren bij de mooiste ervaringen van veel militairen. In de behoefte aan herbronning, identiteit en rituelen wordt ruimschoots tegemoetgekomen in de ‘militaire erediensten’ rondom de talloze regimentsjaardagen, dodenherdenkingen, medaille-uitreikingen en beëdigingen: ‘Ik beloof trouw aan de Koning’. Het pastoraat bestaat uit een batterij psychologen, maatschappelijk werkers, coaches, vertrouwenspersonen, veteranenwerkers en geestelijk verzorgers… In dat veelstromenland vervul ik vraaggestuurd de multireligieuze en transcendente behoeften met emerging church op de heide. Letterlijk. Midden op de hei op de vroege zondagochtend steek ik een kaars aan, draai goede popmuziek, vertel een inspirerend verhaal uit de Bijbel, ruimte voor stilte, gebed en je eigen gedachten. En Defensie kent natuurlijk sinds jaar en dag al de casual dominee, ik draag hetzelfde pakkie als Jan Soldaat. Als je het daarin niet kunt vinden, kun je ook gaan voor de yogalessen of de mindfulness-training. En qua marketing pakt Defensie de zaken goed aan: Elk jaar melden zich weer duizenden mensen voor de keuring in de hoop een baan bij dit prachtige bedrijf te bemachtigen. Daar kan de kerk van leren… Misschien wel omdat Defensie dus méér is dan een bedrijf: het biedt safety, community, purpose, ritual, transcendence. Defensie heeft kerkachtige trekken.

Defensie is dan ook niet zomaar een neutrale bedding, waarin de protestantse GV of de christelijke traditie al dan niet stroomt of kan stromen. Er ligt al een bedding, er stroomt al van alles. Defensie vormt de visie van militairen op de wereld, hun normen en waarden, voor sommigen zelfs hun identiteit. GV’ers die FLO-conferenties draaien op Beukbergen kunnen daar meer over vertellen: ‘Is er een leven ná en búiten Defensie?’ Defensie is in zichzelf al een levensbeschouwelijke organisatie. De bedding ligt er al vóór de stroom uit. Heel gemakkelijk rolde ik er voor mijn gevoel ook in een paar jaar terug: er is gevoel voor traditie, voor ritueel, voor vorming, voor normen en waarden; men heeft oog voor goed en kwaad, voor de grote vragen van leven en dood.

  1. Een droge bedding

Is er dan nog eigenlijk wel behoefte aan dominees bij Defensie? Aan een specifiek protestantse stroom? Wat heb ik dan nog bij te dragen aan dit veelstromenland als alle trends en behoeften die mensen maar kunnen hebben al ondervangen worden? Ik heb theologie gestudeerd, ‘Godgeleerdheid’, maar aan God is niet zoveel behoefte. Als een kleine illustratie daarbij: Een paar weken terug heb ik een bijeenkomst georganiseerd tijdens een lunchpauze om te inventariseren of er op de legerplaats Oirschot belangstelling is voor een ontmoetingskring, waarop we samen lunchen, bidden, praten en bijbellezen. Van de 5000 militairen en burgers op mijn kazerne hadden 5 interesse. 0,1%. Er zijn natuurlijk meer gelovigen, sommigen zullen gewoon andere werkzaamheden hebben, anderen hoeven niet zo nodig hun geloof publiek te maken. En ik was blij met deze 5, die kring is er. Maar ondertussen toch: 0,1%. Dat doet mij persoonlijk als gelovige verdriet.

Secularisatie is een feit, daarover hoeven we niet te discussiëren. Ik ga nu ook niet in op allerlei definitiekwesties, maar vat het voor mijzelf altijd samen als: ‘God is tegenwoordig geen hoofdrolspeler om Wie alles draait, maar vervult al dan niet een bijrol in de samenleving en het persoonlijke leven.’ Dat doet mij verdriet. Net als het onze rooms-katholieke, joodse en islamitische broeders verdriet zal doen. De grote monotheïstische tradities hebben immers in de kern toch gemeen dat het leven draait om de Ene God. Zelf hoor en lees ik zondags in de erediensten in de kerk nog regelmatig de Tien Geboden, die beginnen met:

‘U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’[2] En volgens Jezus is het belangrijkste gebod dan ook: ‘U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.’[3] Prio 1.

Het verhaal van Scholtens steekt wat dat betreft denk ik niet diep genoeg. We redden het niet in de kerk als we alleen de vormen veranderen, terwijl de inhoud is weggevallen.

Toch deed deze secularisatie mij meer verdriet toen ik in de kerk werkte, dan nu, nu ik werk in een seculiere organisatie. In de kerk trof en tref ik namelijk nog weinig begrip aan voor deze vergaande verschuiving. Omdat men er gelooft in God, ter kerke gaat, de Bijbel leest en bidt, gaan veel gelovigen ervan uit dat er ‘toch niets aan de hand is’. Terwijl ten diepste ook de kerk geseculariseerd is als je deze spade dieper steekt. In die rare spanning vond ik het lastig en complex om gemeentepredikant te zijn. Daarom vind ik het gemakkelijker bij Defensie: In onze seculiere organisatie is het volstrekt gemeengoed dat God buiten beeld is. Hoewel net zo erg, geeft het een eerlijk speelveld. En kan ik ook eerlijk zijn. Als je als dominee in de kerk zegt dat je soms niet in God gelooft, dan schrikken de mensen terug. Daar moet je je imago als professionele gelovige hooghouden.

Gek genoeg lucht het mij daarom weleens op om in een volledige seculiere omgeving te verkeren, gewoonweg omdat ik merk dat de secularisatie ook helemaal door mij is heen gegaan. Hoezeer dat mij ook aangrijpt soms, het is heerlijk om daar eerlijk over te zijn. Niets erger, dan als het bij jezelf vanbinnen niet meer stroomt, als je eigen bronnen voor je gevoel droog staan, te blijven babbelen over God en lege stichtelijke teksten en clichés te berde te brengen. Het eindeloze geopen en gesluit met bijbellezen en gebed rond alle kerkelijke vergaderingen, diensten en pastorale bezoeken heeft soms meer van het ‘ijdel/leeg gebruik van de Naam des HEEREN’ dan het oprechte gevloek van militairen over de ellende in hun leven en wereld.

Door met militairen samen in deze woestijn van de secularisatie te zijn en sámen te zijn in deze droogte van het leven, samen constateren dat het niet meer stroomt, geeft dat meer herkenning en erkenning. Ik sta als GV’er in de militaire organisatie met lege handen, maar ik sta ook naast en bij mensen met lege handen. En juist op die manier zijn wij voluit protestants en reformatorisch:

Was het niet Martin Luther die op zijn sterfbed zijn hele theologie samenvatte in dat ene zinnetje: ‘Wir sind Bettler, das ist wahr.’[4]

Is er behoefte aan dominees bij Defensie? Aan dominees die zo eerlijk durven zijn, is altijd behoefte.

  1. Het evangelie vult de leegte

Paulus schrijft: ‘Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons. … wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld; … Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.’[5]

Wat maakt ons tot protestantse GV? Dat wij in de droogte, in het nulpunt van het leven, weten en ervaren dat de leegte niet leeg is en blijft. Dat we in de twijfel niet vertwijfeld raken. Dat er rotsen zijn waaruit waterstromen voortkomen. Dat er niet alleen sterven en verliezen is, maar ook opstaan en ontvangen. Niet automatisch, maar tot onze eigen verwondering. Als we in de ervaring van de dood van God, de dood van de kerk, de dood van ons eigen geloof, tot onze verwondering ervaren dat alleen maar ons godsbeeld in duigen gevallen is, de menselijke instituties een kaartenhuis vormen, ons eigen denk- en zelfbeelden sneuvelen, maar dat het leven doorgaat. Nieuw en fris, als op de Paasmorgen, wanneer de zon opgaat boven het lege graf.

Nu ik optrek met militairen en zo veel mogelijk hun leven deel, ga ik steeds meer zien dat God nooit ver weg is. Als militairen zeggen: ‘Ik heb niets met God’ of ‘Ik geloof niet’, dan geloof ik ze niet meer zo snel. Vaak bedoelen ze gewoonweg dat ze niets hebben met traditionele of geïnstitutionaliseerde vormen van kerk-zijn. De jonge militairen die ik spreek zeggen dat niet vanuit een anti-houding, maar zijn gewoonweg er nooit mee in aanraking geweest. De 10-ers en 20-ers die nu instromen bij mijn bataljon zijn tabula rasa, blanco in levensbeschouwelijk opzicht. Een tijdje terug had ik een gesprek met een 27-jarige fuselier die ‘gewoon niet lekker in zijn vel zat’, zoals hijzelf zei. En ik vroeg hem: ‘Waar wordt jij gelukkig van dan? Hoe zie jij je leven voor je? Heb je een doel?’ En hij zei: ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht, u bent de eerste die het mij vraagt.’ En zo tref ik hoopjes lui die met hun ziel onder de arm lopen. Maar met wie gesprekken over vertrouwen en houvast, toekomst en hoop, leven en dood, falen en genade, verzet en overgave, opmerkelijk overeenkomsten vertonen met het Psalmboek van Israël, met het leven van de patriarchen, de profeten en koningen. En zeker met het leven van Jezus, zijn oog voor mensen, zijn ruimte, scherpte en liefde, komen dichtbij.

Het gewone geleefde leven is de vindplaats van God. Dat is in ieder geval het typisch protestantse interpretatiekader dat ik opnieuw leer ontdekken. God is niet exclusief verkrijgbaar in kathedralen, sacramenten, door bemiddeling van priesters en kerkelijke instituties. Het was daartegen dat Luther en Calvijn zich 500 jaar geleden keerden. Zoiets bedoelt, denk ik, ook Pleizier als hij spreekt over de protestantse eigenheid die persoonlijk is en niet-institutioneel. De waardering voor het gezinsleven, voor het beroep als roeping, voor het ambt aller gelovigen, maakt dat ik als protestant niet hoef te vervallen in kerkelijke structuren en verwachtingen, om toch te kunnen benoemen en erkennen dat God werkt en leeft onder militairen.

Aan de ene kant zou je dat theologisch ‘algemene genade’ kunnen noemen: alles wat goed is in het leven van mensen, wat mensen ervaren aan liefde, aan vertrouwen, aan hoop. Aandacht en zorgzaamheid. Moed, toewijding en veerkracht. Het is geen menselijke prestatie, geen verdienste, maar het wordt in dankbaarheid ontvangen. Als gaven van God. Genade. Sola gratia. Natuurlijk is dat mijn gelovige interpretatie. Maar het is een heilrijke en bevrijdende interpretatie, merk ik in begeleidingsgesprekken. Soms helpt het mensen al enorm als ze het vele goede weer leren zien en waarderen. Protestantse GV hoeft dan denk ik ook niet in de spanning te zitten tussen transcendentie en betekenisgeving, zoals Pleizier die benoemd.

Aan de andere kant maakt het concept ‘algemene genade’ nog steeds een soort tweederangs gelovigen, want ‘de bijzondere genade’ die zich moet voltrekken in bekering en wedergeboorte is het eigenlijke en zaligmakende. Iemand die zijn hele leven van de algemene genade heeft geprofiteerd, gaat zonder een actief en persoonlijk geloof in Jezus Christus als Redder toch verloren. Nu hoeven we niet terug te schrikken voor die laatste ernst van het evangelie, maar zelf ervaar ik de bijbels-theologische lijnen die bijvoorbeeld de anglicaanse Tom Wright trekt als weldadiger en opbouwender.[6] Hij betoogt dat de 4 evangeliën getuigen van de climax van het geloof dat Israëls God mens is geworden in Jezus Christus om het koningschap over de aarde op zich te nemen. Via de weg van kruis en opstanding, via het werk van de Geest, is dat Koninkrijk gevestigd. Dat is de daadwerkelijke stand van zaken op dit moment.

Voor mijzelf is dat een vruchtbaar perspectief omdat dit grote verhaal, deze grote woorden daarmee over ons allen gaan, niemand heeft daar méér of minder recht op of afstand van dan een ander. Op één of andere manier leven wij allen van en in het licht van deze goede boodschap als onderdanen van Jezus Christus. Leer ermee leven. Laat je meedrijven op die stroom. En laat je erdoor veranderen.

  1. Vrije toegang tot God door Jezus Christus

Dit gelovig perspectief op de bedding van Defensie en de stroom van het evangelie, ligt heel dicht bij de kern van mijn geloof en bij de kern van het Anliegen van de Reformatie. Op de basisschool werd mij verteld hoe Maarten Luther in het klooster ergens in een hoekje een boek aantrof aan een ketting en onder het stof. Het bleek de Bijbel te zijn. Hij ging er stiekem in lezen en vond bij Paulus de sola’s: sola gratia, sola fide, sola scriptura. Luther vond God. Een genadige God in Jezus Christus. Later begreep ik dat dit een apocrief verhaal is. In werkelijkheid werd ook in de middeleeuwse Rooms-katholieke kerk natuurlijk dagelijks uit de Bijbel gelezen. Maar metaforisch is het wel kernachtig voor Luthers leven en voor waar de Reformatie voor staat.

Op één of andere manier was de stroom van het evangelie stil komen te liggen, de toegang tot God verhinderd. Allerlei kettingen en secundair stof waren aangeslibt. Theologisch: de idee dat goede werken voorwaardelijk zijn voor toegang tot de hemel. Sociologisch: Door de kerkelijke hierarchie, , en natuurlijk ook gewoonweg machtsmisbruik en corruptie binnen de clerus. Praktisch: het kerklatijn dat voor ongeschoolde burgers onverstaanbaar was. Luther vertaalde de Bijbel in het Duits, zijn volkstaal, brak met het gezag van traditie en clerus, niet als querulant, maar om het evangelie, en daarmee God zelf weer gemeengoed te maken, toegankelijk en vrij beschikbaar voor iedereen. Via de weg van verzoening door Jezus Christus en niet door eigen prestatie en kwalificatie. Onvoorwaardelijk.

Deze bevrijdende radicaliteit is lastig vol te houden. Ook voor mij als protestant. Het is een kern waarnaar ik elke keer weer terug moet keren. Terug naar de eenvoud van Jezus Christus, naar de verzoening door voldoening. Trots en ambitieus als ikzelf ben, ben ik tegelijk ook altijd onzeker over mijzelf. Of ik wel goed genoeg ben. Of ik mijn werk wel goed genoeg doe. Of ik het wel waard ben om van gehouden te worden. Door de mensen om mij heen. Die existentiële onzekerheid en aanvechting zorgt voor stremming van de stroom. Ik geloof dat het God zelf is, die door Zijn Geest, mij uit die verkokering haalt, weer in een stroomversnelling brengt. Mij terugbrengt bij deze kern:

Gods liefde wordt mij in Jezus Christus persoonlijk bewezen en geschonken. Hij heeft mij op het oog. Onvoorwaardelijk.

Het lijkt mij typisch reformatorisch en protestants als wij vandaag de dag juist op dit punt inhaken. Allereerst dat ook wij in ons ambt onvoorwaardelijk beschikbaar zijn, zoals Pleizier dat benoemde. Laat dat nu precies in onze grondwet zijn vastgelegd: Het hele bestaansrecht van geestelijke verzorging binnen justitie, zorg en Defensie hangt hieraan. Maar dat is enkel de formele kant van de zaak, enkel een passief recht. Het vergt actieve werkzaamheid om de vrije toegang tot God door Jezus Christus vrij te houden.

Theologisch vraagt dat werk. Hoe breken wij onderlinge muren weg, die ons als christenen gescheiden houden? Met zoveel verschillende protestantse kerken hier bijeen, benoem ik toch even de schande van onze verdeeldheid. En een stap verder: Ik zegen de dag waarop de RKGV en PGV één dienst kunnen vormen. Gisteren vierden we samen Pasen, dat smaakt naar méér. Maar dan begint het pas. Ik zoek naar een inclusieve en positieve theologie, die mij helpt om hermeneutische bruggen te slaan tussen het grote Verhaal van God en de levens van militairen. Omdat ik geloof dat God met iedereen te maken wil hebben, ja hééft. En dat het militairen helpt om zich bewust te zijn van een overkoepelend zingevend verhaal, waardoor ze zich kunnen laten inspireren, meeslepen of meedobberen. Dat ze zelfs zonder het te weten leven binnen de ruimte van Gods liefde. Onvoorwaardelijk.

Sociologisch blijven wij kritisch naar de bedding van Defensie: vanuit onze protestantse egalitaire genen hebben wij iets tegen hierarchie. Ik begin consequent te lachen als binnenstromers uit de AMO voor mij in de houding springen en zich met rang en achternaam voorstellen. ‘Hóe heet je?’ vraag ik dan. Rood wordend noemen ze nogmaals hun achternaam. ‘Van voren bedoel ik natuurlijk, doe maar normaal, je bent bij de GV.’ Solidair zijn wij juist met de manschappen, en dan nog juist met de soldaten die erbuiten vallen of geschorst worden. Als je je afvraagt hoe stroom en bedding elkaar beïnvloeden, heb je hier wel een heel mooie casus: zou het ‘calvinistische’ Nederland toevallig zo’n relatief informeel en ‘plat’ leger hebben? Ik denk dat de protestantse stroom, mede door ons werk daaraan bijdraagt: ‘Doe normaal, we zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd.’

Praktisch vergt ‘onvoorwaardelijke beschikbaarheid’ misschien wel de grootste inspanning. Zoals Paulus de ‘Joden een jood, de Grieken een Griek’ werd[7], zullen we de militairen een militair moeten zijn. Wat houdt dat in? Dat zit denk ik niet in meehuilen met de wolven, geaccepteerd willen worden als officier of het eet-, rook- en drinktempo op de BBQ’s bijhouden. Het gaat om liefde voor de militair en het militaire bestaan. Om solidariteit en loyaliteit. Dat zíj het gevoel hebben dat ik geen vreemde eend in de bijt ben, geen ‘gast’ die zo af en toe eens langs komt op oefeningen, maar die hun bestaan kent en deelt. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Ook mijn tenue is altijd correct, ik scheer me dagelijks al heb ik daar een hekel aan, ik sport mee, ik spreek hun taal. Niet omdat ik graag militair wil zijn – dat wil ik niet – maar omdat ik drempelloos wil zijn. Omdat ik geen verhindering wil zijn in de stroom van het evangelie, maar de toegang tot God.

  1. Blijven spreken over God is blijven stromen

Volgens Pleizier zit de specifiek protestantse heilsbemiddeling in de kracht van woorden, in het verwoorden van het transcendente. Ik zou zeggen: Laten wie die kracht dan ook vrijmoedig en maximaal gebruiken. Keer op keer ervaar ik het zelf als aanvechting om in algemeenheden te vervallen. Dat je denkt in je vertaalslag zover te moeten gaan dat het christelijk geloof alleen nog maar gaat om naastenliefde, een visioen van vrede, om licht in het donker van het leven, en dat soort vaagheden. Uiteindelijk heeft niemand daar iets aan. Ons handelsmerk en bestaansrecht ontlenen wij aan Jezus Christus, dus laat ik het ook maar over Hem hebben.

Soms stel ik het gewoon militairen voor, die bij mij op gesprek zijn. ‘Is het goed als ik voor je bid?’ Nooit zomaar uit das blaue hinein, natuurlijk, maar als ik daarvoor openheid proef, zonder dat ze zelf ‘gelovig’ zijn. Tot mijn verrassing vinden ze het vaak (aarzelend) goed. ‘God, help deze jongen, ga met hem mee.’ Meer niet. Vaker vertel ik een bijbelverhaal uit de losse pols dat als spiegelverhaal fungeert. Eye-openers. Ze hoeven van mij niet christelijk te worden, en toch is God er dan in hun leven.

Spreken over God, dat moeten we niet alleen op onze werkplek doen, maar ook met elkaar onderling als krijgsmachtpredikanten. Ik heb dat tot nu toe eerlijk gezegd een beetje gemist. Misschien omdat het ook wel gevoelig ligt. Maar als wij het niet samen over God hebben, dan droogt de stroom bij onszelf op.Ik zou graag de bemoediging ervaren van het van hart tot hart delen van onze zorgen, twijfels, ervaren zegen en inzicht, en het met elkaar hebben over God. Over Wie Hij is voor ons. Over wat Hij van ons verwacht en wat wij van Hem verwachten. Dat moet als dominees toch kunnen…

Dieper nog dan het spreken over God, gaat het spreken met God. Hij is geen grote onbekende, maar heeft Zijn liefde getoond in Jezus Christus.

Zo is Hij ook mijn leven binnen gekomen. Zo heeft Hij de liefde voor Hem in mijn hart gewekt. Zo is Hij een levende werkelijkheid en ervaar ik dat God mijn leven leidt en draagt. Deze diepe innerlijkheid heeft de Reformatie niet uitgevonden. De lijn van deze mystiek, bevindelijkheid of spiritualiteit, is hoogstens afgestofd in 1517. Deze gemeenschap met Christus, met Zijn kruis en opstanding, de inwoning van Zijn Geest, van een vrijmoedige, liefdevolle en vrolijke omgang met God is een onstuitbare stroom, binnen en buiten Defensie.

Tot zover.

 

[1] http://nos.nl/artikel/2159264-defensie-is-een-kille-werkgever-die-te-veel-let-op-cijfers.html

[2] Exodus 20,2 HSV

[3] Mattheus 22,

[4] WA 48, s. 421.

[5] 2 Korinthe 4,7-10

[6] O.a. in: N.T. Wright, Hoe God Koning werd: het vergeten verhaal van de evangeliën, Franeker: Van Wijnen, 2014.

[7] Geen letterlijk citaat, maar een gezegde als interpretatie van 1 Korinthe 9,20.

Wat moet een dominee in het leger?

Preek over 2 Koningen 6,8-23 bij mijn afscheid van Everdingen en bevestiging als krijgsmachtpredikant.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

In DT met stola op de preekstoel in Everdingen.

Gemeente van Jezus Christus,

Wat moet een dominee in het leger? Wat dóet een dominee eigenlijk in het leger? Die vraag heb ik veel gekregen afgelopen maanden. Tja, leg dat maar eens uit.

Aan de hand van Elisa moeten we een eind komen. Elisa, de godsman, de profeet, 9e eeuw v.Chr. bewees zijn nut wel in het leger. We lazen het in 2 Koningen. Door Goddelijke openbaring weet hij welke aanvalsplannen de koning van Syrië met zijn generaals bekokstoofd. En hij geeft ze door aan het leger van Israël. Zo´n dominee zou het Nederlandse leger ook wel willen hebben, denk ik.

Maar nee, dat is niet het werk dat ik ga doen. En je kunt je afvragen: Waarom doet Elisa dit wel? Waarom gaat hij zich bemoeien met die oorlog die er kennelijk gaande is tussen Syrië en Israël? Dat is toch helemaal geen werk voor een profeet, een religieuze persoonlijkheid, laat hem lekker bidden en naar de tempel gaan.

De achtergrond van die oorlog kennen we niet eens. De namen van de betreffende koningen staan er niet bij in dit verhaal, dus wie er precies tegen wie vecht is onduidelijk. Waarschijnlijk gaat het over wie er zeggenschap heeft over de winstgevende handelroutes naar het zuiden, naar Arabia. De hoofdstukken hiervóór en hierná in de Bijbel vertellen over meerdere conflicten die er tussen beide landen zijn geweest. Omdat beide koninkrijken ongeveer even groot en sterk zijn, heeft geen van beiden de overhand en moddert het conflict eindeloos voort.

Waarom gaat Elisa zich daar dan mee bemoeien? Een wespennest is het. Hij vertilt zich er ook aan, lijkt in ieder geval in het begin. De koning van Syrië pikt het niet en stuurt een gigantisch leger op Dotan af, waar Elisa verblijft. En Elisa’s hulpje krijgt ’s ochtends vroeg de schrik van zijn leven als hij de totale omsingeling ziet. Hij schreeuwt het uit: ‘Ach, mijn heer, wat moeten wij doen?’

Ja, daar zit je dan met je goede bedoelingen. Elisa probeert de oorlog buiten de deur te houden, maar opeens zit hij er zelf midden in. Misschien heeft u dat ook wel eens zo ervaren. Je probeert grip te houden op je leven, je best te doen op je werk, gezond te blijven, maar al die belangrijke dingen heb je uiteindelijk niet zelf in de hand. Ik heb als dominee de afgelopen jaren in pastorale gesprekken de verhalen gehoord, de pijn geproefd, wat het is om ontslagen te worden, om ziek te worden en niets meer te kunnen, wat het met je doet als relaties stuklopen, in het gezin, tussen vrienden en buren.

En ik heb ook zelf persoonlijk die momenten gehad de afgelopen 5 jaar in mijn werk als jullie dominee.

Toen ik hier kwam, probeerde iets van enthousiasme over te dragen voor de kerk, van liefde voor Jezus Christus, van de rijkdom van de Bijbel. Ik verlangde naar groei in geloof in de gemeente, naar groei in vrijmoedigheid in het uitdragen daarvan in het dorp, naar groei in gemeenschap rond het Avondmaal als broeders en zusters. Maar ik merkte al snel: dat zijn mooie idealen, maar dat is niet maakbaar. Ik had er geen grip op en kreeg er geen grip op.

Ik ging me eigenlijk steeds meer zorgen maken over de toekomst van de kerk in Nederland, maar dan ook in Everdingen, zo’n kleine kwetsbare gemeente als we zijn. Financiën in de rode cijfers, vacatures in het jeugdwerk. Veel werk rust op de schouders van een paar kartrekkers. Jongeren die afhaken van catechisatie. Het zijn signalen van de tijdgeest, van ‘secularisatie’ zoals we dat noemen: de afnemende interesse die we hebben in God en de afnemende relevantie van geloof.

‘Wat moeten we doen?’ roept de dienaar van Elisa. Hij ziet er geen gat meer in.

Wat een contrast met Elisa. Die blijft doodkalm. Irritant kalm bijna. Elisa lijkt wel eens soort supermens in de verhalen over hem. Met een bijzonder lijntje naar de hemel. Wij herkennen onszelf eerder in zijn dienaar, toch? ‘Wees niet bang’, zegt Elisa. ‘Hoezo, wees niet bang?! Zie je die paarden en wagens niet, Elisa?! Waar haal je die kalmte vandaan?’ Dat is misschien wel de belangrijkste vraag vanmiddag. Waar haalt Elisa het vandaan?

Bij God vandaan. Dat antwoord klinkt heel simpel. Maar vanzelfsprekend is het niet. Je zou kunnen zeggen: Wie is nu de belangrijkste speler in dit verhaal? Waar gebeurt het belangrijkste? Dan zijn wij geneigd om te zeggen: Elisa natuurlijk. Hij is de hoofdpersoon. En wat is het belangrijkste: Nou, dat is de afloop van het verhaal. Die prachtige levensles die we daar meekrijgen: Als je een vijandelijk leger goed te eten geeft, gaan ze je daarna niet meer aanvallen. ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Of iets dergelijks. Dat vinden we mooi.

Maar dan denken we wel heel plat. Een beetje zoals de koning van Syrië: Hij denkt ook dat Elisa het probleem is. En dat hij Elisa, die slimmerik, wel te grazen kan nemen als hij ook maar slim is. Daarom stuurt hij zijn leger ’s nachts op Elisa af. Daar verkijkt hij zich op. Hij houdt geen rekening met de God van Wie Elisa zijn kennis ontvangt…

Trouwens de koning van Israël denkt op hetzelfde militair strategische niveau. Als dat Syrische leger zijn stad Samaria binnen komt marcheren, ruikt hij zijn kans. ‘Zal ik hen doden? Zal ik hen doden?’ Het wordt in de tekst twee keer herhaalt. Hij staat te popelen. Hij zál die ellendige Syriërs eens. Daarom moet Elisa hem terechtwijzen. Vers 22 is een beetje gek in de HSV terecht gekomen, in de Nieuwe Bijbelvertaling staat het zo: ‘Hebt ú ze soms met uw eigen wapens krijgsgevangen gemaakt, dat ú hen zou doden?’ Met andere woorden: Koning, denk eens even na Wiens gevangenen dit zijn? Aan Wie danken we dit? Oh ja, God…

En het is die dienaar van Elisa, die ook zo plat denkt. Hij ziet wagens en paarden, een omsingeling, en denkt: ‘Wij zijn verloren. Daar kan niets en niemand nog wat aan doen.’

Herkenbaar toch? Ook voor ons eigen leven. Wij denken zelf de meeste dagen ook zo plat. We geloven al of niet dat er ergens wel iets is, dat God daarboven is, en dat Hij misschien ook wel iets kan. Maar de problemen en vreugden van alle dag, zijn toch meer ons eigen pakkie aan, denken we dan. Daar heeft Hij niet zoveel mee van doen. Wanneer zijn wij nu echt bewust met geloof, met God bezig? Staat dat op de voorgrond in ons leven?

Vaak vergeten wij God gewoon. Dat Hij belangrijk is. Ik ook, hoor. Zeker tijdens de afgelopen intensieve opleidingsweken. Dan zijn er dagen dat je helemaal niet aan Hem denkt. Dat is best wel ernstig. Maar vooral jammer. Als er iets is in ons leven, waar dit verhaal over Elisa ons bij stilzet, dan is het wel dit: Dat als wij geen rekening houden met God, dat wij dan het belangrijkste in ons leven vergeten.

Dat is misschien te gemakkelijk gezegd. Want die dienaar van Elisa, zíet het gewoon niet. Elisa zegt niet tegen zijn dienaar: ‘Jongen, geloof het nou maar. Do’nt worry, be happy. Het komt wel goed.’ Nee, die jongen kán het niet zien.

Daar komen we op een spannend punt. Veel mensen haken af van kerk en geloof, juist omdat ze er niets van zien. We zien de wereld om ons heen, maar God zien wij niet. En op die momenten dat we iets van Hem zouden willen zien, van Zijn ingrijpen, Zijn macht, zijn bescherming, blijft het stil.

Ja, oke. Het is goed om pastoraal bij die ervaring stil te staan.

Een ervaring van alle tijden. Een worsteling van alle tijden, een worsteling die ik zelf ook ken, en die u vast ook kent, maar dat is niet het enige. Hier in de kerk gaat het verhaal vérder. Er is méér. Er is evangelie.

Elisa bidt. ‘HEER, open toch zijn ogen.’

Elisa moet eerst voor zijn dienaar bidden, dat zijn ogen geopend worden, en dán pas ziet hij vurige wagens en paarden die een cordon vormen rond Elisa. In de Bijbel staan die vurige wagens en paarden voor een hemels leger, een leger van engelen, geesten die God gehoorzamen. Een leger dat God nooit werkelijk op aarde inzet overigens. Het staat symbool voor de overweldigende macht en bescherming van God. Voor Gods eigen aanwezigheid. Éven ziet de dienaar met eigen ogen hoe de zaken er werkelijk voorstaan in de wereld. Hoe de werkelijke machtsverhoudingen zijn.

Dat kan dus wel. Dat God je ogen opent. Dat je tot inzicht komt. Tot het inzicht dat God er toe doet. Dat Hij er is. Dat Hij er voor jou is, voor u.

En dat is hier duidelijk een geschenk van boven, het is een geschenk van openheid, van verlichting, van inzicht.

In de loop van mijn jaren hier in Everdingen is dat voor mijzelf steeds belangrijker geworden. Omdat ik merkte dat ikzelf ook vaak was als die dienaar. Dat ik dacht dat ikzelf het werk moest doen. Maar ik zag niet hoe! Ik zag zo weinig van God in mijn eigen leven, in de wereld om mij heen, in de gemeente.

Pas het afgelopen jaar heb ik geleerd (of beter: heeft God mij geleerd, door jullie hier in Everdingen) om ánders te kijken, om nóg eens te kijken. Om oog te hebben voor Gods aanwezigheid. Om het wonder te zien van het kleinste bloemetje in de berm van de Lekdijk. Om elk vriendelijk woord onderling in de gemeente te zien als zegen van God. De fijne sfeer van Avondmaal vieren. De trouwe bezoekers van de Bijbelkring. De kinderen van de zondagsschool die heel zachtjes hun psalm zingen bij sluiting winterwerk.

Je kunt denken: Is dat het nou? Ja, dat is het. Dat wat er is, is al zoveel. Het is een leerproces, om te leren zien. Écht te leren zien. Mensen te zien. Zoals ze zijn. Gods werk te zien. Zijn aanwezigheid. In álles. In al die dingen die wij soms zo gewoon zijn gaan vinden, zo vanzelfsprekend.

Daar hebben wij God zelf voor nodig. Onze verblinding kan Hij verhelpen. Bij ons zitten de luiken zo snel dicht. Zo op onszelf gericht als we zijn. We moeten open gezet worden.

En dat kan dus. Elisa hoeft er maar om te vragen, of het gebeurt. Ik zou zeggen: Dat is iets waarmee wij elkaar moeten helpen. Om God in het oog te houden. Daarom moeten wij voor elkaar bidden.

Daarvoor ga ik nu ook het leger in. Als dominee ben ik daar voor iedereen een levende herinnering aan het feit: Er is méér. Meer dan met wapens bezig zijn, trainen, je land verdedigen, de internationale rechtsorde beschermen. Je bent als militair méér dan een wapensysteem. Je bent een mens. Een mens onder Gods hemel. Scan niet alleen het terrein voor vijandelijke troepen, maar kijk ook eens omhoog.

Daar valt méér te zien dan je denkt. In het Nieuwe Testament is er het opvallende parallel-verhaal van de arrestatie van Jezus. Net als Elisa wordt ook Jezus omsingeld door een grote menigte gewapend met zwaarden en stokken. Op het eerste gezicht denk je: Dit gaat helemaal mis. Één van de discipelen trekt nog zijn zwaard en hakt er op los.

Jezus is hier degene die alles met een andere bril bekijkt. Ook Hij weet zich omringt door meer dan twaalf legioenen engelen. Een legioen in die Romeinse tijd was 6000 man. Oftewel: Jezus is zich bewust van de ware krachtsverhoudingen, zoals ook Elisa dat was. Maar Jezus weet dat uiteindelijk de zwaarden in deze wereld niet in staat zijn de vrede te brengen. Dat je daar God voor nodig hebt. Oorlogen blijven eindeloos. Geweld zorgt alleen maar voor méér geweld.

En daarom geeft Jezus zich gevangen. Dat is Gods weg, zegt Jezus. Gods wil. Op het eerste gezicht lijkt dat onzin. Hoe kan jezelf gevangen laten nemen, laten mishandelen, jezelf laten kruisigen, Gods wil zijn? Hoe kan dat vrede brengen? Dat slaat helemaal nergens op. Had Elisa niet beter die vurige wagens en paarden op de Syriërs los kunnen laten? Dan waren ze vernietigd. Dit verhaal in het Oude Testament lijkt goed te eindigen, maar in vers 24 gaat de oorlog toch gewoon door. Had Jezus niet gewoon ook die twaalf legioenen engelen moeten gebruiken om vrede op aarde te brengen?

Op het eerste gezicht wel. Maar dan verkijken we ons op God, op Jezus. Jezus verdient het dat we nóg eens en nóg eens naar Hem kijken. Hem in het oog houden. Hem op de voet volgen. Want dan zien we, zoals Jezus het ziet ‘dat de Schriften van de profeten vervuld worden.’

Wat is Elisa’s doel? Dat de ogen van de koning van Syrië en de koning van Israël open gaan. Daarom brengt hij die Syrische legers ook even naar Samaria. Zodat die koningen zien dat de wereld niet om hen draait. Dat ook in de politiek en de militaire macht zij totaal afhankelijk zijn van de Ene, de Eeuwige, JHWH, de God van Israël. Dat de wereld altijd al om Hem draait. Dat macht niet iets is wat afgedwongen kan worden, maar wat gegeven wordt. Dat niet wapens, maar genade het werkelijke machtsmiddel is. De kunst om te vergeven. De kunst van het opnieuw bekijken. De kunst van de tweede kans.

Zo is God, zo is Jezus. Dat wil Hij ons geven. Die openheid, die lichtheid, die genade. Met ontzag vertelt de Bijbel het verhaal dat Jezus daarom niet in het graf kon blijven. De dood had geen grip op hem. Zelfs de dood verkeek zich op Hem.

Op het eerste gezicht een ongeloofwaardig verhaal. Maar het verdient onze aandacht. Er is méér dan je denkt. Kijk nog eens. Wees niet te snel met je mening, vertrouw niet teveel op je eigen ervaring en waarneming. Je ogen kunnen je bedriegen. Bid dat God je daarvoor bewaart. Bid om open ogen.

Of de koningen van toen zo blij waren met Elisa, weet ik niet. In dit verhaal probeert de koning van Syrië Elisa te grijpen en te doden. Vanaf vers 24 probeert de koning van Israël hetzelfde. Ook Jezus onderging het lot van arrestatie, omdat Hij de leiders voor de voeten liep. Ook ik zal mijzelf niet heel erg populair maken bij militairen als ik zeg dat ze vooral hun wapens niet moeten gebruiken, omdat geweld geen oplossing is. Al is er ruimte voor nuancering en uitzonderingen, in de kern brengen de Bijbel en de christelijke traditie deze pittige boodschap.

En die moet gezegd worden. Hier in de kerk blijft gepreekt worden, daar ben i,k niet bang voor. Ook nadat ik vandaag afscheid genomen heb. Daar zorgt God zelf voor. Op die macht mogen we vertrouwen als gemeente.

Maar het moet ook gezegd worden in de wereld, in de wereld van Defensie. Dat ga ik doen. Niet arrogant, niet belerend. Misschien zelfs niet eens met woorden, maar met daden. Gewoon door er te zijn. Door mijzelf open en kwetsbaar op te stellen. Door mijn eigen zwakheden te laten zien. Door oprechte aandacht en liefde.

Dat is de weg die ook u als gemeente hier in Everdingen mag gaan. Die blik in de hemel van de dienaar van Elisa, waarin hij de vurige wagens en paarden ziet, dat is geen eindpunt. Juist als je weet van God. Als je Hem gezien hebt in de persoon van Jezus Christus. Als je gezien hebt dat het kruis geen symbool van lijden is, maar de plek van de overwinning van de liefde op de dood. Van de verzoening en genade op het kwaad. Dan ben je geroepen ook zelf die weg te gaan.

Zet de deur van je hart open. Zie de mensen om je heen. Ontferm je. Help ze. Heel concreet wordt dat in deze dagen door vluchtelingen die op de drempel van Nederland staan. Maar ook in het klein. Schrijf nooit mensen af. Ook niet als ze je kwaad berokkenen. Kijk nog eens. Kijk ze in de ogen. En kijk eens in de spiegel. Zie wat God aan het doen is. Met u, met jou, met onze gemeente, met de kerk, met de wereld. Kijk eens goed, en je staat verstelt van Zijn goedheid en trouw, nu en tot in eeuwigheid.

Amen