Ruïne of bouwplaats?

Preek over Haggai 2,1b-10 gehouden op de 2e zondag na Pasen.

Afbeeldingsresultaat voor second temple haggai

Ruin or Work in progress?

Gemeente van Jezus Christus,

1. Generatiekloof

Heb je dat ook wel eens gehad? Dat je kleren kapot waren? Of je schoenen? Een gat op in je broek, een versleten zool. Misschien ook gewoon te klein geworden. Want jullie groeien zo hard! Jou maakt het niet zoveel uit, je vindt met misschien wel prima: nu heb je nieuwe kleren nodig, nieuwe schoenen. Altijd leuk om weer iets nieuws aan te hebben! Die oude was je eerlijk gezegd ook wel een beetje zat. Papa en mama denken daar vast anders over: die vinden het zonde van die schoenen, die hadden best wel wat gekost. Nieuwe schoenen moeten ook betaald worden…

Jullie zien allebei hetzelfde: versleten kleding, een kapotte schoen, maar je kijkt er heel anders tegenaan: verdrietig of … blij.

Zo was het ook in de tijd van Haggai. Toen het volk Israel terugkwam uit de ballingschap in Babel en terugkwamen in Jeruzalem, lag daar alles in puin. Alles stuk. Muren, huizen en de tempel. Dat laatste vond men wel het ergst, maar men kon de moed niet opbrengen aan de herbouw te beginnen. Want waar moet je beginnen? 18 jaar lang laat men het maar zo. Maar dan, in het jaar 520 voor Christus, op 29 augustus (alle profetien in dit boek zijn exact gedateerd!), is daar in één keer Haggai, een profeet.

Iemand met een boodschap van God, die zegt: ‘en nu, nu, is het toch echt de hoogste tijd om aan de slag te gaan met die tempel: dit kan toch zo niet! Je hebt allemaal wel je eigen huis gebouwt, je eigen zaakjes voor elkaar, maar daar rust geen zegen op, zolang je niet aan het huis van God begint te bouwen. Want zeg nou zelf: Als je overal in je leven aandacht aan besteed, behalve aan God, dan blijft het leeg en zinloos…’

Over Haggai zelf weten we niets, maar wel dat zijn boodschap doel trof: men begint te bouwen aan de tempel. Zo staat er in hoofdstuk 1 van Haggai. Maar dan komt hoofdstuk 2. (In de hoofdstukken 1-6 van Ezra kun over deze geschiedenis trouwens meer lezen.) En dat is een heel ander verhaal. Na 7 weken komt de bouw stil te liggen, lijkt het. 29-aug begon de bouw, op 17-okt, 7 weken later, spreekt Haggai opnieuw. Waarom? De jongeren zijn wel blij, maar de oude mensen staan erbij te janken. Vers 4:

Wie is er onder u overgebleven die dit huis gezien heeft in zijn eerste heerlijkheid? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?

In Ezra 3 kun je nalezen hoe de jongeren staan te juichen als het fundament gelegd is, een nieuw huis voor God! Geweldig! Maar de ouderen vergelijken dit nieuwe gebouw met het oude, met de prachtige tempel van Salomo, die hier eerst stond. Het is niets! roepen ze. Dit wordt niks! Het is dan 67 jaar geleden dat die tempel verwoest is. Deze ouderen moeten dan ook 70+ en 80+ zijn om zich daar nog iets van te herinneren.

Nu zou je kunnen denken: Die oude mensen ook altijd, met hun ‘vroeger was alles beter’, die staan altijd op de rem, daar moet je niet bij stilstaan. Hun herinnering van 70 jaar terug is ook erg gekleurd. Als uzelf oud bent, dan kent u dat misschien wel: Ergens hem je heimwee naar de wereld van je jeugd. Naar je geliefden van toen, het huis waar je opgroeide, het eenvoudige leven, de winkeltjes en gezelligheid in het dorp, het spelen op straat. Maar dan zullen we het niet hebben over het eentonige menu, de slechte gezondheidszorg, het ontbreken van wasmachines, cv-ketels en auto’s. Sommige dingen waren vroeger zeker beter, maar niet alles…

2. Hoe kan dit nu? – Voelen wij ook de spanning?

Voor jongeren is het toch goed naar de ouderen te luisteren, want deze ouderen in Jeruzalem hebben toch wel een punt. Het gaat hier niet zomaar om een generatiekloof. De bouw van deze tempel stelt echt niet zoveel voor. En dat is iets anders dan God had beloofd, dan waar ze als gelovigen op vertrouwden en naar uitkeken.

De profeet Ezechiël had in de tijd van de ballingschap geprofeteerd over de terugkeer van het volk Israël naar hun eigen land en hoe dan een geweldige tijd aan zou breken, een geweldige nieuwe tempel gebouwd zou worden. Veel mooier en groter dan de oude van Salomo! Werkelijk een wereldwonder! Je leest het hele bouwplan in Ezechiel 40-43. En Ezechiël was niet de enige, ook Jeremia en Jesaja konden er wat van. Met andere woorden: De mensen die terugkeerden uit de ballingschap verwachten een nieuwe tijd, iets wat in ieder geval beter, mooier, grootser, heerlijker zou zijn dan voorheen. Echt een diepgaande verandering.

Iets daarvan proef je na Pasen ook bij de discipelen van Jezus. Ze vragen in Handelingen 1 aan Hem: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?’ Nu Jezus uit de dood is opgestaan, nu vang het nieuwe leven aan. Zo zongen we ook aan het begin van de dienst.  ‘Een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.’

Ziet u, het was niet enkel een kwestie van wat stenen met die tempel.

Van iets dat stuk was, en dat gerepareerd moet worden. Waarmee de ouderen verdrietig zijn en de jongeren blij. Het gaat veel dieper. Misschien voelen wij die spanning ook wel. Ik wel. Eigenlijk altijd als ik hier kom, vallen mijn ogen op de grafstenen rond de kerk. We vieren de opstandingsdag van Jezus, de zondag, de dag dat het leven het wint van de dood, op een kerkhof. En dat zijn geen 2000 jaar oude graven, van vóór Pasen, maar dat zijn ook graven van kort geleden. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan’, zongen we. O nee?

En dat bepaalt ons bij de hele diepe vraag: Is het er sinds Pasen nu echt beter op geworden in de wereld? En in mijn eigen leven? Pasen 2000 jaar geleden, maar ook Pasen 2 weken geleden. Wat valt er te merken van die opstandingskracht van Jezus Christus? Wat valt er van te zien? De ouderen in de tijd van Haggaï zien er niets van. Het is ‘als niets in hun ogen’, die nieuwe tempel. De jongeren zijn enthousiast, maar ja, die zijn altijd enthousiast, die hebben nog geen vergelijkingsmateriaal, geen levenswijsheid. Het is niet zo, dat als je maar lekker aan het metselen gaat, dan dat alles vanzelf goed komt.

De ouderen kijken niet alleen terug, ze verlangen naar meer. De dag van deze profetie, de 21e dag van de 7e maand, is de laatste dag van het Loofhuttenfeest, het is het oogstfeest in het najaar, het feest van de overvloed, het feest van de uittocht uit Egypte, van het begin in een nieuw land, vloeiend van melk en honing, maar in dit 2e jaar van Darius, is het een jaar van economische en politieke crisis, weten we uit buitenbijbelse bronnen.

Momenteel moeten we het in de wereld doen met leiders als Poetin, Trump, Erdogan, Xi en dergelijke. Spanningen lopen wereldwijd op rond Syrie, Noord-Korea, Rusland. Het klimaatverdrag van Parijs lijkt alweer vergeten te zijn. (huh, klimaatverdrag van Parijs, wat is dat? Precies). Europese landen, de NAVO, China, verhogen hun defensiebudgetten en verlagen hun ontwikkelingswerk. De grootste humanitaire crisis ooit dreigt momenteel in Afrika en Jemen waar dagelijks duizenden kinderen sterven van de honger. De vluchtelingen verdrinken nog steeds in de Middellandse Zee.

Je wilde dat het een keer anders kon.

3. De HEERE is er weer – Onbevreesd: het gaat om Hem!

Niet zomaar nieuwe schoenen als de oude versleten zijn. Dat is gewoon doorgaan op dezelfde weg met ups en downs. Doormodderen. Ook nieuwe schoenen verslijten immers weer. Hoe blij je kan zijn met je nieuwe auto, die eerste kras of deuk komt veel te snel! Ze verlangen naar meer in de tijd van Haggai. En ik hoop dat u dat verlangen ook deelt. Niet meer van hetzelfde in de wereld, in je leven, maar meer van God.

Vandaar de fantastische bemoediging die Haggai toen en nu mag geven, die die kern helemaal raakt, de kern van onze ziel, vers 5:

‘Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE, wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, heel de bevolking van het land, spreekt de HEERE. Werk door, want Ik ben met u, spreekt de HEERE van de legermachten.’

Zerubbabel is de joodse gouverneur van Judea namens de Perzen op dat moment, de burgemeester van Jeruzalem, zoiets. En Jozua is de hogepriester, de paus van het Jodendom, zoiets. En heel het volk, een ‘rest’ wordt het in vers 3 genoemd, qua aantallen niet echt groot.

Ik ben met u. God is bij jullie, Zerubbabel, Jozua, heel het volk. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Spreekt de HEERE. Driemaal herhaalt Haggai het. Om te benadrukken: dit zijn niet mijn woorden, dit is echt. Dit is Gods woord: God Zelf is met jullie. Ik ben met u.

Wees sterk: dat is niet lichamelijk bedoelt. Ze hadden echt wel de kracht om die stenen van de tempel op te tillen en te metselen tot een mooi gebouw. Uiteindelijk zal deze 2e tempel ook groter worden dan die van Salomo was. Nee, wees sterk: dat gaat over de innerlijke kracht, over moed, geloof, vertrouwen. Om verder te kijken dan die stenen. Om te zien waar het echt op aan komt.

‘Ik ben met u’. Dat betekent: Ik sta aan jullie kant. Ik help jullie. Ik zorg voor jullie. Ik zorg dat jullie krijgen wat jullie nodig hebben. Ik zorg dat er iets van terecht komt. Sterker nog: In de allerdiepste betekenis ís het project van die tempelbouw al geslaagd, want God is er al. En daar gaat het toch om bij een tempel. Een huis van God. Hij komt niet pas als de tempel af is, maar is nu al present.

In vers 6 wordt verwezen naar de Geest van God die er al was toen Israël uit Egypte trok. God was daar in een wolk- en vuurkolom. Hij kwam niet pas toen de tabernakel er stond, of later de tempel in Jeruzalem, maar Hij was er vanaf het begin al bij. Daar moeten we het van hebben. Daarom hoeven de ouderen toch niet verdrietig te zijn. Daarom hoeven we niet bang te zijn.

‘Wees niet bevreesd.’ ‘Ik ben met u.’

Het is niet toevallig, denk ik, dat Mattheus als laatste woorden van Jezus optekent aan het einde van zijn evangelie: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld.’

In alles is dat ons houvast. Dat kan alleen dankzij Goede Vrijdag en Pasen. In de tijd van Haggai lag de periode van Gods oordeel en toorn en afwezigheid achter hen. De straf was geweest, een nieuwe periode van genade en Gods nabijheid brak aan. Dat is het diepste en mooiste om te weten en te geloven. Dat u en ik ook in zo’n tijd mogen leven. Pasen is het bewijs dat Jezus leeft, maar bovenal dat de straf gedragen is, mijn zonden verzoend, dat God weer bij mij kan zijn, bij jou, bij u. Dat Hij niet bij u komt met straf en oordeel, maar met Zijn liefde, met Zijn hulp.

Al heeft je leven soms wel wat weg van een ruïne, al zijn er nog genoeg ruïnes in de wereld (kijk maar eens op YouTube naar beelden van Aleppo), God voelt zich niet te goed om in die ruïnes te komen wonen. Zo spreekt Paulus over het werk van God in zijn leven, zo lazen we in 2 Korinthe 4-5. God ontleent niet zijn heerlijkheid aan de pracht en praal van ons leven en werk, wij ontlenen de heerlijkheid aan Zijn leven, Zijn werk, Zijn aanwezigheid. De tempel in Jeruzalem is maar steen en hout en goud en zilver, waardeloos, in zichzelf, maar is waardevol omdat God er is. Ons leven is waardeloos in zichzelf, maar ontzettend waardevol omdat God bij je wil zijn. Dán krijgt het leven glans. Glans zoals nooit tevoren.

4. Geen zilver en goud, maar wel vrede

Met God is immers alles mogelijk. Als Hij de Levende bij je is, dan verslijten zelfs je schoenen niet. Dat staat in Deuteronomium 29:5. Aan het einde van 40 jaar in de woestijn, merkt Mozes op dat ‘uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten.’ Alles is dan mogelijk, als de HEERE bij je is. Wordt alles dan een succesverhaal? Wordt die nieuwe tempel een pronkpaleis? De verzen 7-10 lijken daar wel op te duiden.

Net als andere profeten spreekt Haggaï erover dat in de nabije toekomst alle volken ter wereld zullen ‘beven’ en zullen komen naar Jeruzalem met hun schatten, zilver en goud. En ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste’ (vers 10).

Nu was dat iets wat Haggai deels al zag gebeuren: de heidense koning Cyrus had de Joden toestemming gegeven om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Cyrus had daarbij al de kostbaarheden van de oude tempel, de gouden en zilveren schalen, bekers en offergerei teruggegeven. Koning Darius financierde de bouwmaterialen, het hout van de Libanon, later aangevuld door koning Arthasasta. In de ogen van Haggai en zijn tijdgenoten regelrechte wonderen en bewijs van Gods macht en zegen dat heidense koningen dit deden. Zo concreet werd het gewoon!

Haggai’s woorden hadden dan ook effect: Nu hij de gebeurtenissen van zijn tijd zó duidt, nu ziet het volk het ook. Ze vatten moed en bouwen door. Het hele boekje Haggai beslaat een periode van 4 maanden. Een scharniermoment in het bestaan van het volk Israël, een kantelpunt. De volgende 600 jaar zal deze 2e tempel er staan als centrum van het Jodendom, als centrum van de wereld, als woonplaats van God, als bewijs van Gods verbond en trouw en liefde.

Dat succes zat niet in het vele goud en zilver. Vers 9 luidt ‘Van Mij is het zilver en van Mij is het goud’. Dat kan claimend klinken: ieder moet z’n geld en goed aan Mij afstaan, ter meerdere eer en glorie van Mijn huis. Toch was dát niet de bedoeling. Elders in het OT worden dergelijke dingen gezegd om het geloof in de de wereldheerschappij en soevereiniteit van de HEERE te benadrukken. God is per definitie Heer over alles en iedereen. We hebben daarom sowieso alles te leen, ons huis, ons leven, onze tijd, we ontvangen het van God in beheer. God heeft overal recht op, maar laat dat recht niet altijd gelden. Hij stelt niet per se prijs op tempels of kerken die met goud overtrokken zijn, de hele wereld is immers al van Hem.

Waarin zit dan toch die ‘grotere heerlijkheid’ van de nieuwe tempel die Haggai voor ogen krijgt? ‘In deze plaats zal ik vrede geven.’

Het is niet dat dat huis er niet toe doet. Goud en zilver zijn prachtig en nodig. Het Jodendom kon niet zonder tempel. Wij kunnen niet zonder kerk. Niet zonder het gebouw. Niet zonder de gemeenschap. De dienst aan God moet vaste vorm aannemen. In woorden, in zang, in rituelen. In onze levensstijl. In catechisatie en kring. Er moet diaconie zijn en kerkrentmeesters. We moeten allemaal daaraan onze steentje bijdragen, zoals ook Zerubbabel en Jozua en de rest van het volk heel letterlijk met stenen moesten sjouwen. Dat doet er allemaal toe bij God. Omdat het middelen zijn die God gebruikt.

Omdat God op die manier ons vrede kan geven. De tempel is niet alleen een plek waar we allemaal onze offers voor moeten brengen. Het geloof in God is niet alleen veeleisend, dat is het soms ook. Maar het is vooral een plaats van uitdeling. Van vrede. Voor iedereen. Voor die hooggeplaatsten, Zerubbabel en Jozua, maar ook voor de eenvoudige plattelanders én voor de heidenvolken. Uitdeelplaats van vrede. Dat is pas heerlijkheid.

Ik geef jou vrede, zegt God, vandaag ook tegen u en jou. Nieuwe kleren en nieuwe schoenen, ook heel belangrijk. Die krijg je wel van je ouders. Of van de diaconie. Belangrijk! Maar ik heb ook iets voor jullie: Vrede.

Dat is méér dan de afwezigheid van oorlog en ruzie. Het is een soort compleet pakket. Dat het goed is. Goed tussen God en jou.

En dat daarom het leven goed is, zoals het is. Tevreden. En dat het met de wereld de goede kant op gaat. Als een olievlek breidt het zich uit via de tempel in Jeruzalem, naar Jezus Christus, naar de kerk wereldwijd, overal waar de Geest werkt, waar God is. Dat is heerlijk. Zo in de wereld kunnen staan, zo kunnen leven! Dat is wat God je geeft.

5. Aan de slag met het oog op de toekomst

‘Werk door’, zegt Haggai namens God, vers 5. ‘Aan de slag nu!’

Mooi, vindt u niet? Voor ons als doeners. Na Pasen is niet alles af en klaar. Er valt nog genoeg te doen. Te bouwen aan de tempel, in het Nieuwe Testament beeld voor de gemeente van Christus, voor het samen leven met God. Er valt nog genoeg te zorgen voor elkaar. Te zorgen voor de wereld. Toen Jezus riep aan het kruis ‘Het is volbracht.!’ betekende dat niet dat wij nu bij de pakken neer mogen zitten, maar zoals je moeder roept: ‘Het eten is klaar!’ Dan begint het pas.

De ouderen hebben gelijk met hun verdriet, want ze verlangen naar meer, naar de vervulling van Gods beloften. Haggai leert hen en ons zien vanmorgen dat we daarvoor niet moeten kijken naar stenen of goud en zilver, maar naar de Levende God, Jezus Christus, die ons bijstaat en ons vrede biedt. De jongeren leert Haggai zo zien dat ze niet hoeven te bouwen alsof hun leven ervan afhangt, dat het niet aankomt op hun prestatie, maar dat God gewoonweg Zijn vrede biedt. Dat daarin de heerlijkheid van het leven gelegen is.

Samen mogen wij zo leven. Met het oog op de toekomst. Terwijl we doen wat er gedaan moet worden in Gods naam.

Amen

Hij komt, hij komt!

Preek voor 1e Advent over Psalm 96, gehouden in Everdingen.

Begin van ‘Cantate Domino’ (= Psalm 96) uit het getijdenboek voor Maria van Bourgondië (1477)

 

Gemeente van Jezus Christus,

Hebt u ook al zo’n zin in Kerst? Kerst is voor veel mensen het hoogtepunt van het jaar. Gezellig met de familie bij elkaar rond een rijk gevulde tafel. Sinterklaas is net geweest, en de supermarkten liggen gelijk vol met ideeën voor recepten. De tuincentra adverteren voor kerstbomen en je kunt geen folder opslaan of je komt wel kerstverlichting, kerststerren en dat soort spul tegen. Kerst, hét hoogtepunt van het jaar.

Tenminste… voor mensen die eenzaam zijn, die geen familie om zich heen hebben, kunnen het ook verdrietige dagen zijn. Laten we dat niet vergeten. Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend om ‘zin in Kerst’ te hebben. Ja, als je aan gezelligheid en warmte en lichtjes denkt, ja dan wel. Maar als dat er niet is. Dan blijft alleen het Kerstkind, Jezus Christus over. En kunnen we dáár blij mee zijn? Hebben we daar al zin in, om Hem in ons leven te ontvangen? Daar gaat het over nu de Adventstijd begonnen is. De tijd van verwachting. De tijd van wachten op de komst van God in deze wereld.

Hoe is dát voor u? Ik kan me voorstellen dat u zoiets heeft van: ‘Wéér die bekende verhalen’. In de kerk gaat het altijd maar over hetzelfde. Élk jaar maken we hetzelfde rondje van advent naar kerst, van kerst naar de lijdenstijd, van goede vrijdag naar pasen, van pasen naar hemelvaart, van hemelvaart naar pinksteren en dan beginnen we weer opnieuw bij Advent. Origineel en verrassend is het niet meer.

Ik hoorde van een meisje dat boos uit school thuis kwam. Moeder vroeg wat er aan de hand was, en het meisje zei: ‘De juf vertelt precies dezelfde verhalen als vorig jaar in de klas. Kan ze niet eens iets nieuws vertellen!’ Misschien vind jij dat ook wel. Het gaat altijd maar over hetzelfde in de kerk. Moet je daar blij van worden? Ja, dat is wel de bedoeling. Maar hoe dan? Hoe kunnen wij nu weer blij zijn dat het Advent is? Hoe krijgen wij dat verlangen naar kerst, het verlangen naar het Kerstkínd in ons hart?

Wij gaan maar eens op school bij de psalmen. En waar kunnen we dan beter beginnen dan bij psalm 96. ‘Zingt voor de HEERE een níeuw lied!’ Dat belooft wat, niet het oude liedje, maar een nieuw lied.

Wat mag daar wel in staan? Het is een loflied op de komst van de HEERE. De zangers van Israël die dit lied in de tempel zingen kunnen niet wachten op die komst van de HEERE. Want zingen ze in vers 6 ‘Majesteit en glorie zijn voor Zijn aangezicht, macht en luister in Zijn heiligdom’. Ze verlangen naar God, omdat God majesteitelijk is, krachtig, prachtig en een schoonheid.

Zo denken wij vaak niet over God. God is voor ons iets vaags, moeilijk een beeld bij te maken. We mogen er niet eens een beeld van maken. Maar de Bijbel is er dus duidelijk over dat de komst van de HEERE, Zijn aanwezigheid iets geweldigs moet zijn. Van de uiterste schoonheid en indrukwekkendheid. Iets zó moois als je nog nooit ervaren hebt. Een beetje alsof je de allermooiste zonsondergang ziet, tegelijk met dat je het allermooiste muzieknummer hoort wat je kent, en het allerlekkerste wat je ooit geproefd hebt, tegelijk met de allermooiste herinnering die je hebt en het allergelukkigste gevoel van binnen. Dat alles samen en dan x 1000. Zo geweldig majesteitelijk, krachtig, vol glorie en luister is God.

In de psalm wordt zelfs nog gezegd dat alles wat wij mensen bedacht hebben over goden, dat dat nog helemaal niets is met de werkelijkheid van onze God. In vers 5 staat dat alle menselijke goden, afgoden zijn. Letterlijk: nietsen. Die verbleken, verpulveren als de HEERE die hemel en aarde heeft gemaakt kómt.

Nou vraag je je misschien af. Hoe weten zij dat dan? Als God er nog niet is? Hoe weten ze dan dat het zo mooi zal zijn allemaal? Hoe weten ze dat Kerst zo geweldig zal zijn?

Dat legt precies de vinger op de zere plek. Deze psalm is een loflied op de komst van de HEERE, want de climax is vers 13: ‘want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen’. Nu, dat is fijn, maar dat betekent toch dat Hij er nú dan nog niet is… Dat is logisch. Op het station sta je te wachten op een trein. En die mag best snel komen, want het is koud. Dan heb je er zin in dat die trein komt. Op een gegeven moment roept iemand dan: Hij komt eraan. En ja hoor, in de verte zie je hem. Maar hij is er dan nog niet. Je kijkt er met verlangen naar uit, omdat hij er aan komt.

Zo is het ook hier in deze psalm: Er wordt gezongen: Hij komt, Hij komt! Maar houdt dat niet de ervaring van Gods áfwezigheid in? En wat dáár allemaal achter zit? Inderdaad, dat ís de zwarte achtergrond van deze psalm. Dit is een psalm die gedicht is en gezongen in de tempel ná de terugkomst uit de ballingschap. Uit het verleden heeft het volk Israël prachtige verhalen geërfd over een aanwezige God. Een God die gewoonweg sprak met de aartvaders Abraham, Izaak en Jakob. Een God die machtige wonderen deed in Egypte.

Een God die zelfs verscheen in een onweer en aardbeving op de berg Sinaï. Een God die echt woonde te midden van Zijn volk in de woestijn. Zichtbaar in de vorm van een wolkkolom overdag en een vuurkolom ’s nachts. Voor óns zijn dat verhalen van ver uit het verleden, en dat waren ze ten tijde van deze psalm ook al. Waarschijnlijk had niemand van die generatie zoiets spectaculairs meegemaakt. Integendeel. Met Israël als volk was het sindsdien alleen maar bergafwaarts gegaan. De glans was eraf. Het nieuwe was weg. De nabijheid van God werd minder concreet. De mensen gingen zich minder met Hem bezighouden. Hij verdween naar de achtergrond van hun leven. Tot het zover kwam dat Israël als land ophield te bestaan in de ballingschap. Toen alle hoop vervlogen was.

Toen werden ze stil. En gingen ze nadenken. ‘Ergens, ergens zijn wij God kwijt geraakt’. Dat is een ontstellende ontdekking. De ontdekking ten diepste er alleen voor te staan in het leven. Overgebleven zijn als een kudde zonder herder. Het gevoel verdwaald te zijn in een donker bos, terwijl de nacht valt. Overgeleverd aan de wilde beesten. Denk je maar eens in. Jij, helemaal alleen, je weet de weg niet, je bent bang. Was je maar niet zo stom geweest in je eentje te gaan wandelen in dit bos dat je helemaal niet kent. Had je maar geluisterd naar alle adviezen van je ouders.

Zo, zo kan het ook voelen in je geloofsleven. Voor jezelf. God is afwezig, weg, terwijl je Hem nodig hebt. Het is de ervaring van velen in onze tijd. Van een lege hemel, en een God die zich stil houdt…Maar…is dat dan het einde? God is toch niet écht weg? Definitief weg?

Gelukkig niet, in die tijd van de ballingschap klinkt de profetie van Jesaja 40:

‘Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht, Jeruzalem,
verkondigster van een goede boodschap.
Verhef die, wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
Zie, de Heere HEERE! Met kracht zal Hij komen,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.’ 

En ten dele ervoeren de Joden dat ook al. Toen ze terugkwamen uit de ballingschap en een nieuwe tempel mochten bouwen. En daar, waar ze hun offers brachten, knielden en aanbaden ze. Daar ervoeren ze dat God hen niet in de steek gelaten had. Daar in het heiligdom was God op een bijzondere manier toch aanwezig. Zo ervaren wij bijvoorbeeld soms aan het avondmaal ook de aanwezigheid van God zelf. Zo kun je het bij tijd en wijlen in je eigen stille tijd ervaren dat Hij bij je is. En zo bidden wij ook elke kerkdienst: ‘Verlicht ons met de heilige Geest’. En de heilige Geest, dat is God zelf, we vragen dus om Zijn aanwezigheid hier in de kerk. En we mogen en moeten geloven dat Hij hier dus nu ook is.

Maar is dat genoeg? Bent u daar al tevreden mee, met dat geloof, die onregelmatige ervaring. Of verlangt u naar meer? Nou, in Israël wel, want ze mochten dan in de tempel iets van Gods goedheid en genade ervaren, maar het dagelijks levens was keihard. Al die volken van de wereld in deze psalm die liepen over hen heen. Ze leden onder onrecht en armoede. Ze waren hun aardse regering zat en verlangden naar de hemelse regering van God zelf. Het moet er nu maar een keer van komen dat God zijn beloften hard maakt.

Gemeente, daar gaat het toch om: Geloven gaat uiteindelijk niet om ons goede gevoel bij Kerst. Om zingeving van ons leven en betekenis aan ons bestaan. Niet om praktische hulp en wijsheid bij de moeilijke keuzes die wij soms moeten maken. Dat hoort er allemaal bij. Maar zolang er ellende in de wereld is kunnen en mogen wij niet tevreden in ons huis zitten. ‘Wat heb ik het allemaal goed voor elkaar’. Zó Kerst vieren, dat is weerzinwekkend.

Nee, in Israël namen ze die belofte van God gegeven door Jesaja serieus: Het blijft niet bij die spirituele aanwezigheid van God in Zijn heiligdom. Nee, Hij zal komen naar de wereld. Hijzelf, in alle glans en glorie. Want God is niet alleen een lokaal, regionaal godje, zoals de afgoden van de volken. Nee, Hij is de Schepper van hemel en aarde. En als mensen denken dat ze maar kunnen doen wat ze willen met alles om ons heen en aan de mensen op de wereld, dan hebben ze het mooi mis. Tot nog toe heeft God ons onze gang laten gaan, maar daar komt een keer een einde aan!

Er is een gezegde: ‘Als de berg niet naar Mohammed komt, komt Mohammed wel naar de berg’. Dat betekent: Als anderen niet doen wat jij wilt, dan moet je het zélf maar doen. Nu, dat is precies wat dus ook voor God geldt: Als wij op aarde niet doen wat God wil, dan moet Hij het zelf maar doen. Als wij mensen niet in staat zijn de aarde op een goede, rechtvaardige manier te regeren, dan moet God zelf maar komen om over ons te regeren. En dat is ook de enige manier om van onze aarde nog wat te maken.

Dát is Advent, gemeente. Daarnaar uitzien, verlangen. Naar God Zelf, om Wie Hij is, maar vooral ook om wat Hij komt doen. Ten dele is dat al vervuld toen Jezus Christus geboren werd in Bethlehem. Toen werd de Messias geboren, toen kwam God zelf in ons midden. Maar met die majesteit, kracht en pracht viel het toen wel even tegen. Niet voor niets kijken die wijzen uit het oosten aardig op hun neus als ze in het paleis in Jeruzalem de geboren Messias niet aantreffen, maar moeten uitwijken naar één of ander achterafplaatsje, Bethlehem.

Dat ging toch wat anders dan ze gedacht hadden. De Christus van God is geboren. God is reëel aanwezig geworden in onze wereld. Tastbaar zoals u en ik. En daarom alleen al kunnen wij blij met dit loflied uit psalm 96 meezingen. Met de komst van Christus gebeurde er immers iets geheel nieuws. Iets wat nog nooit gebeurd was: God werd mens. God komt op aarde. En dat is inderdaad iets wat heel de wereld moet weten. Hemel en aarde, zee en land. Mens en dier. Dat is één van de redenen dat wij elk jaar weer Advent vieren, zodat het er diep ingestampt wordt, tot in de vezels van ons leven, tot op het diepst van ons hart. De vreugde en het bewustzijn dat de Messias gekomen is. Dat nu alles goed komt.

En in Jezus Christus is God inderdaad gekomen met zijn definitieve oordeel over de wereld en de zonde. De oude wereld, zo bepaalde God, de wereld zónder God, heeft afgedaan is voor de ondergang bestemd. En Hij verzoent de zonden, herschept het leven, door dat oordeel te voltrekken aan Zichzelf in Zijn Zoon Jezus Christus. Heel helder heeft Jezus ons diepste wezen aan het licht gebracht. Hij, als het Licht der wereld, heeft Zijn licht laten schijnen. De onderste steen kwam boven. En komt boven als wij door Hem aangesproken worden vandaag.

Maar… nog steeds missen wij die heerlijkheid van God. En daarom vieren we ook dit jaar weer advent. Omdat wij weten van al die profetieën en beloften van God, die wáár zijn geworden in Jezus Christus. Daarom verwachten wij nog veel méér. Daarom zingen wij mee vandaag met psalm 96. ‘Want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen’! Dankzij de vervulling van deze psalm in Jezus Christus, mogen wij uitzien naar meer.

En de Openbaring aan Johannes bevestigd dat. Waar wij lazen: ‘Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.’ Dat is ons geloof: God wás, van eeuwigheid af, van vóór de schepping. God ís, ja, nu, Koning der wereld, de Almachtige. Maar vooral: God komt. ‘Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van de aarde zullen rouw over Hem bedrijven. Ja, amen.’ Dat is de kernboodschap van dat boek Openbaring.

Maar dat is net zo goed de kernboodschap van Advent. Het geloof dat wij middenin die komst van de Messias zitten. Dat Zijn geboorte in wezen één is met die komst op de wolken. Dat het één handelen van God is in onze wereld om dat oordeel te voltrekken. Één komen van God.

De komst van God, dat klinkt hier wel heel ernstig met oordeel en zo. En u zit daar misschien ook niet op te wachten. Je kunt er misschien zelfs bang voor zijn. Laat Hem nog maar even wegblijven, denkt u misschien wel. Dat is niet zo’n goed teken… Hebt u een slecht geweten? U weet toch dat u om vergeving mag vragen, met alle gebreken bij Jezus mag komen? Dan hoef je voor Hem niet meer bang te zijn. Niet bang voor het oordeel.

Dat is het mooie in deze psalm: Die maakt ons warm voor de komst van God. Die maakt ons warm voor Zijn oordeel. Omdat dat niet vreselijk zal zijn en wreed en ontzaggelijk bloederig. Nee, zo is de mens. Zo doet de wereld. Het geweldige van het oordeel van God, van Zijn regering is juist, vers 10: ‘Hij zal over de volken op billijke wijze rechtspreken’.  En dan in vers 13: ‘Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid en de volken met Zijn waarheid.’ Daar kun je toch niet tegen zijn, dat is toch prachtig: billijk, rechtvaardig en met waarheid. Of in andere woorden: volledig oprecht, eerlijk en betrouwbaar.

Zó moet het toch? Dat zijn toch dingen die je véél te weinig tegen komt in je eigen leven en dat van de mensen om je heen? Dat willen we toch allemaal: volledig oprecht, eerlijk en betrouwbaar. Billijk, rechtvaardig en in waarheid. Als dát de inhoud is van Gods komst. Als dát het effect is. Nou, dan hebben we met recht iets om naar uit te kijken. Dan kun je daar nu al vrolijk mee zijn. Het blijft in deze wereld niet bij het oude liedje van onrecht, oneerlijkheid en slinksheid! Daar komt definitief een einde aan. Onze God, de schepper van hemel en aarde heeft het laatste woord in Jezus Christus.

Voor ons een les in de Adventstijd:

  1. Deze psalm wordt gezongen uit de nood. De nood van het volk Israël. Omdat in hun leven niet alles koek en ei is. Omdat het in hun wereld geen koek en ei was. En daarom bazuinen ze het maar vast in het rond: Hier blijft het niet bij. Heel de wereld moet het weten, dat God niet veranderd is. Ook als waarschuwing. Kijk uit wat je doet, want onze God komt eraan. En Hij zal jullie wel leren. Deze psalm word gezongen uit de nood. En wij kunnen hem ook alleen meezingen als wij toegeven: ons leven is óók niet helemaal koek en ei. En breder gezien geldt dat nog veel meer voor de wereld waarin wij leven. Het gaat iedereen aan, het is een goed boodschap vooral voor hen die niets hebben, die niets zijn, die verdrukt worden en lijden. In die nood komt verandering, want God komt eraan. Dan heb je pas echt reden tot zingen en blijdschap. ‘Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen, laat de zee bulderen met al wat ze bevat. Laat het veld van vreugde opspringen met al wat erin is; dan zullen al de bomen van het woud vrolijk zingen voor het aangezicht van de HEERE.’
  1. Deze psalm wordt in de tweede plaats dus gezongen uit verlangen. Verlangen naar God Zelf, want in het heiligdom kreeg Israël een voorproefje dat smaakte naar meer. Meer van God, meer van Zijn majesteit, kracht, pracht en schoonheid. Een snippertje daarvan doet hen al uitbarsten in gejuich en loflied. En worden wij ook weer opgewekt in deze kerkdienst. Warm gemaakt. Er wordt ons iets fantastisch in het vooruitzicht gesteld, waar je bijna niet op kúnt wachten. Waarvan je zou willen dat het vandaag was en anders morgen. God zien. Het allermooiste, diepste, rijkste, grootste wat je je voor kunt stellen. Ja, dan kun je wel zingen.
  1. In de derde plaats zingen wij als christelijke gemeente in de adventstijd deze psalm met zekerheid. De zekerheid die wij vinden in Jezus Christus, onze Heere. Hij is geboren in Bethlehem. Al leven wij toe naar Kerst, wij weten dat wij over vier weken daar staan bij die kribbe, met nieuwe verwondering in ons hart. Wij weten dat Hij geboren is, dat God gekomen is. Beter gezegd: Daardoor weten wij dat óók die volledige vervulling van alles waar deze psalm over zingt er gaat komen, dat God aan het komen is.
  1. Wij zingen met deze psalm mee, omdat ook in onze tijd nog niet iedereen weet van deze God die komt om te oordelen. Al die volken, die naties, de hele aarde, de hele wereld moet er klaar voor zijn. Het mag toch niet zo zijn dat als díe grote dag aanbreekt, het dan nét zo gaat als met de geboorte van Jezus, dat er geen plaats is voor Hem. Er zal bij ons toch wel plaats zijn? Bij u? En de gehele wereld zal toch wel juichen en zingen? We mogen en kunnen niet stil blijven!

Met minder zijn we in deze Adventstijd niet tevreden. Niet met het oude liedje, maar met een nieuw lied. De vernieuwing van ons hart, de vernieuwing van onze  verwachting, de vernieuwing van onze blijdschap, en de vernieuwing van héél de wereld.

Amen