Over boosheid, o.a. van Wilders enz.

Preek gehouden in Hagestein, Lunteren en Poederoijen over Psalm 37.

Afbeeldingsresultaat voor Wilders boos

Foto ANP

Gemeente van Jezus Christus,

‘Wees niet boos op kwaaddoeners.’ Daarmee begint Psalm 37. Een rare zin. Onbegrijpelijk. Toch? Als iemand jou slaat, iets van je afpakt. Zelfs als je broertje of zusje dat doet. Dan wordt je boos toch? Ik heb zelf een paar kleintjes rondlopen van 2 en 3. En ze krijgen nu al wel eens slaande ruzie omdat de één het fietsje van de ander afpakt. En niet alleen bij kinderen gaat dat zo.

In de grote mensenwereld gaat het net zo. Daar is het geen kinderspel, maar serieus. Er lopen nogal wat kwaaddoeners rond in de wereld. Moordenaars, dieven, verkrachters, dictators, pesters, egoïsten, fraudeurs, corrupte politici. Genoeg om werkelijk, en écht serieus, kwaad over te worden en je kwaad over te maken. Terecht! Denk ik dan, en denken wij dan. Natuurlijk je moet je niet zomaar op je tenen laten trappen over peanuts. Een krasje op je auto omdat de buurkinderen onvoorzichtig waren met hun voetbal, dat is vervelend. Maar hopelijk hebben ze een WA-verzekering en het is opgelost. Daar hoef je niet over te ‘onsteken in woede’. Maar over écht onrecht, daar kun je niet, daar mág je toch niet zomaar aan voorbijgaan?

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Wat zit daar achter? Blijkbaar is deze psalm geschreven in een situatie waarin het de slechte mensen voor de wind gaat en de goede mensen het zwaar te verduren hebben. Boven de psalm staat als opschrift ‘Van David’, maar zoals bij veel psalmen zegt dat meer iets over de inhoud dan over de historische oorsprong. In de loop van de tijd begon men dit boven liederen te zetten die ‘davidische kwaliteit’ hadden, die zó goed waren dat ze in de tempel/synagoge gezongen mochten worden.

In de psalm zelf keert elke keer terug dat de vromen, de gelovigen, de rechtvaardigen het land niet meer in bezit hebben, niet meer vrij en in vrede kunnen wonen. Dat geldt voor een groot deel van Israëls geschiedenis. Dat gold in de tijd van de ballingschap in de 6e eeuw voor Christus wel het meest, maar eigenlijk is Israël sinds de tijd van Hizkia (8e eeuw voor Christus) constant schatplichtig geweest aan buitenlandse machten: Assyrië, Babylonië, Perzië, Griekenland, Rome. En in de binnenlandse politiek was het niet veel beter. De meeste koningen sinds Rehabeam waren corrupt en onrechtvaardig. De elite in Jeruzalem liet de armen in de stad en op het platteland creperen als het uit zo kwam. De boeken van de profeten staan vol met kritiek op de sociale ongelijkheid, hebzucht en hoogmoed.

Het was inderdaad voorstelbaar dat je als arme boer óf verschrikkelijk kwaad werd op deze hele bende óf jaloers keek naar degenen die wél in grote paleizen en in weelde konden leven…

En dan toch:

Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen.

Ik moest daarbij denken aan de aankomende Tweede Kamerverkiezingen. Geert Wilders van de PVV en andere populisten (50Plus, GeenPeil) léven juist van boosheid. Net als Trump in de VS, LePen in Frankrijk, Pegida in Duistland. Die melken dat uit en moedigen dat aan:

Boosheid tegen de zakkenvullers in Den Haag. Nu lijkt mij dat sowieso onterechte boosheid: onze regering is niet corrupt en onrechtvaardig. Maar zelfs als het terecht zou zijn, omdat er daadwerkelijke problemen zijn, zou de dichter van Psalm 37 zeggen: Op zulke partijen en politici die boosheid, verontwaardiging, woede vertegenwoordigen kun je als gelovige gewoonweg niet stemmen.

Maar waarom dan? Want u merkt wel, dit strijkt ons tegen de haren in. Zeker als het heel concreet wordt in een stemadvies, in een politieke werkelijkheid. Dat gaat in tegen waarden als zelfredzaamheid en assertiviteit die wij tegenwoordig van jongsaf aan aangeleerd krijgen. Als je ergens recht op hebt, moet je dat recht ook verdedigen, dat moet je erop af gaan. Voor jezelf opkomen. Op allerlei manieren leren we onze kinderen om ‘zelfstandig’ te zijn. Al op de basisschool leren ze te kiezen, te plannen, toch? Tot op zekere hoogte is dat goed, maar al heel snel gaan we oprecht denken dat ons leven maakbaar is en dat we er zélf iets van moeten maken. En frustreert het ons als het niet lukt. En worden we ontevreden. En boos.

Psalm 37 zegt dan: Dat is de weg van het ongeloof. Zulke boosheid is ongeloof. Zo’n levenshouding is wantrouwen. Wantrouwen in God, de HEERE. Dat gaat nog even een spa dieper. De dichter is geen moralist, die met een waarschuwend vingertje zegt dat je niet boos mag worden en dat je altijd lief voor elkaar moet zijn. Dat is te simpel. Het gaat veel meer over de onderliggende levenshouding, over je instelling, over je ‘hart’, zoals de Bijbel zo mooi kan zeggen. Het gaat er om of je met God rekent of buiten Hem om.

In vers 2 staat gelijk de reden waarom je niet boos of jaloers hoeft te worden:

Want als gras zullen zij snel verdorren, als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.

En vers 9 en 10 borduren daarop voort:

Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden, maar wie de HEERE verwachten, die zullen de aarde bezitten. Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn; u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.

Verderop in de psalm keert dezelfde gedachte steeds terug. In het kort: ‘boontje komt om zijn loontje’. De dichter die op leeftijd gekomen is – vers 25 ‘Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden’ – benadrukt dat dat zijn levenservaring is. Zo gaat dat in de wereld. Daar hoef je niets voor te doen, dat gaat vanzelf. Het kwaad heeft geen duur. Is zelfdestructief. Je ziet dat goed bij dictators als Napoleon en Hitler: ze liepen zichzelf kapot in hun oorlogen. Je ziet het bij populistische politieke partijen die voortkomen uit boosheid: de LPF, Trots op Nederland, de PVV, ze vallen uit elkaar, splinteren vanzelf weer af. Zo werkt ‘kwaad’, het is niet constructief, maar destructief.

Zo ziet deze dichter het. Als constatering niet eens moralistisch. Zoals ‘roken is dodelijk’: dat is gewoonweg een feit. Één op de twee mensen die roken, 50%, overlijdt er vroegtijdig. Negen van de 10 gevallen van longkanker komen door roken. 19.000 kankergevallen per jaar zijn aan roken te wijten in Nederland. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar zo werkt het. Wat slecht is voor een mens, wat slecht is voor een samenleving, heeft ook een slechte afloop.

Je hoeft het alleen maar uit te houden en geduld te hebben:

Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn;

Dat klinkt mooi en hoopvol, maar dat kun je niet bewijzen. Als je zelf onderdrukt wordt, lijdt, ziek bent, arm, vluchteling, dan is de werkelijkheid anders. In de praktijk gaat er toch een heleboel mis. En als het ene kwaad verdwenen is, steekt het andere wel weer de kop op. Assyrië werd afgelost door Babel, en die weer door de Perzen, en toen kwam Rome. Na Hitler had je Stalin, en toen Mao, en toen Saddam en Mugabe en Kim Jong Un en Assad. En wie weet scharen we over een aantal jaar ook Erdogan en Poetin of zelfs Trump in dat rijtje.

Daarom is alleen positivisme niet genoeg om het uit te houden, om geduld te hebben, maar komt het aan op geloof. Geloof in de HEERE, de God van Israël.

De dichter is namelijk niet iemand die gelooft dat het goede in deze wereld uiteindelijk zelf wel zal overwinnen. En dat de mens uiteindelijk toch ten dienste goed is, zodat  langzaam maar zeker deze aarde een fijne plek zal worden. Nee, vers 5 en 6:

Wentel uw weg op de HEERE en vertrouw op Hem: Híj zal het doen. Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het morgenlicht, uw recht doen stralen als de middagzon.

Zie je. Ook de dichter gelooft niet dat alles automatisch wel goed komt als je maar geduld hebt. ‘Wentel uw weg op de HEERE’, dat betekent zoveel als: leidt je leven in vertrouwen op de HEERE. Je levensweg, je doen en laten, je lot, alles wat je hebt en wat je overkomt, dat staat niet los van Hem, maar daar is Hij bij betrokken.

Tenminste, volgens de dichter is dat de keus die je moet maken. Zo te leven. Te leven in geloof. Geloof dat is in deze psalm, in heel de Bijbel trouwens, niet zomaar een theorie, een serie leerstellingen waarin je gelooft. Dat je gelooft dat Jezus de Zoon van God is, dat Hij is gekruisigd en opgestaan uit de dood. Dat zijn gewoonweg feiten. Geloof is, dat je jezelf daaraan toevertrouwd. Dat je leven in het teken van het kruis staat. Geloof is in die zin ook méér dan een persoonlijke relatie met God én meer dan een inspiratiebron voor je dagelijks leven.

Het woord voor vertrouwen dat in deze verzen gebruikt wordt, ‘vertrouw op de HEERE’, dat is geen gevoel, maar zekerheid. Zoals een kind op zijn ouders kan vertrouwen, er zeker van kan zijn dat zijn ouders ervoor zorgen. Je kunt erop rekenen dat je vader en moeder dat doen. Je kunt erop rekenen dat je droog zit in een huis. Je kunt erop rekenen dat je op school leert lezen en schrijven. Je kunt erop rekenen dat ze in het ziekenhuis álles doen om je behandelen voor je ziekte. Je kunt erop rekenen dat je geld bij de bank veilig is.

Zo kun je rekenen op de HEERE. Waarom? ‘Hij zal het doen.’ Alles waarop je rekent, kan soms tegenvallen. De bank let minder goed op je geld, dan je zou willen. Je dak kan lekken. Zelfs ouders laten steken vallen. Maar op de HEERE kun je rekenen. Hij staat garant voor het goede, voor je recht, voorje vrede, voor je toekomst, voor het land dat je toekomt, voor eeuwig.

Ik vind dat moeilijk, eerlijk gezegd. Om echt met de HEERE te rekenen. Op Hem te rekenen. In het leven van alledag. Niet voor niets staat deze psalm in de Bijbel. Niet voor niets is het een aansporing. Een wijze les. Blijkbaar vonden ze het toen ook al moeilijk. En ik denk dat het in onze tijd alleen maar moeilijker is geworden. Want we groeien op en leven in een tijd en in een land waar heel weinig met de HEERE gerekend wordt. Je hebt natuurlijk de vrijheid om te geloven wat je wilt, dat wel, maar de hele sfeer van onze tijd is toch ‘godloos’. En dat ademenen u en ik, en het laat mij niet koud.

Dan is deze psalm een verademing. Een realiteitscheck. O ja, ik sta er niet alleen voor. Wij staan er niet alleen voor. Alleen tegen het onrecht, tegen de ellende, tegen de zonde. We kunnen rekenen op God. Op Zijn doen. Zijn ingrijpen. Zijn handelen. Zijn optreden. Het slot van de psalm luidt, vers 40:

De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden; Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen, want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.

In Jezus Christus zijn deze woorden vervuld. God is zelf naar de aarde gekomen. Hij heeft ingegrepen. Hij is de dood ingegaan en heeft de dood overwonnen. Hij heeft het kwaad op zich genomen. Ook ons kwaad, onze zonden. Want niet automatisch kunnen wij ons identificeren met de ‘vromen’ in deze psalm. Misschien horen wij wel bij de ‘overtreders die weggevaagd worden’. Met de komst van Jezus Christus en in het geloof dat Hij regeert over de wereld in het groot, en dat Hij zich bemoeit met mijn kleine leven hier in Hagestein/Lunteren, daarin begint het morgenlicht te schijnen, dat eens zal stralen als de middagzon.

Daar staat de HEERE zelf garant voor. Zo is Hij. Zo doet Hij. Daar mag je op rekenen. Een verademing is dat. Weldadig.

Zo kun je vers 3 en 4 begrijpen:

Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met trouw. Schep vreugde in de HEERE, dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.

Dat betekent niet dat geloven in God als het ware een doekje voor het bloeden is, een soort terugtrekkende beweging. Alsof je denkt: ‘De wereld is slecht, ik trek me wel terug in mijn eigen huis en familiekring. Ik doe daar gewoon mijn best en over de rest bekommer ik me niet. En mijn geloof geeft mij een fijn gevoel.’

Nee, integendeel. Het is juist met beide benen in de modder staan, vechten tegen de bierkaai. Gekkenwerk van het geloof. Niet kwaad worden op de kwaden, maar kwaad met goed vergelden. Je vijand liefhebben. Als iemand je dwingt je jas af te staan, je trui erbijgeven. Het goede doen op een aarde die vergeven is van het kwaad. Gewoon omdat het kan.

Het is de weg van Jezus Christus. De theologie van het kruis. Totaal af kunnen zien van jezelf, omdat je rekent op de HEERE. Dat Hij alleen van doorslaggevende betekenis is. Omdat je met Hem alleen tevreden hebt leren zijn. Hij, God van hemel en aarde, legt méér gewicht in schaal dan al het andere samen.

‘Schep vreugde in de HEERE’, m.a.w. ‘geniet geweldig, met volle teugen van Hem’. Omdat onze God zo geweldig is: Zo geweldig goed. Zo’n bron van liefde. Onmetelijk wijs. Heerlijk. Onuitputtelijk in schoonheid. Onvoorstelbaar rechtvaardig, trouw, eerlijk. Hij is alles wat je nodig hebt. En je zit nooit meer om iets verlegen.

Dat vandaag de dag het populisme hoogtij viert – Wilders staat in de peilingen aan kop op bijna 30 zetels – dat komt door een diepliggende ontevredenheid. Een leegte van het hart. In die leegte groeit boosheid en jaloersheid welig. In die leegte is het ik alleen met zichzelf. En daarom alleen met zichzelf bezig. En dan wordt je bang voor een ander. Bang voor de islam. Omdat je er voor je gevoel alleen voor staat.

De HEERE vult de leegte in je hart. Hij vervult de verlangens van je hart, zegt de dichter zelf. Wees tevreden met Hem. Wees blij met de HEERE. Dat je Hem mag kennen. Dat je bij Hem mag horen. En dat Hij daadwerkelijk betrokken is op jou en op u. Dan ben je goed af, nu en voor eeuwig!

We mogen de rijkdom hiervan van onszelf herontdekken. De rijkdom van het geloof in Jezus Christus. Het is het beste, en enige echte, medicijn tegen. Omdat Jezus Christus echt is. Omdat Zijn kruis werkelijk in de wereld stond. Omdat Hij leeft.

‘Schep vreugde in de HEERE’, dat zijn woorden om mee te dragen, te overpeinzen. Uit te leven. Uit te stralen. Dat kan alleen als je Hem kent. Als je Hem hebt leren kennen. Dan wil je niet meer anders.

Heel deze psalm, heel het bijbelse geloof, heel de geschiedenis van Israël, heel het evangelie van Jezus Christus is hierin samen te vatten: ‘Schep vreugde in de HEERE’. Volhouden en volharden in het geloof dat deze wereld uiteindelijk om Hem draait, dat wij ten diepste op Hem aangelegd zijn, dat wij daarom alleen ten diepste gelukkig kunnen zijn als Hij in het middelpunt staat van ons leven. De HEERE, de Almachtige, die het in deze wereld niet uit de hand loopt. Omdat Hij goed is en het recht liefheeft. Omdat Hij woord houdt en trouw blijft.

Op Hem lopen daarom al ons kwaad en onze zonden stuk, ja de dood zelf heeft Hem niet stuk gekregen. Hij is de rots waarop je bouwt of de rots waarop je uiteindelijk stuk loopt. Om de HEERE heen kan uiteindelijk niemand. Je kunt maar beter op Hem rekenen en mét Hem rekenen dus…

Deze psalm heeft de toon van het evangelie van Jezus Christus. Bijna letterlijk keren teksten uit deze psalm terug in de bergrede, in het evangelie van Mattheus 5:1-12.

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

Let wel: dit alles, dit leven met God, dit genieten van HEERE om Wie Hij is, dat blijft onlosmakelijk verbonden met de aarde, met het land, met het concrete leven, met het wonen en werken. En het blijft daarom ook aangevochten. Stukwerk. Het is een pijnlijk contrast met de wereld die we om ons heen zien, en met de gebroken werkelijkheid die we soms aan den lijve ervaren.

De zaligsprekingen zijn geen echter geen wensdromen, geen opium voor het volk, maar een concrete verwachting. Zó zal de aarde eruit zien als het Koninkrijk van Jezus Christus in al zijn volheid gekomen is. En omdat alleen ‘nog maar even’ duurt, beginnen wij als gelovigen alvast te leven alsof het zover is. Verblijden en verheugen we ons. Of zwijgen we en verwachten we. Want ondertussen kan het best lang duren. Vers 7 ‘Zwijg voor de HEERE en verwacht Hem;’

Die zachtmoedigheid heeft alles met dat zwijgen te maken. Ze kenmerken de gelovige levenshouding. Het besef dat het leven ingewikkeld is, gecompliceerd. Goed en kwaad liggen soms heel dichtbij elkaar, vaak moeten we kiezen uit twee kwaden. Zeker in de politiek is dat zichtbaar: wat precies goed is voor de economie, of hoe de zorg georganiseerd moet worden, of hoe we omgaan met immigratie van vluchtelingen en asielzoekers en hoe inburgering dan plaats vindt, en of we nu méér of mínder Europa moeten hebben, daar heeft niemand het gouden recept voor.

Dat moeten we van politici dus ook niet verwachten. Zoals we dat ook van onszelf niet moeten verwachten. Soms past het ons onze mond te houden. Alleen maar te luisteren. Te zoeken. Te proberen. Te tasten. Samen. Daarin past niet het bouwen van muren of hekken en het slopen van moskees of het verbieden van de Koran, zoals Wilders wil. ‘Laat uw woede bedaren en laat uw grimmigheid varen; ontsteek niet in woede – het brengt slechts kwaad.’ Vers 8. In het politieke leven, maar zeker ook in het persoonlijk leven, in het gelovig leven, zoeken we de rust, de vrede.

We leven in het geloof dat we de echte tevredenheid, de vrede van ons hart, vinden bij de HEERE, en dat Hij zal zorgen dat eens de wereld vol is van die vrede. Ondertussen oefenen we ons in het geloofswerk van het zachtmoedig zijn: tegen de klippen op genadig zijn, gunnen, geven, lenen en ontfermen. Want alleen dat heeft de toekomst. Want de toekomst is van Jezus Christus.

Amen

Ik ga niet dood: Gegarandeerd rendement van Pasen.

Paaspreek gehouden in Everdingen over Psalm 16.

Duccio di Buoninsegna (ca. 1255-1315): Verschijning van Christus aan de apostelen

 

Gemeente van Jezus Christus,

Ze zeggen het altijd wel bij de reclames voor financiële producten: Let op, in de financiële bijsluiter staat, dat het risico van deze belegging zeer groot is. Heel vlug, weet u wel. Net als: ‘Geld lenen kost geld.’ Toen ik 19 was, had ik aardig wat geld gespaard met vakken vullen in de supermarkt en nog wat geld van de erfenis van mijn oma. Ik belegde al mijn geld in een teakplantage in Costa Rica. Gegarandeerd rendement van 12%! De eerste jaren ging alles goed, ik kreeg netjes de rente uitgekeerd elk jaar. En prachtige foto’s van groeiende teakbomen. Ik had het gevoel gebakken te zitten. Een melkkoetje voor mijn studententijd. Maar na een jaar of 4 hield het op: het verdienmodel bleek niet zo solide, bestuurlijk was het een chaos. Er volgde een faillissement. Ik ben mijn geld kwijt. Echt vreselijk balen. Achteraf denk ik: Zo stom, zo stom, om ál je geld daarin te stoppen. Dat doe ik nooit weer. Je moet risico altijd spreiden. Véél verstandiger.

Oei, oei, denk je dan ook bij het begin van Psalm 16: ‘Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen. Mijn ziel, u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;’ De dichter vertrouwt zich, met zijn hele hebben en houden, met huid en haar aan de HEERE toe. Alle kaarten op de Ene, de God van Israël. Niks risicospreiding: ‘Ik neem tot U de toevlucht.’ En niet voor het minste of geringste. In het verdere van deze psalm is duidelijk dat de dichter in doodsgevaar is. Hij vertrouwt er gewoonweg – naïef? – op dat het allemaal goed zal komen. Omdat de HEERE zijn God is. Omdat Hij zich volledig in de armen van God werpt.

Misschien ken je dat vertrouwenspelletje wel: Iemand gaat achter je staan, en jij moet je met je ogen dicht als een plank achterover laten vallen, in het vertrouwen dat diegene je opvangt. Wel eens gedaan? Echt vreselijk eng. Je met je ogen dicht overgeven aan een ander. Veel mensen durven dat ook niet. Omdat ze nare ervaringen hebben gehad in hun leven, met dat totale blinde vertrouwen. Daarmee kom je nog al eens bedrogen uit. Het gebeurt nog al eens dat anderen je, figuurlijk dan, laten vallen.

En als het al moeilijk is om mensen te vertrouwen. Gód vertrouwen, dat gaat nog veel verder. Dat gaat niet alleen over je geld en goed. Nee, dat gaat over je leven. Over leven en dood. Durf je je leven in Gods handen te leggen? Jezus durfde dat. Aan het kruis zei hij nog: ‘In Uw handen beveel ik mijn geest.’ Als er iemand was die Psalm 16 in de praktijk bracht, dat complete Godsvertrouwen, jezelf volledig in Gods hand geven, en daarmee je eigen leven uit handen, dan was dat Jezus Christus, onze Heere.

Al kun je denken: God heeft Jezus ook maar mooi wel laten vallen. Want Jezus stierf.

Jezus werd niet op het nippertje gered van de dood, zoals de dichter van Psalm 16. En heel dichtbij komt dat ook vandaag de dag. Afgelopen week was er een grote terroristische aanslag op een universiteitscampus in Kenia door Al-Shabaab. Ze vroegen de studenten in hun kamers of ze christen of moslim waren. ‘Als je een christen was, werd je ter plekke neergeschoten’, vertelt een overlevende. 147 broeders en zusters vermoord. Mensen die hun vertrouwen op onze God stelden.

Kom je met God bedrogen uit? Dat is de vraag. De vraag van Pasen. Aan het verdriet en de houding van de discipelen, zoals we hen tegenkomen in Markus 16, denk je: Ja, zij geloven er niet meer in.

Geloven dat Jezus is opgestaan uit de dood. Echt. Geloven dat de dood overwonnen is. Toen op die morgen. Dat is een bericht wat moeilijk tot ons doordringt. In de ogen van de wereld is het zelfs naïef om daarop te vertrouwen. Want wat voor bewijzen hebben we in handen dat Jezus daadwerkelijk weer leefde?

Daarom is het logisch dat ‘geloof in God’ bij ons niet iets is van een compleet toevertrouwen aan, jezelf in de handen werpen van Christus, maar meer ‘een inspiratiebron’. Misschien herken je dat wel. In de praktijk van alledag is het geloof vooral een bron van normen en waarden. We gedragen ons ‘christelijk’, belangrijke woorden zijn dan naastenliefde, tolerantie, vriendelijkheid, vrijgevigheid. Er zijn voor een ander. Klaarstaan voor een ander. Allemaal dingen die wij van Jezus leren kunnen.

Maar daar gaat het niet over met Pasen. Pasen gaat dieper. Pasen gaat over zaken van leven en dood. Over uw leven en uw dood. En hoe je daarmee omgaat. Of je werkelijk je leven in Gods handen veilig durft te weten, zelfs al ga je dood.

In Psalm 16 zijn er naast de dichter anderen, die aan risicospreiding doen. In vers 4 horen we daar iets van: ‘Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven; ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit en neem de namen ervan niet op mijn lippen.’ Ja, in de ogen van de wereld is het verstandig meerdere goden te dienen. Als de ene god het af laat weten, kun je nog bij een andere terecht. Afgoden van onze tijd, dat zijn geld, en sport, en familie, en vakanties, en seks, en.. vul maar in. Voor ieder weer anders, maar het zijn de dingen waar we denken gelukkig van te worden. De dingen die ons leven vullen, zin geven.

Psalm 16 is daarin tegendraads: Die dingen stellen juist uiteindelijk teleur, zegt de dichter. In die dingen in je leven investeren, daarop je vertrouwen stellen. Daaraan heb je als het over de zaken van leven en dood gaat, nou net niks.

Wat het meest treft met Pasen in Markus 16, dat is niet de vreugde om Jezus opstanding. Eerder het gebrek aan vreugde, omdat de discipelen er niet in durven te geloven. Ze geloofden er niet meer in toen Jezus stierf. En daar hoeven we niet op neer te kijken. Daarin komt Pasen ons heel nabij. Durft u, durf jij écht te geloven dat Jezus uit de dood opstond. Dat het geen verhaaltje is van een paar vrouwen bij een leeg graf. Maar realiteit!? Dat je je aan die boodschap kunt overgeven?

In ons hoofd springen met Pasen alle lichten op rood: Dit kan niet! Iemand die dood is is dood. Dat zijn de kaders waarin wij denken. Dat is de begrenzing die in ons hoofd lijkt ingebouwd. Ons vertrouwen is begrensd. We vinden de verhalen over kruisiging en opstanding van Jezus aangrijpend, mooi, inspirerend. Maar ook: verbijsterend, moeilijk te geloven. Of niet? Dat is de ongelooflijke uitdaging van Pasen. Van Psalm 16. Die keert het precies om. Niet de verstandige man die aan risicospreiding doet, maakt het uiteindelijk, maar degene die zich tegen alle begrenzingen in, volledig in Gods handen geeft.

Het onbegrensd vertrouwen op de HEERE, dat doorklinkt in vers 10: ‘Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten, U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.’ Heel simpel gezegd: ‘Ik ga niet dood. Daar zult U, mijn God, voor zorgen.’ En de toon waarop die dat zegt. Het zijn de tonen die de muziek maken, zeker in de psalmen. Zo frank en vrij. Niet met een misschientje of een slag om de arm, met mitsen en maren. Eerder tintelt er verwachting en hoop en vertrouwen en zelfs vreugde in door: Zo zál het gaan. Ga er maar eens goed voor zitten, je zult versteld staan!

‘U zult mij niet verlaten’. Dat lijkt een contrast, met waar het op Goede Vrijdag over ging: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten’. Toen schreeuwde Jezus dat aan het kruis. En Hij stierf. Maar Pasen is nu juist het bewijs: De Vader heeft de Zoon niet verlaten. Dat denken wij mensen dan ja. Dat maakt ons het geloven en vertrouwen moeilijk. Ja, als het geen Pasen was geworden, dan zouden we het niet kunnen geloven. Zo moet je het denk ik zeggen.

De weg van Jezus Christus, onze Heere, van het kruis, naar het graf, naar Paasmorgen, dat hebben wij nodig. Om te kunnen geloven. Om onszelf in een onbegrensd vertrouwen over te geven in Gods handen. Want Psalm 16 gaat nog niet over die overwinning door de dood in. In het hele Oude Testament is de dood een absolute grens. Zoals wij de dood ook als een absolute grens ervaren. Alleen de opstanding van Jezus Christus uit de dood gaat daar verder.

De feiten spreken voor zich. Het feit van Pasen is iets wat de discipelen op die ochtend nauwelijks kunnen bevatten. Jezus verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, staat er dan bij. Hoezo? Het is toch logisch dat zij dat niet kunnen geloven? Nee, dat is wel degelijk kwalijk. Want daaruit blijkt een gebrek aan vertrouwen op God. Een begrensd vertrouwen. Als ze werkelijk Psalm 16 serieus hadden genomen, was de Opstanding voor hen niet als verrassing gekomen.

Later zal Petrus in zijn Pinksterpreek dan ook Psalm 16 aanhalen, Handelingen 2: ‘Deze Jezus, Die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is,  hebt u gevangengenomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gespijkerd en gedood. God heeft Hem echter doen opstaan door de weeën van de dood te ontbinden, omdat het niet mogelijk was dat Hij daardoor vastgehouden zou worden. Want David zegt over Hem:  Ik zag de Heere altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen. … want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.’

Dat is het heerlijke van ons geloof: Wij hoeven ons niet in den blinde in de handen van een onzichtbare God te werpen. We hoeven niet onbegrensd te vertrouwen op een ondoorzichtig of onbegrijpelijk gebeuren, waarvan je maar moet afwachten wat ervan wordt. Nee, God heeft met Pasen bewezen dat je op Hem aan kunt. Zelfs als het gaat op leven en dood. ‘In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst’, wordt er dan in de financiële wereld bij gezegd. Maar dat is nu net het verschil met onze God: De door Hem bepaalde resultaten bieden nu juist wél garantie voor de toekomst.

Wat heb je daaraan? Als je dat al hebt, dat onbegrensde vertrouwen op God? Waarom zou je je leven zo compleet in Gods handen leggen? Vers 11 zegt: U maakt mij het pad ten leven bekend; overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.’ Een overvloed van blijdschap en ‘lieflijkheden’, fijne dingen. Je leven verlost van alle kramp en doodsangst. Pure positiviteit. Een gevuld leven, vol vreugde en vrede. Wie lijkt dat wat? Is dat niet wat je als mens ten diepste wilt? En juist dat is het resultaat van Pasen. Van het geloof in Gods onbegrensde mogelijkheden.

Daar zit trouwens een groot verschil met hoe wij uit onszelf denken. Ons wordt tegenwoordig geleerd: Je moet geloven in je eigen mogelijkheden. Je moet positief leren denken. We geloven in de onbegrensde mogelijkheden van de wetenschap, van artsen, van medicijnen, van techniek. En dat lijkt ook te werken. Er zijn immers heel wat mensen die zonder te geloven in Pasen toch heel gelukkig zijn. Die ook een fijn leven hebben, blijdschap kennen. Wat biedt God dan extra? Waar heb je dan God voor nodig?

Kijk maar naar Jezus. Dat onbegrensde Godsvertrouwen van Hem. Zorgde dat voor een lang en gelukkig leven vol fijne momenten? Nee, zeker niet. De afwezigheid van doodsangst in zijn leven, dat wendde Hij niet aan voor zichzelf. Zonder angst en met open vizier trad Hij de dood tegemoet. Tijdens Zijn leven sloeg Hij bewust die weg in: Hij kwam om de wereld te redden, om Zijn Koninkrijk op te richten, en Hij wist van meet af aan dat Hem dat Zijn leven zou kosten. Dat redt je niet met positief denken alleen…

Jezus durfde in te gaan tegen de gezagsdragers van Zijn tijd. Hij sprak de waarheid van God en niet het volk naar de mond. Hij ging de confrontatie niet uit de weg. Jezus maakte zich geen zorgen over de afloop van die ramkoers, omdat Hij die afloop veilig wist in de handen van Zijn Vader. Daarom hoefde Hij over Zijn eigen lot niet in te zitten, maar kon Hij zich volledig geven voor het lot van verloren mensen, mensen die Hem aan het hart gaan. Dat onbezorgde, onbekommerde, onbegrensde vertrouwen, dat bracht Jezus tot aan het kruis. En verder. Tot Pasen. Tot de Opstanding.

Die lijn doortrekt het hele evangelie van Jezus Christus. Natuurlijk, dat is niet allemaal blijheid. Jezus ging niet flierefluitend naar het kruis. Alsof het hem allemaal niets deed. Integendeel. Het was de zwaarste, de moeilijkste weg, die iemand ooit gegaan is. Het was vernederend, onterend, afgrijselijk. In de ogen van de wereld een dwaasheid en struikelblok. Maar dan kijk je alleen naar wat voor ogen is, oppervlakkig.

Daaronder tintelt het vertrouwen van Psalm 16. Dat al gaat alles mis, er nog niets mis gaat. Dat het geen afgang is, maar opgang. Dat gaat véél en véél verder dan positief denken. Dat is hoop. Dat is geloof. Dat is de weg van Jezus Christus naar het leven. Voor Hem én voor ons. Dat kan alleen dankzij God. Dat is Pasen. Dat al onze menselijke onmogelijkheden overwonnen zijn. Dat niet de dood, maar God het laatste woord heeft.

God heeft het laatste woord. Over deze wereld in het groot. In onze ogen gaat de wereld de verkeerde kant op. Nee dus. ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde’ zegt de Opgestane. En over ons eigen leven en hart. In je eigen ogen val je misschien telkens weer in zonde. Veroordeelt je eigen hart je. Lukt het niet om zo onbegrensd op God te vertrouwen. Bouw je op eigen zekerheden. Maar ook dat is niet het laatste. ‘Ik leef en u zult leven.’ zegt de Opgestane.

Aan deze Jezus mag je je gewonnen geven. Zoals dat gaat met die discipelen met Pasen. Het dringt moeilijk tot hen door. Tot Jezus zelf in hun midden verschijnt. Het onmogelijke gebeurt. Dat mogen we elke keer verwachten: Als wij dat onbegrensde vertrouwen niet op kunnen brengen, verwachten we dat Jezus Christus zelf er zal zijn.

Hoe zal ons leven eruit zien, als wij Psalm 16 meezingen? Als wij het Paasgeloof ons eigen maken? Als wij ons met ons hele hebben en houden veilig weten in Gods hand? Behalve dat er op de bodem van je hart dan altijd een onverslaanbare blijdschap is – en dat is niet niks – zal je toch ook anders leven. Uit Psalm 16 kun je wat dat betreft twee dingen leren: Terwijl de andere mensen druk zijn met het dienen en offeren aan afgoden, omdat ze niets tekort willen komen en alle mogelijkheden van het leven optimaal willen benutten, kan de dichter zich helemaal aan de HEERE wijden, vers 7-8: ‘Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven; zelfs ’s nachts onderwijzen mij mijn nieren. Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen;’

Dat gaat over concentratie: Uit al het vele dat deze wereld te bieden heeft, richt de dichter zijn leven totaal in op de dienst aan God. Het is opmerkelijk dat met Pasen met de discipelen hetzelfde gebeurt: Jezus roept ze opnieuw in Zijn dienst, om wereldwijd te gaan vertellen over Hem. Blijkbaar hoort dat erbij. Als de Opgestane Heer voor je daadwerkelijk de Levende is, wil je niets liever dan Hem dienen, met Hem bezig zijn, Hem loven, over Hem vertellen. Al die andere leuke dingen van deze wereld, die verbleken in Zijn licht. Kent u dat? Dat het je diepste vreugde is, gewoon hier in de kerk te zijn, te zingen, te bidden, uit de Bijbel te lezen. Mooi is dat, hè! Gewoonweg genieten van wie God is.

Als je dat niet kent, dan heb je nog nooit echt Pasen gevierd. Dan zit het niet goed tussen jou en God. Dan moet je vandaag Pasen gaan vieren, zou ik zeggen. Echt, doe niet langer aan risicospreiding, geef je over. Zet al je kaarten op de Ene, de Heere Jezus.

Dat is het eerste uit Psalm 16 ‘concentratie op Jezus Christus’. Het tweede is: frank en vrij leven. Vers 8b-9: ‘omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet. Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich, ook zal mijn lichaam veilig wonen.’ Een christen is een onbekommerd mens. Let wel: onbekommerd over zichzelf. Je hoeft niet zo nodig rijk te worden, gelukkig te worden, gezond te zijn, carrière te maken, jezelf groot te houden voor de mensen om je heen, je imago met leugentjes op te poetsen. Wat kan jou dat schelen? Je veiligheid en identiteit vind je in de liefde van Jezus Christus.

Daar kom je niet bedrogen mee uit. Psalm 16 zegt: ‘De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen, ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.’ Christenzijn is geen verbod op genieten van het leven, integendeel. Jezus belooft zijn volgelingen dat ze straks de hele aarde zullen bezitten. Alleen: Dat hoeven we niet met hard werken voor onszelf veilig te stellen, we zullen het straks van Hem erven. Met die garantie mag je in het leven staan. Onbekommerd om jezelf. Onbekommerd zullen de discipelen slangen oppakken lazen we, iets dodelijks drinken, het zal hen niet schaden. En dat geeft dan de ruimte om bekommerd te zijn over de ander: ‘op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.’

Dat onbegrensd vertrouwen. Die ondoofbare blijdschap. Dat krijg je van Pasen. Als je je volledig in handen geeft, van Jezus Christus, onze Heere. Hij leeft!

Amen

Kern van de Bijbel (3) – Onze reactie: geloof

Preek uit leerdienst over Heidelbergse Catechismus, Zondag 7.

Rembrandt – Abraham en Isaak (1645)

 

Gemeente van Jezus Christus,

  1. Wat wil de Bijbel? Geloof. 

Er komt veel informatie op ons af tegenwoordig. We volgen het nieuws via de TV of de krant, we volgen onze vrienden en bekenden via Facebook en smartphone. Via de computer hebben we toegang tot alle informatie ter wereld. In onze vrije tijd lezen we een boek of kijken we een film. En dan nog alles wat er op je werk en thuis gebeurt… Je kunt dat onmogelijk allemaal verwerken. Al die verhalen! Veel dat binnenkomt – via het ene oor -, gaat er via het andere oor weer uit. Dat kan in de kerk ook zomaar zo gaan. Je zit hier ’s zondags en je hoort de preek wel, maar je hoofd zit nog zo vol… En zo kan het gaan bij het lezen van de Bijbel: je leest aan tafel of voor het naar bed gaan een stukje… je neemt het voor kennisgeving aan.

In twee voorgaande preken over de ‘kern van de Bijbel’ is er zo heel veel informatie langs gekomen.

In de eerste preek ging het over het drama in de Bijbel. Als je de Bijbel leest, dan valt allereerst op dat het verhaal over God geen gemakkelijk verhaal is dat soepel loopt. Van meet af aan kom je in de Bijbel mensen tegen die zonde doen, die elkaar vermoorden, die niet naar God willen luisteren. Het toppunt van dat drama is in de Bijbel dat de mensen, de onschuldige Zoon van God, aan een kruis hangen. De mens blijkt een ellendeling.

In de tweede preek ging het over de sleutel. Als je de Bijbel leest, dan komt er heel veel op je af, liederen, profetieën, brieven, verhalen. Je raakt er bijna de weg in kwijt, behalve als je bedenkt dat de Bijbel ons bovenal niet een menselijk drama wil vertellen, maar wil vertellen over de onuitputtelijke genade van God, die mensen uit hun ellende redt. Die sleutel wordt ons aangereikt door datzelfde kruis van Christus.

En dan is de Bijbel uit. The End.

Voor veel mensen is de Bijbel zo’n verhalenboek uit de wereldliteratuur, op gelijke hoogte met de Odyssee van Homeros uit het antieke Griekenland, de toneelstukken van Shakespeare uit het middeleeuwse Engeland, of de sprookjes van de gebroeders Grimm over Assepoester, Roodkapje en Sneeuwwitje. ‘Er was eens in een land hier ver vandaan …’. Leuk om een keer te lezen, interessant, vermakelijk, inspirerend misschien zelfs, maar net als die boeken kan de Bijbel weer dicht en in de kast, en we gaan over tot de orde van de dag. ‘En zij leefden nog lang en gelukkig.’

Als dat bij ons zo gaat, dan gaat er iets mis. Je kunt zelfs zeggen: Dan heb je de Bijbel niet goed gelezen. Anders dan alle andere informatie die we tot ons kunnen nemen, wíl de Bijbel iets van ons. Er wordt niet een bult informatie op ons bord gedropt. Of zomaar een verhaaltje verteld. ‘Kijk maar wat je ermee doet’ – nee, de Bijbel zegt zelf al wat we ermee moeten doen. Zo staat er aan het einde van het evangelie van Johannes (hoofdstuk 20):

29 Jezus zei tegen hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd;  zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven. 30 Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel  veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, 31 maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.

Johannes heeft zijn evangelie geschreven, ‘opdat u gelooft’. Die drang zit niet alleen in dat ene evangelie, maar doortrekt heel de Bijbel. De Bijbel – en daarin spreekt God zelf! – wil ons leven veranderen. De Bijbel is als het ware Gods brief aan ieder van ons, geadresseerd, en Hij wacht op antwoord. Het is aangetekende post. Je moet er iets mee. Niet zomaar iets: Je moet het geloven.

Voelt u dat ook als u de Bijbel leest? Dat appèl op je leven? Niet zomaar alleen dat je in de Bijbel wat normen en waarden krijgt aangereikt, en dat de Bijbel soms kritisch is op hoe wij leven, maar dieper dan dat…

  1. Wat is geloof? Stellig weten! De Bijbel is een betrouwbaar boek.

Wat is dan dat geloof, waar de Bijbel om vraagt? Nou, dan denken we in onze tijd al snel: Inderdaad, wil je die ongeloofwaardige verhalen uit de Bijbel aannemen, dan heb je héél veel geloof nodig.

Geloof, dat woord klinkt in onze tijd als iets onzekers. De wetenschap en onze zintuigen, die leveren ons kennis en bewijs en feiten. De Bijbel, dat is eerder het tegenovergestelde, die levert ons verhalen. En verhalen, zeker verhalen van lang, lang geleden, die moet je met een korreltje zout nemen. Geloof, dat is in onze tijd meer een persoonlijk gevoel, het gevoel dat er meer is. Geloof, daar valt niet over te twisten, net als over smaak. Je gelooft het of je gelooft het niet.

Laat u niet inpakken door dat moderne denken! Laat u daardoor niet meeslepen! Als het in de Bijbel over geloof gaat, dan gaat het niet over dat moderne onzekere gedoe. De kern van de Bijbel gaat over feiten, over geschiedenis, over dingen die echt gebeurd zijn.  In de catechismus wordt dat genoemd ‘het algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof’, waarvan de Apostolische Geloofsbelijdenis een samenvatting geeft. Die welbekende geloofsbelijdenis is geen opsomming van wat persoonlijke meningen, maar van feiten. Heilsfeiten, omdat ze cirkelen rond dat éne grote feit: het leven van Jezus Christus, en nog meer toegespitst: zijn kruisiging én opstanding uit de dood.

De Bijbel zelf vertelt dat niet als een ‘verhaaltje’, wat je maar moet ‘geloven’ (in de moderne onzekere betekenis van het woord), maar als een feit. Zo doet Paulus dat bijvoorbeeld in 1 Korinthe 15:

1 Verder maak ik u bekend, broeders, het Evangelie,  dat ik u verkondigd heb, dat u ook aangenomen hebt, waarin u ook staat, 2 waardoor u ook zalig wordt, als u eraan vasthoudt zoals ik het u verkondigd heb, tenzij dat u tevergeefs geloofd hebt. 3 Want ik heb u ten eerste overgeleverd wat ik ook ontvangen heb,  dat Christus gestorven is voor onze zonden, overeenkomstig de Schriften, 4 en dat Hij  begraven is, en dat Hij  opgewekt is op de derde dag, overeenkomstig de Schriften, 5 en dat Hij  verschenen is aan Kefas,  daarna aan de twaalf. 6 Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nu nog in leven zijn, maar sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. 8 En als laatste van allen is Hij ook  aan mij verschenen, als aan de ontijdig geborene. […]14 En als Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.

Geloof, dat is in de Bijbel dus niet iets onzekers, maar zoals de catechismus zegt, ‘een stellig weten’. Volgens Paulus hangt ons hele geloof af van dit ene feit: Christus is opgewekt uit de dood.

Natuurlijk, dat Jezus is opgestaan uit de dood, is niet zomaar een feit als alle andere feiten. Er is iets bijzonders mee aan de hand: het is iets wat wij zelf niet mee hebben gemaakt en wat in onze moderne opvattingen helemaal niet kán. En daarom gaan wij al snel de Bijbel zelf in twijfel trekken. Ik hoor dat veel om me heen, ook wel in onze gemeente: ‘Die Bijbel is ook maar een boek, geschreven door mensen, en er is vast mee gerommeld door de eeuwen heen, je weet toch hoe dat gaat…’

Daar wreekt zich een gebrek aan kennis over de Bijbel. Heel veel mensen serveren de Bijbel op die manier af, zonder dat ze zich bewust zijn van de goede papieren die de Bijbel heeft. Het Oude Testament is qua ontstaan en overlevering ingewikkelder, maar wat wij kennen als het Nieuwe Testament is een bundel geschriften uit de eerste eeuw na Christus. Dat dat écht zo is, is aantoonbaar door de vele handschriften en fragmenten die er nog zijn. Er is aantoonbaar niet mee gerommeld. Deze 1e brief aan Korinthe is 100% zeker geschreven door meneer Paulus van Tarsis in het voorjaar van het jaar 54 vanuit Efeze, dat is +/- 20 jaar na de kruisiging van Jezus. Ja, bij het overschrijven hebben mensen wel eens foutje gemaakt, een lettertje of woordje verkeerd geschreven, maar in de wetenschappelijke uitgave van de originele Bijbeltekst in het Grieks kun je zien dat die variatie hoogstens een half procent is.

En inderdaad, tussen de verschillende verslagen over het leven van Jezus van Mattheus, Markus, Lukas en Johannes, en wat Paulus hier zegt in 1 Korinthe 15, daar zitten verschillen tussen. Ze geven Jezus’ woorden soms wat anders weer, of de gebeurtenissen in een andere volgorde, maar in de hoofdlijn zijn ze het absoluut eens.

En maakt dat de Bijbel niet juist betrouwbaar: de Bijbel is blijkbaar geen netjes gepolijste propaganda, maar precies zoals je zou verwachten van mensen die oprecht verslag doen van hun eigen ervaringen. De auteurs zijn geen mensen die honderden jaren later wat mondelinge overleveringen op schrift hebben gesteld, maar mensen die er zelf zijn bij geweest of het uit de eerste hand hebben.

Dat is zelfs het criterium geweest bij het samenstellen van het Nieuwe Testament: alleen geschriften die zeker van de hand van de apostelen van Jezus zélf of controleerbaar van hun directe medewerkers stammen mochten er in.

Geloof, dat betekent in de Bijbel niet dat je je verstand maar op nul moet zetten, het betekent juist dat je je verstand aan het werk moet zetten. ‘Ga het maar na!’ zegt Paulus. Bewijs in overvloed voor wie er naar zoekt. ‘Hij is waarlijk opgestaan!’ Dat is de kern van het christelijk geloof. Geloof is in de eerste plaats het aanvaarden/aannemen van de feiten.

  1. Is geloof alleen kennis? Vast vertrouwen op de belofte.

Als het dan feiten zijn, als het gaat om ‘stellig weten en kennis’, waarom noemen we het dan nog geloof? Is dat dan niet verwarrend?

Dan moeten we goed begrijpen dat de Bijbel ons feiten vertelt, en dat het geloof ermee begint dat wij die feiten leren kennen. Maar op zichzelf kun je nog verschillend reageren op die feiten. Dat kun je heel eenvoudig ook in de praktijk van alledag zien: Iedereen weet dat het slecht is om te roken, dat is een feit. En als je een pakje sigaretten koopt, kun je daar niet onderuit. En toch zijn er mensen die roken. De apostel Jakobus schrijft ‘de duivelen geloven ook dat God bestaat, en zij sidderen’. M.a.w. op de feiten van het evangelie kun je ook nog negatief reageren. Je kunt ervan zeggen: Laat God lekker God zijn, en Jezus opstaan uit de dood, allemaal best, maar ik doe gewoon mijn eigen ding.

De Bijbel is wat dat betreft ook heel eerlijk: De Israëlieten die door God bevrijd werden uit Egypte, twijfelden echt niet meer aan Zijn bestaan, maar dat is nog wat anders dan God ook gehoorzamen. En het Sanhedrin dat van de soldaten bij het graf het verhaal hoorde van een engel die de steen had weggerold en het graf dat leeg was, weigerde in Jezus te geloven, maar verzon het verhaal dat de discipelen Jezus’ lijk gestolen zouden hebben. Ze wilden gewoon hun macht niet verliezen en hun ongelijk niet toegeven.

Daarom gebruikt de Bijbel het woord ‘geloof’. De Bijbel presenteert ons niet alleen feiten, maar wil bij ons een positieve reactie op die feiten teweegbrengen. En die positieve reactie is vertrouwen op God. Dat aspect kwam sterk naar voren in de schriftlezing uit Hebreeën 11. De basis daarvoor vinden we in Genesis 15, in de verhalen over Abram:

1 Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: […] 5 Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem:  Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. 6 En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.

Het geloof van Abraham is niet alleen ‘geloven dat’, dat God bestaat. Dat kon hij ook moeilijk ontkennen: God sprak tot hem! Het is ook ‘geloven in’. God kwam op hem over als Iemand die te vertrouwen is. De beloften die God deed waren nog geen feiten, maar Abram vertrouwde zichzelf toe aan de leiding van God. Hij was met God onderweg. Leerde God gaandeweg kennen als Iemand die woord houdt. En gaandeweg groeide het geloof, het vertrouwen en de zekerheid.

Daar zit natuurlijk een spannend moment, ook voor ons. Wij weten ontzettend veel méér dan Abram. Voor Abram was het enkel een stem die hij volgde. Wij hebben een hele Bijbel. In het bijzonder de ontwijfelbare feiten van kruisiging en opstanding van Jezus Christus. Maar de Bijbel blijft een boek van beloften. Zoals de catechismus zegt: ‘Wat moet een christen geloven? Antwoord: Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt.’ En dan kun je denken aan wat in antwoord 21 gezegd wordt: ‘dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus.’

De vraag is ook voor u en jou en mij: Geloven wij dat? In de zin van: gaan we daarvoor? Laten we onszelf daardoor meenemen? Waag je het ermee? Geloven lijkt wat dat betreft wel een beetje op zwemmen. Wéten dat zwemmen mogelijk is, het voor je ogen zien gebeuren, dat is nog iets anders dan zelf in het diepe springen. Het één kan niet zonder het ander: als je niet wist dat zwemmen mogelijk was, als niemand je vertelt hoe je het moet doen, dan zou je nooit in het water springen.

Zo geldt het ook voor geloof: Als je nooit van God gehoord hebt, als je niet weet Wie Hij is, als je de feiten van kruis en opstanding niet kent, dan zou je niet geloven, je niet aan Christus durven toevertrouwen. Maar is het andersom voor u ook waar: Als u God in de Bijbel leert kennen als een betrouwbare God, die Woord houdt, laat u zich dan ook door die Bijbel verleiden om al Zijn beloften serieus te nemen en uw leven erdoor te laten kleuren en sturen? 

  1. Waarom is geloof zo belangrijk?

Want je komt alleen aan de overkant als je zwemt. Abram ontving uiteindelijk de vervulling van de beloften, ómdat hij op weg ging. Omdat hij het waagde met God. Dat laat iets zien van het belang van het geloof. Het is niet alleen maar onze reactie op de Bijbel, op de betrouwbare woorden van en over God. Het is meer dan dat. Het is ook het middel waardoor wij deel krijgen aan al de weldaden van Christus.

De catechismus zegt dat wij als het ware automatisch in Adam veroordeeld zijn. Dat is dat drama van de mens, de ellende. De wereld waarin wij leven is een verloren wereld, gebroken door de zonde. Het is als het ware een huis dat in brand staat. Je ziet het overal om je heen. Als je daarin blijft, dan weet je zeker dat je omkomt in de vlammen. Wil je gered worden, wil je in leven blijven, dan zul je in beweging moeten komen. Dat gaat niet automatisch. Zo werkt het volgens de Bijbel ook met ons mensen (Johannes 3):

16 Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,  opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. 17 Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. 18 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.

Waarom is dat geloof zo belangrijk? Omdat wij ons niet op eigen kracht uit dat brandende huis kunnen redden. Er is maar één Iemand die daar sterk genoeg voor is, en dat is Jezus. Geloven, dat je is jezelf aan Hem toevertrouwen, je levenslot in Zijn handen leggen. Als God van ons vraagt om te geloven, dan is dat geen onredelijke eis, maar het is het aanbod van redding. Alleen op die manier redt Jezus je van de dood en ontvang je eeuwig leven.

Jezus heeft laten zien dat Hij dat kan. Hij is zelf ten onder gegaan in de dood, in het oordeel van God, in het brandende huis van deze wereld. En Hij is er niet in gebleven. Hij is er als overwinnaar uitgekomen. De Bijbel is daar allereerst een getuigenis van en het legt deze feiten met klem bij ons neer: De vraag of er een God is, wordt daarin afdoende beantwoordt, God is zelfs mens geworden, heeft geleden, is gekruisigd en opgestaan uit de dood! Als je de Bijbel serieus neemt, dan kun je daar van op aan. De vraag of wij in God geloven is vervolgens de vraag of wij Hem vertrouwen, met Hem meegaan.

Daar kun je ook je schouders voor ophalen. En daarom zegt de Bijbel: besef wel dat je leven ervan af hangt. 

  1. Hoe kom ik aan dat geloof? 

Dat kan soms angst bij ons oproepen: ‘Ik twijfel nog zoveel, héb ik dat geloof dan wel? De catechismus heeft het over waar geloof, dus blijkbaar is er ook vals geloof of nep geloof.’ En dan kijken we naar onszelf en in ons eigen hart en dan zien we dat ons leven helemaal niet lijkt op alles wat God van ons vraagt. En we zien onze onverschilligheid of gemakzucht in het dienen van God. Geloven we dan wel echt? Zeker, omdat we soms het idee hebben dat anderen wél echt geloven. Je hebt van die voorbeeldfiguren in de Bijbel (zie Hebreeën 11), maar ook in de kerkgeschiedenis en ook in onze gemeente, mensen waar je tegenop kijkt: ‘Ja, dat is een echte gelovige, daar steek ik maar mager bij af. Zulk ‘geloof’ heb ik niet!’

Maar als we zo denken, dan denken we menselijk en niet bijbels. Inderdaad, als we naar onszelf kijken, dan worden we niet zo vrolijk van onze ‘goedgelovigheid’. Uit onszelf reageren we eerder negatief op God, ongelovig, koppig. Maar zo spreekt de Bijbel niet over geloof. Geloof dat begint niet bij ons goede gedrag en onze gehoorzaamheid. Die zijn er als het goed is wel gevolgen van, maar daar zit een belangrijk onderscheid. Geloof is ook niet iets dat zomaar uit de hemel komt vallen. Het geloof zélf is enkel een open staan voor Gods Woord. Zo schrijft Paulus in Romeinen 10:

13 Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden. 14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen in Wie zij niet geloven? En hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? […] 17 Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.

Hoe komen we aan het geloof? Het vertrouwen op God, dat doet de heilige Geest in ons groeien hoe meer de kern van de Bijbel bij ons binnenkomt. De heilige Geest werkt het geloof door het evangelie, zegt de catechismus. Niet op een geheimzinnige manier dus. Uit onszelf zouden we op God reageren als: ‘Neu, niet aan mij besteed’, maar de Bijbel vertelt zo aanstekelijk en gedreven over de liefde van God voor zondaren, over genade voor een gevallen wereld, over een God die sterft voor Zijn vijanden, dat je denkt: ‘Wow, is dat echt zo? Als God echt zo is, als God echt zoveel van mij houdt, dan wil ik Hem volgen, dienen, gehoorzamen, aanbidden, etc.’

De heilige Geest heeft de Bijbel bedacht en gebruikt de Bijbel om die innerlijke knop bij ons om te zetten, van een negatieve naar een positieve reactie op God, van ongeloof naar geloof.

Werkt dat echt zo? Bij mijzelf wel. Als dominee lees ik veel in de Bijbel, en hoe langer ik er in lees en erover nadenk, hoe meer het mij gaat raken en hoe enthousiaster ik over Jezus Christus wordt. En ik zie dat ook om me heen gebeuren in de gemeente. Waar de Bijbel open gaat, daar veranderen mensen. Door de kerkdiensten, door de kringen, door de catechisaties, en ga maar door. Ja, dan moet je de Bijbel wel bewust lezen. Snel een stukje aan tafel. Boek weer dicht. En over tot de orde van de dag, dan komt het niet binnen. Het enige recept voor geloof is: Lees de Bijbel bewust en met een open mind, en de rest komt vanzelf… Hoe je dat praktisch doet, komt a.s. dinsdag op de gemeenteavond aan bod.

De Bijbel is niet zomaar een boek. Het presenteert de feiten over God, over Jezus Christus. En dat vraagt om reactie. Wat doet u ermee?

Amen

Goed leren bidden

Preek over Mattheus 6,5-8 gehouden in Everdingen.

Gemeente van Jezus Christus,

Bijna alle mensen bidden. Alleen hele principiële atheïsten, mensen die absoluut ervan overtuigd zijn dat God níet bestaat, die bidden niet. Maar voor de rest: joden, moslims, hindoes, christenen en verder iedereen die gelooft dat er ‘iets’ is, allemaal bidden ze. Meer of minder en op allerlei manieren, maar bidden doen we. Bidden is iets menselijks. Dat je je in ziekte, bij belangrijke beslissingen of bij grote blijdschap richt tot de hemel.

Jullie kinderen, jullie bidden vast ook. Aan tafel bidt papa of mama hard op voor en na het eten. Misschien wel een vast gebed: ‘Here, zegen dit eten. Amen’ en na het eten ‘Wij danken U van harte, voor nooddruft en voor overvloed, waar menig mens eet brood der smarten, hebt Gij ons mild en wel gevoed.’ En voor het slapengaan, ga je misschien nog wel even op je knieën bij het bed zitten. Veel kinderen hebben daarvoor het versje geleerd: ‘Ik ga slapen, ik ben moe / ‘k sluit mijn beide oogjes toe. / Heere, houd ook deze nacht / over mij getrouw de wacht.’

Maar het rare is dat je zo’n gebedje op een gegeven moment zó goed uit je hoofd kunt, dat je het kunt bidden zonder er bij na te denken. De woorden komen dan als vanzelf uit je mond. Misschien heb je dat ook wel eens gehad. Dat je al begonnen was met eten of al in bed lag en opeens dacht: Hé, heb ik eigenlijk wel gebeden? Meestal heb je dat dan wel gedaan, maar gedachteloos, automatisch. Je hebt wel gebeden, maar niet op de goede manier.

De Heere Jezus vertelt ons vanmorgen dat er allerlei manieren zijn om te bidden. Maar dat ze niet allemaal even goed zijn. Één manier beveelt Hij ons aan. Let maar op wat Hij zegt.

In de tijd van Jezus baden gelovige Joden op drie vaste tijden. ’s Morgens bij het opstaan, ’s avonds voor het naar bed gaan. En midden op de dag, zo rond 3 uur ’s middags. In de Bijbel komen we dat al tegen bij Daniël, in dat bekende verhaal van de leeuwenkuil. Koning Darius verbiedt al het bidden, maar Daniël houdt er zich niet aan. Daniël 6,11:

‘Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.’

Daniël bidt richting Jeruzalem, omdat op deze drie tijden in de tempel de dagelijkse offers werden gebracht. Vrome joden hadden het gebruik, als ze niet daar in de tempel aanwezig konden zijn, van een afstand toch mee te doen in gebed. Nou, dat is natuurlijk iets heel moois, een hele mooie gedachte. Eigenlijk net zoals nu aan de kerkradio er ook mensen met ons meeluisteren en meebidden.

Maar juist omdat het zo ‘vroom’, zo ‘gelovig’ was, maakten mensen er ook een beetje een show van. Waar ze ook waren, in de synagoge of gewoon op straat. Men liet het werk uit de handen vallen en ging op het juiste moment staan bidden. Voor iedereen zichtbaar en hoorbaar. Zodat de mensen om hen heen ook konden horen hoe mooi ze baden. En daarmee gaat het mis. Want wij mensen zijn daar heel gevoelig voor: wat ‘men’ van ons denkt. Steeds beter gingen ze daarom hun best doen om zo móói mogelijk te bidden. Ze maakten er bijna een bid-wedstrijd van…

Zou u, zou jij daaraan mee doen? Vindt u dat u een beetje mooi kunt bidden? Doet u daar uw best voor? Ik denk het niet. Wij zitten meer aan de andere kant, denkt u niet? In het openbaar een gebed doen, dat is spannend, dat doen we liever niet. En wij bidden zeker niet op straat! En toch, zelfs als je weet dat je alleen bent, dan nog is bidden moeilijk. Want al zijn er geen andere mensen, die naar je gebed luisteren. Je luistert wel een beetje naar je eigen gebed. Hoe zit het met de kwaliteit van uw gebed? Bent u daar tevreden mee? Raffelt u uw vaste gebeden af? Doet u het meestal uit gewoonte en gedachteloos?

Jezus noemt mensen die tevreden zijn met hun eigen mooie gebeden ‘huichelaars’. Hun gebeden zijn bedoeld voor de omstanders; en daarmee vooral voor zichzelf, omdat ze er eer mee krijgen en zich er goed bij voelen; en niet voor God… Ze bidden voor zichzelf, met het oog op zichzelf en niet tot God. Jezus laat ons vandaag dus even kritisch kijken naar onze gebeden. Hij is blijkbaar niet zomaar al blij áls wij bidden. Hij heeft ons ook iets te zeggen over de manier waarop wij bidden.

 

Dat komt wel dichtbij en dat is ook kwetsbaar. Want in onze gebeden verwoorden we onze diepste gevoelens, dat wat uit ons hart komt. Hoe kan Jezus daar kritiek op hebben? Nou, dat is dus ook niet Jezus bedoeling. Het gaat Hem hier niet om de inhoud van onze gebeden, maar om de praktische kant van de zaak. Als je bidt, hóe doe je dat dan?

Het eerste is dan: niet op straat, maar in de binnenkamer. Grotere huizen in die tijd, hadden in het midden van het huis een kamer zonder ramen, vaak met een stevige deur ervoor. Die ruimte werd meestal gebruikt als opslagruimte voor etenswaren, het bleef daar lekker koel en donker. De binnenkamer. Dáár zegt Jezus, dáár moet je bidden. Een groter contrast met de straat is niet mogelijk: vanuit het lawaai en het licht en de mensenmassa, naar de stilte, het donker en de eenzaamheid. Nu is dat een heel praktisch advies:

Het lijkt me dat je als je zo’n plek op zoekt, je inderdaad beter kunt concentreren op je gebed. Om te bidden heb je rust nodig.

Doe die moeite ook elke dag even: zoek een plek op waar je niet gestoord wordt, waar het stil is. Waar je echt even alleen kunt zijn met God. Dat hoeft niet letterlijk een apart, donker kamertje te zijn in huis. In Jezus’ tijd hadden vooral de arme mensen zo’n ruimte ook helemaal niet. Van Jezus lezen we ook vaak dat Hij zich buiten in de natuur terugtrekt. Bijvoorbeeld in Mattheus 14:23. Jezus heeft in vers 12 net gehoord dat Johannes de Doper gedood is door Herodes:

‘En toen Hij de menigte weggestuurd had, klom Hij de berg op om er in afzondering te bidden. Toen het avond was geworden, was Hij daar alleen.’

Jezus’ punt is dus niet dat wij onszelf per se op moeten sluiten in een donkere kamer, dat mag ook op andere plaatsen waar je alleen kunt zijn. Zijn punt is dus dat het bij bidden niet gaat om de mensen, en wat die van jou denken, maar helemaal om God. Als je bidt heb je geen pottenkijkers nodig. Niet de mensen, maar God is het adres van ons gebed.

En toch, je neemt altijd iemand mee als je bidt, en dat ben je zelf. Voor veel mensen die bidden is dat geen probleem. Veel mensen die nog ergens vaag in God of ‘iets’ geloven, vinden dat zelfs de waarde van het gebed. Volgens hen gaat het ook niet zozeer om de vraag of je tot Iemand bidt, maar gewoon om het luchten van je hart. Bidden is een soort therapie voor jezelf. Door je eigen gedachten onder woorden te brengen, krijg je zorgen en beslissingen voor jezelf op een rijtje. Dat is bidden als een soort meditatie. Nu hoort dat er helemaal bij en dat is ook een positief effect van bidden.

Maar volgens Jezus is bidden niet zo gericht op jezelf.

‘Sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is.’

De eenzaamheid, de rust, de stilte opzoeken, dat is dus geen therapeutisch advies. Maar een gelovig advies: Als je bidt, probeer dan echt je best te doen je te richten op God. ‘Die in het verborgene is’. Even helemaal niet met de wereld en met jezelf, maar helemaal met Hem bezig zijn. Dat is het doel van het gebed…En dat is vreselijk moeilijk.

Het valt niet mee in onze tijd, om de stilte en rust te vinden. En nóg moeilijker is het even alle mensen, ook jezelf, je eigen gedachten en meningen en zorgen te parkeren en aandacht te hebben voor God. Dat is al moeilijk in de kerk, toch? Om echt even te luisteren en met andere dingen bezig te zijn als de dingen van alledag. Juist het Avondmaal kan iets zijn wat ons helpt te concentreren. Probeer deze week tijdens het bidden alvast te denken aan dat brood en die wijn die hier volgende week uitgedeeld zullen worden. Dat die wijzen op Jezus Christus die Zijn lichaam en bloed voor ons over had aan het kruis.

In de stilte van de binnenkamer is dan geen leegte, zoals mensen die alleen maar mediteren en praten met zichzelf, maar dan is God daar, de Vader, dat is de belofte die Jezus ons hier ook mee geeft.  Als Hij het adres is van je gebed, degene tot Wie je je helemaal richt en opent, dan komen je gebeden aan. Net als bij de gaven in vers 4 staat ook hier in vers 6: ‘Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.’ De Vader hoort en verhoort onze gebeden. Hij geeft ons wat we nodig hebben.

Maar natuurlijk zijn gebeden geen toverspreuken, geen magische woorden. Dat weten we allemaal wel. In boeken en films, zoals de Harry Potter verhalen, kom je dat nog wel eens tegen en in sprookjes. Dat er spreuken zijn waardoor iets gelijk gebeurd. Zo werkt bidden niet. Bidden is geen magie. Bidden is geen kunstje dat je kunt leren en waardoor alles wat je bidt uit gaat komen. Al is dat soms jammer, vinden we. We bidden voor de genezing van een ernstig zieke bijvoorbeeld. En soms gaat het beter, maar het werkt niet altijd. En we bidden voor vele kleine dingen: goede cijfers op school, mooi weer op vakantie, dat een ruzie met een familielid over mag gaan, om nieuwe energie als je moe bent, en ga zo maar door. Maar bidden is geen toveren. En hoewel wíj dat soms jammer vinden, zegt Jezus dat dat maar goed is ook.

In vers 7 zegt Jezus namelijk dat heidenen inderdaad denken dat bidden het uitspreken van bezweringen en toverformules is. Dat was in de tijd van de Bijbel inderdaad zo. Een bizar voorbeeld daarvan lazen we met elkaar al in 1 Koningen 18, waar er een soort bidwedstrijd wordt georganiseerd tussen de profeet Elia en 450(!) priesters van Baäl, de kanaänitische hemelgod van de regen en bliksem. De Baäl-priesters voeren allerlei rituelen uit, pijnigen zichzelf tot bloedens toe, schreeuwen naar de hemel ‘O Baäl, antwoord ons!’, maar het haalt niets uit.

Inderdaad bestond het bidden van heidenen in die tijd uit het zo vaak mogelijk herhalen van de namen van de goden. Want die woonden ergens hoog boven de wolken. Je moest moeite doen om hun aandacht te trekken. En je woorden moesten vooral mooi en vleiend zijn voor hen, om hen ervan te overtuigen jou te helpen. Bidden was hard werken. Vaak bad men urenlang met door priesters bedachten zinnen en bezweringen. En dan hoopte men maar dat de afgod zou horen en helpen… En als er niets gebeurde, had je toch niet goed gebeden.

Daartegenin zegt Jezus:

‘Als u bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want zij denken dat zij door de veelheid van hun woorden verhoord zullen worden.’

Dat dat inderdaad zo is, dat bleek ook al uit het verhaal van Elia en de Baälpriesters. Terwijl die de hele dag schreeuwend en roepend en zichzelf pijnigend hebben lopen bidden, kiest Elia het moment van het graanoffer in de tempel. Het vaste gebedsmoment en hij spreekt de eenvoudige woorden:

‘HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de ware God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt.’

En onmiddellijk valt er vuur uit de hemel en verteert het offer. Onmiddellijke gebedsverhoring. Was dat omdat Elia zulke mooie woorden zei? Omdat hij wel goed bad? Was het een toverspreuk die vuur uit de hemel liet komen? Nee, hij richtte zich oprecht en met eenvoudige woorden tot God. Dat was genoeg.

Jezus zegt dus dat uw gebed niet bijzonder hoeft te zijn, niet lang, niet mooi. Dat doet er niet toe. Dat is iets om goed te onthouden. Wij vinden bidden soms zó moeilijk dat we er maar niet aan beginnen. Dat kan ik niet, denk je dan misschien. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Straks zeg ik de verkeerde dingen. Voor heidenen, die hun afgoden aanbidden, zijn dat inderdaad onoverkomelijke drempels. Maar die haalt Jezus nu allemaal voor ons weg. Hij houdt de deur van de binnenkamer als het ware vandaag voor ons open en zegt: Ga maar, bid maar. Maak je geen zorgen over wat je zeggen moet en of je wel goed bidt. God stelt geen eisen aan je gebed. De Vader is al lang blij als u zich gewoon echt tot Hem richt. Wees in uw gebed maar gewoon wie u bent.

Ook voor de kinderen en jongeren onder ons is dat prettig: Je mag gewoon tegen God praten in je eigen woorden. Zeggen wat je dwars zit en waar je blij mee bent. Wij hoeven niet bang voor Hem te zijn. Je hoeft niet met bidden te wachten tot je volwassen bent, belijdenis hebt gedaan en veel Bijbelkennis bezit.

‘Ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader.’

Moeilijker is het niet.

 

Tegelijk is het heel wat om God als Vader aan te spreken. Dat is het bijzondere, het evangelie, in deze verzen. Jezus zegt hier: Je moet niet bidden, zoals mensen die zich vroom voordoen, en in het gebed voor zichzelf en andere op het oog hebben. En: Je moet ook niet bidden als de heidenen, die hele verhalen houden in het gebed, en die gebeden maar blijven herhalen. Je moet als christen, als mijn volgeling, bidden. En dan spreek je eenvoudig met je Vader in het verborgene. Volgende week, in de Avondmaalsdienst, zullen we dan ook stil staan bij het ‘Onze Vader’ vers 9-13.

Maar wie kan zomaar tegen God ‘Vader’ zeggen? Alleen een kind van God kan dat. Iedereen kan bidden tot God. Zoals iedereen een brief kan sturen naar je ouders. Op school leer je hoe je dat moet doen: De aanhef is dan ‘Geachte heer/mevrouw…’ Maar als jij je vader of moeder een briefje schrijft of een kaartje geeft, schrijf je erboven ‘Lieve papa, lieve mama’. Dat is heel anders. En post van allerlei bedrijven of onbekenden, die lezen je papa en mama misschien even door, maar het meeste gaat zo het oud papier in. Een briefje van jou niet, dat bewaren ze, ergens in la.

Zo is het met bidden ook. Wij richten ons niet zomaar tot God. Alsof God naar ons mensen zou moeten luisteren. Je kunt God niet zomaar als Vader aanspreken, als papa. Dat is eigenlijk al een geloofsbelijdenis. Wanneer je je zo tot de Vader richte kun je dat alleen doen, omdat je Jezus volgt. Omdat Jezus jou verteld heeft dat jij zo mag bidden als je in Hem gelooft. Door Hem te volgen en door zo bij Jezus te horen, wordt je een kind van God. In Jezus’ geloven, houdt in dat Jezus voor ons gestorven is, dat onze zonden vergeven zijn, dat wij wedergeboren zijn, opnieuw geboren. We krijgen een nieuwe eeuwig leven van Hem als kinderen van God. En dáárom mag je God als Vader aanspreken, en wil Hij naar je luisteren als naar Zijn kind.

Jezus zélf is dus een essentieel onderdeel van ons gebed. Hij is als het ware de postbode die onze brieven aan God, onze gebeden, bij Zijn Vader brengt. Hij is de Middelaar, die onze gebeden bij de Vader onder de aandacht brengt. Daarom sluiten we onze gebeden ook altijd af met ‘in Jezus Naam’ of ‘om Jezus’ wil’.  Wij bidden dus op grond van ons geloof, van ons vertrouwen in Jezus. Wij bidden niet op basis van onze mooie woorden, maar op basis van die geloofsrelatie met Hem.

Voor u die leeft vanuit dat geloof, is het wel een goed om er op te letten hoe u God aanspreekt in het gebed. Als u ‘Vader’ zegt, bedenk dan de achtergrond van die aanspraak. Dat het een wonder is, dat wij ons zo tot God mogen verhouden, dat wij zo mogen bidden. Daar heeft Jezus voor moeten sterven. Sta daar eens bij stil. In het bijzonder in deze week van voorbereiding: Naderen tot God de Vader in het gebed, is in wezen hetzelfde als Avondmaalsvieren hier in de kerk. Want ook dan komen wij tot God enkel en alleen op grond van het offer van Jezus Christus. Niet op basis van ons goede leven, onze mooie daden en woorden.

Voor u die níet leeft vanuit het geloof in Jezus Christus, als u niet durft te zeggen dat u een kind van God bent, een bekeerd mens, een wedergeboren christen. Spreekt u God wel aan als Vader? Waarom doet u dat dan? Mag dat dan wel? Misschien is dat dan wel een verkapte geloofsbelijdenis… Dat kan, dat je zegt: Ik durf niet te zeggen dat ik een kind van God ben! Dat klinkt zo hoog!… Maar, ik weet door de liefde van Jezus Christus wel, dat God míjn Vader wil zijn. Dan mag je Hem toch zo aanspreken en dan mag je zo ook aan het Avondmaal.

Alle mensen bidden wel, maar niet iedereen op dezelfde manier. Andere religies, heidenen, doen het heel anders dan wij. Die bidden niet tot God als Vader. Wij bidden niet uit plichtsbesef, niet uit demonstratie van ons geloof, niet als vroom goed werk. Maar om te spreken met onze Vader in de hemel, op een basis van vertrouwen en beloften. Op basis van ons geloof in de Zoon van God, Jezus Christus, die ons als belofte meegaf: ‘uw Vader weet wat u nodig hebt, voordat u tot Hem bidt.’

Daarmee bedoelt Jezus niet dat we niet meer hoeven te bidden, omdat God het toch al weet. Die conclusie zou je ook kunnen trekken. Maar Jezus bedoelt het juist als een aanmoediging voor ons gebed. Omdat God al weet wat wij nodig hebben, hoeven wij niet te aarzelen om tot Hem te gaan.  Als God dat niet wist, moesten we eerst nadenken over wat we gingen zeggen, of we het wel gingen zeggen, en hoe we het moeten zeggen. Al die drempels tot het gebed, neemt Jezus hier voor ons weg. We hoeven ons niet vromer voor te doen dan we zijn. We hoeven onze beden niet te verpakken in prachtige woorden en lange zinnen.

We mogen tot God gaan op een basis van vertrouwen, dat Hij als een Vader voor ons wil zorgen en dat Hij ons wil geven wat wij nodig hebben. Maar Hij wil niet zomaar een automaat zijn, Hij wil graag dat wij het Hem vragen, zodat er iets van een gesprek ontstaat tussen ons hart en de hemel. Dat er een relatie groeit, een band, die zich keer op keer verdiept en versterkt. Zelfs al kún je niet bidden door ziekte, door pijn, door twijfel, dan nog mag je bidden. Zelfs al weet je niet wát je moet bidden, ga tot de Vader in het gebed. Zelfs als wij misschien heel tevreden zijn met ons zelf en denken niet te hoeven bidden. Hij weet beter dan jijzelf wat je nodig hebt. Hij ziet scherper dan wij.

‘Uw Vader weet wat u nodig hebt.’

Van ieder van ons persoonlijk. Als Vader heeft Hij in het bijzonder ook oog voor u, voor jou. Hij weet dat wij genade nodig hebben. Hij weet dat wij mensen zonder Hem niet kunnen. Hij weet dat het moeilijk voor u en jou is om stil te worden voor het gebed. Hij weet het. En Hij wil in die noden voorzien. Hij wil ons geven wat wij nodig hebben. Ter versterking van ons geloof, mogen we volgende week zondag Avondmaal vieren. Daar mogen we die genade en vergeving voor ons persoonlijk proeven. Daar ervaren we de zorg van de Vader voor ons, Zijn kinderen. En dat is dan nog maar een voorproefje van het Koninkrijk van God, de Hemelse Maaltijd. De Vader zal alle noden van de wereld lenigen.

Dat gelovende, dat hopende, dat wetende, zo vertrouwende, mogen we in onze binnenkamer, in de stilte als niemand ons ziet, ons richten tot deze goede Vader. Zonder dikdoenerij, zonder mooie woorden. ‘Uw Vader weet wat u nodig hebt.’

Amen