Leeservaring: Paul – Oorspronkelijk: Overwegingen bij schepping en evolutie

N.a.v. M.J. Paul, Oorspronkelijk: Overwegingen bij schepping en evolutie, Apeldoorn: Labarum Academic, 2017.

Dit boek zou je de tegenhanger kunnen noemen van het bijna gelijktijdig geschreven boek van Van de Brink, ‘En de aarde bracht voort’. Terwijl Van de Brink de verenigbaarheid van orthodox-christelijk geloof met evolutie verdedigt, ontkent Paul die op de meeste punten. Tenminste is dat echt zo?
Paul beschrijft bijna encyclopedisch de klassieke bijbeluitleg en kerkelijke traditie hierover. Hij geeft een wetenschapshistorisch overzicht over oorsprongstheorieën vanaf de klassieke oudheid en veel wetenschapsfilosofische kanttekeningen. Hij toont genoegzaam aan dat de evolutietheorie niet eenduidig is, en nooit eenduidig is geweest. Oorsprongsvragen hangen per definitie samen met levensbeschouwelijke achtergronden van wetenschappers. Deze complexe nuancering noopt tot zorgvuldigheid en een kritische benadering van wetenschap. Als zodanig is dit een goed pleidooi.
Maar… zijn zorgvuldigheid en een kritische habitus niet ook juist onderdeel van goede wetenschap? Wetenschap wordt toch niet gediskwalificeerd door de constatering dat wetenschappers ook niet altijd objectief zijn geweest? Het vraagt alleen om nog méér wetenschap. Paul’s strategie lijkt om de vinger te leggen bij alle onzekerheden en fouten in het verleden om daarmee de geloofwaardigheid van de evolutietheorie te ondermijnen. Na het hele boek gelezen te hebben, kreeg ik eerder het idee dat het om speldenprikken gaat. Ik ben geen doorslaggevende argumenten tegengekomen, alleen nuanceringen en aanzetten tot verder onderzoek en discussie.
Als mede-oudtestamenticus heb ik vooral zijn exegese van Genesis 1-3 (en verder) met belangstelling gelezen, maar Paul komt niet verder dan het herhalen van een klassieke hertelling. Op geen enkele manier heeft hij moderne inzichten positief verwerkt. Bijvoorbeeld dat de schepping en het tuinverhaal veel relaties lijken te hebben met de priesterlijke theologie en de tempelcultus wijst hij vooral af (in gesprek met Walton), terwijl dit de exegese toch enorm verrijkt. Paul houdt vol dat de Bijbel een traditie kent onafhankelijk van de Umwelt, wat me moeilijk vol te houden lijkt na lezing van bijvoorbeeld Korpel/De Moor, ‘Adam, Eve, and the Devil’ (2015), waarin allerlei kanaanitische literaire verbanden worden aangewezen. Ik vind het vreemd als een oudtestamenticus zich afsluit voor de mogelijkheid van nieuwe/andere inzichten in de tekst van het Oude Testament. Volgens mij hangt dit samen met een gebrekkige doordenking van hermeneutische vragen, want dit boek kent helaas geen hoofdstuk dat daaraan expliciet gewijd is.
Interessant genoeg eindigt het boek van Paul met veel meer ruimte dan je zou denken: hij roept op tot verdere discussie en trekt alleen een streep bij de historiciteit van Adam en Eva en de zondeval. Dat zijn kernzaken, waarmee het christelijk geloof staat of valt, maar de rest (incl. deep time en evolutietheorie!) valt onder de adiaphora waarover het niet erg is als christenen van mening verschillen! Als dat de conclusie is, dan is dat winst en is het verschil tussen Paul en Van de Brink helemaal niet zo groot als gedacht.

(Overigens zou het boek een stuk leesbaarder zijn geworden als het redactieproces scherper was verlopen. Verschillende hoofdstukken en paragrafen dragen nauwelijks bij tot de discussie. Zie een paragraaf van 1 zin over de kosmologie van de Hethieten :-). En vaak wordt voor argumenten verwezen naar literatuur, zonder het argument ook daadwerkelijk uit te werken, waardoor het een soort ‘gezagsargumenten’ worden, die moeilijk voor de lezer te controleren zijn. Hiermee samen hangt onduidelijkheid over de ‘status’ van dit boek: is het geschreven voor leken, theologen of natuurwetenschappers? Veel informatie mag bij wetenschappers al bekend verondersteld worden, terwijl veel voor leken niet op waarde geschat kan worden.)

Advertenties

Demonologie in de dop

Recensie van: G.C. Vreugdenhil, Geestelijke strijd in de kracht van Jezus: Gelovig weerstand bieden aan de boze, Artios-reeks, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2017, 214 pag.

Fascinerend en soms bevreemdend is het nieuwe deel in de Artios-reeks van de hand van dr. G.C. Vreugdenhil over geestelijke strijd. In drie delen bespreekt de auteur zijn thema. Allereerst schetst hij dat het in de Bijbel gaat over een strijd tussen goed en kwaad op aarde. Natuurlijk is God koning over de aarde, maar de duivel heeft de schepping ‘bezet’ (36), omdat wij mensen de deur voor hem opengezet hebben bij de zondeval. ‘Eeuwenlang heeft hij ‘ongestoord’ zijn heerschappij over deze wereld kunnen uitoefenen en waren de koninkrijken van deze wereld in zijn macht.’ (47) Tot Jezus aan het kruis de definitieve overwinning bepaalde en de claim van de kwade machten over ons leven tenietdeed. Vreugdenhil noemt dit D-Day, en nog geen V-Day, want de duivel heeft het niet opgegeven om Christus en zijn volgelingen dwars te zitten. In het tweede deel bespreekt hij de strategie en listen van de duivel om op allerlei manieren opnieuw voet tussen de deur te krijgen in ons leven. Vreugdenhil neemt de verzoeking van Jezus in de woestijn als blauwdruk voor het verleidingswerk van satan bij de gelovige. Zo komt hij op thema’s als zwakke plekken, geloofstwijfel, (seks)verslavingen, onmin in de gemeente, dwaalleer, maar ook wetticisme en regelrecht occultisme bij ons of vorige generaties (generatievloek, 134). De duivel stimuleert en gebruikt deze dingen als toegangspoort tot ons leven. Tot slot bespreekt de auteur de middelen die we hebben om weerstand te bieden aan de boze. Allereerst moet het de gelovige dan duidelijk zijn dat hij in Christus veilig is. Ten tweede moet de gelovige zich bewust zijn van de geestelijke strijd in zijn eigen hart en denken en daar actief in participeren. Ten derde neem je deel aan de strijd in de wereld door de geestelijke wapenrusting te gebruiken, waarvan het gebed het belangrijkste is.

Waardering verdient Vreugdenhil voor zijn passie en inzet om bij ons tussen de oren te krijgen dat de navolging van Christus met strijd gepaard gaat. Deze metafoor van de strijd heeft absoluut bijbelse papieren, zoals ruimschoots duidelijk wordt uit dit boek. Hoewel, zoals de auteur schrijft (p. 15), bijbelgetrouwe christenen het bestaan van de duivel daarbij niet zullen ontkennen, speelde hij echter hoogstens een bijrol. Klassiek hebben wij immers de strijd tegen ‘duivel, wereld en ons eigen vlees’ (HC ant. 127), maar de duivel was daarbij wel (terecht?) de minste van onze zorgen. Pas de laatste jaren is voor ‘demonologie’ (de leer omtrent demonen/duivel) meer aandacht door publicaties uit evangelisch-charismatische kring en ten onzent o.a. dr. M.J. Paul en de praktijk van het ‘bevrijdingspastoraat’. Voor Vreugdenhil zelf was er ook de bijzondere zendingservaring van Chili nodig om hiervoor meer oog te krijgen.

Het gebodene in het dit boek is dus (nog) geen gemeengoed en daarom had een hoofdstuk over bijvoorbeeld verschillende wereldbeelden en in hoeverre spreken over demonen cultuurbepaald is, niet misstaan om een gemeenschappelijk vertrekpunt te creëren. Verder komen veel opmerkingen in het boek als kort door de bocht over. Bijvoorbeeld dat loskomen uit de macht van de duisternis een levenslang proces kan zijn (p. 34). Of zelfs te maken kan hebben met generaties voor ons (p. 134). En wie zegt eigenlijk dat de duivel gedachten van gelovigen kan lezen en dingen in kan fluisteren? (pp. 68, 113, 114, 127, etc.). Ik heb daar bijbels en theologisch grote vraagtekens bij. Problematisch is verder dat veel van de ‘bewijsteksten’ die Vreugdenhil gebruikt, op zijn minst voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

De gedachte bijvoorbeeld dat achter de goden van het heidendom demonen schuilgaan, zou je af kunnen leiden uit Ps 82, zoals hij doet, maar veel waarschijnlijker is het een oud-oosterse voorstelling van zaken. Het bewustzijn dat de HEERE de énige God is, is namelijk pas langzaam doorgedrongen. Zeker in de tijd van Mozes t/m de ballingschap was het grootste deel van Israël ervan overtuigd dat de HEERE wel hún God was die ze moesten dienen, maar dat er ook andere goden bestonden. Zuiver monotheïsme vinden we pas laat in het Oude Testament. In Jesaja 44 vinden we dan zelfs de voorstelling dat afgoden daadwerkelijk nietsen zijn. Ook Paulus’ spreken over de kwade machten is voor meerdere uitleg vatbaar, want die zijn niet per se ‘persoonlijk’, maar omvatten ook de macht van de zonde, de dood, dwaalleer, vervolging, etc.. Wat aan de afgoden geofferd is, kan hij daarom beschrijven als ‘geofferd aan de demonen’, maar aan de andere kant ook verklaren dat dat allemaal niet meer relevant is voor de gelovige.

Persoonlijk zie ik dan ook veel meer in de houding van Van de Brink & Van de Kooi (Christelijke Dogmatiek, pp. 303-307) die stellen dat we vanuit de Bijbel niet zoveel over de duivel weten, en dat dat ook precies de plek is die de duivel toekomt als onpersoon. Over het geheel genomen lijkt Vreugdenhil nu in de valkuil getrapt te zijn, die hij wilde vermijden, namelijk het overschatten van de macht van de boze (15). ‘De figuur van de duivel speelt feitelijk de rol van tegenmacht, waarmee men in het geloof voortdurend in de weer is. Daartegenover stellen we dat dit niet de houding is van het geloof.’ (VdB & VdK, 305).

Het zou fijn zijn geweest als Vreugdenhil meer ruimte had besteed aan het bespreken van andere interpretaties. Een waakzame houding tegenover occultisme is op zijn plek, maar de toerusting over de geestelijke strijd tegen de duivel vergt meer nuance dan de auteur ons biedt in dit boek. Het lijkt mij dan ook goed als een open gesprek over deze thematiek op gang komt binnen onze kring.

(Verscheen eerst in: De Waarheidsvriend, 35/2017)

Leeservaring: Van den Brink – En de aarde bracht voort

Sinds ik in 2002 zelf biologie ging studeren en geconfronteerd werd met de overweldigende bewijslast voor de evolutietheorie, wachtte ik al op dit boek. Tot nu toe combineerde ik zelf al het geloof in schepping en evolutie met elkaar (zie deze preek uit 2012 over Genesis 1; en over schepping en evolutie uit 2014). Ik merkte dat ik er soms raar op aan werd gekeken. Want vaak worden scheppingsgeloof en evolutietheorie met elkaar in tegenspraak geacht. Dat dat niet zo is, bewijst dit boek. Grondig en creatief combineert Van den Brink in dit boek orthodox-christelijk geloof en evolutie. Is dat mogelijk? Ja, dat is mogelijk. Het is heel knap dat de auteur laat zien de belangrijkste uitdagingen niet liggen in de scheppingsleer, maar in de hermeneutiek, theodicee, theologische antropologie en voorzienigheidsleer. Dit verbreedt de discussie en zet het ook in de juiste proporties.

De auteur doet dat ook op uiterst sympathieke wijze. Het debat over geloof en wetenschap tussen gelovigen en atheïsten – maar ook tussen gelovigen onderling – wil nog wel eens emotioneel gevoerd worden. Om bij voorbaat alle weerstand weg te nemen, gaat Van den Brink daarom uit van een puur hypothetisch standpunt: “Stel dat de evolutietheorie juist is, moeten wij dan bepaalde geloofswaarheden opgeven?” Zo kan iedereen met hem meelezen en -denken zonder zijn eigen positie onmiddellijk op te geven. Heel eerlijk en zorgvuldig is hij ook over zijn eigen huidige positie in 3 lagen die op elkaar verder bouwen:

  1. Deep time (de tijdschaal van miljoenen jaren): empirisch buitengewoon sterk (geologie, astronomie)
  2. Tree of life (gemeenschappelijke afstamming): gevestigde status en aannemelijk (fossielen, genetica)
  3. Survival of the fittest (natuurlijke selectie): serieuze wetenschappelijke discussie
    • NB. ‘fit’ is niet ‘de sterkste’, maar de ‘best aangepaste’, dus kan ook ‘meest sociale’ zijn…

Ik hoop dat in reacties vanuit orthodox-christelijke kring en dan vooral de ‘jongeaardecreationisten’ door zal klinken dat ze dit boek echt hebben gelezen en overwogen. Maar omdat een voor hen bepaalde geliefde manier van Bijbellezen ter discussie staat (‘letterlijk’ of ‘prima facie’) zal het moeilijk worden echt open te staan. Hierin ligt ook een beetje het tekort van dit boek, namelijk dat het geen goed alternatief biedt voor hoe we Genesis 1-3 dan wél moeten lezen. Dat kan Van den Brink niet aangerekend worden: hij is dogmaticus en geen bijbelwetenschapper. Het zou fijn zijn als er een orthodox-christelijke oudtestamenticus de handschoen op zou nemen en Genesis 1-11 uit zou leggen vanuit dit nieuwe evolutionair-creationistische wereldbeeld.

N.a.v. Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voor: Christelijk geloof en evolutie, Utrecht: Boekencentrum, 2017, 364 pag.

Leeservaring: Den Admirant: Hij is niet ver

Het thema van Gods aan- of afwezigheid is een hot issue binnen en buiten de kerk. De auteur bedoelt ook op die vragen in te gaan. Maar door de opzet van het boek, waarin niet gestart wordt vanuit onze vragen, maar massief vanuit de openbaring en theologie, lijken juist die vragen niet echt serieus genomen te worden.
Natuurlijk kun je vanuit de Bijbel stellen dat God zich openbaart en van zich laat horen, theologisch is dat juist, maar het rare is dat dat voor moderne mensen nauwelijks nog geloofwaardig is. Als antwoord op de secularisatie en onze moeite met geloven wijst Den Admirant op de opwekkingsbewegingen van de 18e en 19e eeuw met de conclusie dat de Heilige Geest uiteindelijk degene is die onze geestelijke luiheid moet doorbreken. Ook dat is theologisch correct, maar geeft geen dieper inzicht in waar onze geestelijke luiheid in onze postmoderne tijd nu eigenlijk vandaan komt. Het boek spoort aan om Gods aanwezigheid te zoeken in kerkdienst, gebed en bijbellezen, en dat is te prijzen, maar als niet een spa dieper gekeken wordt naar de oorzaken van het betekenisverlies (zie: Wisse – Zo zou je kunnen geloven) van juist die traditionele heilsmiddelen, helpt dit niet veel verder.
Omdat er commentaar kwam op de eerste druk, heeft de auteur in deze tweede druk een hoofdstuk toegevoegd waarin hij meer ingaat op het gevoel van de afwezigheid van God. Echter, dit is meer een pastoraal hoofdstuk, dan een theologische verdieping. Daarvoor kun je beter terecht bij Plaisier – Overvloed en overgave.
De indeling van het boek in ultrakorte hoofdstukjes en kleine verdiepingen maakt dat je er niet echt lekker in komt en dat geen enkel thema echt de ruimte krijgt die het nodig heeft. De schrijfstijl is verder wel erg afstandelijk en prekerig. De tweede ster krijgt de auteur van mij dan ook alleen cadeau omdat ik wel zijn positieve intentie proef om met deze thema’s bezig te zijn, en zijn verlangen naar meer aanwezigheid van God.

Leeservaring: Karl Marlantes – Oorlog voeren

Marlantes is Vietnamveteraan en dat merk je in dit boek: hij schrijft niet als ethicus of vanuit een religieuze traditie prescriptief over hoe je een oorlog zou moeten voeren, maar beschrijft vanuit zijn eigen ervaring wat een oorlog in al zijn realisme met de menselijke geest doet.

12617_4f5db1b41596d_12617Mij trof vooral zijn eerlijkheid over de aantrekkelijkheid van oorlog. De adrenaline, jezelf helemaal kunnen laten gaan, het machtsgevoel, geweld, doodsangst, de blinde razernij: de oorlog heeft een magnetische aantrekkingskracht die we allemaal voelen (zeker als man), in de antieke cultuur gepersonifieerd in de oorlogsgod Mars/Ares/Wodan. Net als seks en religie heeft oorlog voeren een transcendente en heilige dimensie: je kunt er boven jezelf uitstijgen. Het ontkennen daarvan is een verdringing die tot grote rampen leidt: oorlog is niet zomaar een ‘diplomatiek instrument’ dat klinisch ingezet kan worden door beleidsmakers. Regelmatig stelt dat Marlantes dat ook de politici die tot oorlog besluiten, moeten beseffen dat ze bloed aan hun handen hebben.

Oorlog is hel, we moeten het niet mooier maken dan het is.
Marlantes pleit ervoor dat daarom in de opleiding van militairen veel meer aandacht moet zijn voor spirituele en psychische vorming om deze ‘duistere’ kant van onszelf te kennen en kanaliseren, zoals gebruikelijk was. Het moet duidelijk zijn dat ‘ethisch militair’ zijn een contaminatie is: als militair heb je al twee basale ethische keuzes gemaakt: 1. Je hebt partij gekozen. 2. Je bent bereid mensen te doden om anderen te beschermen tegen geweld. Militairen moeten leren om met de gevolgen van die keuzes te leven, en dat is synoniem aan leven met een verscheurde geest: doden leidt onvermijdelijk ook tot schuldgevoel, verdriet, loyaliteitsconflicten. Je hebt om dat te verwerken rituelen nodig.

Het is de kunst, volgens Marlantes, om ook tíjdens een oorlog je niet over te geven aan ‘wij-zij’ denken, maar de tegenstander te blijven zien als mens en die respectvol te bestrijden. Je doodt omdat het moet, en soms moet het. Het is bij de verwerking van ‘het doden’ heel belangrijk dat militairen hun handelen in een groter kader kunnen plaatsen, zodat we wéten waar ze voor vechten en offers voor brengen. De samenleving moet daarom veteranen ruimte geven om hun verhaal te kunnen doen in alle rauwheid, zonder daarvoor terug te schrikken, zoals in de epische verhalen van vroegere culturen.

Als protestants geestelijk verzorger bij de krijgsmacht heb ik dit boek met grote interesse gelezen, want juist voor onze tak van spirituele sport blijkt nog veel werk te doen te zijn. Helaas is Marlantes nogal negatief over zijn ervaringen met geestelijk verzorgers: die waren geen ‘militair’, geen ingewijden in de oorlog, geen ‘lid van de club’ en daarom machteloos in spirituele leiding. Dit mechanisme werkt ook bij onze eigen Defensie: geestelijk verzorgers zonder uitzendervaring horen er nog niet echt bij. Je gaat bijna wensen om zelf ook snel een oorlog mee te mogen maken, een geluid dat ik ook van veel beginnende manschappen hoor.

Theologisch leer ik ervan dat we de huidige allergie voor geweld (ook in de Bijbel) met argusogen moeten bekijken. We leven nog niet in Gods nieuwe en volmaakte wereld, en we moeten dan ook niet idealistisch doen alsof. Allergie voor bloed, dood en geweld kan alleen maar bestaan bij mensen die nooit een oorlog hebben meegemaakt en/of die zich niet voor kunnen stellen dat je voor een hoger doel (de samenleving, de liefde, het recht) je leven zou willen geven. Dat is leunstoel spiritualiteit of comfortchristendom. Voor christenen is het geweld en de dood op Golgotha van Jezus aan het kruis het beste bewijs dat de hel een hemel kan worden.

n.a.v. Karl Marlantes, Oorlog voeren, Meulenhoff: Amsterdam,  2012.

Leeservaring: Tijd om mee te gaan: over discipelschap vandaag

Tijd om mee te gaanTijd om mee te gaan by Wim Dekker

My rating: 3 of 5 stars

Een laagdrempelig boek dat het thema ‘discipelschap’ eenvoudig en evenwichtig introduceert. Ik las het als voorbereiding op een jeugddienst over ‘kruisdragen’ (Lk 14,27). In het korte bestek van de hoofdstukjes komen weinig nieuwe/originele zaken aan bod, maar de bekende bronnen: uitspraken van Jezus en de apostelen, Luther en Bonhoeffer. De auteurs doen vragenderwijs veel aanbevelingen om het gemeenteleven in te richten als oefenplaats voor het leven met Jezus Christus, want het lastige van discipelschap is dat het een relationeel begrip is (‘betrokkenheid op Jezus’), en daarom moeilijk normatief uit te werken in de praktijk van alledag. Dan krijgt het immers al snel iets activistisch en moralistisch. Toch komt dan wel de vraag op of we profetisch onze tijdgeest niet meer en absoluter kunnen duiden. Jongeren (en ook laagopgeleiden, die moeite hebben met zelfstandig leren) kunnen een beetje sturing wel gebruiken, terwijl het gevaar voor hogeropgeleiden is dat ieder zijn eigen keuzes maakt en het grotere verband van de gemeente verdwijnt. De vraag is dus: Welke weg gaat Jezus vandaag?!

View all my reviews

Leeservaring: Van de Beek – Een lichtkring om het kruis

Een lichtkring om het kruis: Scheppingsleer in christologisch perspectiefEen lichtkring om het kruis: Scheppingsleer in christologisch perspectief by A. van de Beek

My rating: 2 of 5 stars

De theologische grondlijn van het boek is prachtig: we moeten de schepping niet idealiseren en romantiseren. Door de schepping van meet af aan op Christus de Gekruisigde te betrekken, nemen we het lijden en de gebrokenheid serieus. Alleen op deze manier is vervolgens ook goed over verlossing, vrijheid, genieten en rust te spreken. Van de Beek voert hiervoor een keur aan bijbels-theologische en patristische argumenten ten tonele.
Het is alleen erg jammer dat het boek op mij rommelig en wijdlopig overkomt. Er is niet de tijd genomen voor een goede redactie (‘schrijven is schrappen’). Daardoor komen telkens dezelfde gedachten terug en is het lezen wat vermoeiend. Daarnaast ontstaat de indruk dat de auteur niet echt in gesprek is met andere theologen, maar alleen citeert (en soms ombuigt) wat in zijn eigen model van pas komt.

View all my reviews